Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8139
2026-08-24
Strafrecht
02-225732-25 ontneming
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ontnemingsvonnis. Vordering toegewezen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2004:AR3721 Hoge Raad 30-11-2004
- ECLI:NL:HR:2018:1768 Hoge Raad 25-09-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.631 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-225732-25
vonnis van de rechtbank d.d. 24 augustus 2026
in de ontnemingszaak tegen
[betrokkene]
(hierna: betrokkene),
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
van de Penitentiaire Inrichting te [adres] ,
waar hij preventief gedetineerd is.
1De procedure
Betrokkene is op 24 augustus 2026 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, in de strafzaak met parketnummer 02-225732-25, onder andere veroordeeld voor het medeplegen van de (verlengde) invoer en de verkoop van cocaïne tot de in die uitspraak vermelde straf.
De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.
Er is geen schriftelijke voorbereidingsprocedure doorlopen. De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. E.H. Smale, alsmede de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 24 augustus 2026.
2Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de (verlengde) invoer van cocaïne en de verkoop daarvan. Volgens de officier van justitie heeft betrokkene daarmee een voordeel behaald ter hoogte van naar schatting € 237.200,00. Dit bedrag is gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van de politie van 2 april 2026. Tijdens het onderzoek ter zitting is gevorderd om het voordeel vast te stellen op € 237.200,00, en een betalingsverplichting tot dat bedrag op te leggen.
3Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie op nihil te stellen. Er is niet goed vast te stellen wat er precies is verdiend. Er is cocaïne ontvreemd en er zijn blokken door de Colombianen meegenomen. Die opbrengst is dus niet in de portemonnee van betrokkene terechtgekomen. Ook is niet duidelijk wat [persoon 1] , die volgens de verklaring van [persoon 2] erbij betrokken was, heeft ontvangen.
Mocht de vordering worden toegewezen is, subsidiair, verzocht het voordeel te matigen tot een bedrag van € 36.000,00 met daarbij nog de kostenaftrek voor medeverdachte
[persoon 3] . Meer subsidiair is verzocht het voordeel te matigen met de niet verkochte blokken cocaïne en de kostenaftrek voor medeverdachte [persoon 3] .
4Het oordeel van de rechtbank
4.1
Grondslag van de ontneming
De rechtbank hanteert als grondslag voor de beoordeling van de vordering artikel 36e, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Uit het tweede lid van artikel 36e Sr volgt dat de ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd aan de veroordeelde die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde feit of andere strafbare feiten, indien er voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
Zoals hiervoor al is overwogen is betrokkene bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 augustus 2026 voor onder meer het medeplegen van de (verlengde) invoer van 300 kilogram cocaïne en de verkoop van cocaïne veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf. Uit het vonnis in de hoofdzaak blijkt dat betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan. De rechtbank ontleent aan de inhoud van de bewijsmiddelen 1 tot en met 26 (feit 1), zoals opgenomen in de bijlage bij dit vonnis, het oordeel dat betrokkene voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr heeft genoten.
4.2
De bewijsmiddelen
De rechtbank sluit voor het bewijs van de aannemelijkheid en de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel integraal aan bij de bewijsvoering en al hetgeen daaromtrent is overwogen door de rechtbank in het hiervoor genoemde vonnis in de strafzaak van betrokkene. In aanvulling hierop wordt voor het bewijs gebezigd de rapportage van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
4.3
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Berekening politie
Voor de berekening van het verkregen wederrechtelijk voordeel gaat de rechtbank, net zoals de officier van justitie, uit van de berekening van de politie in het ontnemingsrapport.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel is door de politie in het ontnemingsrapport als volgt berekend. Uit de verklaringen van [persoon 2] volgt dat er drie transporten van ieder 100 kilogram cocaïne zijn geslaagd. Voor elk geslaagd transport van 100 kilogram cocaïne werd door de Colombianen een vergoeding uitgekeerd van 20 kilogram cocaïne. Deze 20 kilogram werd in gelijke delen verdeeld tussen [persoon 2] , [persoon 4] en betrokkene. Dit komt, in het voordeel van betrokkenen, neer op 6 kilo per persoon per transport. [persoon 3] deed niet mee in de verdeling van de 20 kilogram. Hij kreeg een vast bedrag van in totaal € 75.000,00 voor zijn werkzaamheden. Uit de verklaringen van [persoon 2] volgt dat deze kosten werden betaald door [persoon 2] , [persoon 4] en betrokkene.
