Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8137
2026-08-24
Strafrecht
02-224655-25 en 02-209107-25 (gev. ttz)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor medeplegen van de invoer van 300 kg cocaïne. Verdachten hebben naast de invoer, het vervoer en het afleveren van de 300 kilogram cocaïne, ook een deel van de cocaïne verkocht. Daarnaast heeft verdachte op 3 april 2025 249,80 gram cocaïne aanwezig gehad. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 jaar met aftrek.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (43.151 tekens)
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-224655-25 en 02-209107-25 (gev. ttz)
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 augustus 2026
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. [plaats 1] .
Raadsman mr. M. Broere, advocaat te Roosendaal.
1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. E.H. Smale en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 24 augustus 2026.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2De tenlastelegging
De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging met parketnummer 02-224655-25 is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
02-224655-25: het medeplegen van de (verlengde) invoer en de verkoop van 300 kilogram cocaïne;
02-209107-25: het bezit van 249,80 gram cocaïne.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (hierna ook: [verdachte] ) zich schuldig heeft gemaakt aan alle aan hem ten laste gelegde feiten en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Hieruit blijkt dat (ten aanzien van het feit met parketnummer 02-224655-25) het opzet van de verdachten was gericht op de invoer van cocaïne en dat alle verdachten een belangrijke bijdrage daaraan hebben geleverd, waardoor er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarnaast hebben ze tevens de cocaïne verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en opzettelijk aanwezig gehad.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van het onder 02-209107-25 ten laste gelegde feit. De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor wat betreft het onder 02-224655-25 ten laste gelegde feit. Kort samengevat wordt bepleit dat de verklaringen van [medeverdachte 1] ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn en om die reden niet als bewijsmiddel kunnen dienen. Die verklaringen kunnen ook niet voor het bewijs worden gebruikt, omdat de verdediging geen effectief ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen. Als deze verklaringen wel voor het bewijs worden gebruikt, moet er tenminste extra behoedzaam mee om worden gegaan. Daarnaast staan de door verdachte verrichte handelingen, als hij als de verkoper van de cocaïne wordt gezien, in een te ver verwijderd verband met de invoer om nog te kunnen spreken van het medeplegen van invoer.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02-224655-25: Medeplegen van de (verlengde) invoer van 300 kilogram cocaïne
Aanleiding onderzoek Martini
Het onderzoek Martini is gestart nadat verdachte [medeverdachte 1] op 13 augustus 2025 naar de politie is gestapt. Hij vertelde daar dat hij vreesde voor zijn leven vanwege een dreiging vanuit het criminele milieu en daarom geen andere optie zag dan zich te melden bij de politie. Tijdens het daaropvolgende gesprek verklaarde [medeverdachte 1] dat hij betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne vanuit Colombia naar Nederland. In totaal zou het gaan om drie geslaagde transporten van ieder 100 kilogram cocaïne. Twee keer via de haven van Rotterdam en één keer via de haven van Vlissingen. [medeverdachte 1] verklaarde ook dat vier andere personen betrokkenheid hadden bij die invoer. Op dat moment wilde [medeverdachte 1] nog geen namen noemen, maar later verklaarde hij dat de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] daarbij horen. De naam van de vierde medeverdachte, aangeduid als ‘ [naam 1] ’, heeft hij niet willen noemen.
Naar aanleiding van de verklaringen van [medeverdachte 1] is door de politie onderzoek verricht. Gedurende het onderzoek zijn onder andere de verdachten aangehouden en meermalen gehoord, zijn gegevensdragers onderzocht en hebben er doorzoekingen plaatsgevonden.
De verklaring van [medeverdachte 1]
heeft tegenover de politie uitgebreid verklaard. Samengevat komt deze verklaring erop neer dat hij medeverdachte [medeverdachte 2] in de zomer van 2024 heeft leren kennen. [medeverdachte 2] had de contacten in Colombia en samen zijn ze in 2024 de cocaïnelijn gestart. Later is [verdachte] erbij gekomen. [verdachte] regelde vervolgens [medeverdachte 3] en de loods in [plaats 2] . [medeverdachte 3] had het [bedrijf] op naam staan, dat als dekmantel werd gebruikt.
Per transport zat er 100 kilogram cocaïne tussen een lading schroot. De cocaïne zat verstopt in zelfgemaakte holle assen waarin lood was verwerkt zodat de cocaïne niet te zien was op de scan van de douane. De lading schroot werd afgeleverd bij het [bedrijf] , waar [medeverdachte 3] de assen scheidde van de deklading schroot. De assen werden vervolgens vervoerd naar de schuur van [medeverdachte 1] , waar ze werden opengemaakt. Volgens [medeverdachte 1] kregen hij, [medeverdachte 2] en [verdachte] 20% van de cocaïne. Dit kwam per zending ongeveer neer op zes blokken cocaïne per persoon. De Colombianen die de cocaïne verstuurd hebben, kregen de overige 80%. Daarnaast ontvingen de verdachten een commissie voor de verkoop van de cocaïne van de Colombianen. [medeverdachte 3] ontving een vast bedrag van € 75.000,-. [medeverdachte 1] heeft wisselend verklaard over of [medeverdachte 3] dit bedrag per lading of in totaal zou hebben ontvangen.
[medeverdachte 1] is uiteindelijk naar de politie is gegaan omdat hij vreesde voor zijn leven. Na de laatste lading zijn er 59 blokken cocaïne verdwenen. Deze blokken zijn volgens [medeverdachte 1] gestolen door medeverdachte [verdachte] . Daardoor is een conflict ontstaan met de Colombianen die een ‘incassobureau’ hebben ingeschakeld, wat tot de ontmoeting in Middelburg heeft geleid. Hierbij zijn zowel [medeverdachte 1] , als [medeverdachte 2] en [verdachte] aanwezig geweest. [verdachte] heeft hier uiteindelijk toegegeven dat hij 24 blokken cocaïne heeft meegenomen. [medeverdachte 1] kon niet vertellen waar de overige vermiste blokken zijn gebleven.
Betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de verklaring [medeverdachte 1]
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [medeverdachte 1] een bewijsmiddel van aanzienlijk gewicht is. Deze verklaring vindt echter op vele, essentiële onderdelen steun in de overige bewijsmiddelen, zoals hierna wordt toegelicht. Ook de - uiteindelijke - verklaring van verdachte, die in eerste instantie elke betrokkenheid ontkende, ondersteunt de verklaring van [medeverdachte 1] op onderdelen. [medeverdachte 1] verklaart daarbij ook belastend over zichzelf en heeft alle inlogcodes gegeven voor de bij hem inbeslaggenomen gegevensdragers, zodat de politie daar onderzoek naar heeft kunnen doen.
Met inachtneming daarvan kan naar het oordeel van de rechtbank, ook nu [medeverdachte 1] zich bij zijn verhoor als getuige op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, zijn verklaring voor het bewijs worden gebruikt.
De rechtbank ziet ook dat de verklaring van [medeverdachte 1] op onderdelen niet consistent is. Zij acht dit, gelet op de ondersteuning van zijn verklaring door andere bewijsmiddelen, echter niet zodanig dat de gehele verklaring van [medeverdachte 1] als ongeloofwaardig of onbetrouwbaar moet worden aangemerkt, zoals door de verdediging is bepleit. De gesignaleerde inconsistenties en het belang dat een medeverdachte als [medeverdachte 1] kan hebben om zijn eigen rol in het geheel zo klein mogelijk te maken, leiden er wel toe dat de rechtbank behoedzaam zal omgaan met het gebruik van de verklaring van [medeverdachte 1] voor het bewijs.
Ondersteunend bewijs voor de verklaring van [medeverdachte 1]
Naar het oordeel van de rechtbank wordt de verklaring van [medeverdachte 1] voldoende ondersteund door onder meer de volgende bewijsmiddelen.
Back-up van [medeverdachte 1]
Tijdens zijn verhoor heeft [medeverdachte 1] verteld dat hij thuis een brief had klaargelegd voor zijn vriendin voor als hij niet meer thuis zou komen. Die brief is door de politie in beslag genomen. Daarin stond onder meer vermeld dat er een back-up in een gmail-account is gemaakt. De politie heeft de back-up kunnen achterhalen en onderzocht. In de back-up is in de map “handel” een grote hoeveelheid documenten aangetroffen met betrekking tot de import van schroot vanuit Colombia naar Nederland. Uit deze documenten kan worden afgeleid dat er in totaal vier containers vanuit Colombia zijn geleverd.
