Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8123

2026-08-24 Strafrecht 02-018054-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-24
Publicatiedatum
2026-08-24
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Op tegenspraak
Zaaknummer
02-018054-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor medeplegen poging doodslag en tweemaal medeplegen (poging) brandstichting en teweegbrengen ontploffing. Voorwaardelijk opzet op de dood, geen voorbedachte raad. Verminderd toerekeningsvatbaar.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (50.004 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Strafrecht



Zittingsplaats: Breda



Parketnummer: 02-018054-25




Vonnis van de meervoudige kamer van 24 augustus 2026




in de strafzaak tegen verdachte:





[verdachte]
,
geboren op [geboortedag 1] 2005 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres 1] ,
raadsvrouw mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem.





1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 24 en 25 juni 2026, waarbij officier van justitie mr. E.H. Smale en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op 24 augustus 2026 is het onderzoek gesloten en is uitspraak gedaan.




2De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in Tilburg samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord, dan wel doodslag door een explosief richting meerdere personen te gooien (feit 1), zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing bij [coffeeshop] in Tilburg (feit 2) en zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning in Amsterdam (feit 3).





3De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.





4De beoordeling van het bewijs

4.1


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat alle feiten kunnen worden bewezen.



4.2


Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Daartoe is ten aanzien van de feiten 1 en 2 aangevoerd dat verdachte niet wist dat er beveiligers voor het pand stonden en dat hij ervan uitging dat het explosief niet functioneel was. Ten aanzien van feit 3 is aangevoerd dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat verdachte bij dit feit betrokken was.



4.3

Het oordeel van de rechtbank


4.3.1


De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.



4.3.2


De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs



[coffeeshop] Tilburg (feiten 1 en 2)


Poging teweegbrengen ontploffing (feit 2)

Op 4 januari 2025 omstreeks 03:06 uur is een explosief gegooid naar de voorzijde van het pand van [coffeeshop] in Tilburg, waar op dat moment meerdere beveiligers aanwezig waren. Ter plaatse werd een vuurwerk-brandstof-combinatie (hierna: VBC) aangetroffen, bestaand uit twee petflessen gevuld met benzine met daaraan bevestigd een stuk vuurwerk, type Cobra 6, waaruit een lont stak. Op camerabeelden was te zien dat vanaf het fietspad een brandend voorwerp richting de coffeeshop werd gegooid. Op de VBC werd DNA aangetroffen van verdachte en van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat het een deugdelijk explosief was dat tot ontploffing zou zijn gekomen als de lont zou zijn opgebrand en dat niet kan worden achterhaald waarom de lont niet volledig is opgebrand.



De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast. In de avond van 3 januari 2025 heeft [medeverdachte 1] met een auto verdachte en [medeverdachte 2] opgehaald. [medeverdachte 1] bestuurde de auto, [medeverdachte 2] was de bijrijder en verdachte zat achterin. Nadat zij in Amsterdam zijn geweest, zijn zij naar Tilburg gereden. Tussendoor hebben zij getankt bij [tankstation 1] in Gilze. Op de camerabeelden van dit tankstation zijn de medeverdachten te zien met twee petflessen. [medeverdachte 1] pakte het tankpistool en bewoog richting verdachte die op de achterbank van de auto zat. Vervolgens heeft [medeverdachte 2] met de pinpas van [medeverdachte 1] een bedrag van € 2,49 afgerekend bij het tankstation. Hieruit maakt de rechtbank op dat [medeverdachte 1] en verdachte benzine hebben getankt voor in (één van) de petflessen. Via de telefoon van [medeverdachte 1] zijn die nacht meerdere afbeeldingen gestuurd van petflessen waaraan vuurwerk was vast getapet met daarin een troebele vloeistof. Dit betreft onder meer een VBC met een Fernandesfles met een rood etiket, zoals later naar [coffeeshop] is gegooid. Op deze afbeelding is ook te zien dat de VBC op de bodemplaat van een auto staat tussen de voeten van de passagier op de achterbank met schoenen met (deels) witte zolen. De rechtbank stelt vast dat verdachte achter in de auto heeft gezeten, kennelijk met bij zijn voeten het explosief dat later naar [coffeeshop] is gegooid. Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank tevens vast dat verdachte en de medeverdachten in de auto al begonnen zijn met de voorbereidingen van de uitvoering door samen het explosief te bereiden.