Het Excelbestand ‘[bestand]’ dat op de back-up van [persoon 2] werd aangetroffen bevat financiële gegevens die betrekking hebben op de voorraad en verkoop van de cocaïne. Uit deze gegevens volgt dat de verkoopprijzen van de cocaïne uiteenliepen van
€ 12.500,00 tot € 18.000,00 per kilogram cocaïne. De politie heeft in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in het voordeel van de betrokkenen, de gemiddelde verkoopprijs aangehouden die volgt uit de verklaring van [persoon 2] , namelijk € 13.500,00 euro per kilogram cocaïne.
Uit de verklaring van [persoon 2] blijkt tevens dat een commissie werd ontvangen voor de verkoop van de cocaïne van de Colombiaan [persoon 5] . Deze commissie zou ontvangen zijn door [persoon 2] , [persoon 4] en betrokkene. De verklaring wordt gestaafd door de financiële gegevens in het Excel-bestand ‘[bestand]’. Uit het voornoemde bestand blijkt een totale commissie van € 57.600,00, wat neerkomt op € 19.200,00 per persoon.
Het voordeel bedraagt op basis van de berekening van de politie:
• 3 transporten;
• 6 kilogram cocaïne per persoon per transport;
• Prijs per kilogram cocaïne: € 13.500,00;
• Kosten voor [persoon 3] : € 75.000,00 voor de 3 transporten; • Totale opbrengst: € 729.000,00
(3 transporten x 6 kilogram x € 13.500,00 x 3 betrokkenen)
• Totale kosten: € 75.000,00
• Commissie voor de verkoop van cocaïne van de Colombiaan [persoon 5] : € 57.600,00
Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan dan als volgt worden vastgesteld:
Opbrengst (€ 243.000,00 (3 x 6 x € 13.500) x 3 betrokkenen) € 729.000,00
-/- Kosten (€ 75.000,00 voor 3 transporten) € 75.000,00
Voordeel cocaïne € 654.000,00 (€ 218.000,00 per verdachte)
Voordeel commissie € 57.600,00 (€ 19.200,00 per verdachte)
Wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene:
Deel cocaïne van de groep € 218.000,00
+ Commissie verkoop van de Colombiaan [persoon 5] € 19.200,00
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel € 237.200,00
Gestolen cocaïne
Door betrokkene en zijn raadsman is onder meer aangevoerd dat de door betrokkenen ontvangen cocaïne deels is gestolen en dat hij daarom geen, althans veel minder voordeel heeft dan is berekend.
De rechtbank gaat daar niet in mee en overweegt daartoe als volgt. De beloning voor de import van de cocaïne bestond uit blokken cocaïne, die per stuk een gemiddelde waarde van € 13.500,- vertegenwoordigden. Het vermogen van betrokkene is gestegen op het moment dat hij de blokken cocaïne ontving. De omstandigheid dat er vervolgens 59 blokken zijn verdwenen van de door hen ontvangen partij cocaïne, kan niet leiden tot een vermindering van dit verkregen voordeel. Deze omstandigheid staat derhalve de toewijzing van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet in de weg. (Zie ECLI:NL:HR:2004:AR3721)
Dat er meer kosten waren die in mindering gebracht moeten worden op het door betrokkene verkregen voordeel, is niet gebleken uit de stukken in het dossier.
4.4
Vaststelling ontnemingsbedrag
De rechtbank stelt het door betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel vast op € 237.200,00.
Aftrek waarde beslag
Door de verdediging is aangevoerd dat er bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, dan wel bij de vaststelling van de betalingsverplichting, rekening moet worden gehouden met de waarde van de inbeslaggenomen geldbedragen. De rechtbank volgt dit verweer niet. Voor zover er een beslissing tot verbeurdverklaring met betrekking tot de geldbedragen in de strafzaak is genomen, geldt dat deze nog niet onherroepelijk is. Daarnaast geldt dat met de waarde van in beslag genomen geld en goederen eerst in de executiefase rekening wordt gehouden. Dat kan dan in mindering komen op de betalingsverplichting, maar daar hoeft nu nog geen rekening mee te worden gehouden. Dat geldt zowel voor de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel als de vaststelling van de betalingsverplichting. (Zie ECLI:NL:HR:2018:1768)
4.5
Vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank stelt de betalingsverplichting vast op hetzelfde bedrag als het geschatte wederrechtelijk voordeel. Er zijn geen feiten of omstandigheden die tot een andere afweging moeten leiden. De betalingsverplichting wordt vastgesteld op een bedrag van € 237.200,00.
5De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
6De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 237.200,00 (tweehonderdzevenendertigduizend tweehonderd euro);
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 237.200,00 (tweehonderdzevenendertigduizend tweehonderd euro), ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 1095 (duizend vijfennegentig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, mr. M.H.M. Collombon en
mr. F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Kroes en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 augustus 2026.