De eerste container werd op 18 september 2024 in Rotterdam gelost en betrof een ‘proeflading’ waarbij gebruik werd gemaakt van een gekloond Duits bedrijf met aangepaste contactgegevens waardoor de communicatie verliep via de verdachten.
Op 22 januari 2025 is in Rotterdam vanaf een schip uit Colombia een container met [nummer 1] gelost. De lading, 25.130 kilogram schroot, was bestemd voor [bedrijf] en is op 22 januari 2025 afgeleverd in [plaats 2] .
Op 17 maart 2025 is in de haven van Vlissingen vanaf een schip afkomstig uit Colombia een container met [nummer 2] gelost. De lading, 24.769 kilogram schroot, was wederom bestemd voor [bedrijf] en is op 21 maart 2025 afgeleverd bij de loods van [bedrijf] aan [adres 1] .
Een vierde zeecontainer, met [nummer 3] , vertrok op 14 april 2025 vanuit een haven in Colombia naar Rotterdam en is op 12 juni 2025 vrijgegeven, vermoedelijk door de douane. De lading, 24.135 kilogram schroot, was wederom bestemd voor [bedrijf] .
Deze gegevens komen overeen met de verklaring van [medeverdachte 1] over de vier transporten.
In de back-up van [medeverdachte 1] zijn ook foto’s van onder andere cilindervormige metalen voorwerpen, bigbags en cilindervormige blokken, mogelijk cocaïne, aangetroffen. De stempels die op de blokken zichtbaar zijn, komen overeen met de verklaring van [medeverdachte 1] over de stempels op de cocaïne. Daarnaast komen de bigbags op de foto’s overeen met de bigbags die op 20 augustus 2025 door de politie zijn aangetroffen tijdens de doorzoeking van de loods aan [adres 1] .
Volgens een aangetroffen huurcontract, is [bedrijf] vanaf 21 november 2024 de loods aan [adres 1] gaan huren.
Gegevens van de Kamer van Koophandel
Uit gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat het [bedrijf] op 31 augustus 2024 is opgericht. [medeverdachte 3] staat als eigenaar van het bedrijf geregistreerd.
Verklaring verhuurmakelaar van de loods
[getuige 1] is als getuige gehoord en heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij de verhuur van de loods aan [adres 1] aan [bedrijf] via [medeverdachte 3] . [verdachte] heeft het pand bezichtigd en is samen met [medeverdachte 3] bij de inspectie voor de oplevering van het pand geweest. [medeverdachte 1] heeft ervoor gezorgd dat de huur en de borg betaald werden.
Verklaring eigenaar van de loods
[getuige 2] is als getuige gehoord en heeft verklaard dat hij “ [naam 2] ”, die hij van een foto herkent als [verdachte] , heeft gezien bij de sleuteloverdracht, bij het begin.
Notitieboekje [medeverdachte 1]
In de fouillering van [medeverdachte 1] is een notitieboekje aangetroffen. Hierin waren onder andere aantekeningen gemaakt over transporten, verschillende bedragen, kilo’s, projecten en het regelen van een schroot/staal bedrijf. Ook staan er namen, dan wel bijnamen, van personen in die volgens de politie kunnen worden gerelateerd aan de drugshandel en werd er een tekening van een ontwerp van een omhulsel aangetroffen. Dit ontwerp komt overeen met de wijze waarop de cocaïne in assen vanuit Colombia naar Nederland werd vervoerd.
Verklaring [persoon]
(de partner van [medeverdachte 1] ) heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] handel hadden vanuit Colombia naar Nederland met metaal en cocaïne erin. Het ging om hulsjes van metaal met daarin cocaïne wat met een boot naar Nederland kwam. In hun schuur werd de cocaïne er vervolgens uit gehaald. In de week van 7/8 juli 2025 is [medeverdachte 2] met drie Colombianen bij hun thuis geweest omdat er cocaïne was weggehaald door [verdachte] . [medeverdachte 1] heeft ergens, ze denkt bij het [hotel] , [medeverdachte 2] en de Colombianen ontmoet en daarna zijn ze bij hen thuis gekomen. Ze hebben toen alles uit de buisjes gehaald en geteld en zijn het twee of drie dagen later met een soort gereedschapsboxen op komen halen. [persoon] heeft één keer gezien dat [verdachte] het metaal kwam leveren. Zij heeft gezien dat er contant geld in huis lag en dat er ook een deurwaarder met het verdiende geld is betaald.
Gegevensdragers van verdachten
In onder meer de telefoon van [medeverdachte 3] bevonden zich twee foto’s van een cilindervormige substantie, qua vorm gelijk aan de aangetroffen cilinders met cocaïne, die werd vastgehouden. Op deze hand was een tatoeage te zien. Na onderzoek blijkt dat dit de hand van [verdachte] is.
In de telefoon van [verdachte] werd een filmpje aangetroffen waarop werd gefilmd vanuit een heftruck en waarop bigbags zichtbaar waren. De bigbags in dit filmpje kwamen overeen met bigbags die waren gezien op foto’s op de laptop van [medeverdachte 1] .
Tevens werd er in de telefoon van [verdachte] een WhatsAppaccount met de naam ‘ [naam 3] ’ aangetroffen. Tijdens het eerste gesprek dat [medeverdachte 1] met de politie had, werd hij meerdere malen gebeld door een contact met de naam ‘ [naam 3] ’. Ook stuurde deze ‘ [naam 3] ’ hem tijdens dat gesprek onder andere het volgende bericht: “Je gaat vandaag nog m’n maat zien je weet wat ik je verteld heb alvast moet je naar Duitsland rijden maakt me geen flikker uit met hem regelen vandaag nog.”
Gegevens [hotel]
Uit camerabeelden en gegevens van het [hotel] in Breda blijkt onder andere dat daar op
8 juli 2025 door [medeverdachte 2] is ingecheckt. Op 9 juli 2025 ontmoet hij [medeverdachte 1] en rijden ze achter elkaar de parkeerplaats af. Op 11 juli 2025 verlaat [medeverdachte 2] om 08:55 uur met zijn spullen het hotel. Deze bevindingen komen overeen met de verklaringen van [medeverdachte 1] en [persoon] dat [medeverdachte 2] met de Colombianen de voorraad cocaïne bij hen thuis is komen tellen en dat ze die een paar dagen later hebben opgehaald.
Aangetroffen cocaïne bij verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte]
Bij een verkeerscontrole op 3 april 2025 werd bij [verdachte] een cilindervormig blok van 249,80 gram cocaïne aangetroffen en in beslag genomen. Op 20 augustus 2025 vond een doorzoeking plaats op het verblijfadres van [medeverdachte 2] aan [adres 2] , waarbij onder andere 16,2 kilogram cilindervormige blokken, positief getest op cocaïne, werd aangetroffen en in beslag genomen.
De cocaïne die onder [medeverdachte 2] en onder [verdachte] in beslag werd genomen kwam qua vorm overeen met de cilindervormige blokken op de foto’s die onder andere zijn aangetroffen in de back-up van [medeverdachte 1] . De cocaïne die bij [medeverdachte 2] op zolder werd aangetroffen, bevond zich bovendien in een gereedschapskoffer, waarover niet alleen door [medeverdachte 1] , maar ook door [persoon] werd verklaard.
Naar het oordeel van de rechtbank kan, mede gelet op bovenstaande, geen andere conclusie worden getrokken dan dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] betrokken waren bij de invoer van de cocaïne via het [bedrijf] .
De rol van de verdachten bij de invoer
[medeverdachte 1]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 1] fungeerde als de spreekwoordelijke ‘spin in het web’. Hij was degene die met iedereen contact had. [medeverdachte 1] regelde dat het [bedrijf] door [medeverdachte 3] werd opgericht en deed de administratie en betalingen. Ook was hij betrokken bij de totstandkoming van de huurovereenkomst en de betaling van de huur van de loods in [plaats 2] en heeft hij [verdachte] geregeld. Hij bracht de door [medeverdachte 3] geleverde assen naar zijn schuur, waarna hij ze openmaakte en de cocaïne eruit haalde. [medeverdachte 1] ontwikkelde tevens de ‘conversations-app’ en had, blijkens zijn eigen verklaring, op een gegeven moment de contacten met de Colombianen. Daarnaast is op zijn computer de administratie van de groep aangetroffen, was hij voor de import van de eerste container betrokken bij het klonen van het Duitse bedrijf en stond er in zijn notitieboekje een ontwerp van de gebruikte assen met cocaïne.
