Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8178
2026-08-07
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
BRE 25/3215
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Omgevingsvergunning bouw, uitweg en afwijken bestemmingsplan op goede gronden verleend. Het beroep is ongegrond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2024:44 Raad van State 10-01-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (22.419 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3215
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] uit [plaats] (de vergunninghoudster).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor de bouw van twee woningen, het wijzigen van een uitweg en het afwijken van het bestemmingsplan. Aan de buren van eisers is een verginning verleend om twee-onder-een-kap woningen te realiseren. Eisers zijn het niet eens met de bouw van de woningen en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college in redelijkheid heeft kunnen komen tot het verlenen van de omgevingsvergunningen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de vergunningen op goede gronden zijn verleend. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en procesverloop
2. Eisers zijn woonachtig aan [adres 1] .
2.1.
De vergunninghoudster is woonachtig aan [adres 2] . Zij is voornemens de huidige woning op het perceel te slopen en daar twee-onder-een-kap woningen te realiseren. Daarbij wordt aan de zijde van eisers een uitweg gemaakt.
2.2.
Vergunninghoudster vraagt op 31 december 2023 een omgevingsvergunning aan.
2.3.
Het college volgt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. In het kader van deze procedure heeft het college een ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage gelegd. Eisers en andere omwonenden dienen hierop een zienswijze in.
2.4.
Op 17 april 2025 reageert het college op de zienswijzen.
2.5.
Op 28 april 2025 verleent het college de omgevingsvergunning aan de vergunninghoudster. De omgevingsvergunning ziet op de activiteiten: het bouwen van een bouwwerk, het afwijken van het bestemmingsplan en het maken, hebben of veranderen van een uitweg.
2.6.
Eisers stellen beroep in tegen de verleende omgevingsvergunning. De gronden van het beroep zien op de wijze waarop de zienswijze is afgehandeld en de weerlegging van de zienswijze.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college en de vergunninghoudster.
Beoordeling door de rechtbank
Wettelijk kader
3. Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Die wet is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing op een besluit op een aanvraag die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. De aanvraag voor een omgevingsvergunning in deze zaak is ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
3.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Omgevingsvergunning en afwijkingsbevoegdheid
4. De Wabo kent in artikel 2.10 een verplicht toetsingskader. Kort gezegd betekent dit dat het college moet toetsen of het bouwplan voldoet aan het bouwbesluit, de bouwverordening, het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. Als er geen sprake is van strijd met één van deze weigeringsgronden moet het college de vergunning verlenen. Als zich één van deze weigeringsgronden voordoet, is het college in beginsel verplicht de omgevingsvergunning voor het bouwen te weigeren.
4.1.
Op het perceel van vergunninghoudster is het onherroepelijke bestemmingsplan Schouwen-Duiveland van toepassing. Het bestemmingsplan staat op het perceel van vergunninghoudster één woning toe. Daarnaast is voor de schuur een hoogte van maximaal zes meter toegestaan Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat op het perceel twee woningen worden gerealiseerd. Daarnaast wordt de hoogte van de schuur met 8 centimeter overschreden. Het college is verplicht te onderzoeken of er alsnog een vergunning kan worden verleend. In dit geval heeft het college gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Wabo biedt om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bestemmingsplan.
4.2.
Voor de afwijking van het bestemmingsplan is toestemming verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en sub a, onder 3°, van de Wabo. Op grond van dit artikel kan een omgevingsvergunning worden verleend, mits is voldaan aan de voorwaarden die in dat artikel zijn opgenomen. Dat betekent onder meer dat een goede ruimtelijke onderbouwing is vereist en dat het besluit in overeenstemming moet zijn met een goede ruimtelijke ordening.
Standpunt van eisers
4.3.
In de zienswijze voeren eisers aan dat strijdigheid met het bestemmingsplan voor hen onacceptabel is. Het gaat eisers daarbij vooral om de omvang van de woningen. Door te bouwen op de erfgrens zullen de buren aan weerszijden verdrukt worden. De doorgang zal, vooral bij de schoorsteen, te smal zijn. Daarbij zal de hoogte van de berging zorgen voor een belemmering van de afvoer van rookgassen van de houtkachel van eisers. Zowel de berging als de woningen zullen hoger zijn dan de woning van eisers. Dit leidt tot hinder vanwege een afname van zonlicht waardoor het woongenot van eisers zal afnemen. Verder voeren eisers aan dat geen uitsluitsel is gegeven over de lozing van hemelwater aan de voorkant van de berging. Eisers vrezen dat het hemelwater rechtstreeks naar het perceel van eisers zal lopen, omdat de grond daar 10 centimeter afloopt. Daarbij blijkt uit het bouwplan dat er een goot boven het perceel van eisers geplaatst wordt. Dat is niet toegestaan.
