Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8141

2026-08-24 Strafrecht 02-224655-25 en 02-209107-25 (gev. ttz) ontneming
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-24
Publicatiedatum
2026-08-24
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Op tegenspraak
Zaaknummer
02-224655-25 en 02-209107-25 (gev. ttz) ontneming
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ontnemingsvonnis. Vordering toegewezen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.296 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT




Strafrecht



Zittingsplaats: Breda



Parketnummers: 02-224655-25 en 02-209107-25 (gev. ttz)




vonnis van de rechtbank d.d. 24 augustus 2026




in de ontnemingszaak tegen





[betrokkene]
(hierna: betrokkene),
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. [plaats] .



Raadsman mr. M. Broere, advocaat te Roosendaal.





1De procedure
Betrokkene is op 24 augustus 2026 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, in de strafzaken met parketnummers 02-223465-25 en 02-209107-25, onder andere veroordeeld voor het medeplegen van de (verlengde) invoer en de verkoop van cocaïne tot de in die uitspraak vermelde straf.


De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.



Er is geen schriftelijke voorbereidingsprocedure doorlopen. De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. E.H. Smale, alsmede de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 24 augustus 2026.





2Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de (verlengde) invoer van cocaïne en de verkoop daarvan. Volgens de officier van justitie heeft betrokkene daarmee een voordeel behaald ter hoogte van naar schatting € 237.200,00. Dit bedrag is gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van de politie van 2 april 2026. Tijdens het onderzoek ter zitting is gevorderd om het voordeel vast te stellen op € 237.200,00 en een betalingsverplichting tot dat bedrag op te leggen.




3Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie af te wijzen. Er wordt in de ontnemingsvordering uitgegaan van een onjuist aantal kilogram verkochte cocaïne. Er is, uitgaande van de overzichten in het dossier, slechts 69,25 kilogram cocaïne verkocht, niet 300 kilogram. Het aandeel van de Colombianen was bovendien 80%. Gelet daarop moet ervan uitgegaan worden dat het winstaandeel van de drie Nederlanders 20% betrof. Daarop moet nog de betaling van € 75.000,00 aan [persoon 1] in mindering worden gebracht. Dat resulteert in een voordeel van € 37.325,00. Gelet op de administratie is de groep echter 75,25 kilogram kwijtgeraakt. Er is dus geen winst behaald, maar verlies geleden. Daarnaast heeft betrokkene verklaard dat hij de door hem verkregen cocaïne heeft teruggegeven. Tevens blijkt ook uit de Excelsheets dat er slechts sprake is van omzet en geen sprake van winst en dus geen voordeel. Mocht de vordering worden toegewezen, is, subsidiair, verzocht het voordeel te matigen tot een bedrag van € 25.000,00, nu dit volgens de administratie de enige cashwithdrawal is die aan ‘ [naam 1] ’ zou toekomen. Meer subsidiair is verzocht het voordeel te matigen tot een bedrag van € 37.325,00.




4Het oordeel van de rechtbank

4.1


Grondslag van de ontneming

De rechtbank hanteert als grondslag voor de beoordeling van de vordering artikel 36e, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht (Sr).



Uit het tweede lid van artikel 36e Sr volgt dat de ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd aan de veroordeelde die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde feit of andere strafbare feiten, indien er voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.



Zoals hiervoor al is overwogen, is betrokkene bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 augustus 2026 voor onder meer het medeplegen van de (verlengde) invoer van 300 kilogram cocaïne en de verkoop van cocaïne veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf. Uit het vonnis in de hoofdzaak blijkt dat betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan. De rechtbank ontleent aan de inhoud van de bewijsmiddelen 1 tot en met 26 (parketnummer 02-224665-25), zoals opgenomen in de bijlage bij dit vonnis, het oordeel dat betrokkene voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr heeft genoten.



4.2


De bewijsmiddelen

De rechtbank sluit voor het bewijs van de aannemelijkheid en de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel integraal aan bij de bewijsvoering en al hetgeen daaromtrent is overwogen door de rechtbank in het hiervoor genoemde vonnis in de strafzaak van betrokkene. In aanvulling hierop wordt voor het bewijs gebezigd de rapportage van de berekening van het wederrechtelijk verkregen.