[medeverdachte 2]
heeft [medeverdachte 1] uitgelegd hoe je een bedrijf kunt klonen en was samen met [medeverdachte 1] betrokken bij de coördinatie en organisatie van de drugsinvoer. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] volgt dat [medeverdachte 2] de Colombiaanse contacten had. Daarnaast is bij [medeverdachte 2] een USB-stick aangetroffen met daarop de administratie van de groep. Dat hij hier ook daadwerkelijk toegang tot had blijkt uit de metadata waarin onder meer staat dat [medeverdachte 2] het Excelbestand op 5 juni 2015 heeft aangemaakt en als laatste op 13 augustus 2025 heeft gewijzigd, de dag waarop [medeverdachte 1] naar de politie is gegaan. Uit het dossier volgt dat [medeverdachte 2] vanaf het begin wist dat het de bedoeling was om cocaïne te importeren en bovendien werd er bij hem op zolder ruim 16 kilogram van de cilindervormige blokken cocaïne aangetroffen.
[verdachte]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] vanaf het begin betrokken was bij (het opzetten van) de smokkellijn van cocaïne naar Nederland. Hij was in elk geval betrokken bij de proeflading, bij het huren van de loods in [plaats 2] , bij het ‘regelen’ van [medeverdachte 3] en bij de verkoop van de cocaïne. Hij deelde op gelijke voet met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de opbrengst van de (verkoop van de) cocaïne.
[verdachte] heeft verklaard dat hij inderdaad [medeverdachte 3] in contact heeft gebracht met [medeverdachte 1] om mee te werken bij het invoeren van schroot. Hij heeft ook verklaard dat hij betrokken was bij het lossen van het proeftransport en het regelen van een terrein daarvoor. De verklaring van verdachte dat hij pas later, via een persoon wiens naam hij niet wil noemen, ervan op de hoogte is gekomen dat de werkzaamheden van [medeverdachte 1] te maken hadden met de invoer van cocaïne, waarmee hij [medeverdachte 1] toen heeft geconfronteerd, acht de rechtbank echter ongeloofwaardig. Allereerst weegt de rechtbank daarbij mee dat [verdachte] die verklaring eerst in een zeer laat stadium heeft afgelegd. Dat hij bij de bezichtiging van de loods aan de [adres 1] in [plaats 2] aanwezig is geweest, waar twee getuigen over hebben verklaard, heeft hij zelfs pas op zitting erkend. Ook ligt het niet voor de hand dat [medeverdachte 1] na een vraag van [verdachte] daarover zomaar aan [verdachte] zou vertellen dat hij zich bezighield met de invoer van cocaïne en hem bovendien (spontaan) voor zijn stilzwijgen zou belonen met 4 blokken cocaïne, wat een substantieel deel van de eigen beloning van [medeverdachte 1] zou zijn.
Daarnaast past deze verklaring van [verdachte] niet bij overige bewijsmiddelen in het dossier. [medeverdachte 1] heeft daar immers anders over verklaard en zijn verklaring, dat [verdachte] vanaf het begin wist dat het om cocaïne ging en daarbij een belangrijke rol had, onder meer bij de verkoop daarvan, wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo heeft [persoon] bij de politie verklaard dat ze heeft gezien dat [verdachte] eenmaal het metaal met cocaïne bij [medeverdachte 1] heeft afgeleverd en dat [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 2] en [verdachte] alles heeft gedaan. Uit de aangetroffen administratie valt bovendien af te leiden dat [verdachte] evenredig aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] deelde in de opbrengst van de invoer van cocaïne, hetgeen niet wijst op een beperkte rol.
Voorts zijn op diverse gegevensdragers foto’s van een hand met daarin een cilindervormig blok aangetroffen. Die hand is, gelet op de tatoeage van een anker daarop, herkend als de hand van [verdachte] . [verdachte] heeft – uiteindelijk – erkend dat dit een foto van zijn hand moet zijn geweest en dat hij dus een blok cocaïne vastgehouden heeft. Die foto verklaart verdachte doordat hij 4 blokken cocaïne, in totaal 1 kilogram, van [medeverdachte 1] heeft gekregen om zijn mond te houden en dat [medeverdachte 1] een foto gemaakt moet hebben toen hij zo’n blok vast had. Die verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig, alleen al omdat er meerdere foto’s van zijn hand met een blok met verschillende stempels zijn aangetroffen. Voor de omstandigheid dat [verdachte] een handschoen droeg op die foto’s, heeft hij ook geen logische verklaring gegeven. Ook past de verklaring van verdachte dat hij drie van deze blokken wilde verkopen, niet bij zijn eigen verklaring over zijn verslaving. Als hij, volgens zijn eigen verklaring over niet meer dan 1 kilo cocaïne beschikte, is het weinig aannemelijk dat hij deze zou verkopen, terwijl hij zelf in die tijd volgens zijn eigen verklaring 10 tot 15 gram cocaïne per dag gebruikte en die dan voor een dealersprijs zou moeten kopen. Dat cocaïne ‘over de datum zou gaan’, zoals door de verdediging is aangevoerd, waardoor het logisch zou zijn dat verdachte dit zou proberen te verkopen in plaats voor eigen gebruik te bewaren, acht de rechtbank, alleen al gelet op de omvang van het door [verdachte] genoemde gebruik, onaannemelijk.
[medeverdachte 3]
had het [bedrijf] op zijn naam staan en was in de loods in [plaats 2] aanwezig om de assen uit het schroot te sorteren. Ook heeft hij in ieder geval één keer assen naar [medeverdachte 1] gebracht op de parkeerplaats van de McDonald’s in Roosendaal. Uit onder meer de verklaring van [medeverdachte 1] volgt dat [medeverdachte 3] wist dat er cocaïne in de assen zat.
(Verlengde) invoer
De verdediging heeft betwist dat de eventuele betrokkenheid van verdachte bij de cocaïne kan worden aangemerkt als invoer omdat de handelingen van verdachte in een te ver verwijderd verband staan om nog te kunnen spreken van een bijdrage van voldoende gewicht aan die invoer.
Voor een bewezenverklaring van (verlengde) invoer moet kunnen worden vastgesteld dat de cocaïne het grondgebied van Nederland binnen is gebracht én dat verdachte daar wetenschap van heeft gehad. Verder omschrijft de wettekst van artikel 1, vierde lid, juncto artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet, wat onder het invoeren van verdovende middelen wordt begrepen. Daaruit blijkt dat dit niet alleen het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de verdovende middelen zelf omvat. Hieronder wordt ook verstaan het verrichten van handelingen gericht op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, de ontvangst of de overdracht van verdovende middelen. Dit kan plaatsvinden nadat de feitelijke invoer al is voltrokken en wordt omschreven als ‘verlengde invoer’.
De rechtbank stelt vast dat de containers met schroot met daarin de speciaal ontworpen assen met cocaïne vanuit Colombia naar Nederland zijn vervoerd. Na de aankomst in Nederland, werden de containers naar de gehuurde loods in [plaats 2] vervoerd. In de loods werden de met cocaïne gevulde assen door [medeverdachte 3] gescheiden van de deklading schroot, waarna deze naar de schuur van [medeverdachte 1] werden vervoerd en daar werden opengemaakt. Het scheiden van de cocaïne van de deklading is daarmee een noodzakelijke handeling, gericht op de verdere verspreiding van de drugs, wat ook het uiteindelijke doel van de invoer is. Anders dan door de verdediging (subsidiair) is aangevoerd, was [verdachte] niet alleen als verkoper bij de invoer betrokken, maar ook al in een veel eerder stadium. [verdachte] heeft immers [medeverdachte 3] in contact gebracht met [medeverdachte 1] , is betrokken geweest bij het huren van een loods voor [bedrijf] , waarbij hij wist dat deze bedoeld was om het uit het buitenland geïmporteerde schroot op te slaan. [verdachte] was bovendien ook al betrokken bij het (lossen van het) proeftransport in 2024. De rechtbank stelt, zoals hieronder verder zal worden toegelicht, voorts vast dat [verdachte] vanaf het begin wist dat het ging om import met als doel om de cocaïne in te voeren. De handelingen van verdachte kunnen dan ook worden geschaard onder invoer.
