Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8148

2026-08-25 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht BRE 26/974 PW
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-08-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 26/974 PW
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wijziging van de bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande in een inrichting vanwege opname in een detox-kliniek. Onjuiste ingangsdatum in het primaire besluit. Beroep gegrond vanwege het ten onrechte niet vergoeden van de proceskosten in bezwaar.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.223 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: BRE 26/974 PW


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres,
(gemachtigde: mr. M. el Idrissi),


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen (het college), verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde] ).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over wijziging van de uitkering van eiseres op grond van de Participatiewet. Eiseres is het daarmee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is voor zover het gaat om de proceskosten in bezwaar. Eiseres krijgt dus in zoverre gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 19 december 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de wijziging van de bijstandsuitkering van eiseres gebleven.



2.1.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.




2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.




Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres had een bijstandsuitkering voor een alleenstaande (met verlaging in verband met het ontbreken van woonlasten). Op 24 april 2025 is eiseres opgenomen in een detox-kliniek in [plaats 2] .


3.1
Met het primaire besluit van 11 juni 2025 heeft het college deze uitkering met ingang van 1 juni 2025 gewijzigd in een uitkering voor een alleenstaande in een inrichting (met een normbedrag van € 426,03, verhoogd met € 45,-).



3.2
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft hangende het bezwaar aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft dat verzoek op 1 september 2025 afgewezen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. Daarna is er nogmaals een verzoek om voorlopige voorziening ingediend in verband met blokkering van de uitkering. Dat verzoek om voorlopige voorziening is ingetrokken omdat de blokkering werd opgeheven. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om vergoeding van de proceskosten dat werd gedaan met de intrekking, afgewezen.



Bestreden besluit




3.3
Met het bestreden besluit van 19 december 2025 heeft het college het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard met dien verstande dat de datum van de wijziging van de norm wordt aangepast naar 24 juni 2025. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten wijst het college af.


3.3.1
Het college merkt de opname van eiseres in de detoxkliniek op 24 april 2025 aan als een opname in een inrichting. Bij opname in een inrichting is in artikel 23 van de PW de norm bepaald.


3.3.2
Op grond van buitenwettelijk begunstigend beleid wordt de norm na twee maanden na de datum van opname aangepast. Aanpassing van de norm per 1 juni 2025 is dan ook niet juist. Het college past daarom de norm met ingang van 24 juni 2025 aan. De feitelijke uitvoering is bij de uitbetaling van de uitkering echter wel correct geweest. Eiseres heeft pas vanaf 24 juni 2025 de norm voor een alleenstaande in een inrichting ontvangen. Over de rest van de maand juni is de oude norm betaald.



3.3.3
Eiseres heeft gesteld dat de norm ontoereikend is. Zij heeft dat echter niet aannemelijk gemaakt. Dat geldt ook voor het beroep op dringende redenen. Volgens het college heeft eiseres de mogelijkheid om bijzondere bijstand aan te vragen voor verpleeg- en verzorgingskosten die zij niet uit de norm kan voldoen, onder overlegging van bewijsstukken.



3.3.4
Het verzoek om voorlopige voorziening van eiseres heeft de voorzieningenrechter op 1 september 2025 afgewezen vanwege het ontbreken van spoedeisend belang omdat op dat moment de uitkering al (op 8 juli 2025) was uitbetaald. Op het moment dat het bezwaarschrift op 22 juli 2025 en het verzoek om voorlopige voorziening op 10 augustus 2025 werden ingediend, was dit al bekend. Ook het verzoek om proceskostenvergoeding heeft de voorzieningenrechter daarom afgewezen.



Beroep

4. Eiseres stelt dat, omdat zij op 24 april 2025 in een inrichting is opgenomen, haar uitkering op zijn vroegst pas vanaf 24 juni 2025 gewijzigd kan worden. Dat het college heeft besloten om de uitkering al per 1 juni 2025 te wijzigen, is dan ook in strijd met de eigen regels van het college. Het besluit is dan ook evident onrechtmatig en het college heeft ten onrechte de proceskosten in bezwaar niet vergoed. Dat, zoals door het college wordt gesteld, de uitkering feitelijk pas per 24 juni 2025 is gewijzigd en eiseres het juiste bedrag heeft ontvangen, maakt niet uit. Als eiseres geen bezwaar had gemaakt tegen het primaire besluit dan zou dat besluit onherroepelijk zijn geworden en zou eiseres gehouden zijn om de te veel ontvangen uitkering terug te betalen. Formeel had eiseres op grond van het primaire besluit alleen tot 1 juni 2025 recht op de hogere uitkering.





4.1
Verder stelt eiseres dat het college de uitkering op grond van artikel 18 van de PW af had moeten stemmen op haar persoonlijke omstandigheden, dat sprake is van dringende redenen om af te zien van verlaging van de bijstandsuitkering en van strijd met het evenredigheidsbeginsel.



Toetsingskader


5. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.



Oordeel van de rechtbank


6. Op zitting heeft de gemachtigde van eiseres het beroep op dringende redenen ingetrokken. Die beroepsgrond zal de rechtbank dan ook niet beoordelen.


Op zitting heeft de gemachtigde van eiseres voorts bevestigd dat eiseres vanaf 11 juli 2025 weer een hogere bijstandsuitkering heeft. De te beoordelen periode betreft daarom de periode van 24 juni 2025 tot 11 juli 2025.