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-225732-25
vonnis van de rechtbank d.d. 24 augustus 2026
in de ontnemingszaak tegen
[betrokkene]
(hierna: betrokkene),
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
van de Penitentiaire Inrichting te [adres] ,
waar hij preventief gedetineerd is.
1De procedure
Betrokkene is op 24 augustus 2026 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, in de strafzaak met parketnummer 02-225732-25, onder andere veroordeeld voor het medeplegen van de (verlengde) invoer en de verkoop van cocaïne tot de in die uitspraak vermelde straf.
De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.
Er is geen schriftelijke voorbereidingsprocedure doorlopen. De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. E.H. Smale, alsmede de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 24 augustus 2026.
2Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de (verlengde) invoer van cocaïne en de verkoop daarvan. Volgens de officier van justitie heeft betrokkene daarmee een voordeel behaald ter hoogte van naar schatting € 237.200,00. Dit bedrag is gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van de politie van 2 april 2026. Tijdens het onderzoek ter zitting is gevorderd om het voordeel vast te stellen op € 237.200,00, en een betalingsverplichting tot dat bedrag op te leggen.
3Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie op nihil te stellen. Er is niet goed vast te stellen wat er precies is verdiend. Er is cocaïne ontvreemd en er zijn blokken door de Colombianen meegenomen. Die opbrengst is dus niet in de portemonnee van betrokkene terechtgekomen. Ook is niet duidelijk wat [persoon 1] , die volgens de verklaring van [persoon 2] erbij betrokken was, heeft ontvangen.
Mocht de vordering worden toegewezen is, subsidiair, verzocht het voordeel te matigen tot een bedrag van € 36.000,00 met daarbij nog de kostenaftrek voor medeverdachte
[persoon 3] . Meer subsidiair is verzocht het voordeel te matigen met de niet verkochte blokken cocaïne en de kostenaftrek voor medeverdachte [persoon 3] .
4Het oordeel van de rechtbank
4.1
Grondslag van de ontneming
De rechtbank hanteert als grondslag voor de beoordeling van de vordering artikel 36e, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Uit het tweede lid van artikel 36e Sr volgt dat de ontnemingsmaatregel kan worden opgelegd aan de veroordeelde die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde feit of andere strafbare feiten, indien er voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
Zoals hiervoor al is overwogen is betrokkene bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 augustus 2026 voor onder meer het medeplegen van de (verlengde) invoer van 300 kilogram cocaïne en de verkoop van cocaïne veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf. Uit het vonnis in de hoofdzaak blijkt dat betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan. De rechtbank ontleent aan de inhoud van de bewijsmiddelen 1 tot en met 26 (feit 1), zoals opgenomen in de bijlage bij dit vonnis, het oordeel dat betrokkene voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr heeft genoten.
4.2
De bewijsmiddelen
De rechtbank sluit voor het bewijs van de aannemelijkheid en de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel integraal aan bij de bewijsvoering en al hetgeen daaromtrent is overwogen door de rechtbank in het hiervoor genoemde vonnis in de strafzaak van betrokkene. In aanvulling hierop wordt voor het bewijs gebezigd de rapportage van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
4.3
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Berekening politie
Voor de berekening van het verkregen wederrechtelijk voordeel gaat de rechtbank, net zoals de officier van justitie, uit van de berekening van de politie in het ontnemingsrapport.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel is door de politie in het ontnemingsrapport als volgt berekend. Uit de verklaringen van [persoon 2] volgt dat er drie transporten van ieder 100 kilogram cocaïne zijn geslaagd. Voor elk geslaagd transport van 100 kilogram cocaïne werd door de Colombianen een vergoeding uitgekeerd van 20 kilogram cocaïne. Deze 20 kilogram werd in gelijke delen verdeeld tussen [persoon 2] , [persoon 4] en betrokkene. Dit komt, in het voordeel van betrokkenen, neer op 6 kilo per persoon per transport. [persoon 3] deed niet mee in de verdeling van de 20 kilogram. Hij kreeg een vast bedrag van in totaal € 75.000,00 voor zijn werkzaamheden. Uit de verklaringen van [persoon 2] volgt dat deze kosten werden betaald door [persoon 2] , [persoon 4] en betrokkene.