Opzet en medeplegen invoer
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, waarin ligt besloten dat een verdachte het opzet heeft gehad op zowel de samenwerking als op het gronddelict. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.
Gelet op de bovenstaande rolverdeling en de algemene overwegingen over opzet en medeplegen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] ten aanzien van de invoer van in totaal 300 kilogram cocaïne in drie containers met schroot en het afleveren en vervoeren van de cocaïne. Dat het proces van logistieke handelingen vrijwel naadloos op elkaar aansloot, geeft blijk van een gezamenlijke uitvoering van een plan dat vooraf grotendeels met elkaar moet zijn afgestemd. [medeverdachte 1] was de organisator. [medeverdachte 2] had de connecties in Colombia en had kennis over de im- en export van containers. [verdachte] regelde de locatie en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] had het bedrijf, dat als dekmantel voor de invoer fungeerde, op naam staan en sorteerde de met cocaïne gevulde assen uit de ontvangen deklading schroot. De assen werden daarna naar de schuur van [medeverdachte 1] gebracht, waar de cocaïne uit de assen werd gehaald. Verdachten hebben daarmee alle vier een intellectuele en/of materiële bijdrage geleverd aan het delict die van voldoende gewicht is.
Conclusie invoer van cocaïne
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk invoeren van 300 kilogram cocaïne en het afleveren en vervoeren daarvan.
Verkoop van cocaïne
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat er ook cocaïne is verkocht. [verdachte] zou de verkoopkanalen onderhouden en [medeverdachte 2] hield de financiën bij. Ook uit de overige bewijsmiddelen in het dossier concludeert de rechtbank dat er daadwerkelijk door de verdachten een deel van de geïmporteerde hoeveelheid cocaïne is verkocht. Dit betreft niet alleen de verklaring van [persoon] die spreekt over wat er met gemaakte winsten is gedaan, maar met name ook uit de documenten die onder meer op de back-up van [medeverdachte 1] en de USB-stick bij [medeverdachte 2] zijn aangetroffen. Daarop is niet alleen een foto van een grote hoeveelheid contant geld aangetroffen, waarover [medeverdachte 1] zegt dat die bij hem thuis door hem is gemaakt en dat hij het geld van [verdachte] heeft gekregen, maar ook de overzichten ‘sales bij US’ en ‘group’, tabbladen van het Excel-bestand 2025.xlsx . Gelet op de bestandsnamen, de genoemde bedragen en hoeveelheden gaat de rechtbank ervan uit dat het hierbij gaat om de verkoop in 2025 van kilo’s cocaïne en de winsten die daarmee zijn gemaakt. Daarnaast zijn er gegevens over een ledger met USDT crypto-currency aangetroffen die volgens [medeverdachte 1] werd gebruikt voor niet contante betalingen bij verkoop van blokken cocaïne.
Met inachtneming daarvan is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk verkopen van een hoeveelheid cocaïne.
02-209107-25: Bezit 249,80 gram cocaïne
Het onder 02-209107-25(vul de feitaanduidingen in) ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02-224665-25:
in de periode van 16 december 2024 t/m 13 augustus 2025 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, meermaals,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en afgeleverd en vervoerd,
in totaal ongeveer 300 kilogram cocaïne en
in de periode van 16 december 2024 t/m 13 augustus 2025 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een hoeveelheid cocaïne heeft verkocht,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
02-209107-25:
op 3 april 2025 te [plaats 3] opzettelijk aanwezig heeft gehad 249,80 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6,5 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie gaat er vanuit dat er ten aanzien van de te bewijzen feiten sprake is van een voortgezette handeling.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Indien het tot een veroordeling komt van beide feiten, heeft de verdediging verzocht de feiten aan te merken als een voortgezette handeling en hiermee rekening te houden in de strafmaat. Ook dient rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn beperkte rol in het geheel.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna negen maanden met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van 3 ladingen met in totaal 300 kilogram cocaïne, die per schip via de havens van Rotterdam en Vlissingen Nederland zijn binnengesmokkeld middels een deklading schroot. Verdachten hebben deze invoer professioneel opgezet door het eerst klonen van een ‘spookbedrijf’, het daarna opzetten van een nieuw bedrijf voor de invoer van het schroot, het verstoppen van de cocaïne in zelfgemaakte holle assen voorzien van een magneetstrip en lood om de scan van de douane te misleiden, het bijhouden van een administratie en het juist bewust beperken tot maximaal 100 kilogram cocaïne per keer om niet op te vallen. Verdachten hebben naast de invoer, het vervoer en het afleveren van de 300 kilogram cocaïne, ook een deel van de cocaïne verkocht. Daarnaast heeft verdachte op 3 april 2025 249,80 gram cocaïne aanwezig gehad. De rechtbank gaat er daarbij, mede gelet op de cilindervorm van het blok, vanuit dat deze cocaïne onderdeel was van de ingevoerde partij cocaïne.
Met zijn handelen heeft verdachte samen met de medeverdachten bijgedragen aan de (internationale) cocaïnehandel. Hiermee is hij ook verantwoordelijk voor de gevolgen van deze handel. Cocaïne is een stof die schadelijk is voor de volksgezondheid en sterk verslavend is. Met de handel in cocaïne wordt bovendien veel geld verdiend waardoor deze gepaard gaat met vele andere vormen van criminaliteit die onder meer een bedreiging inhouden voor de integriteit van het financiële en economische verkeer. Daarnaast gaat de internationale handel in verdovende middelen steeds vaker gepaard met geweldsexplosies, waarmee niet zelden onschuldige burgers worden geconfronteerd. Kennelijk heeft verdachte voor dit alles geen oog gehad en was hij enkel uit op financieel voordeel.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte voor zover deze tijdens het onderzoek ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen.
Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke delicten als de onderhavige.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten, in het bijzonder het ondermijnende karakter daarvan, geen ruimte laten voor een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur. Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de landelijke oriëntatiepunten van straftoemeting. Het uitgangspunt bij de invoer van harddrugs bij een hoeveelheid van meer dan twintig kilogram in georganiseerd verband is een gevangenisstraf vanaf tweeënzeventig maanden. De hoeveelheid cocaïne die verdachte samen met zijn medeverdachten heeft ingevoerd was het vijftienvoudige van deze twintig kilogram. De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met straffen die doorgaans in soortgelijke zaken en bij soortgelijke hoeveelheden worden opgelegd. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met de rol van verdachte, die naar het oordeel van de rechtbank meer uitvoerend en minder coördinerend was dan de rol van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
De verdediging heeft bepleit dat het onder 02-209107-25 bewezenverklaarde (het aanwezig hebben van 249,80 gram cocaïne) de voortgezette handeling behelst van het onder
02-224655-25 bewezenverklaarde feit. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Er is immers geen sprake van handelingen die voortvloeien uit één ongeoorloofd wilsbesluit. Het besluit om op 3 april 2025 cocaïne aanwezig te hebben, valt niet samen met het wilsbesluit om samen met anderen cocaïne te importeren, vervoeren en verkopen. Dit laat onverlet dat de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat ervan uitgaat dat de cocaïne die verdachte op 3 april 2025 aanwezig had, afkomstig was uit een van de ingevoerde partijen cocaïne.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7Het beslag
7.1.
De verbeurdverklaring
De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen worden verbeurd verklaard. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat de bewezen feiten met betrekking tot deze voorwerpen zijn begaan.
7.2.
De teruggave aan verdachte
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde sieraden, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.
8De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
02-224655-25
:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
02-209107-25
:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- verklaart verbeurd de volgende voorwerpen:
* 1 STK GSM, voorwerpnummer PL2000-ZBRAA25019_866579;
* 1 STK GSM, voorwerpnummer PL2000-ZBRAA25019_866580;
- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
* 1 STK Horloge, voorwerpnummer PL2000-ZBRAA25019_866578;
* 1 STK Sieraad, voorwerpnummer PL2000-ZBRAA25019_866647;
* 1 STK Sieraad, voorwerpnummer PL2000-ZBRAA25019_866648;
* 1 STK Sieraad, voorwerpnummer PL2000-ZBRAA25019_866649.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, mr. M.H.M. Collombon en
mr. F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Kroes, griffier, en is
uitgesproken ter openbare zitting op 24 augustus 2026.
