Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8171
2026-08-25
Bestuursrecht
BRE 25/2790
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Educatieve Maatregel Drugs
Citeert (9)
- ECLI:NL:RVS:2017:3224 Raad van State 22-11-2017
- ECLI:NL:RVS:2017:3224 Raad van State 22-11-2017
- ECLI:NL:RBLIM:2026:6959 Rechtbank Limburg 14-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2022:177 Raad van State 19-01-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:177 Raad van State 19-01-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:177 Raad van State 19-01-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:177 Raad van State 19-01-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:177 Raad van State 19-01-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:177 Raad van State 19-01-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.207 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2790
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR.
(gemachtigde: mr S. Sheikchote)
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de Educatieve Maatregel Drugs door het CBR. Eiser is het niet eens met het besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de maatregel terecht is opgelegd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR de Educatieve Maatregel Drugs terecht heeft opgelegd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 18 februari 2025 heeft het CBR een Educatieve Maatregel Drugs opgelegd aan eiser (primaire besluit). Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 3 april 2025 heeft het CBR het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
In de brief van 9 februari 2026 heeft het CBR op navraag van de rechtbank aangegeven dat in de beslissing op bezwaar een onjuist dictum is opgenomen. Het CBR is van oordeel dat het bestreden besluit op juiste gronden is genomen.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens het CBR mr. S Sheikchote.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
3. Uit het proces-verbaal van de politie volgt dat eiser door de politie is staande gehouden. De politie rook bij de staandehouding in de auto een hennepgeur en zag dat eiser bloeddoorlopen ogen had. De politie heeft een speekseltest afgenomen. Hierbij testte eiser positief op cannabis/THC. Uit het aansluitende bloedonderzoek volgt dat het THC-gehalte 3,1 microgram THC per liter bloed was, bij een grenswaarde van 3,0 microgram. De politie heeft na ontvangst van de uitslag van het bloedonderzoek een proces-verbaal van overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) opgesteld en het proces-verbaal aan het CBR toegezonden.
3.1
Het CBR heeft op basis van het proces-verbaal een Educatieve Maatregel Drugs opgelegd (primaire besluit). Eiser moet op grond hiervan een cursus volgen en de opleggingskosten ter hoogte van € 386,00 en uitvoeringskosten van € 768,00 voldoen.
3.2
Eiser heeft de kosten voldaan en de cursus ingepland. Voor de start van de cursus heeft eiser het CBR bericht verhinderd te zijn. Het CBR heeft de verhindering uit coulance goedgekeurd en eiser verzocht een nieuwe datum in te plannen.
3.3
Ter zitting heeft het CBR de rechtbank geïnformeerd dat het rijbewijs van eiser inmiddels is ingetrokken omdat eiser niet is verschenen op de nieuwe datum van de cursus. De ambulant begeleider van eiser heeft tegen die intrekking bezwaar gemaakt. Op 6 juli 2026 heeft het CBR in de beslissing op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser had ten tijde van de behandeling van het beroep op de zitting nog de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de beslissing op bezwaar.
Procesbelang
De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiser als gevolg van de intrekking van het rijbewijs nog procesbelang heeft. Procesbelang is het belang dat eiser heeft bij de uitkomst van deze beroepsprocedure. Een partij heeft geen procesbelang bij een oordeel over zijn (hoger) beroep als op enig moment in de procedure komt vast te staan dat die partij geen reëel en actueel belang meer heeft bij dat oordeel. In beginsel is er geen belang bij de procedure over het opleggen van een educatieve maatregel als de ongeldigverklaring van het rijbewijs in rechte onaantastbaar is. Eiser kon ten tijde van de behandeling van dit beroep nog in beroep tegen de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs, waardoor die ongeldigverklaring op dat moment niet in rechte vaststond. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat eiser daarom nog procesbelang heeft.
Omvang van het geding
3. Het geding beperkt zich tot de vraag of het CBR terecht de Educatieve Maatregel Drugs heeft opgelegd.
Toetsingskader en wettelijke kader
4. Het CBR legt op grond van artikel 131 van de Wvw 1994 en artikel 17, eerste lid, onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) een Educatieve Maatregel Drugs op. Dit gebeurt als er een proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de Wvw 1994 en als de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen over het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, die leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.
4.1
Kortom, als uit het ambtshalve opgemaakte proces-verbaal volgt dat er een verdenking was van drugsgebruik in het verkeer, dan bestaat het vermoeden dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid. Het CBR is dan gehouden om de Educatieve Maatregel Drugs op te leggen. Het CBR mag in beginsel uitgaan van de juistheid van het proces-verbaal.