Standpunt van het college
4.4.
Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat in de ruimtelijke onderbouwing voldoende wordt gemotiveerd waarom het realiseren van twee woningen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In de ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd wat het effect is van de extra woning op het desbetreffende perceel. Hiervoor heeft een watertoets plaatsgevonden, is er stikstofonderzoek verricht en is een quickscan uitgevoerd naar de effecten op de natuur. Op basis daarvan kon de omgevingsvergunning worden verleend. Wat de overschrijding van de maximumhoogte van de schuur betreft stelt het college dat dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van eisers. De overschrijding is zo gering dat geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening.
Overweging van de rechtbank
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en het de betrokken belangen moet afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank toetst of het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de omgevingsvergunning te verlenen.
4.6.
Het college heeft moeten toetsen of met de afwijking van het bestemmingsplan sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Binnen dit kader is ruimte voor een belangenafweging. De beoordeling betreft dus een afwijking van acht centimeter van de hoogte van de berging en het toevoegen van een extra woning. In de ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd weergeven wat het effect is van de extra woning. De rechtbank acht deze motivering voldoende. Hetgeen eisers verder aanvoeren ziet niet zozeer op realiseren van de tweede woning, maar op de omvang van de bebouwing en de plaats op het perceel. Het college heeft bij zijn afweging mogen betrekken dat als vergunninghoudster één woning zou bouwen, deze woning volgens het bestemmingsplan dezelfde omvang zou mogen hebben en ten opzichte van de woning van eisers op dezelfde afstand zou mogen worden gebouwd. Dat maakt dat het feit dat er op de grens gebouwd wordt en de afstand tussen de woningen en de woning van eisers kleiner wordt niet een belang waaraan het college nu nog een zwaar gewicht moest toekennen. Wat de afvoer van hemelwater betreft, is door het college gereageerd op eisers zienswijze. De stelling dat hier geen uitsluitsel over is gegeven volgt de rechtbank dus niet. Daarbij heeft het college benadrukt dat de goot niet boven het perceel van eisers komt.
4.7.
Wat de afwijking van de hoogte van de schuur betreft, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat het college niet in redelijkheid tot de gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. De rechtbank is het met het college eens dat eisers niet in hun belangen zijn geschaad met een overschrijding van acht centimeter.
4.8.
Het college heeft in redelijkheid kunnen komen tot het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouw en afwijking van het bestemmingsplan.
Uitweg
5. De omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg is verleend op grond van artikel 2.12 van de Algemene plaatselijke verordening Schouwen-Duiveland 2015 (hierna: de APV). Op grond van deze bepaling kan een vergunning slechts worden geweigerd als zich één of meer van de omschreven weigeringsgronden voordoen. Is dit niet het geval, dan zijn burgemeester en wethouders verplicht de vergunning te verlenen. Dit is door het college vervolgens getoetst aan de ‘Beleidsregels inzake het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan veranderen gemeente Schouwen-Duiveland 2021’. In de toelichting van de beleidsregels staat vermeld dat bij de beoordeling van een aanvraag wordt gekeken of desbetreffende uitweg ten koste gaat van de bruikbaarheid of het veilig gebruik van de weg.
5.1.
Eisers hebben aangevoerd dat het verleggen van de uitrit zorgt voor een gevaarlijke situatie. Bestuurders zouden voetgangers niet zien aankomen, wat een kans op ongelukken op zou leveren.
5.2.
Het college stelt dat de aangevraagde uitrit is getoetst aan het geldende beleid. Hierbij is expliciet gekeken naar de verkeersveiligheid. Uit de toetsing is gebleken dat sprake is van een verkeerskundig aanvaardbare situatie.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid kunnen komen tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor de aangevraagde uitrit. Door eisers is gesteld maar niet onderbouwd dat sprake zou zijn van een gevaarlijke situatie. De rechtbank volgt eisers hier niet in. De aanvraag is getoetst aan zowel de APV als het geldende beleid. Uit het beleid volgt dat verkeersveiligheid expliciet getoetst wordt wanneer wordt overwogen een omgevingsvergunning te verlenen. Niet blijkt dat de toetsing niet of op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden. Bovendien blijkt uit de reactie van het college op de zienswijzen dat verkeerskundig advies is gevraagd alvorens de vergunning te verlenen.