Bijlage I: De gewijzigde tenlastelegging
02-224665-25:
hij in de periode van 16 december 2024 t/m 13 augustus 2025 te Rotterdam en/of Vlissingen en/of [plaats 4] en/of [plaats 2] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermaals, althans eenmaal,
opzettelijk
binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
(in totaal) ongeveer 300 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
02-209107-25:
hij op of omstreeks 3 april 2025 te [plaats 3]
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 249,80 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-224655-25 en 02-209107-25 (gev. ttz)
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 augustus 2026
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. [plaats 1] .
Raadsman mr. M. Broere, advocaat te Roosendaal.
1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. E.H. Smale en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 24 augustus 2026.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2De tenlastelegging
De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging met parketnummer 02-224655-25 is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
02-224655-25: het medeplegen van de (verlengde) invoer en de verkoop van 300 kilogram cocaïne;
02-209107-25: het bezit van 249,80 gram cocaïne.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (hierna ook: [verdachte] ) zich schuldig heeft gemaakt aan alle aan hem ten laste gelegde feiten en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier. Hieruit blijkt dat (ten aanzien van het feit met parketnummer 02-224655-25) het opzet van de verdachten was gericht op de invoer van cocaïne en dat alle verdachten een belangrijke bijdrage daaraan hebben geleverd, waardoor er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarnaast hebben ze tevens de cocaïne verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en opzettelijk aanwezig gehad.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van het onder 02-209107-25 ten laste gelegde feit. De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor wat betreft het onder 02-224655-25 ten laste gelegde feit. Kort samengevat wordt bepleit dat de verklaringen van [medeverdachte 1] ongeloofwaardig en onbetrouwbaar zijn en om die reden niet als bewijsmiddel kunnen dienen. Die verklaringen kunnen ook niet voor het bewijs worden gebruikt, omdat de verdediging geen effectief ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen. Als deze verklaringen wel voor het bewijs worden gebruikt, moet er tenminste extra behoedzaam mee om worden gegaan. Daarnaast staan de door verdachte verrichte handelingen, als hij als de verkoper van de cocaïne wordt gezien, in een te ver verwijderd verband met de invoer om nog te kunnen spreken van het medeplegen van invoer.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02-224655-25: Medeplegen van de (verlengde) invoer van 300 kilogram cocaïne
Aanleiding onderzoek Martini
Het onderzoek Martini is gestart nadat verdachte [medeverdachte 1] op 13 augustus 2025 naar de politie is gestapt. Hij vertelde daar dat hij vreesde voor zijn leven vanwege een dreiging vanuit het criminele milieu en daarom geen andere optie zag dan zich te melden bij de politie. Tijdens het daaropvolgende gesprek verklaarde [medeverdachte 1] dat hij betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne vanuit Colombia naar Nederland. In totaal zou het gaan om drie geslaagde transporten van ieder 100 kilogram cocaïne. Twee keer via de haven van Rotterdam en één keer via de haven van Vlissingen. [medeverdachte 1] verklaarde ook dat vier andere personen betrokkenheid hadden bij die invoer. Op dat moment wilde [medeverdachte 1] nog geen namen noemen, maar later verklaarde hij dat de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] daarbij horen. De naam van de vierde medeverdachte, aangeduid als ‘ [naam 1] ’, heeft hij niet willen noemen.
Naar aanleiding van de verklaringen van [medeverdachte 1] is door de politie onderzoek verricht. Gedurende het onderzoek zijn onder andere de verdachten aangehouden en meermalen gehoord, zijn gegevensdragers onderzocht en hebben er doorzoekingen plaatsgevonden.
De verklaring van [medeverdachte 1]
heeft tegenover de politie uitgebreid verklaard. Samengevat komt deze verklaring erop neer dat hij medeverdachte [medeverdachte 2] in de zomer van 2024 heeft leren kennen. [medeverdachte 2] had de contacten in Colombia en samen zijn ze in 2024 de cocaïnelijn gestart. Later is [verdachte] erbij gekomen. [verdachte] regelde vervolgens [medeverdachte 3] en de loods in [plaats 2] . [medeverdachte 3] had het [bedrijf] op naam staan, dat als dekmantel werd gebruikt.
Per transport zat er 100 kilogram cocaïne tussen een lading schroot. De cocaïne zat verstopt in zelfgemaakte holle assen waarin lood was verwerkt zodat de cocaïne niet te zien was op de scan van de douane. De lading schroot werd afgeleverd bij het [bedrijf] , waar [medeverdachte 3] de assen scheidde van de deklading schroot. De assen werden vervolgens vervoerd naar de schuur van [medeverdachte 1] , waar ze werden opengemaakt. Volgens [medeverdachte 1] kregen hij, [medeverdachte 2] en [verdachte] 20% van de cocaïne. Dit kwam per zending ongeveer neer op zes blokken cocaïne per persoon. De Colombianen die de cocaïne verstuurd hebben, kregen de overige 80%. Daarnaast ontvingen de verdachten een commissie voor de verkoop van de cocaïne van de Colombianen. [medeverdachte 3] ontving een vast bedrag van € 75.000,-. [medeverdachte 1] heeft wisselend verklaard over of [medeverdachte 3] dit bedrag per lading of in totaal zou hebben ontvangen.
[medeverdachte 1] is uiteindelijk naar de politie is gegaan omdat hij vreesde voor zijn leven. Na de laatste lading zijn er 59 blokken cocaïne verdwenen. Deze blokken zijn volgens [medeverdachte 1] gestolen door medeverdachte [verdachte] . Daardoor is een conflict ontstaan met de Colombianen die een ‘incassobureau’ hebben ingeschakeld, wat tot de ontmoeting in Middelburg heeft geleid. Hierbij zijn zowel [medeverdachte 1] , als [medeverdachte 2] en [verdachte] aanwezig geweest. [verdachte] heeft hier uiteindelijk toegegeven dat hij 24 blokken cocaïne heeft meegenomen. [medeverdachte 1] kon niet vertellen waar de overige vermiste blokken zijn gebleven.
Betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de verklaring [medeverdachte 1]
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [medeverdachte 1] een bewijsmiddel van aanzienlijk gewicht is. Deze verklaring vindt echter op vele, essentiële onderdelen steun in de overige bewijsmiddelen, zoals hierna wordt toegelicht. Ook de - uiteindelijke - verklaring van verdachte, die in eerste instantie elke betrokkenheid ontkende, ondersteunt de verklaring van [medeverdachte 1] op onderdelen. [medeverdachte 1] verklaart daarbij ook belastend over zichzelf en heeft alle inlogcodes gegeven voor de bij hem inbeslaggenomen gegevensdragers, zodat de politie daar onderzoek naar heeft kunnen doen.
Met inachtneming daarvan kan naar het oordeel van de rechtbank, ook nu [medeverdachte 1] zich bij zijn verhoor als getuige op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, zijn verklaring voor het bewijs worden gebruikt.
De rechtbank ziet ook dat de verklaring van [medeverdachte 1] op onderdelen niet consistent is. Zij acht dit, gelet op de ondersteuning van zijn verklaring door andere bewijsmiddelen, echter niet zodanig dat de gehele verklaring van [medeverdachte 1] als ongeloofwaardig of onbetrouwbaar moet worden aangemerkt, zoals door de verdediging is bepleit. De gesignaleerde inconsistenties en het belang dat een medeverdachte als [medeverdachte 1] kan hebben om zijn eigen rol in het geheel zo klein mogelijk te maken, leiden er wel toe dat de rechtbank behoedzaam zal omgaan met het gebruik van de verklaring van [medeverdachte 1] voor het bewijs.
Ondersteunend bewijs voor de verklaring van [medeverdachte 1]
Naar het oordeel van de rechtbank wordt de verklaring van [medeverdachte 1] voldoende ondersteund door onder meer de volgende bewijsmiddelen.
Back-up van [medeverdachte 1]
Tijdens zijn verhoor heeft [medeverdachte 1] verteld dat hij thuis een brief had klaargelegd voor zijn vriendin voor als hij niet meer thuis zou komen. Die brief is door de politie in beslag genomen. Daarin stond onder meer vermeld dat er een back-up in een gmail-account is gemaakt. De politie heeft de back-up kunnen achterhalen en onderzocht. In de back-up is in de map “handel” een grote hoeveelheid documenten aangetroffen met betrekking tot de import van schroot vanuit Colombia naar Nederland. Uit deze documenten kan worden afgeleid dat er in totaal vier containers vanuit Colombia zijn geleverd.
De eerste container werd op 18 september 2024 in Rotterdam gelost en betrof een ‘proeflading’ waarbij gebruik werd gemaakt van een gekloond Duits bedrijf met aangepaste contactgegevens waardoor de communicatie verliep via de verdachten.
