Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8176

2026-08-25 Bestuursrecht; Omgevingsrecht BRE 26/1809
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-08-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 26/1809
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen een opgelegde last onder dwangsom voor het exploiteren van een webshop in strijd met de ter plaatse geldende bestemming. Beginselplicht tot handhaving. Gelijkheidsbeginsel. Het beroep is ongegrond.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.221 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda



Bestuursrecht



zaaknummer: BRE 26/1809

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen

dhr. [persoon] en [bedrijf] B.V., uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. B. Çiçek),


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek, het college
(gemachtigde: mr. B.F.J. Bollen).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over eisers bezwaar tegen een opgelegde last onder dwangsom voor het exploiteren van een webshop in strijd met de ter plaatse geldende bestemming. Het bezwaar is door het college ongegrond verklaard. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of het bezwaar van eiser terecht ongegrond is verklaard.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college handhavend mocht optreden tegen het exploiteren van eisers webshop, in strijd met het geldende bestemmingsplan. Hierbij zijn geen algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden. Eisers bezwaar is terecht ongegrond verklaard en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Totstandkoming van het bestreden besluit


2. [bedrijf] B.V. is gevestigd aan [adres] . [persoon] is bestuurder en enig aandeelhouder van het bedrijf.


2.1.
Op 5 juni 2025 hebben toezichthouders een controle uitgevoerd bij [bedrijf] B.V. Op 7 juli 2025 heeft het college aan eiser medegedeeld voornemens te zijn handhavend op te treden vanwege, onder meer, strijdigheid met het bestemmingsplan. Naar aanleiding daarvan heeft eiser een zienswijze ingediend.


2.2.
Het college legt op 7 oktober 2025 een last onder dwangsom op. Eiser dient de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden.


2.3.
Op 27 oktober 2025 maakt eiser bezwaar tegen de last onder dwangsom.





2.4.
Met het bestreden besluit van 3 maart 2026 wordt het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.



2.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.




Gronden van het beroep
3. In het beroepschrift heeft eiser verwezen naar zijn zienswijze en zijn bezwaarschrift. De rechtbank heeft de in die stukken opgenomen gronden uitsluitend meegenomen voor zover eiser in beroep heeft aangeduid waarom de reactie van het bestuursorgaan op het bezwaarschrift onjuist is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) kan voor de beroepsgronden namelijk niet louter worden verwezen naar eerder ingediende bezwaarschriften, zonder dat is aangeduid waarom de reactie van het bestuursorgaan op het bezwaarschrift onjuist is.


3.1.
Eiser stelt dat het college zijn bevoegdheid om te handhaven heeft ingezet voor een ander doel dan strijdigheid met het bestemmingsplan. Uit de controles en het bestreden besluit blijkt dat het college vermoedt dat sprake is van strijdigheid met de Opiumwet. Hiervoor is echter geen enkel bewijs.


3.2.
Ook stelt eiser dat sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel. In het pand waarin het bedrijf van eiser zich bevindt, zijn meerdere ondernemingen gevestigd. Het college heeft pas controles uitgevoerd nadat de bezwaarcommissie heeft overwogen dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat geen sprake was van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het is eiser niet duidelijk welke actie er sindsdien is ondernomen.




Beoordeling door de rechtbank



Heeft eiser een procesbelang?




4. De rechtbank moet ambtshalve onderzoeken of eiser een belang heeft bij het door hem ingestelde beroep, nu eisers huur is opgezegd en hij geen gebruik meer kan maken van het pand. Eiser heeft het procesbelang ter zitting toegelicht.


4.1.
Eiser voert aan nog een procesbelang te hebben, omdat de huurovereenkomst nog een aantal maanden doorloopt. Hierdoor had hij feitelijk nog gebruik kunnen maken van het pand. De last onder dwangsom staat hieraan in de weg. Bovendien stelt eiser schade te hebben geleden als gevolg van de last onder dwangsom.


4.2.
De rechtbank stelt gezien het voorgaande vast dat eiser nog een belang heeft bij de uitkomst van de beroepsprocedure en zal het beroep inhoudelijk beoordelen.



Alle op de zaak betrekking hebbende stukken




5. Eiser heeft aangevoerd dat zijn zaak geen reguliere handhavingszaak is, omdat eiser in RIEC-verband is besproken. Volgens eiser dient het college inzichtelijk te maken op basis van welke stukken eiser in beeld is gekomen. Eiser verzoekt de rechtbank daarom, op grond van artikel 8:42 van de Awb, het college op te dragen alle op de zaak betrekking hebbende stukken toe te sturen. Eiser vraagt hierbij om specifieke stukken zoals het signaalformulier en alle correspondentie tussen het college en de verhuurder. Hieruit zou volgens eiser moeten blijken dat het college misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid.




5.1.
Artikel 8:42 van de Awb ziet op het vooronderzoek en verplicht het bestuursorgaan alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter te zenden. Niet is gebleken dat het college niet aan deze verplichting heeft voldaan. Uit het bestreden besluit en de wel overgelegde stukken blijkt ook niet dat de verzochte stukken ten grondslag zijn gelegd aan het besluit. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien het college op te dragen nadere stukken in te dienen.