5.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen?
De wijze van afhandeling van de zienswijze
6. Eisers voeren aan dat zij onterecht niet zijn ingelicht over de procedure, waardoor zij niet in staat zijn geweest in te spreken bij de raadsvergadering. Zij hebben hun standpunt niet kunnen toelichten en voelen zich daardoor tekortgedaan.
6.1.
Het college stelt dat aan de wettelijke kennisgevingsplicht is voldaan. Er is geen verplichting belanghebbenden te informeren over inspraakmomenten bij de raadscommissie of de raad.
6.2.
De rechtbank volgt eisers niet in hun beroepsgrond. Zowel de Wabo als de Awb vereisen niet dat aan indieners van een zienswijze nog de mogelijkheid wordt geboden over dat onderwerp in te spreken bij de raadscommissie of de raad. Dat de gemeenteraad die gelegenheid in andere gevallen wel biedt en dat dat hier verzuimd is, maakt daarom niet het bestreden besluit om die reden vernietigd kan worden.
Belangenverstrengeling
6.3.
Op grond van artikel 2:4, tweede lid, van de Awb waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden. In artikel 28 van de Gemeentewet is geregeld dat een raadslid zich dient te onthouden van stemmingen en beraadslagingen bij zaken die hem persoonlijk aangaan. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat het bestuursorgaan zijn taak uitvoert zonder vooringenomenheid. De conclusie dat het betrokken bestuursorgaan in strijd met deze bepaling een besluit heeft genomen, kan pas worden getrokken, als zich bijkomende omstandigheden voordoen die maken dat de behartiging van een persoonlijk belang van een raadslid in het bijzonder aan de orde is bij het besluitvormingsproces.
6.4.
Eisers stellen dat de vader van aanvrager, die raadslid is bij de gemeente Schouwen-Duiveland, invloed heeft kunnen uitvoeren op de besluitvorming. Dit vinden zij oneerlijk, temeer nu zij niet in de gelegenheid zijn gesteld in te spreken. Hierdoor is de beslissing niet op eerlijke wijze tot stand gekomen.
6.5.
Het college voert aan dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van oneigenlijke beïnvloeding door een familielid. Door eiser zijn geen concrete aanwijzingen gegeven waar dit uit zou kunnen blijken.
6.6.
De rechtbank oordeelt dat eisers onvoldoende hebben aangevoerd om tot de conclusie te komen dat sprake is van belangenverstrengeling. Het college heeft onbetwist gesteld en onderbouwd dat het desbetreffende raadslid niet heeft deelgenomen aan beraadslaging en stemmingen over de omgevingsvergunning voor de Burghse Ring 21/21a. Zo blijkt ook uit de raadsverslagen. Uit hetgeen eisers hebben aangevoerd blijkt verder niet van bijkomende omstandigheden die zouden kunnen leiden tot belangenverstrengeling.
Burgerparticipatie
6.7.
Eisers voeren aan dat het contact dat in de voorfase met vergunninghoudster heeft plaatsgevonden niet kan worden gekwalificeerd als burgerparticipatie. Eisers hebben de bouwtekeningen pas gezien nadat de gemeente al had aangegeven daarmee akkoord te gaan. Aan de bezwaren en suggesties van eisers werd niet tegemoetgekomen.
6.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat burgerparticipatie in deze procedure geen verplichting is geweest. De Wabo heeft geen rechtsregel die een dergelijke verplichting inhoudt.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beslissing op bezwaar in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van mr. drs.R.J. Wesel, griffier, op 7 augustus 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De griffier is niet in staat om de uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;
b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;
e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of,
in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
APV Schouwen-Duiveland
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:
a. de bruikbaarheid van de weg of het veilig en doelmatig gebruik daarvan;
b. de bescherming van openbare groenvoorzieningen; of
c. als het maken, hebben of veranderen zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats.
3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Zeeland of de waterschapskeur.