Op 22 januari 2025 is in Rotterdam vanaf een schip uit Colombia een container met [nummer 1] gelost. De lading, 25.130 kilogram schroot, was bestemd voor [bedrijf] en is op 22 januari 2025 afgeleverd in [plaats 2] .
Op 17 maart 2025 is in de haven van Vlissingen vanaf een schip afkomstig uit Colombia een container met [nummer 2] gelost. De lading, 24.769 kilogram schroot, was wederom bestemd voor [bedrijf] en is op 21 maart 2025 afgeleverd bij de loods van [bedrijf] aan [adres 1] .
Een vierde zeecontainer, met [nummer 3] , vertrok op 14 april 2025 vanuit een haven in Colombia naar Rotterdam en is op 12 juni 2025 vrijgegeven, vermoedelijk door de douane. De lading, 24.135 kilogram schroot, was wederom bestemd voor [bedrijf] .
Deze gegevens komen overeen met de verklaring van [medeverdachte 1] over de vier transporten.
In de back-up van [medeverdachte 1] zijn ook foto’s van onder andere cilindervormige metalen voorwerpen, bigbags en cilindervormige blokken, mogelijk cocaïne, aangetroffen. De stempels die op de blokken zichtbaar zijn, komen overeen met de verklaring van [medeverdachte 1] over de stempels op de cocaïne. Daarnaast komen de bigbags op de foto’s overeen met de bigbags die op 20 augustus 2025 door de politie zijn aangetroffen tijdens de doorzoeking van de loods aan [adres 1] .
Volgens een aangetroffen huurcontract, is [bedrijf] vanaf 21 november 2024 de loods aan [adres 1] gaan huren.
Gegevens van de Kamer van Koophandel
Uit gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat het [bedrijf] op 31 augustus 2024 is opgericht. [medeverdachte 3] staat als eigenaar van het bedrijf geregistreerd.
Verklaring verhuurmakelaar van de loods
[getuige 1] is als getuige gehoord en heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij de verhuur van de loods aan [adres 1] aan [bedrijf] via [medeverdachte 3] . [verdachte] heeft het pand bezichtigd en is samen met [medeverdachte 3] bij de inspectie voor de oplevering van het pand geweest. [medeverdachte 1] heeft ervoor gezorgd dat de huur en de borg betaald werden.
Verklaring eigenaar van de loods
[getuige 2] is als getuige gehoord en heeft verklaard dat hij “ [naam 2] ”, die hij van een foto herkent als [verdachte] , heeft gezien bij de sleuteloverdracht, bij het begin.
Notitieboekje [medeverdachte 1]
In de fouillering van [medeverdachte 1] is een notitieboekje aangetroffen. Hierin waren onder andere aantekeningen gemaakt over transporten, verschillende bedragen, kilo’s, projecten en het regelen van een schroot/staal bedrijf. Ook staan er namen, dan wel bijnamen, van personen in die volgens de politie kunnen worden gerelateerd aan de drugshandel en werd er een tekening van een ontwerp van een omhulsel aangetroffen. Dit ontwerp komt overeen met de wijze waarop de cocaïne in assen vanuit Colombia naar Nederland werd vervoerd.
Verklaring [persoon]
(de partner van [medeverdachte 1] ) heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] handel hadden vanuit Colombia naar Nederland met metaal en cocaïne erin. Het ging om hulsjes van metaal met daarin cocaïne wat met een boot naar Nederland kwam. In hun schuur werd de cocaïne er vervolgens uit gehaald. In de week van 7/8 juli 2025 is [medeverdachte 2] met drie Colombianen bij hun thuis geweest omdat er cocaïne was weggehaald door [verdachte] . [medeverdachte 1] heeft ergens, ze denkt bij het [hotel] , [medeverdachte 2] en de Colombianen ontmoet en daarna zijn ze bij hen thuis gekomen. Ze hebben toen alles uit de buisjes gehaald en geteld en zijn het twee of drie dagen later met een soort gereedschapsboxen op komen halen. [persoon] heeft één keer gezien dat [verdachte] het metaal kwam leveren. Zij heeft gezien dat er contant geld in huis lag en dat er ook een deurwaarder met het verdiende geld is betaald.
Gegevensdragers van verdachten
In onder meer de telefoon van [medeverdachte 3] bevonden zich twee foto’s van een cilindervormige substantie, qua vorm gelijk aan de aangetroffen cilinders met cocaïne, die werd vastgehouden. Op deze hand was een tatoeage te zien. Na onderzoek blijkt dat dit de hand van [verdachte] is.
In de telefoon van [verdachte] werd een filmpje aangetroffen waarop werd gefilmd vanuit een heftruck en waarop bigbags zichtbaar waren. De bigbags in dit filmpje kwamen overeen met bigbags die waren gezien op foto’s op de laptop van [medeverdachte 1] .
Tevens werd er in de telefoon van [verdachte] een WhatsAppaccount met de naam ‘ [naam 3] ’ aangetroffen. Tijdens het eerste gesprek dat [medeverdachte 1] met de politie had, werd hij meerdere malen gebeld door een contact met de naam ‘ [naam 3] ’. Ook stuurde deze ‘ [naam 3] ’ hem tijdens dat gesprek onder andere het volgende bericht: “Je gaat vandaag nog m’n maat zien je weet wat ik je verteld heb alvast moet je naar Duitsland rijden maakt me geen flikker uit met hem regelen vandaag nog.”
Gegevens [hotel]
Uit camerabeelden en gegevens van het [hotel] in Breda blijkt onder andere dat daar op
8 juli 2025 door [medeverdachte 2] is ingecheckt. Op 9 juli 2025 ontmoet hij [medeverdachte 1] en rijden ze achter elkaar de parkeerplaats af. Op 11 juli 2025 verlaat [medeverdachte 2] om 08:55 uur met zijn spullen het hotel. Deze bevindingen komen overeen met de verklaringen van [medeverdachte 1] en [persoon] dat [medeverdachte 2] met de Colombianen de voorraad cocaïne bij hen thuis is komen tellen en dat ze die een paar dagen later hebben opgehaald.
Aangetroffen cocaïne bij verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte]
Bij een verkeerscontrole op 3 april 2025 werd bij [verdachte] een cilindervormig blok van 249,80 gram cocaïne aangetroffen en in beslag genomen. Op 20 augustus 2025 vond een doorzoeking plaats op het verblijfadres van [medeverdachte 2] aan [adres 2] , waarbij onder andere 16,2 kilogram cilindervormige blokken, positief getest op cocaïne, werd aangetroffen en in beslag genomen.
De cocaïne die onder [medeverdachte 2] en onder [verdachte] in beslag werd genomen kwam qua vorm overeen met de cilindervormige blokken op de foto’s die onder andere zijn aangetroffen in de back-up van [medeverdachte 1] . De cocaïne die bij [medeverdachte 2] op zolder werd aangetroffen, bevond zich bovendien in een gereedschapskoffer, waarover niet alleen door [medeverdachte 1] , maar ook door [persoon] werd verklaard.
Naar het oordeel van de rechtbank kan, mede gelet op bovenstaande, geen andere conclusie worden getrokken dan dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] betrokken waren bij de invoer van de cocaïne via het [bedrijf] .
De rol van de verdachten bij de invoer
[medeverdachte 1]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 1] fungeerde als de spreekwoordelijke ‘spin in het web’. Hij was degene die met iedereen contact had. [medeverdachte 1] regelde dat het [bedrijf] door [medeverdachte 3] werd opgericht en deed de administratie en betalingen. Ook was hij betrokken bij de totstandkoming van de huurovereenkomst en de betaling van de huur van de loods in [plaats 2] en heeft hij [verdachte] geregeld. Hij bracht de door [medeverdachte 3] geleverde assen naar zijn schuur, waarna hij ze openmaakte en de cocaïne eruit haalde. [medeverdachte 1] ontwikkelde tevens de ‘conversations-app’ en had, blijkens zijn eigen verklaring, op een gegeven moment de contacten met de Colombianen. Daarnaast is op zijn computer de administratie van de groep aangetroffen, was hij voor de import van de eerste container betrokken bij het klonen van het Duitse bedrijf en stond er in zijn notitieboekje een ontwerp van de gebruikte assen met cocaïne.