4.2
Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt daarvan onderdeel uit.
Wat voert eiser in beroep aan?
5. Eiser stelt in de eerste plaats dat hij op de dag van de aanhouding geen cannabis heeft gebruikt toen hij aan het verkeer deelnam. Daarnaast voert eiser aan dat de uitslag van de speekseltest en bloedtest onbetrouwbaar zijn. Verder vindt eiser dat zijn belangen zwaarder dienen te wegen dan het belang van het CBR bij het opleggen van de maatregel: Tot slot is eiser van mening dat de cursus niet noodzakelijk is omdat de cursus geen invloed op de rijvaardigheid en de rijgeschiktheid van eiser heeft.
Kon het CBR uitgaan van de juistheid van het proces-verbaal?
6. Uit het proces-verbaal van de politie volgt dat de politie een cannabisgeur waarnam op het moment dat eiser het raam van de auto opende. Verder stelt de politie dat de ogen van eiser bloeddoorlopen waren. Uit de speekseltest en bloedtest volgt dat sprake was van cannabisgebruik boven de toegestane grenswaarde. Eiser stelt hiertegenover dat hij niet is staande gehouden in de auto en geen cannabis heeft gebruikt. Hij rookt enkel in de avond en wist niet dat hij dan 48 uur lang niet mocht rijden. Ten aanzien van de speekseltest merkt eiser op dat speekseltesten vals kunnen uitslaan door gebruik van Red Bull. Eiser stelt verder dat nu de amfetaminewaarden wel in de speekseltest voorkomen en niet in de bloedtest de bloedtest niet betrouwbaar zou zijn. Eiser geeft aan dat hij, vanwege de kosten van het onderzoek, geen tegenonderzoek heeft gedaan om de uitslag van de bloedtest te betwisten. [
6.1
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal.. Het proces-verbaal bevat een duidelijke beschrijving van de staandehouding en de resultaten van het speeksel- en bloedonderzoek. Het is voldoende dat wordt aangetoond dat sprake is van een “vermoeden” van drugsgebruik. De feiten waarop het vermoeden is gebaseerd behoeven, anders dan in het strafrecht, dan ook niet wettig en overtuigend te worden bewezen. Indien de bevindingen uit het proces-verbaal worden betwist, moet worden vastgesteld of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 ten grondslag kunnen worden gelegd.
6.2
Eiser stelt alleen, maar maakt niet aannemelijk waardoor zijn speekseltest in zijn geval vals zou zijn uitgeslagen. Verder blijkt uit het bloedonderzoek dat het THC-gehalte boven de grenswaarde ligt. De rechtbank kan het standpunt van eiser over de onbetrouwbaarheid van de bloedtest door het niet opnemen van de amfetaminewaarden niet volgen. Uit het rapport van het [laboratorium] volgt namelijk dat alleen amfetamine-achtige stoffen worden gerapporteerd bij concentraties vanaf 12 microgram per liter. Lagere concentraties worden niet opgenomen. Kortom, eiser heeft de zijn standpunten niet nader onderbouwd en geen aanvullende stukken geleverd. Er zijn zodoende onvoldoende concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal.
Moet rekening worden gehouden met overige belangen van eiser?
7. Eiser vraagt om een kwijtschelding van de opleggingskosten en uitvoeringskosten vanwege zijn financiële situatie. Verder geeft hij aan dat de opgelegde maatregel hem persoonlijk zwaar valt en dat het volgen van drie cursusmiddagen mentaal en lichamelijk belastend zijn. Tot slot draagt eiser aan dat de cursus niet noodzakelijk is omdat hij rijgeschikt is. De rechtbank vat deze punten ambtshalve op als de grond dat geen belangenafweging heeft plaatsgevonden. Eiser vindt dat het CBR ten onrechte deze omstandigheden van eiser niet heeft meegenomen bij de besluitvorming.
7.1
De oplegging van de Educatieve Maatregel Drugs is een gebonden bevoegdheid. Dit betekent dat het CBR dit besluit moest nemen ongeacht de individuele belangen van eiser. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de toepasselijke bepalingen uit de Wvw 1994 en de Regeling geen ruimte laten om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken.
Kan het gebrek in het besluit worden gepasseerd?