Artikel 18




6.1
Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is voor afstemming van de bijstand op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW slechts plaats in zeer bijzondere omstandigheden. Het is aan degene die zich op deze afstemming beroept om de zeer bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken.



6.2
De gemachtigde van eiseres heeft op zitting gewezen op de persoonlijke omstandigheden van eiseres. Hij heeft gesteld dat slechts sprake was van een tijdelijke opname en dat eiseres in verband met deze opname een eigen bijdrage van ongeveer € 200,- aan CAK moet betalen.



6.3
Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit geen zeer bijzondere omstandigheden in voormeld zin, zodat het college geen aanleiding heeft hoeven zien om de bijstand op grond van artikel 18 van de PW af te stemmen.



Evenredigheidsbeginsel




6.4
Wat eiseres naar voren heeft gebracht komt er uiteindelijk op neer dat het evenredigheidsbeginsel in dit geval meebrengt dat artikel 23 van de PW buiten toepassing moet blijven. Artikel 23 van de PW is een dwingendrechtelijke bepaling in een wet in formele zin. Het is vaste rechtspraak dat een bepaling van een wet in formele zin niet exceptief kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel, maar dat het onder bepaalde omstandigheden wel mogelijk is de wet in een concreet geval buiten toepassing te laten. Daarom is voor de beoordeling van deze beroepsgrond van belang of zich bijzondere omstandigheden voordeden die de wetgever niet of niet ten volle heeft verdisconteerd en die de toepassing van artikel 23 van de PW zozeer in strijd doen zijn met het evenredigheidsbeginsel, dat die toepassing in dit geval achterwege moet blijven.


Naar het oordeel van de rechtbank brengen de door eiseres gestelde omstandigheden niet met zich dat toepassing van artikel 23 van de PW zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege dient te blijven. De enkele stelling van eiseres over de tijdelijkheid van haar verblijf in de detox en de verplichte eigen bijdrage aan CAK vindt de rechtbank daarvoor onvoldoende. Dit betekent dat de vraag of de gestelde bijzondere omstandigheden wel of niet (volledig) door de wetgever zijn verdisconteerd, hier geen afzonderlijke beantwoording behoeft.




6.9
Voor zover het beroep van eiseres ook ziet op de door het college gehanteerde ingangsdatum voor de aanpassing van de norm, is van belang dat ingangsdatum is gebaseerd op buitenwettelijk begunstigend beleid om pas na 2 maanden de inrichtingsnorm toe te passen. Volgens vaste rechtspraak moet zulk beleid door de bestuursrechter terughoudend worden getoetst. Dat houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast en of fundamentele rechten waarop de betrokkene zich beroept niet zijn geschonden. Dat fundamentele rechten van eiseres zijn geschonden dan wel dat beleid in strijd is met fundamentele rechtsbeginselen is niet gesteld noch gebleken.



Proceskosten in bezwaar




6.10
Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.



6.11
Naar het oordeel van de rechtbank is van die situatie sprake. In het primaire besluit is een onjuiste datum vermeld. Daarmee kleefde aan dat besluit een onrechtmatigheid. Het college heeft dat in het bestreden besluit hersteld. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van herroeping van het primaire besluit wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het bezwaar had daarom gegrond verklaard moeten worden en het college had hierin aanleiding moeten zien om de kosten in bezwaar te vergoeden. Immers, eiseres heeft redelijkerwijs kosten gemaakt voor het inroepen van rechtshulp om bezwaar te maken teneinde te voorkomen dat het primaire besluit formele rechtskracht zou krijgen.


Het college heeft dat ten onrechte nagelaten. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren.





Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het bezwaar ongegrond is verklaard en daarbij is geweigerd om de proceskosten in bezwaar te vergoeden.



7.1
De rechtbank voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat het college aan eiseres de proceskosten in bezwaar dient te vergoeden.


Deze proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde wordt een vast bedrag per proceshandeling vergoed. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. De gemachtigde van eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend en heeft aan de hoorzitting deelgenomen. De rechtbank stelt de proceskosten in bezwaar daarom vast op € 1.332,-.




7.2
Omdat het beroep gegrond is moet het college ook het griffierecht en de proceskosten in beroep aan eiseres vergoeden.


In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Deze vergoeding bedraagt in totaal € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.






Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 19 december 2025 voor zover daarin het bezwaar ongegrond is verklaard en is geweigerd om aan eiseres proceskosten in bezwaar toe te kennen;
- bepaalt dat het college de proceskosten in bezwaar van € 1.332,- aan eiseres moet vergoeden en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten in beroep aan eiseres.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier op 25 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.












griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.







Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Participatiewet




Artikel 23 (geldig van 1 januari 2025 tot 1 juli 2025)

1. Bij een verblijf in een inrichting is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 426,03;
b. gehuwden: € 662,69.
2. Het bedrag van de norm, bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd met:
a. voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder € 45,00;
b. voor gehuwden € 101,00.
3. Indien een van de gehuwden in een inrichting verblijft, is de norm de som van de normen die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden.


Artikel 181. Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.




Algemene wet bestuursrecht




Artikel 7:15

2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.



ECLI:NL:RBZWB:2025:5922.


Uitspraak van 6 november 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:7597).


Bijvoorbeeld de uitspraak van 26 mei 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:685).