4. Het bevoegd gezag kan beleidsregels voor uitwegen vaststellen.
Zie de uitspraak van de Raad van State (RvS) van 10 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:44.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3215
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] uit [plaats] (de vergunninghoudster).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor de bouw van twee woningen, het wijzigen van een uitweg en het afwijken van het bestemmingsplan. Aan de buren van eisers is een verginning verleend om twee-onder-een-kap woningen te realiseren. Eisers zijn het niet eens met de bouw van de woningen en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college in redelijkheid heeft kunnen komen tot het verlenen van de omgevingsvergunningen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de vergunningen op goede gronden zijn verleend. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en procesverloop
2. Eisers zijn woonachtig aan [adres 1] .
2.1.
De vergunninghoudster is woonachtig aan [adres 2] . Zij is voornemens de huidige woning op het perceel te slopen en daar twee-onder-een-kap woningen te realiseren. Daarbij wordt aan de zijde van eisers een uitweg gemaakt.
2.2.
Vergunninghoudster vraagt op 31 december 2023 een omgevingsvergunning aan.
2.3.
Het college volgt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. In het kader van deze procedure heeft het college een ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage gelegd. Eisers en andere omwonenden dienen hierop een zienswijze in.
2.4.
Op 17 april 2025 reageert het college op de zienswijzen.
2.5.
Op 28 april 2025 verleent het college de omgevingsvergunning aan de vergunninghoudster. De omgevingsvergunning ziet op de activiteiten: het bouwen van een bouwwerk, het afwijken van het bestemmingsplan en het maken, hebben of veranderen van een uitweg.
2.6.
Eisers stellen beroep in tegen de verleende omgevingsvergunning. De gronden van het beroep zien op de wijze waarop de zienswijze is afgehandeld en de weerlegging van de zienswijze.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college en de vergunninghoudster.
Beoordeling door de rechtbank
Wettelijk kader
3. Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Die wet is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing op een besluit op een aanvraag die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. De aanvraag voor een omgevingsvergunning in deze zaak is ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
3.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Omgevingsvergunning en afwijkingsbevoegdheid
4. De Wabo kent in artikel 2.10 een verplicht toetsingskader. Kort gezegd betekent dit dat het college moet toetsen of het bouwplan voldoet aan het bouwbesluit, de bouwverordening, het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. Als er geen sprake is van strijd met één van deze weigeringsgronden moet het college de vergunning verlenen. Als zich één van deze weigeringsgronden voordoet, is het college in beginsel verplicht de omgevingsvergunning voor het bouwen te weigeren.
4.1.
Op het perceel van vergunninghoudster is het onherroepelijke bestemmingsplan Schouwen-Duiveland van toepassing. Het bestemmingsplan staat op het perceel van vergunninghoudster één woning toe. Daarnaast is voor de schuur een hoogte van maximaal zes meter toegestaan Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat op het perceel twee woningen worden gerealiseerd. Daarnaast wordt de hoogte van de schuur met 8 centimeter overschreden. Het college is verplicht te onderzoeken of er alsnog een vergunning kan worden verleend. In dit geval heeft het college gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Wabo biedt om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bestemmingsplan.
4.2.
Voor de afwijking van het bestemmingsplan is toestemming verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en sub a, onder 3°, van de Wabo. Op grond van dit artikel kan een omgevingsvergunning worden verleend, mits is voldaan aan de voorwaarden die in dat artikel zijn opgenomen. Dat betekent onder meer dat een goede ruimtelijke onderbouwing is vereist en dat het besluit in overeenstemming moet zijn met een goede ruimtelijke ordening.
Standpunt van eisers
4.3.
In de zienswijze voeren eisers aan dat strijdigheid met het bestemmingsplan voor hen onacceptabel is. Het gaat eisers daarbij vooral om de omvang van de woningen. Door te bouwen op de erfgrens zullen de buren aan weerszijden verdrukt worden. De doorgang zal, vooral bij de schoorsteen, te smal zijn. Daarbij zal de hoogte van de berging zorgen voor een belemmering van de afvoer van rookgassen van de houtkachel van eisers. Zowel de berging als de woningen zullen hoger zijn dan de woning van eisers. Dit leidt tot hinder vanwege een afname van zonlicht waardoor het woongenot van eisers zal afnemen. Verder voeren eisers aan dat geen uitsluitsel is gegeven over de lozing van hemelwater aan de voorkant van de berging. Eisers vrezen dat het hemelwater rechtstreeks naar het perceel van eisers zal lopen, omdat de grond daar 10 centimeter afloopt. Daarbij blijkt uit het bouwplan dat er een goot boven het perceel van eisers geplaatst wordt. Dat is niet toegestaan.