[medeverdachte 2]
heeft [medeverdachte 1] uitgelegd hoe je een bedrijf kunt klonen en was samen met [medeverdachte 1] betrokken bij de coördinatie en organisatie van de drugsinvoer. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] volgt dat [medeverdachte 2] de Colombiaanse contacten had. Daarnaast is bij [medeverdachte 2] een USB-stick aangetroffen met daarop de administratie van de groep. Dat hij hier ook daadwerkelijk toegang tot had blijkt uit de metadata waarin onder meer staat dat [medeverdachte 2] het Excelbestand op 5 juni 2015 heeft aangemaakt en als laatste op 13 augustus 2025 heeft gewijzigd, de dag waarop [medeverdachte 1] naar de politie is gegaan. Uit het dossier volgt dat [medeverdachte 2] vanaf het begin wist dat het de bedoeling was om cocaïne te importeren en bovendien werd er bij hem op zolder ruim 16 kilogram van de cilindervormige blokken cocaïne aangetroffen.
[verdachte]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] vanaf het begin betrokken was bij (het opzetten van) de smokkellijn van cocaïne naar Nederland. Hij was in elk geval betrokken bij de proeflading, bij het huren van de loods in [plaats 2] , bij het ‘regelen’ van [medeverdachte 3] en bij de verkoop van de cocaïne. Hij deelde op gelijke voet met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de opbrengst van de (verkoop van de) cocaïne.
[verdachte] heeft verklaard dat hij inderdaad [medeverdachte 3] in contact heeft gebracht met [medeverdachte 1] om mee te werken bij het invoeren van schroot. Hij heeft ook verklaard dat hij betrokken was bij het lossen van het proeftransport en het regelen van een terrein daarvoor. De verklaring van verdachte dat hij pas later, via een persoon wiens naam hij niet wil noemen, ervan op de hoogte is gekomen dat de werkzaamheden van [medeverdachte 1] te maken hadden met de invoer van cocaïne, waarmee hij [medeverdachte 1] toen heeft geconfronteerd, acht de rechtbank echter ongeloofwaardig. Allereerst weegt de rechtbank daarbij mee dat [verdachte] die verklaring eerst in een zeer laat stadium heeft afgelegd. Dat hij bij de bezichtiging van de loods aan de [adres 1] in [plaats 2] aanwezig is geweest, waar twee getuigen over hebben verklaard, heeft hij zelfs pas op zitting erkend. Ook ligt het niet voor de hand dat [medeverdachte 1] na een vraag van [verdachte] daarover zomaar aan [verdachte] zou vertellen dat hij zich bezighield met de invoer van cocaïne en hem bovendien (spontaan) voor zijn stilzwijgen zou belonen met 4 blokken cocaïne, wat een substantieel deel van de eigen beloning van [medeverdachte 1] zou zijn.
Daarnaast past deze verklaring van [verdachte] niet bij overige bewijsmiddelen in het dossier. [medeverdachte 1] heeft daar immers anders over verklaard en zijn verklaring, dat [verdachte] vanaf het begin wist dat het om cocaïne ging en daarbij een belangrijke rol had, onder meer bij de verkoop daarvan, wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo heeft [persoon] bij de politie verklaard dat ze heeft gezien dat [verdachte] eenmaal het metaal met cocaïne bij [medeverdachte 1] heeft afgeleverd en dat [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 2] en [verdachte] alles heeft gedaan. Uit de aangetroffen administratie valt bovendien af te leiden dat [verdachte] evenredig aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] deelde in de opbrengst van de invoer van cocaïne, hetgeen niet wijst op een beperkte rol.
Voorts zijn op diverse gegevensdragers foto’s van een hand met daarin een cilindervormig blok aangetroffen. Die hand is, gelet op de tatoeage van een anker daarop, herkend als de hand van [verdachte] . [verdachte] heeft – uiteindelijk – erkend dat dit een foto van zijn hand moet zijn geweest en dat hij dus een blok cocaïne vastgehouden heeft. Die foto verklaart verdachte doordat hij 4 blokken cocaïne, in totaal 1 kilogram, van [medeverdachte 1] heeft gekregen om zijn mond te houden en dat [medeverdachte 1] een foto gemaakt moet hebben toen hij zo’n blok vast had. Die verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig, alleen al omdat er meerdere foto’s van zijn hand met een blok met verschillende stempels zijn aangetroffen. Voor de omstandigheid dat [verdachte] een handschoen droeg op die foto’s, heeft hij ook geen logische verklaring gegeven. Ook past de verklaring van verdachte dat hij drie van deze blokken wilde verkopen, niet bij zijn eigen verklaring over zijn verslaving. Als hij, volgens zijn eigen verklaring over niet meer dan 1 kilo cocaïne beschikte, is het weinig aannemelijk dat hij deze zou verkopen, terwijl hij zelf in die tijd volgens zijn eigen verklaring 10 tot 15 gram cocaïne per dag gebruikte en die dan voor een dealersprijs zou moeten kopen. Dat cocaïne ‘over de datum zou gaan’, zoals door de verdediging is aangevoerd, waardoor het logisch zou zijn dat verdachte dit zou proberen te verkopen in plaats voor eigen gebruik te bewaren, acht de rechtbank, alleen al gelet op de omvang van het door [verdachte] genoemde gebruik, onaannemelijk.
[medeverdachte 3]
had het [bedrijf] op zijn naam staan en was in de loods in [plaats 2] aanwezig om de assen uit het schroot te sorteren. Ook heeft hij in ieder geval één keer assen naar [medeverdachte 1] gebracht op de parkeerplaats van de McDonald’s in Roosendaal. Uit onder meer de verklaring van [medeverdachte 1] volgt dat [medeverdachte 3] wist dat er cocaïne in de assen zat.
(Verlengde) invoer
De verdediging heeft betwist dat de eventuele betrokkenheid van verdachte bij de cocaïne kan worden aangemerkt als invoer omdat de handelingen van verdachte in een te ver verwijderd verband staan om nog te kunnen spreken van een bijdrage van voldoende gewicht aan die invoer.
Voor een bewezenverklaring van (verlengde) invoer moet kunnen worden vastgesteld dat de cocaïne het grondgebied van Nederland binnen is gebracht én dat verdachte daar wetenschap van heeft gehad. Verder omschrijft de wettekst van artikel 1, vierde lid, juncto artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet, wat onder het invoeren van verdovende middelen wordt begrepen. Daaruit blijkt dat dit niet alleen het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de verdovende middelen zelf omvat. Hieronder wordt ook verstaan het verrichten van handelingen gericht op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, de ontvangst of de overdracht van verdovende middelen. Dit kan plaatsvinden nadat de feitelijke invoer al is voltrokken en wordt omschreven als ‘verlengde invoer’.
De rechtbank stelt vast dat de containers met schroot met daarin de speciaal ontworpen assen met cocaïne vanuit Colombia naar Nederland zijn vervoerd. Na de aankomst in Nederland, werden de containers naar de gehuurde loods in [plaats 2] vervoerd. In de loods werden de met cocaïne gevulde assen door [medeverdachte 3] gescheiden van de deklading schroot, waarna deze naar de schuur van [medeverdachte 1] werden vervoerd en daar werden opengemaakt. Het scheiden van de cocaïne van de deklading is daarmee een noodzakelijke handeling, gericht op de verdere verspreiding van de drugs, wat ook het uiteindelijke doel van de invoer is. Anders dan door de verdediging (subsidiair) is aangevoerd, was [verdachte] niet alleen als verkoper bij de invoer betrokken, maar ook al in een veel eerder stadium. [verdachte] heeft immers [medeverdachte 3] in contact gebracht met [medeverdachte 1] , is betrokken geweest bij het huren van een loods voor [bedrijf] , waarbij hij wist dat deze bedoeld was om het uit het buitenland geïmporteerde schroot op te slaan. [verdachte] was bovendien ook al betrokken bij het (lossen van het) proeftransport in 2024. De rechtbank stelt, zoals hieronder verder zal worden toegelicht, voorts vast dat [verdachte] vanaf het begin wist dat het ging om import met als doel om de cocaïne in te voeren. De handelingen van verdachte kunnen dan ook worden geschaard onder invoer.
Opzet en medeplegen invoer
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, waarin ligt besloten dat een verdachte het opzet heeft gehad op zowel de samenwerking als op het gronddelict. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.
