Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8130

2026-04-14 Strafrecht 25-027181 en 25-029401
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-14
Publicatiedatum
2026-08-24
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Raadkamer
Zaaknummer
25-027181 en 25-029401
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

afwijzen gedeelte gederfde inkomsten. Onvoldoende onderbouwd

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.195 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht


Zittingsplaats Breda



parketnummer : 02-307313-24
raadkamernummers: 25-027181 en 25-029401
datum : 14 april 2026




beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:






[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] (Marokko),
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. [persoon] , advocaat te Amsterdam ( [adres] ,



hierna te noemen: verzoeker.





1De procedure


De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

 het op 12 juli 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:


€ 4.720,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis;


€ 15.000,00, voor vergoeding van vermogensschade als gevolg van het ondergane voorarrest;


 het op 12 juli 2025 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:


€ 112,64, wegens inkomstenderving in verband met de strafzitting op 28 mei 2025;


€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;




het vonnis van de meervoudige kamer van 11 juni 2025, waarbij verzoeker is vrijgesproken;


de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie;


de overige stukken in het raadkamerdossier.




Het verzoek is behandeld op 31 maart 2026. Hierbij zijn de officier van justitie
mr. P. Kuipers en mr. [persoon] als gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.



Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.



Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde kosten toe te wijzen. Verzoeker heeft als gevolg van het voorarrest niet kunnen werken en is daardoor inkomsten misgelopen. Op de overgelegde bankafschriften van het bedrijf van verzoeker ( [bedrijf 1] ) is te zien dat er de maanden voorafgaand aan het voorarrest inkomsten zijn binnenkomen. Dat het financieel slecht ging met verzoeker lag aan zijn verslaving. Zijn inkomen ging daaraan op, waardoor hij in de schulden geraakte. Verzoeker zou voor zeven weken naar
een afkickkliniek gaan en even niet werken, maar had in die periode wel omzet kunnen genereren. Verzoeker had zzp’ers in dienst die het werk konden doen. Verzoeker wenst dan ook graag een vergoeding voor de gederfde omzet.
Ten tijde van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak was verzoeker werkzaam bij het bedrijf [bedrijf 2] . Hoewel het om een oproepovereenkomst ging, werkte verzoeker daar in principe elke dag. De dag van de zitting op 28 mei 2025 moest hij ook gewoon werken, waardoor hij inkomsten is misgelopen. Hij acht het dan ook billijk dat aan hem de verzochte vergoeding voor de gederfde inkomsten van één dag wordt toegekend.



De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar ministerie en zich op het standpunt gesteld dat de verzochte vergoeding voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling en of voorlopige hechtenis kan worden toegewezen en dat de verzochte vergoedingen wegens inkomstenderving als gevolg van het voorarrest en in verband met de zitting dienen te worden afgewezen, nu deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd. De forfaitaire vergoeding voor het opstellen en de behandeling van het verzoekschrift in raadkamer kan worden toegewezen.





2De beoordeling


De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.



De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd.



Op grond van artikel 533 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding van de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden worden toegekend. Voorwaarde hierbij is dat de zaak van de gewezen verdachte is geseponeerd of dat die verdachte niet is veroordeeld.



Op grond van artikel 530 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden.



Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats heeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.



Verzoeker is vrijgesproken. De rechtbank acht gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de dagen die hij onterecht in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.



Bij het bepalen van het aantal dagen dat de verzoeker in een politiecel of huis van bewaring heeft doorgebracht, wordt zowel de dag waarop de inverzekeringstelling is aangevangen als de dag van de invrijheidstelling als een volledige dag vergoed.



Volgens de berekening van de rechtbank heeft verzoeker 46 dagen in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 3 dagen op het politiebureau en 43 dagen in het Huis van Bewaring. De LOVS-uitgangspunten gaan uit van een forfaitaire vergoeding van € 130,00 per dag voor het verblijf op het politiebureau of in het Huis van Bewaring met beperkingen of in een extra beveiligde inrichting (EBI) en € 100,00 in de overige gevallen.



Een dag die begint op basis van een vergoedingsmaatstaf van € 130,00, maar die overgaat in een dag met een vergoedingsmaatstaf van € 100,00 wordt aangemerkt als één dag tegen een vergoedingsmaatstaf van € 100,00.



De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag toekennen van € 4.690,00.



Verzocht is verder om toekenning van een vergoeding van € 15.000,00 voor gederfde inkomsten als gevolg van het ondergane voorarrest. Ter onderbouwing heeft verzoeker een aantal afschriften van de zakelijke bankrekening van [bedrijf 1] van de maanden mei tot en met september 2024 overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat uit de overgelegde stukken en de nadere toelichting van de advocaat in raadkamer onvoldoende blijkt dat verzoeker in de periode van voorarrest inkomsten is misgelopen en daardoor schade heeft geleden. Tijdens het verhoor van verzoeker bij de rechter-commissaris op 27 september 2024 heeft verzoeker verklaard dat zijn bedrijf kapot is, dat hij heeft gesolliciteerd bij een koeriersbedrijf, dat hij nu geen inkomen heeft en reeds een bijstandsuitkering heeft aangevraagd. Gelet op deze verklaring acht de rechtbank het niet begrijpelijk waar de door verzoeker gestelde misgelopen inkomsten dan vandaan komen. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat ook de echtgenote van verzoeker in een schriftelijke verklaring ten behoeve van de voorgeleiding van verzoeker heeft verklaard dat verzoeker druk aan het solliciteren was, omdat zijn bedrijf door de gemeente was gesloten en het voor verzoeker daardoor niet mogelijk was om zijn werkzaamheden (auto's poetsen) te verrichten. Hierdoor hadden zij geen inkomen. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade bestaande uit inkomstenderving in de periode van voorarrest daarmee onvoldoende is onderbouwd. Zij wijst dit verzoek dan ook af.



Daarnaast is verzocht om toekenning van een vergoeding van € 112,64 voor gederfde inkomsten in verband met het bijwonen van de zitting op 28 mei 2025. Daartoe heeft verzoeker een oproepovereenkomst voor bepaalde tijd (27 januari 2025 tot en met 31 mei 2025) bij [bedrijf 2] overgelegd. De rechtbank kan op basis van deze overeenkomst echter niet vaststellen dat verzoeker op de dag van de zitting daadwerkelijk moest werken. Zij is dan ook van oordeel dat deze schadepost onvoldoende is onderbouwd en wijst dit verzoek af.



Voor de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift en de behandeling daarvan in raadkamer zal de rechtbank het forfaitaire bedrag van € 680,00 toekennen, omdat een deel van de gevorderde schadevergoeding wordt toegewezen.





3De beslissing


De rechtbank:



wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv toe tot een bedrag van

€ 4.690,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis



wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van

€ 680,00, bestaande uit de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;



wijst de verzoeken voor het overige af;



bepaalt dat een bedrag van € 5.370,00 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van [naam 1] , onder vermelding van “ [vermelding] ”.




Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 14 april 2026.










INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.