Standpunt van het college
4.4.
Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat in de ruimtelijke onderbouwing voldoende wordt gemotiveerd waarom het realiseren van twee woningen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In de ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd wat het effect is van de extra woning op het desbetreffende perceel. Hiervoor heeft een watertoets plaatsgevonden, is er stikstofonderzoek verricht en is een quickscan uitgevoerd naar de effecten op de natuur. Op basis daarvan kon de omgevingsvergunning worden verleend. Wat de overschrijding van de maximumhoogte van de schuur betreft stelt het college dat dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van eisers. De overschrijding is zo gering dat geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening.
Overweging van de rechtbank
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en het de betrokken belangen moet afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank toetst of het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de omgevingsvergunning te verlenen.
4.6.
Het college heeft moeten toetsen of met de afwijking van het bestemmingsplan sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Binnen dit kader is ruimte voor een belangenafweging. De beoordeling betreft dus een afwijking van acht centimeter van de hoogte van de berging en het toevoegen van een extra woning. In de ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd weergeven wat het effect is van de extra woning. De rechtbank acht deze motivering voldoende. Hetgeen eisers verder aanvoeren ziet niet zozeer op realiseren van de tweede woning, maar op de omvang van de bebouwing en de plaats op het perceel. Het college heeft bij zijn afweging mogen betrekken dat als vergunninghoudster één woning zou bouwen, deze woning volgens het bestemmingsplan dezelfde omvang zou mogen hebben en ten opzichte van de woning van eisers op dezelfde afstand zou mogen worden gebouwd. Dat maakt dat het feit dat er op de grens gebouwd wordt en de afstand tussen de woningen en de woning van eisers kleiner wordt niet een belang waaraan het college nu nog een zwaar gewicht moest toekennen. Wat de afvoer van hemelwater betreft, is door het college gereageerd op eisers zienswijze. De stelling dat hier geen uitsluitsel over is gegeven volgt de rechtbank dus niet. Daarbij heeft het college benadrukt dat de goot niet boven het perceel van eisers komt.
4.7.
Wat de afwijking van de hoogte van de schuur betreft, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat het college niet in redelijkheid tot de gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. De rechtbank is het met het college eens dat eisers niet in hun belangen zijn geschaad met een overschrijding van acht centimeter.
4.8.
Het college heeft in redelijkheid kunnen komen tot het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouw en afwijking van het bestemmingsplan.
Uitweg
5. De omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg is verleend op grond van artikel 2.12 van de Algemene plaatselijke verordening Schouwen-Duiveland 2015 (hierna: de APV). Op grond van deze bepaling kan een vergunning slechts worden geweigerd als zich één of meer van de omschreven weigeringsgronden voordoen. Is dit niet het geval, dan zijn burgemeester en wethouders verplicht de vergunning te verlenen. Dit is door het college vervolgens getoetst aan de ‘Beleidsregels inzake het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan veranderen gemeente Schouwen-Duiveland 2021’. In de toelichting van de beleidsregels staat vermeld dat bij de beoordeling van een aanvraag wordt gekeken of desbetreffende uitweg ten koste gaat van de bruikbaarheid of het veilig gebruik van de weg.
5.1.
Eisers hebben aangevoerd dat het verleggen van de uitrit zorgt voor een gevaarlijke situatie. Bestuurders zouden voetgangers niet zien aankomen, wat een kans op ongelukken op zou leveren.
5.2.
Het college stelt dat de aangevraagde uitrit is getoetst aan het geldende beleid. Hierbij is expliciet gekeken naar de verkeersveiligheid. Uit de toetsing is gebleken dat sprake is van een verkeerskundig aanvaardbare situatie.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid kunnen komen tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor de aangevraagde uitrit. Door eisers is gesteld maar niet onderbouwd dat sprake zou zijn van een gevaarlijke situatie. De rechtbank volgt eisers hier niet in. De aanvraag is getoetst aan zowel de APV als het geldende beleid. Uit het beleid volgt dat verkeersveiligheid expliciet getoetst wordt wanneer wordt overwogen een omgevingsvergunning te verlenen. Niet blijkt dat de toetsing niet of op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden. Bovendien blijkt uit de reactie van het college op de zienswijzen dat verkeerskundig advies is gevraagd alvorens de vergunning te verlenen.
5.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen?
De wijze van afhandeling van de zienswijze
6. Eisers voeren aan dat zij onterecht niet zijn ingelicht over de procedure, waardoor zij niet in staat zijn geweest in te spreken bij de raadsvergadering. Zij hebben hun standpunt niet kunnen toelichten en voelen zich daardoor tekortgedaan.
6.1.
Het college stelt dat aan de wettelijke kennisgevingsplicht is voldaan. Er is geen verplichting belanghebbenden te informeren over inspraakmomenten bij de raadscommissie of de raad.
6.2.
De rechtbank volgt eisers niet in hun beroepsgrond. Zowel de Wabo als de Awb vereisen niet dat aan indieners van een zienswijze nog de mogelijkheid wordt geboden over dat onderwerp in te spreken bij de raadscommissie of de raad. Dat de gemeenteraad die gelegenheid in andere gevallen wel biedt en dat dat hier verzuimd is, maakt daarom niet het bestreden besluit om die reden vernietigd kan worden.
Belangenverstrengeling
6.3.
Op grond van artikel 2:4, tweede lid, van de Awb waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden. In artikel 28 van de Gemeentewet is geregeld dat een raadslid zich dient te onthouden van stemmingen en beraadslagingen bij zaken die hem persoonlijk aangaan. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat het bestuursorgaan zijn taak uitvoert zonder vooringenomenheid. De conclusie dat het betrokken bestuursorgaan in strijd met deze bepaling een besluit heeft genomen, kan pas worden getrokken, als zich bijkomende omstandigheden voordoen die maken dat de behartiging van een persoonlijk belang van een raadslid in het bijzonder aan de orde is bij het besluitvormingsproces.
6.4.
Eisers stellen dat de vader van aanvrager, die raadslid is bij de gemeente Schouwen-Duiveland, invloed heeft kunnen uitvoeren op de besluitvorming. Dit vinden zij oneerlijk, temeer nu zij niet in de gelegenheid zijn gesteld in te spreken. Hierdoor is de beslissing niet op eerlijke wijze tot stand gekomen.
6.5.
Het college voert aan dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van oneigenlijke beïnvloeding door een familielid. Door eiser zijn geen concrete aanwijzingen gegeven waar dit uit zou kunnen blijken.
6.6.
De rechtbank oordeelt dat eisers onvoldoende hebben aangevoerd om tot de conclusie te komen dat sprake is van belangenverstrengeling. Het college heeft onbetwist gesteld en onderbouwd dat het desbetreffende raadslid niet heeft deelgenomen aan beraadslaging en stemmingen over de omgevingsvergunning voor de Burghse Ring 21/21a. Zo blijkt ook uit de raadsverslagen. Uit hetgeen eisers hebben aangevoerd blijkt verder niet van bijkomende omstandigheden die zouden kunnen leiden tot belangenverstrengeling.
Burgerparticipatie
6.7.
Eisers voeren aan dat het contact dat in de voorfase met vergunninghoudster heeft plaatsgevonden niet kan worden gekwalificeerd als burgerparticipatie. Eisers hebben de bouwtekeningen pas gezien nadat de gemeente al had aangegeven daarmee akkoord te gaan. Aan de bezwaren en suggesties van eisers werd niet tegemoetgekomen.
6.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat burgerparticipatie in deze procedure geen verplichting is geweest. De Wabo heeft geen rechtsregel die een dergelijke verplichting inhoudt.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beslissing op bezwaar in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van mr. drs.R.J. Wesel, griffier, op 7 augustus 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De griffier is niet in staat om de uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;
b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;
e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of,
in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
APV Schouwen-Duiveland
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:
a. de bruikbaarheid van de weg of het veilig en doelmatig gebruik daarvan;
b. de bescherming van openbare groenvoorzieningen; of
c. als het maken, hebben of veranderen zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats.
3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Zeeland of de waterschapskeur.
4. Het bevoegd gezag kan beleidsregels voor uitwegen vaststellen.
Zie de uitspraak van de Raad van State (RvS) van 10 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:44.