Het Excelbestand ‘[bestand]’ dat op de back-up van [persoon 2] werd aangetroffen bevat financiële gegevens die betrekking hebben op de voorraad en verkoop van de cocaïne. Uit deze gegevens volgt dat de verkoopprijzen van de cocaïne uiteenliepen van
€ 12.500,00 tot € 18.000,00 per kilogram cocaïne. De politie heeft in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in het voordeel van de betrokkenen, de gemiddelde verkoopprijs aangehouden die volgt uit de verklaring van [persoon 2] , namelijk € 13.500,00 euro per kilogram cocaïne.
Uit de verklaring van [persoon 2] blijkt tevens dat een commissie werd ontvangen voor de verkoop van de cocaïne van de Colombiaan [persoon 5] . Deze commissie zou ontvangen zijn door [persoon 2] , [persoon 4] en betrokkene. De verklaring wordt gestaafd door de financiële gegevens in het Excel-bestand ‘[bestand]’. Uit het voornoemde bestand blijkt een totale commissie van € 57.600,00, wat neerkomt op € 19.200,00 per persoon.
Het voordeel bedraagt op basis van de berekening van de politie:
• 3 transporten;
• 6 kilogram cocaïne per persoon per transport;
• Prijs per kilogram cocaïne: € 13.500,00;
• Kosten voor [persoon 3] : € 75.000,00 voor de 3 transporten; • Totale opbrengst: € 729.000,00
(3 transporten x 6 kilogram x € 13.500,00 x 3 betrokkenen)
• Totale kosten: € 75.000,00
• Commissie voor de verkoop van cocaïne van de Colombiaan [persoon 5] : € 57.600,00
Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan dan als volgt worden vastgesteld:
Opbrengst (€ 243.000,00 (3 x 6 x € 13.500) x 3 betrokkenen) € 729.000,00
-/- Kosten (€ 75.000,00 voor 3 transporten) € 75.000,00
Voordeel cocaïne € 654.000,00 (€ 218.000,00 per verdachte)
Voordeel commissie € 57.600,00 (€ 19.200,00 per verdachte)
Wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene:
Deel cocaïne van de groep € 218.000,00
+ Commissie verkoop van de Colombiaan [persoon 5] € 19.200,00
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel € 237.200,00
Gestolen cocaïne
Door betrokkene en zijn raadsman is onder meer aangevoerd dat de door betrokkenen ontvangen cocaïne deels is gestolen en dat hij daarom geen, althans veel minder voordeel heeft dan is berekend.
De rechtbank gaat daar niet in mee en overweegt daartoe als volgt. De beloning voor de import van de cocaïne bestond uit blokken cocaïne, die per stuk een gemiddelde waarde van € 13.500,- vertegenwoordigden. Het vermogen van betrokkene is gestegen op het moment dat hij de blokken cocaïne ontving. De omstandigheid dat er vervolgens 59 blokken zijn verdwenen van de door hen ontvangen partij cocaïne, kan niet leiden tot een vermindering van dit verkregen voordeel. Deze omstandigheid staat derhalve de toewijzing van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet in de weg. (Zie ECLI:NL:HR:2004:AR3721)
Dat er meer kosten waren die in mindering gebracht moeten worden op het door betrokkene verkregen voordeel, is niet gebleken uit de stukken in het dossier.
4.4
Vaststelling ontnemingsbedrag
De rechtbank stelt het door betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel vast op € 237.200,00.
Aftrek waarde beslag
Door de verdediging is aangevoerd dat er bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, dan wel bij de vaststelling van de betalingsverplichting, rekening moet worden gehouden met de waarde van de inbeslaggenomen geldbedragen. De rechtbank volgt dit verweer niet. Voor zover er een beslissing tot verbeurdverklaring met betrekking tot de geldbedragen in de strafzaak is genomen, geldt dat deze nog niet onherroepelijk is. Daarnaast geldt dat met de waarde van in beslag genomen geld en goederen eerst in de executiefase rekening wordt gehouden. Dat kan dan in mindering komen op de betalingsverplichting, maar daar hoeft nu nog geen rekening mee te worden gehouden. Dat geldt zowel voor de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel als de vaststelling van de betalingsverplichting. (Zie ECLI:NL:HR:2018:1768)
4.5
Vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank stelt de betalingsverplichting vast op hetzelfde bedrag als het geschatte wederrechtelijk voordeel. Er zijn geen feiten of omstandigheden die tot een andere afweging moeten leiden. De betalingsverplichting wordt vastgesteld op een bedrag van € 237.200,00.
5De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
6De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 237.200,00 (tweehonderdzevenendertigduizend tweehonderd euro);
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 237.200,00 (tweehonderdzevenendertigduizend tweehonderd euro), ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 1095 (duizend vijfennegentig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, mr. M.H.M. Collombon en
mr. F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Kroes en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 augustus 2026.