Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8181

2026-08-26 Bestuursrecht BRE 26/2807
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-26
Publicatiedatum
2026-08-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 26/2807
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

NTB KINDER - aanvraag CWS; CWS is geen bestuursorgaan

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.264 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Bestuursrecht


zaaknummer: BRE 26/2807


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2026 in de zaak tussen



[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. L.L. Ross),


en




Dienst Toeslagen, verweerder.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek (aanvraag) van 30 december 2024, dan wel 5 maart 2025 om aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS).



1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.




Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.



Is het beroep kennelijk gegrond?


3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres stelt dat zij de aanvraag heeft ingediend op 30 december 2024 en anders in ieder geval op 5 maart 2025. De rechtbank maakt uit het dossier op dat de CWS met het e-mailbericht van 12 februari 2025 de ontvangst van de aanvraag heeft bevestigd aan de gemachtigde van eiseres. Verweerder moet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen op de aanvraag.Verweerder had dus in ieder geval op 12 augustus 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft verweerder op 22 april 2026 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op 24 april 2026 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.

4. Verweerder voert in zijn verweerschrift van 11 juni 2026 aan dat het beroep niet-ontvankelijk dan wel ongegrond dient te worden verklaard. Volgens verweerder heeft eiseres namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij zich daadwerkelijk heeft gemeld bij de CWS. Uit navraag bij de CWS volgt dat de gemachtigde namens eiseres een verzoek heeft toegestuurd. In reactie daarop heeft de CWS op 12 februari 2025 medegedeeld dat het verzoek slechts in behandeling kan worden genomen als meer informatie wordt verstrekt. Daarbij is aangegeven dat de deadline voor het verstrekken van het ingevulde verzoekformulier is verlengd naar 31 maart 2025. Tot op heden is door de CWS geen ingevuld verzoekformulier ontvangen. Hierdoor heeft eiseres geen dossier. Aanmelding geschiedt immers door een direct aan de CWS gericht verzoekformulier in te vullen en te verzenden naar het juiste adres. Dat in de e-mail van de CWS van 12 februari 2025 is verzocht om het ingevulde verzoekformulier te overleggen, zodat het verzoek in behandeling kan worden genomen, kan niet als onredelijk worden beschouwd. De CWS kan immers de werkelijke schade pas onderzoeken op het moment dat het verzoekformulier is ingevuld en de daarbij gevraagde stukken zijn overlegd, zodat zij tot een zorgvuldig advies kan komen.

5. De rechtbank stelt vast dat de CWS een adviseur is als bedoeld in artikel 3:5 van de Awb. De CWS is dus geen bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1 van de Awb. De mededeling van de CWS dat de aanvraag niet in behandeling kan worden genomen als het verzoekformulier niet wordt ingevuld, is dus geen besluit op de aanvraag. Dat de aanvraag (op het moment van indienen) volgens verweerder niet in behandeling kon worden genomen, neemt niet weg dat verweerder wel op tijd op deze aanvraag had moeten beslissen.



Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?


6. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.


6.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.



6.2.
In haar uitspraak van 3 juni 2026 heeft de Afdeling geoordeeld hoe zij vanaf die datum omgaat met het bepalen van de duur van de nadere beslistermijn in beroepen tegen het niet op tijd nemen van een besluit op aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wht. De Afdeling overweegt dat er gezien de huidige omstandigheden geen mogelijkheid is om vast te stellen welke nadere beslistermijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is. Daarbij is meegenomen dat de besluitvorming in deze aanvraagfase volledig is vastgelopen, terwijl de ingezette versnellingsmaatregelen in de huidige vorm op gespannen voet staan met doel en strekking van de Wht. De Afdeling bepaalt daarom dat moet worden teruggevallen op de wettelijke beslistermijn, waarbij een bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend moet maken. Onder de huidige omstandigheden is er volgens de Afdeling ook geen aanleiding om bij voorbaat uitzonderingen te formuleren met betrekking tot tijd die is gemoeid met alternatieve hersteltrajecten of bedenktijd.



6.3.
De rechtbank sluit zich hierbij aan en ziet in dit individuele geval geen bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven om hiervan af te wijken. Dit betekent dat verweerder binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.



Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?

7. Bij een gegrond beroep bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft om de uitspraak na te leven. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere voorziening treffen.




7.1.
In voornoemde uitspraak van 3 juni 2026 heeft de Afdeling geoordeeld dat onder de huidige omstandigheden de nadere dwangsom die aan een uitspraak op een beroep over het niet op tijd beslissen op een aanvraag voor aanvullende compensatie wordt verbonden, op nihil moet worden gesteld. De Afdeling is ervan overtuigd dat het bij de huidige stand van zaken contraproductief werkt om dwangsommen aan verweerder op te leggen, omdat daardoor overmatig capaciteit wordt besteed aan beroepen die zijn gericht tegen het niet op tijd nemen van een besluit, terwijl deze capaciteit moet worden besteed aan de inhoudelijke besluitvorming. De huidige praktijk rondom besluitvorming is dusdanig ontspoord, dat het niet zinvol is om een financiële prikkel op te leggen.



7.2.
De rechtbank sluit zich hierbij aan en ziet geen aanleiding om in deze zaak daarvan af te wijken. Dit betekent dat de nadere dwangsom op nihil zal worden gesteld.



Conclusie en gevolgen


8. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen en aan verweerder geen dwangsom wordt opgelegd.



8.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;


draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;




bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;


veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.





Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 26 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.













griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.


Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.


Dit staat in artikel 6.2, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen


Volledigheidshalve verwijst verweerder naar de website: https://www.werkelijkeschade.nl/documenten/formulieren/2024/07/08/verzoekformulier


Artikel 3, tweede lid, van de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade.


Volgens artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is een besluit namelijk afkomstig van een bestuursorgaan.


ECLI:NL:RVS:2026:3192


Artikel 8:55d, tweede en derde lid, van de Awb.