8. Het CBR heeft in zijn brief van 9 februari 2026 toegelicht dat in het bestreden abusievelijk een onjuist dictum is opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor sprake is van een gebrek in het bestreden besluit. Om het gebrek in het besluit op grond van artikel 6:22 van de Awb te kunnen passeren, is vereist dat het aannemelijk is dat eiser door het gebrek in het bestreden besluit niet is benadeeld. Het gebrek in het besluit heeft in dit geval voor eiser echter op geen enkele wijze tot onduidelijkheid geleid. Eiser ging ervan uit dat de Educatieve Maatregel Drugs bij het bestreden besluit in stand bleef. De rechtbank zal daarom het gebrek in het bestreden besluit passeren.
Conclusie en gevolgen
9. Het CBR heeft terecht de Educatieve Maatregel Drugs opgelegd. Eiser heeft onvoldoende aangevoerd om het proces-verbaal te betwisten. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
9.1
Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb is er aanleiding om te bepalen dat het CBR te veroordelen de door eiser betaalde griffiekosten moet vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep is ongegrond;
- bepaalt dat het CBR het griffierecht van € 194,00 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.C. van der Ploeg, rechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier, op 25 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene Wet Bestuursrecht
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 130
Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden terzake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.
Artikel 131
1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:
a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.
Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.
Artikel 8
1. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht.
5. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Artikel 17
1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel drugs en verkeer indien:
a. ten aanzien van betrokkene proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet of wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen;b. de uitslag van het ingevolge artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.
2. Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.
Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer
Artikel 3
1. De grenswaarden voor de in artikel 2 aangewezen stoffen zijn, indien zij enkelvoudig zijn gebruikt en gemeten in geval van:
a. amfetamine, methamfetamine, MDMA, MDEA en MDA: 50 microgram amfetamine, methamfetamine, MDMA, MDEA of MDA per liter bloed of 50 microgram per liter bloed voor de som van deze stoffenindien een van deze stoffen met een of meer van deze stoffen is gebruikt en gemeten;
b. cannabis: 3,0 microgram tetrahydrocannabinol per liter bloed;
c. cocaïne: 50 microgram cocaïne per liter bloed;
d. heroïne en morfine: 20 microgram morfine per liter bloed;
e. GHB, gamma butyrolacton of 1,4-butaandiol: 10 milligram GHB per liter bloed.
Dit volgt uit artikel 3 eerste lid onder b van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.
Zie artikel 131, eerste lid, onder a van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 17, eerste lid, sub a van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 22 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3224 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2017:3224)
Rechtbank Limburg 14 juli 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:6959
ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:177 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:177)
ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:177 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:177), rechtsoverweging 4.4
ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:177 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:177), rechtsoverweging 4.7
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2790
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR.
(gemachtigde: mr S. Sheikchote)
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de Educatieve Maatregel Drugs door het CBR. Eiser is het niet eens met het besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de maatregel terecht is opgelegd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR de Educatieve Maatregel Drugs terecht heeft opgelegd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 18 februari 2025 heeft het CBR een Educatieve Maatregel Drugs opgelegd aan eiser (primaire besluit). Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 3 april 2025 heeft het CBR het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
In de brief van 9 februari 2026 heeft het CBR op navraag van de rechtbank aangegeven dat in de beslissing op bezwaar een onjuist dictum is opgenomen. Het CBR is van oordeel dat het bestreden besluit op juiste gronden is genomen.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens het CBR mr. S Sheikchote.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
3. Uit het proces-verbaal van de politie volgt dat eiser door de politie is staande gehouden. De politie rook bij de staandehouding in de auto een hennepgeur en zag dat eiser bloeddoorlopen ogen had. De politie heeft een speekseltest afgenomen. Hierbij testte eiser positief op cannabis/THC. Uit het aansluitende bloedonderzoek volgt dat het THC-gehalte 3,1 microgram THC per liter bloed was, bij een grenswaarde van 3,0 microgram. De politie heeft na ontvangst van de uitslag van het bloedonderzoek een proces-verbaal van overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) opgesteld en het proces-verbaal aan het CBR toegezonden.
3.1
Het CBR heeft op basis van het proces-verbaal een Educatieve Maatregel Drugs opgelegd (primaire besluit). Eiser moet op grond hiervan een cursus volgen en de opleggingskosten ter hoogte van € 386,00 en uitvoeringskosten van € 768,00 voldoen.
3.2
Eiser heeft de kosten voldaan en de cursus ingepland. Voor de start van de cursus heeft eiser het CBR bericht verhinderd te zijn. Het CBR heeft de verhindering uit coulance goedgekeurd en eiser verzocht een nieuwe datum in te plannen.