Gelet op de bovenstaande rolverdeling en de algemene overwegingen over opzet en medeplegen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] ten aanzien van de invoer van in totaal 300 kilogram cocaïne in drie containers met schroot en het afleveren en vervoeren van de cocaïne. Dat het proces van logistieke handelingen vrijwel naadloos op elkaar aansloot, geeft blijk van een gezamenlijke uitvoering van een plan dat vooraf grotendeels met elkaar moet zijn afgestemd. [medeverdachte 1] was de organisator. [medeverdachte 2] had de connecties in Colombia en had kennis over de im- en export van containers. [verdachte] regelde de locatie en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] had het bedrijf, dat als dekmantel voor de invoer fungeerde, op naam staan en sorteerde de met cocaïne gevulde assen uit de ontvangen deklading schroot. De assen werden daarna naar de schuur van [medeverdachte 1] gebracht, waar de cocaïne uit de assen werd gehaald. Verdachten hebben daarmee alle vier een intellectuele en/of materiële bijdrage geleverd aan het delict die van voldoende gewicht is.
Conclusie invoer van cocaïne
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk invoeren van 300 kilogram cocaïne en het afleveren en vervoeren daarvan.
Verkoop van cocaïne
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat er ook cocaïne is verkocht. [verdachte] zou de verkoopkanalen onderhouden en [medeverdachte 2] hield de financiën bij. Ook uit de overige bewijsmiddelen in het dossier concludeert de rechtbank dat er daadwerkelijk door de verdachten een deel van de geïmporteerde hoeveelheid cocaïne is verkocht. Dit betreft niet alleen de verklaring van [persoon] die spreekt over wat er met gemaakte winsten is gedaan, maar met name ook uit de documenten die onder meer op de back-up van [medeverdachte 1] en de USB-stick bij [medeverdachte 2] zijn aangetroffen. Daarop is niet alleen een foto van een grote hoeveelheid contant geld aangetroffen, waarover [medeverdachte 1] zegt dat die bij hem thuis door hem is gemaakt en dat hij het geld van [verdachte] heeft gekregen, maar ook de overzichten ‘sales bij US’ en ‘group’, tabbladen van het Excel-bestand 2025.xlsx . Gelet op de bestandsnamen, de genoemde bedragen en hoeveelheden gaat de rechtbank ervan uit dat het hierbij gaat om de verkoop in 2025 van kilo’s cocaïne en de winsten die daarmee zijn gemaakt. Daarnaast zijn er gegevens over een ledger met USDT crypto-currency aangetroffen die volgens [medeverdachte 1] werd gebruikt voor niet contante betalingen bij verkoop van blokken cocaïne.
Met inachtneming daarvan is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk verkopen van een hoeveelheid cocaïne.
02-209107-25: Bezit 249,80 gram cocaïne
Het onder 02-209107-25(vul de feitaanduidingen in) ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02-224665-25:
in de periode van 16 december 2024 t/m 13 augustus 2025 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, meermaals,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en afgeleverd en vervoerd,
in totaal ongeveer 300 kilogram cocaïne en
in de periode van 16 december 2024 t/m 13 augustus 2025 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een hoeveelheid cocaïne heeft verkocht,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
02-209107-25:
op 3 april 2025 te [plaats 3] opzettelijk aanwezig heeft gehad 249,80 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6,5 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie gaat er vanuit dat er ten aanzien van de te bewijzen feiten sprake is van een voortgezette handeling.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Indien het tot een veroordeling komt van beide feiten, heeft de verdediging verzocht de feiten aan te merken als een voortgezette handeling en hiermee rekening te houden in de strafmaat. Ook dient rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn beperkte rol in het geheel.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna negen maanden met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van 3 ladingen met in totaal 300 kilogram cocaïne, die per schip via de havens van Rotterdam en Vlissingen Nederland zijn binnengesmokkeld middels een deklading schroot. Verdachten hebben deze invoer professioneel opgezet door het eerst klonen van een ‘spookbedrijf’, het daarna opzetten van een nieuw bedrijf voor de invoer van het schroot, het verstoppen van de cocaïne in zelfgemaakte holle assen voorzien van een magneetstrip en lood om de scan van de douane te misleiden, het bijhouden van een administratie en het juist bewust beperken tot maximaal 100 kilogram cocaïne per keer om niet op te vallen. Verdachten hebben naast de invoer, het vervoer en het afleveren van de 300 kilogram cocaïne, ook een deel van de cocaïne verkocht. Daarnaast heeft verdachte op 3 april 2025 249,80 gram cocaïne aanwezig gehad. De rechtbank gaat er daarbij, mede gelet op de cilindervorm van het blok, vanuit dat deze cocaïne onderdeel was van de ingevoerde partij cocaïne.
Met zijn handelen heeft verdachte samen met de medeverdachten bijgedragen aan de (internationale) cocaïnehandel. Hiermee is hij ook verantwoordelijk voor de gevolgen van deze handel. Cocaïne is een stof die schadelijk is voor de volksgezondheid en sterk verslavend is. Met de handel in cocaïne wordt bovendien veel geld verdiend waardoor deze gepaard gaat met vele andere vormen van criminaliteit die onder meer een bedreiging inhouden voor de integriteit van het financiële en economische verkeer. Daarnaast gaat de internationale handel in verdovende middelen steeds vaker gepaard met geweldsexplosies, waarmee niet zelden onschuldige burgers worden geconfronteerd. Kennelijk heeft verdachte voor dit alles geen oog gehad en was hij enkel uit op financieel voordeel.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte voor zover deze tijdens het onderzoek ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen.
Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke delicten als de onderhavige.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten, in het bijzonder het ondermijnende karakter daarvan, geen ruimte laten voor een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur. Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de landelijke oriëntatiepunten van straftoemeting. Het uitgangspunt bij de invoer van harddrugs bij een hoeveelheid van meer dan twintig kilogram in georganiseerd verband is een gevangenisstraf vanaf tweeënzeventig maanden. De hoeveelheid cocaïne die verdachte samen met zijn medeverdachten heeft ingevoerd was het vijftienvoudige van deze twintig kilogram. De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met straffen die doorgaans in soortgelijke zaken en bij soortgelijke hoeveelheden worden opgelegd. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met de rol van verdachte, die naar het oordeel van de rechtbank meer uitvoerend en minder coördinerend was dan de rol van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
De verdediging heeft bepleit dat het onder 02-209107-25 bewezenverklaarde (het aanwezig hebben van 249,80 gram cocaïne) de voortgezette handeling behelst van het onder
02-224655-25 bewezenverklaarde feit. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Er is immers geen sprake van handelingen die voortvloeien uit één ongeoorloofd wilsbesluit. Het besluit om op 3 april 2025 cocaïne aanwezig te hebben, valt niet samen met het wilsbesluit om samen met anderen cocaïne te importeren, vervoeren en verkopen. Dit laat onverlet dat de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat ervan uitgaat dat de cocaïne die verdachte op 3 april 2025 aanwezig had, afkomstig was uit een van de ingevoerde partijen cocaïne.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7Het beslag
7.1.
De verbeurdverklaring
De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen worden verbeurd verklaard. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat de bewezen feiten met betrekking tot deze voorwerpen zijn begaan.
7.2.
De teruggave aan verdachte
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde sieraden, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.
8De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
02-224655-25
:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
02-209107-25
:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- verklaart verbeurd de volgende voorwerpen:
* 1 STK GSM, voorwerpnummer PL2000-ZBRAA25019_866579;
* 1 STK GSM, voorwerpnummer PL2000-ZBRAA25019_866580;
- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
* 1 STK Horloge, voorwerpnummer PL2000-ZBRAA25019_866578;
* 1 STK Sieraad, voorwerpnummer PL2000-ZBRAA25019_866647;
* 1 STK Sieraad, voorwerpnummer PL2000-ZBRAA25019_866648;
* 1 STK Sieraad, voorwerpnummer PL2000-ZBRAA25019_866649.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, mr. M.H.M. Collombon en
mr. F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Kroes, griffier, en is
uitgesproken ter openbare zitting op 24 augustus 2026.
Bijlage I: De gewijzigde tenlastelegging
02-224665-25:
hij in de periode van 16 december 2024 t/m 13 augustus 2025 te Rotterdam en/of Vlissingen en/of [plaats 4] en/of [plaats 2] , althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermaals, althans eenmaal,
opzettelijk
binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
(in totaal) ongeveer 300 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
02-209107-25:
hij op of omstreeks 3 april 2025 te [plaats 3]
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 249,80 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )