Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8170

2026-08-25 Bestuursrecht BRE 25/3208
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-08-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/3208
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.010 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda



Bestuursrecht



zaaknummer: BRE 25/3208


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser


en


De Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Utrecht, de SVB
(gemachtigde: mr. M.F. Sturmans)


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de SVB het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat eiser niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit tot toekenning van de dubbele kinderbijslag. De rechtbank beoordeelt daarbij ook of de overschrijding van de bezwaartermijn door eiser verschoonbaar is.



1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De SVB heeft daarom terecht geoordeeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk was. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft op 3 april 2024 een aanvraag ingediend voor dubbele kinderbijslag voor zijn twee thuiswonende kinderen. De SVB heeft met het besluit van 27 mei 2024 (primaire besluit) de dubbele kinderbijslag voor beide kinderen toegekend. Op 4 mei 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het bestreden besluit van 22 mei 2025 heeft de SVB het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig werd ingediend.



2.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op verzoek van de rechtbank heeft eiser de gronden van het beroep aangevuld zodat het beroep zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift.



2.2
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de SVB.







Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 27 mei 2024 heeft de SVB de dubbele kinderbijslag voor beide kinderen toegekend. Omdat de aanvraag op 3 april 2024 was gedaan, keert de SVB de dubbele kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van het kalenderjaar 2024 uit.



3.1
Op 4 mei 2025 heeft eiser zijn bezwaarschrift aan de SVB toegezonden. De SVB heeft eiser bericht het bezwaar niet inhoudelijk te behandelen omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend. De SVB heeft eiser daarbij geïnformeerd over de procedure voor het indienen van extra kinderbijslag.



Omvang van het geding


4. Het geding beperkt zich tot de vraag of de SVB het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarbij zal de rechtbank ingaan op de vraag of er een verschoonbare termijnoverschrijding van eiser is op grond waarvan de SVB het bezwaar van eiser alsnog inhoudelijk in behandeling moet nemen.



Wettelijk kader


5. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt daarvan onderdeel uit.



Wat voert eiser aan?


6. In de eerste plaats stelt eiser dat hij niet op de hoogte was van de mogelijkheid tot het aanvragen van de extra kinderbijslag. Verder voert eiser aan dat hij de extra kinderbijslag pas kon aanvragen nadat de dubbele kinderbijslag was goedgekeurd. Hierdoor kan de termijnoverschrijding niet aan eiser worden toegerekend. Eiser benadrukt dat de zorg voor zijn gehandicapte kinderen zorgt voor een zware belasting van het gezin. Zijn vrouw richt zich volledig op de zorg van het gezin. Als gevolg hiervan kan zij niet werken en dit heeft grote financiële gevolgen. Het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar en het strikt vasthouden aan procedurele regels door de SVB leidt zodoende tot een oneerlijke situatie.



Wat is het standpunt van verweerder?


7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn bezwaar en beroep. De SVB geeft aan begrip te hebben voor de moeilijke situatie van eiser, maar dat niet kan worden afgeweken van de dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen.



Beoordeling door de rechtbank





Is het te laat indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar?


8. De laatste dag om bezwaar in te dienen was 9 juli 2024. Door het bezwaarschrift pas op 4 mei 2025 in te dienen is de bezwaartermijn overschreden. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede dient het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk te worden ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.



Is het bezwaarschrift door eiser zo spoedig als mogelijk ingediend?




9.1
Bij de vraag of een termijnoverschrijding verschoonbaar is, hoeft niet altijd eerst te worden nagegaan of deze aan de indiener kan worden toegerekend. Denkbaar is immers dat direct al duidelijk is dat het bezwaar- of beroepschrift hoe dan ook niet is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. In een dergelijke situatie behoeft de toerekenbaarheid geen afzonderlijke bespreking..



9.2
Eiser heeft op 4 mei 2025 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit nadat hij kennisnam van de mogelijkheid om extra kinderbijslag aan te vragen. Eiser geeft aan dat hij al in november 2024 van het bestaan van extra kinderbijslag op de hoogte is gesteld. Op dat moment had eiser zo spoedig mogelijk alsnog bezwaar moeten maken. Er zit echter nog een periode van ongeveer 6 maanden tussen het moment dat eiser kennisnam van het bestaan van de extra kinderbijslag en het indienen van het bezwaarschrift. Eiser heeft aangevoerd dat hij in deze periode vooral met de zorgtaken thuis en zijn werk bezig was. Hierdoor heeft hij zich niet gericht op het maken van bezwaar. De rechtbank onderkent dat eiser destijds door een zware en stressvolle periode ging. Deze omstandigheden leiden er echter niet toe dat eiser redelijkerwijs niet eerder bezwaar had kunnen maken.



9.3
Door niet zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk was het bezwaarschrift in te dienen, is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. De rechtbank komt daardoor niet meer toe aan de bespreking van de vraag of de termijnoverschrijding aan eiser is toe te rekenen.



Is de niet-ontvankelijkverklaring onevenredig?

10. Eiser geeft aan dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en het daardoor strikt vasthouden aan procedurele regels leidt tot een oneerlijke situatie. Dit gevoel van onrecht bij eiser komt met name voort uit de aanpassing van de Algemene Kinderbijslagwet per 1 juli 2024. Door deze aanpassing ontvangen kinderen met een Wlz-indicatie automatisch kinderbijslag. De dubbele kinderbijslag kan daardoor met 6 maanden terugwerkende kracht worden toegekend. Een latere aanvraag door eiser had er dus toe kunnen leiden dat wel over het gehele kalenderjaar 2024 dubbele kinderbijslag werd toegekend. De rechtbank vat deze grond op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel.




10.1
De SVB heeft ter zitting toegelicht dat er geen van onwil is van de SVB. Vanwege de gebonden bevoegdheid kan de SVB alleen niet tot een inhoudelijk behandeling van het bezwaar overgaan. Ten overvloede heeft de SVB benoemd dat de ontstane situatie voor eiser vanwege de latere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet ongelukkig te vinden. Aangezien de wetswijziging geen overgangsregeling bevat, had de SVB, ook in het geval van een heroverweging bij de behandeling van het bezwaar, de dubbele kinderbijslag niet eerder in kunnen laten gaan.



10.2
Bij de toepassing van artikel 6:11 van de Awb gaat het om een gebonden bevoegdheid. Er kan alleen worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel in het geval van een gebonden bevoegdheid als er sprake is van bijzondere omstandigheden waarmee de wetgever bij het vaststellen van de wet geen rekening heeft gehouden. De omstandigheden die door eiser naar voren zijn gebracht zien enkel op de wijziging van Algemene Kinderbijslagwet zelf en niet op de toepassing van artikel 6:11 van de Awb. De rechtbank stelt daarom vast dat voor de toepassing van artikel 6:11 van de Awb het evenredigheidsbeginsel niet in de weg staat.













































Conclusie en gevolgen


11. Het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift is niet verschoonbaar en het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond en het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.C. van der Ploeg, rechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier, op 25 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waaropdeze uitspraak is verzonden.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Algemene wet bestuursrecht





Artikel 6:11

Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.




Bijzondere wet





Algemene Kinderbijslagwet




Artikel 7a



Een verzekerde heeft voor een tot zijn huishouden behorend kind dat drie jaar is of ouder, maar nog niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, recht op een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag, genoemd in artikel 12, eerste en tweede lid, indien het kind is aangewezen op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen mate van intensieve zorg.


Indien een verzekerde over een kalenderjaar tot uitbetaling gekomen recht heeft gehad op een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag op grond van het eerste lid, en



a. met betrekking tot dat kalenderjaar, dan wel een gedeelte daarvan, geen partner heeft als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001; of
b. met betrekking tot dat kalenderjaar een partner heeft als bedoeld in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de verzekerde of diens partner in dat kalenderjaar belastbare winst uit een of meer ondernemingen als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, belastbaar loon als bedoeld in artikel 3.80 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of belastbaar resultaat uit een of meer werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft genoten dat niet meer is dan € 6.323;
heeft de verzekerde recht op een extra bedrag aan kinderbijslag over dat kalenderjaar ten bedrage van € 2.783,46.







CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2024:31), rechtsoverweging 2.3


Zie Staatscourant 2024, 19710


Op grond van artikel 7a, tweede lid van de Algemene Kinderbijslagwet ontstaat het recht op extra kinderbijslag pas als een heel jaar dubbele kinderbijslag is ontvangen.


ABRvS 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772