Mocht het college handhavend optreden?





Is er sprake van een overtreding?



6. Het college kan alleen een last onder dwangsom opleggen wanneer er sprake is van een overtreding. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan. Gelet daarop is het college bevoegd een last onder dwangsom op te leggen.

Beginselplicht tot handhaving


7. Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden. De reden hiervoor is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving.


7.1.
In een uitspraak van 3 maart 2025 heeft de Afdeling overwogen dat voor de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. De bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.



7.2.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur.



7.3.
Ter discussie staat de vraag of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. In dit kader heeft eiser aangevoerd dat het college misbruik maakt van de bevoegdheid om te handhaven en ook het gelijkheidsbeginsel schendt. Misbruik van bevoegdheid


8. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat het bestreden besluit is genomen om een ander doel te dienen dan handhaving van het omgevingsplan. Het dossier bevat hiertoe geen aanknopingspunten. Uit het controleverslag van 8 september 2023 volgt dat de toezichthouders aanwezig waren om te controleren of sprake was strijdigheid met het bestemmingsplan. Niet blijkt dat zij met een ander doel aanwezig waren. Hetzelfde geldt voor de controle van 5 juni 2025. Dat in beide gevallen sprake was van een zogenaamde integrale controle, waarbij ook politie en andere handhavers aanwezig waren, doet hier niet aan af. Het college was op zichzelf ook bevoegd de controle uit te laten voeren. Dat bij zo’n integrale controle ook wordt gecontroleerd op overtredingen van de Omgevingswet, geeft geen blijk van misbruik van bevoegdheid. Optreden tegen een overtreding ook niet.



8.1.

Eiser haalt in het beroepschrift een passage uit het primaire besluit aan waaruit volgens hem volgt dat het college een last onder dwangsom heeft opgelegd omwille van de openbare orde en veiligheid. Eiser gaat daarmee voorbij aan de passage waarin het college onderbouwt waarom met het exploiteren van een webshop, en daarmee het handelen in strijd met het bestemmingsplan, geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dat in het bestreden besluit ten overvloede wordt onderbouwd waarom het exploiteren van eisers webshop risico’s voor de openbare orde en veiligheid met zich meebrengt en het college daarom niet zal afzien van handhaving, kan evenmin leiden tot de conclusie dat sprake is van misbruik van bevoegdheid.

Gelijkheidsbeginsel




9. Een besluit is in strijd met het gelijkheidsbeginsel vastgesteld, wanneer sprake is van juridisch relevante gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld en wanneer voor die ongelijke behandeling geen voldoende objectieve rechtvaardiging bestaat.




9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank leidt hetgeen eiser heeft aangevoerd niet tot een schending van het gelijkheidsbeginsel. Het college is in het algemeen niet op de hoogte van alle mogelijke overtredingen, waardoor het niet tegen alles kan optreden. Dit leidt niet tot de conclusie dat sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Het college heeft controles uitgevoerd en in het verweerschrift voldoende toegelicht dat als hieruit blijkt dat sprake is van strijdig gebruik en legalisatie niet mogelijk is, handhavend zal worden opgetreden. Pas als het college deze toets heeft uitgevoerd, kan een eventuele toetsing aan het gelijkheidsbeginsel plaatsvinden. Tot zo ver worden deze zaken hetzelfde behandeld als dat van eiser. De rechtbank acht de tijdlijn hiervoor niet van belang.



Had het college van handhaving af moeten zien?




10. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd op basis waarvan het college van handhaving af had moeten zien. Het college heeft dus terecht een last onder dwangsom opgelegd.




10.1.
Het beroep slaagt niet.




Conclusie en gevolgen


11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit waarin aan eiser een last onder dwangsom wordt opgelegd, in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.







Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van mr.S. Wilbrink, griffier, op 25 augustus 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



De griffier is niet in staat om de uitspraak mede te ondertekenen.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Algemene wet bestuursrecht




Artikel 8:42

1. Binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter en kan het een verweerschrift indienen. Indien de bestuursrechter om een verweerschrift heeft verzocht, dient het bestuursorgaan binnen vier weken een verweerschrift in.

2. De bestuursrechter kan de in het eerste lid bedoelde termijnen verlengen.



Omgevingswet




Artikel 1.1 (begripsbepalingen)


1. De bijlage bij deze wet bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen.


Bijlage bij artikel 1.1



A Begrippen



Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
(…)



omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende:
a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;(…).



Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)


1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,(…)



Bestemmingsplan ‘Buitengebied’ Gemeente Hilvarenbeek




4.1
Bestemmingsomschrijving


De voor Bedrijf aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. niet-agrarische bedrijven, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduidingen, welke zijn opgenomen in de navolgende tabel, uitsluitend de genoemde bedrijven zijn toegestaan:
(..)
specifieke vorm van bedrijf – 13 Fotostudio en statische opslag Driehuizen 6a en 6b




Zie onder andere de uitspraken ABRvS 29 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5187, r.o. 7; ABRvS 7 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2122, r.o. 15 en ABRvS 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1180, r.o. 133.



Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.