4.3


Wederrechtelijk verkregen voordeel


Berekening politie

Voor de berekening van het verkregen wederrechtelijk voordeel gaat de rechtbank, net zoals de officier van justitie, uit van de berekening van de politie in het ontnemingsrapport.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel is door de politie in het ontnemingsrapport als volgt berekend.
Uit de verklaringen van [persoon 2] volgt dat er drie transporten van ieder 100 kilogram cocaïne zijn geslaagd. Voor elk geslaagd transport van 100 kilogram cocaïne werd door de Colombianen een vergoeding uitgekeerd van 20 kilogram cocaïne. Deze 20 kilogram werd in gelijke delen verdeeld tussen [persoon 2] , [persoon 3] en betrokkene. Dit komt, in het voordeel van betrokkenen berekend, neer op 6 kilo per persoon per transport. [persoon 1] deed niet mee in de verdeling van de 20 kilogram. Hij kreeg een vast bedrag van in totaal € 75.000,00 voor zijn werkzaamheden. Uit de verklaringen van [persoon 2] volgt dat deze kosten werden betaald door [persoon 2] , [persoon 3] en betrokkene.



Het Excelbestand ‘2025 xlsx’ dat in de back-up van [persoon 2] werd aangetroffen, bevat financiële gegevens die betrekking hebben op de voorraad en verkoop van de cocaïne. Uit deze gegevens volgt dat de verkoopprijzen van de cocaïne uiteenliepen van
€ 12.500,00 tot € 18.000,00 per kilogram cocaïne. De politie heeft in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in het voordeel van de betrokkenen, de gemiddelde verkoopprijs aangehouden die volgt uit de verklaring van [persoon 2] , namelijk € 13.500,00 euro per kilogram cocaïne.



Uit de verklaring van [persoon 2] blijkt tevens dat een commissie werd ontvangen voor de verkoop van de cocaïne van de Colombiaan [naam 2]. Deze commissie zou ontvangen zijn door [persoon 2] , [persoon 3] en betrokkene. De verklaring wordt gestaafd door de financiële gegevens in het Excel-bestand ‘2025.xlsx’. Uit het voornoemde bestand blijkt een totale commissie van € 57.600,00, wat neerkomt op € 19.200,00 per persoon.



Het voordeel bedraagt op basis van de berekening van de politie:
• 3 transporten;
• 6 kilogram cocaïne per persoon per transport;
• Prijs per kilogram cocaïne: € 13.500,00;
• Kosten voor [persoon 1] : € 75.000,00 voor de 3 transporten; • Totale opbrengst: € 729.000,00
(3 transporten x 6 kilogram per persoon x € 13.500,00 x 3 betrokkenen)
• Totale kosten: € 75.000,00



• Commissie voor de verkoop van cocaïne van de Colombiaan [naam 2]: € 57.600,00



Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan dan als volgt worden vastgesteld:



Opbrengst (€ 243.000,00 (3 x 6 x € 13.500) x 3 betrokkenen) € 729.000,00
-/- Kosten (€ 75.000,00 voor 3 transporten) € 75.000,00



Voordeel cocaïne € 654.000,00 (€ 218.000,00 per betrokkene)
Voordeel commissie € 57.600,00 (€ 19.200,00 per betrokkene)



Wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene:



Deel cocaïne van de groep € 218.000,00
+ Commissie verkoop van de Colombiaan [naam 2] € 19.200,00

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel € 237.200,00





Verkoop van de ontvangen cocaïne

Door de raadsman is onder meer aangevoerd dat slechts een deel van de geïmporteerde cocaïne is verkocht en dat betrokkene de door hem ontvangen cocaïne heeft terug moeten geven. Gelet daarop heeft hij geen voordeel verkregen, althans veel minder dan door de politie is berekend.
De rechtbank gaat daar niet in mee en overweegt daartoe als volgt. De beloning voor de import van de cocaïne bestond uit blokken cocaïne, die per stuk een gemiddelde waarde van € 13.500,- vertegenwoordigden. Het vermogen van betrokkene is gestegen op het moment dat hij die blokken cocaïne ontving. De omstandigheid dat nog niet alle cocaïne was verkocht en dat betrokkene, naar hij stelt, de door hem ontvangen cocaïne terug heeft moeten geven, kunnen niet leiden tot een vermindering van dit verkregen voordeel. Deze omstandigheden staan derhalve de toewijzing van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet in de weg. (Zie ECLI:NL:HR:2004:AR3721)



4.4


Vaststelling ontnemingsbedrag

De rechtbank stelt het door betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel vast op € 237.200,00.



4.5


Vaststelling van de betalingsverplichting

De rechtbank stelt de betalingsverplichting vast op hetzelfde bedrag als het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Er zijn geen feiten of omstandigheden die tot een andere afweging moeten leiden. De betalingsverplichting wordt vastgesteld op een bedrag van € 237.200,00.






5De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.




6De beslissing
De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op

€ 237.200,00 (tweehonderdzevenendertigduizend tweehonderd euro);

- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 237.200,00 (tweehonderdzevenendertigduizend tweehonderd euro), ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 1095 (duizend vijfennegentig) dagen.



Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, mr. M.H.M. Collombon en
mr. F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Kroes en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 augustus 2026.