3.3
Ter zitting heeft het CBR de rechtbank geïnformeerd dat het rijbewijs van eiser inmiddels is ingetrokken omdat eiser niet is verschenen op de nieuwe datum van de cursus. De ambulant begeleider van eiser heeft tegen die intrekking bezwaar gemaakt. Op 6 juli 2026 heeft het CBR in de beslissing op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser had ten tijde van de behandeling van het beroep op de zitting nog de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de beslissing op bezwaar.
Procesbelang
De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiser als gevolg van de intrekking van het rijbewijs nog procesbelang heeft. Procesbelang is het belang dat eiser heeft bij de uitkomst van deze beroepsprocedure. Een partij heeft geen procesbelang bij een oordeel over zijn (hoger) beroep als op enig moment in de procedure komt vast te staan dat die partij geen reëel en actueel belang meer heeft bij dat oordeel. In beginsel is er geen belang bij de procedure over het opleggen van een educatieve maatregel als de ongeldigverklaring van het rijbewijs in rechte onaantastbaar is. Eiser kon ten tijde van de behandeling van dit beroep nog in beroep tegen de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs, waardoor die ongeldigverklaring op dat moment niet in rechte vaststond. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat eiser daarom nog procesbelang heeft.
Omvang van het geding
3. Het geding beperkt zich tot de vraag of het CBR terecht de Educatieve Maatregel Drugs heeft opgelegd.
Toetsingskader en wettelijke kader
4. Het CBR legt op grond van artikel 131 van de Wvw 1994 en artikel 17, eerste lid, onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) een Educatieve Maatregel Drugs op. Dit gebeurt als er een proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de Wvw 1994 en als de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen over het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, die leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.
4.1
Kortom, als uit het ambtshalve opgemaakte proces-verbaal volgt dat er een verdenking was van drugsgebruik in het verkeer, dan bestaat het vermoeden dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid. Het CBR is dan gehouden om de Educatieve Maatregel Drugs op te leggen. Het CBR mag in beginsel uitgaan van de juistheid van het proces-verbaal.
4.2
Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt daarvan onderdeel uit.
Wat voert eiser in beroep aan?
5. Eiser stelt in de eerste plaats dat hij op de dag van de aanhouding geen cannabis heeft gebruikt toen hij aan het verkeer deelnam. Daarnaast voert eiser aan dat de uitslag van de speekseltest en bloedtest onbetrouwbaar zijn. Verder vindt eiser dat zijn belangen zwaarder dienen te wegen dan het belang van het CBR bij het opleggen van de maatregel: Tot slot is eiser van mening dat de cursus niet noodzakelijk is omdat de cursus geen invloed op de rijvaardigheid en de rijgeschiktheid van eiser heeft.
Kon het CBR uitgaan van de juistheid van het proces-verbaal?
6. Uit het proces-verbaal van de politie volgt dat de politie een cannabisgeur waarnam op het moment dat eiser het raam van de auto opende. Verder stelt de politie dat de ogen van eiser bloeddoorlopen waren. Uit de speekseltest en bloedtest volgt dat sprake was van cannabisgebruik boven de toegestane grenswaarde. Eiser stelt hiertegenover dat hij niet is staande gehouden in de auto en geen cannabis heeft gebruikt. Hij rookt enkel in de avond en wist niet dat hij dan 48 uur lang niet mocht rijden. Ten aanzien van de speekseltest merkt eiser op dat speekseltesten vals kunnen uitslaan door gebruik van Red Bull. Eiser stelt verder dat nu de amfetaminewaarden wel in de speekseltest voorkomen en niet in de bloedtest de bloedtest niet betrouwbaar zou zijn. Eiser geeft aan dat hij, vanwege de kosten van het onderzoek, geen tegenonderzoek heeft gedaan om de uitslag van de bloedtest te betwisten. [
6.1
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal.. Het proces-verbaal bevat een duidelijke beschrijving van de staandehouding en de resultaten van het speeksel- en bloedonderzoek. Het is voldoende dat wordt aangetoond dat sprake is van een “vermoeden” van drugsgebruik. De feiten waarop het vermoeden is gebaseerd behoeven, anders dan in het strafrecht, dan ook niet wettig en overtuigend te worden bewezen. Indien de bevindingen uit het proces-verbaal worden betwist, moet worden vastgesteld of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 ten grondslag kunnen worden gelegd.
6.2
Eiser stelt alleen, maar maakt niet aannemelijk waardoor zijn speekseltest in zijn geval vals zou zijn uitgeslagen. Verder blijkt uit het bloedonderzoek dat het THC-gehalte boven de grenswaarde ligt. De rechtbank kan het standpunt van eiser over de onbetrouwbaarheid van de bloedtest door het niet opnemen van de amfetaminewaarden niet volgen. Uit het rapport van het [laboratorium] volgt namelijk dat alleen amfetamine-achtige stoffen worden gerapporteerd bij concentraties vanaf 12 microgram per liter. Lagere concentraties worden niet opgenomen. Kortom, eiser heeft de zijn standpunten niet nader onderbouwd en geen aanvullende stukken geleverd. Er zijn zodoende onvoldoende concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal.
Moet rekening worden gehouden met overige belangen van eiser?
7. Eiser vraagt om een kwijtschelding van de opleggingskosten en uitvoeringskosten vanwege zijn financiële situatie. Verder geeft hij aan dat de opgelegde maatregel hem persoonlijk zwaar valt en dat het volgen van drie cursusmiddagen mentaal en lichamelijk belastend zijn. Tot slot draagt eiser aan dat de cursus niet noodzakelijk is omdat hij rijgeschikt is. De rechtbank vat deze punten ambtshalve op als de grond dat geen belangenafweging heeft plaatsgevonden. Eiser vindt dat het CBR ten onrechte deze omstandigheden van eiser niet heeft meegenomen bij de besluitvorming.
7.1
De oplegging van de Educatieve Maatregel Drugs is een gebonden bevoegdheid. Dit betekent dat het CBR dit besluit moest nemen ongeacht de individuele belangen van eiser. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de toepasselijke bepalingen uit de Wvw 1994 en de Regeling geen ruimte laten om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken.
Kan het gebrek in het besluit worden gepasseerd?
8. Het CBR heeft in zijn brief van 9 februari 2026 toegelicht dat in het bestreden abusievelijk een onjuist dictum is opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor sprake is van een gebrek in het bestreden besluit. Om het gebrek in het besluit op grond van artikel 6:22 van de Awb te kunnen passeren, is vereist dat het aannemelijk is dat eiser door het gebrek in het bestreden besluit niet is benadeeld. Het gebrek in het besluit heeft in dit geval voor eiser echter op geen enkele wijze tot onduidelijkheid geleid. Eiser ging ervan uit dat de Educatieve Maatregel Drugs bij het bestreden besluit in stand bleef. De rechtbank zal daarom het gebrek in het bestreden besluit passeren.
Conclusie en gevolgen
9. Het CBR heeft terecht de Educatieve Maatregel Drugs opgelegd. Eiser heeft onvoldoende aangevoerd om het proces-verbaal te betwisten. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
9.1
Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb is er aanleiding om te bepalen dat het CBR te veroordelen de door eiser betaalde griffiekosten moet vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep is ongegrond;
- bepaalt dat het CBR het griffierecht van € 194,00 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.C. van der Ploeg, rechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier, op 25 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene Wet Bestuursrecht
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 130
Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden terzake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.
Artikel 131
1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:
a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.
Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.
Artikel 8
1. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht.
5. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Artikel 17
1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel drugs en verkeer indien:
a. ten aanzien van betrokkene proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet of wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen;b. de uitslag van het ingevolge artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.
2. Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.
Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer
Artikel 3
1. De grenswaarden voor de in artikel 2 aangewezen stoffen zijn, indien zij enkelvoudig zijn gebruikt en gemeten in geval van:
a. amfetamine, methamfetamine, MDMA, MDEA en MDA: 50 microgram amfetamine, methamfetamine, MDMA, MDEA of MDA per liter bloed of 50 microgram per liter bloed voor de som van deze stoffenindien een van deze stoffen met een of meer van deze stoffen is gebruikt en gemeten;
b. cannabis: 3,0 microgram tetrahydrocannabinol per liter bloed;
c. cocaïne: 50 microgram cocaïne per liter bloed;
d. heroïne en morfine: 20 microgram morfine per liter bloed;
e. GHB, gamma butyrolacton of 1,4-butaandiol: 10 milligram GHB per liter bloed.
Dit volgt uit artikel 3 eerste lid onder b van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.
Zie artikel 131, eerste lid, onder a van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 17, eerste lid, sub a van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 22 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3224 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2017:3224)
Rechtbank Limburg 14 juli 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:6959
ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:177 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:177)
ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:177 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:177), rechtsoverweging 4.4
ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:177 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2022:177), rechtsoverweging 4.7