Nadat er benzine voor in de flessen is getankt, is de auto met daarin verdachte en de medeverdachten naar Tilburg gereden. Uit de aangetroffen chatberichten blijkt dat omstreeks 02:10 uur beveiligers voor het pand van de coffeeshop werden gezien. Tevens blijkt uit de chatberichten dat [medeverdachte 1] omstreeks 02:35 uur contact heeft gehad met [medeverdachte 3] over wat ze moesten doen, waarop [medeverdachte 3] [medeverdachte 1] berichtte: “hij zegt kijk maar of je doet” en “ervoor, als je wilt”. Vervolgens is er om 02:39 uur een voorverkenning geweest waarbij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de voorzijde van het pand met daarbij de beveiligers hebben gefilmd. Hierna zijn verdachte en [medeverdachte 2] richting de coffeeshop gelopen. Verdachte heeft de lont van de Cobra aangestoken en het explosief richting de coffeeshop gegooid terwijl [medeverdachte 2] dit filmde. Het explosief kwam bij de voeten van de beveiligers terecht.



Verdachte heeft verklaard dat hem zou zijn verteld dat het explosief niet af zou gaan. Op de camerabeelden is echter te zien dat het voorwerp dat hij gooide een brandend lont had. Verdachte heeft ook verklaard dat hij de lont heeft aangestoken voordat hij het explosief gooide. Bovendien wist hij dat het explosief bestond uit twee met benzine gevulde flessen met daaraan zwaar vuurwerk. Verdachte heeft het explosief immers mee voorbereid en het stond tussen zijn voeten toen de auto op weg was naar Tilburg. De rechtbank acht deze verklaring daarom ongeloofwaardig.



Verdachte is met de medeverdachten naar Tilburg gereden, heeft het explosief mee voorbereid en is degene die het explosief uiteindelijk heeft aangestoken en gegooid. Gelet op de significante rol die verdachte in dit geheel heeft gespeeld en de nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten daarbij, kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van dit feit.




Poging tot doodslag (feit 1)

Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te komen, is vereist dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Van voorwaardelijk opzet is sprake als verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het mogelijke gevolg heeft aanvaard. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.



Uit het rapport van het NFI volgt dat direct contact van een Cobra 6 met het lichaam tot dodelijk letsel kan leiden. Daarnaast kan door scherfwerking van omgevingsmaterialen binnen meerdere meters van de ontploffende VBC eveneens dodelijk letsel ontstaan. Daar komt bij dat het niet enkel om een Cobra 6 ging, maar dat deze was bevestigd aan twee met benzine gevulde flessen. De VBC is aangestoken en is met de brandende lont naar de coffeeshop gegooid, waar het bij de voeten van de beveiligers terecht kwam.



Verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van het gooien van het explosief niet heeft gezien dat er beveiligers voor het pand stonden. De rechtbank schuift deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde. Uit het dossier volgt dat twee verbalisanten, waarvan één 1.65 meter en één 1.92 meter lang, dezelfde route hebben afgelegd die verdachte heeft gelopen voordat hij het explosief gooide. Deze verbalisanten stelden vast dat zij vanaf de plaats waar het explosief is gegooid allebei vrij zicht hadden op de voorzijde van [coffeeshop] . Verdachte heeft dit gelet op zijn lengte dus ook kunnen zien, hij heeft op zitting verklaard dat hij 1.78 meter lang is. De rechtbank stelt daarom vast dat verdachte gezien moet hebben dat er beveiligers voor het pand stonden. Bovendien blijkt uit het dossier dat het (laatste) plan van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] was om de VBC naar binnen te gooien. Omdat er beveiligers voor het pand stonden kon het niet op deze manier en is besloten om het explosief ‘ervoor’ te gaan gooien. Een paar minuten voor het gooien heeft verdachte nog een telefoongesprek met [medeverdachte 1] . De rechtbank gaat ervan uit dat dit over de wijze van uitvoeren van de aanslag ging.



De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn handelen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van meerdere beveiligers. Door een dergelijk explosief aan te steken en te gooien richting meerdere personen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit explosief in de nabijheid van die personen tot ontploffing zou komen en dat diegenen daarbij dodelijk letsel zouden oplopen.



Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat verdachte dit feit met voorbedachte raad heeft gepleegd. De rechtbank kan niet precies vaststellen op welk moment voor verdachte duidelijk is geworden dat er beveiligers stonden en dat het explosief in hun richting gegooid moest worden. Hoewel uit het dossier volgt dat er overleg is geweest tussen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , kan niet worden vastgesteld dat verdachte daarbij betrokken was en of hij daar iets van heeft meegekregen. Hierdoor is er naar het oordeel van de rechtbank geen bewijs dat bij verdachte sprake is geweest van kalm beraad of rustig overleg. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag en dat hij partieel moet worden vrijgesproken van het medeplegen van poging tot moord.





[adres 2] Amsterdam (feit 3)

De rechtbank stelt het volgende vast. De auto met verdachte en de medeverdachten is in de avond van 3 januari 2025 naar het onbemande [tankstation 2] in Duivendrecht gereden, waar om 22:32 uur met de pinpas van [medeverdachte 1] een bedrag van € 2,88 aan benzine is afgerekend. Om 22:37 uur werd via de telefoon van [medeverdachte 1] een afbeelding verzonden van een VBC, bestaand uit een twee petflessen (waaronder een Fernandesfles met groen etiket) met daaraan bevestigd een stuk vuurwerk. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat deze VBC op de bodemplaat van een auto stond, tussen de voeten van de passagier achterin.



In de middag krijgt [medeverdachte 1] van [medeverdachte 3] instructies en groen licht voor die avond. Vervolgens stuurt [medeverdachte 1] in een groepschat aangeduid met een emoticon van een zak met geld “Yo boys, vanavond.”. Verdachte antwoordt direct met “Sii”. [medeverdachte 1] krijgt het adres die middag al. Om 22:41 uur is via de telefoon van [medeverdachte 1] het bericht ‘ [adres 2] ’ naar verdachte verstuurd. Om 22:46 uur werd met de telefoon van verdachte naar dit adres genavigeerd vanaf een locatie aan de [adres 3] -gezien de coördinaten- gelegen vrijwel om de hoek van [adres 2] . Kort daarna, omstreeks 22:51 uur, kwam een explosief tot ontploffing bij dit adres.



Verdachte heeft verklaard dat hij die nacht bij [medeverdachte 1] in de auto zat, maar dat hij lag te slapen waardoor hij niet wist dat de auto in Amsterdam was geweest. De rechtbank acht deze verklaring gelet op het vorenstaande volstrekt ongeloofwaardig. Bovendien is uit onderzoek in de telefoon van verdachte gebleken dat die avond zowel voor als na de ontploffing aan [adres 2] veel activiteit heeft plaatsgevonden op het toestel.



De rechtbank stelt vast dat verdachte actieve betrokkenheid had bij en wetenschap had van dit feit. Hij is samen met de medeverdachten op pad gegaan naar Amsterdam, was aanwezig bij het voorbereiden van de VBC bij [tankstation 2] , is daarna mee naar Amsterdam gereden en heeft de route naar het adres opgezocht enkele minuten voordat de ontploffing werd gemeld bij de politie. Gezien de locatie vanaf waar verdachte de route heeft opgezocht, namelijk zeer dichtbij het betreffende adres, moet dit een looproute geweest zijn. Daarnaast heeft verdachte het adres doorgestuurd gekregen van de chauffeur van de auto, die al wist waar hij heen moest. Gelet op wat zich later die nacht heeft afgespeeld bij [coffeeshop] in Tilburg, houdt verdachte zich kennelijk bezig met het plegen van dit soort feiten. De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte en dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan dit feit zodat medeplegen bewezen kan worden verklaard.






4.4


De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte



1
op 4 januari 2025 te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en een ander opzettelijk van het leven te beroven een vuurwerkbrandstofcombinatie in de richting van die [slachtoffer 1] en een ander heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;



2
op 4 januari 2025 te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en brand te stichten, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten [coffeeshop] en omliggende panden en
- levensgevaar voor een ander, te weten een of meer beveiligers van [coffeeshop] te duchten was
een vuurwerkbrandstofcombinatie heeft gegooid in de richting van het pand van [coffeeshop] en de beveiligers van [coffeeshop] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


3
op 3 januari 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en brand heeft gesticht, door een vuurwerkbrandstofcombinatie voor de woning aan [adres 2] te Amsterdam te plaatsen en aan te steken terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en/of omliggende panden te duchten was.



De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.






5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.


Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.





6De strafoplegging

6.1


De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.



6.2


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging verzocht het ten laste gelegde verminderd aan verdachte toe te rekenen en het jeugdstrafrecht toe te passen. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht geen lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.



6.3


Het oordeel van de rechtbank


De aard en de ernst van de feiten

Verdachte heeft zich op 3 januari 2025 samen met anderen schuldig gemaakt aan brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning in Amsterdam. Daarnaast heeft hij zich in diezelfde nacht, op 4 januari 2025, samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot brandstichting en het teweegbrengen van een ontploffing bij [coffeeshop] in Tilburg en daarbij tevens aan een poging tot doodslag op de beveiligers die op dat moment voor de coffeeshop aanwezig waren. Op beide locaties hebben verdachte en zijn mededaders gebruik gemaakt van met benzine gevulde petflessen met daaraan zwaar vuurwerk bevestigd, van het type Cobra 6. Cobra 6 is professioneel vuurwerk dat een substantieel zwaardere en explosievere lading heeft dan het vuurwerk dat in Nederland verkocht mag worden. Ontploffing van dit professionele vuurwerk kan enorme gevolgen hebben voor de omgeving. Door dit vuurwerk samen met petflessen benzine tot ontploffing te brengen bij een woning en te gooien naar een coffeeshop waar beveiligers stonden, heeft verdachte onverantwoorde risico’s genomen en de veiligheid van personen en goederen ernstig in gevaar gebracht. Het is een gelukkige omstandigheid geweest dat er ten tijde van de ontploffing in Amsterdam niemand in de directe nabijheid aanwezig was, waardoor enkel gevaar voor goederen en materiële schade is ontstaan. Bij het incident in Tilburg was echter wel sprake van levensgevaar, omdat er meerdere beveiligers voor het pand van de coffeeshop aanwezig waren op het moment dat het explosief daarheen werd gegooid. Als het vuurwerk bij [coffeeshop] tot ontploffing was gekomen, zou dit ernstige gevolgen hebben gehad voor de beveiligers. Het gooien van het explosief is voor de beveiligers ook zeer beangstigend geweest. Zij hebben verklaard dat zij op dat moment voor hun leven vreesden en ook daarna hier nog veel last van hebben gehad. Dergelijke incidenten zorgen bovendien in het algemeen voor gevoelens van onveiligheid in de omgeving. Dat geldt in het bijzonder voor de bewoner van de woning in Amsterdam en de eigenaar van de coffeeshop in Tilburg.
Verdachte heeft zich kortom schuldig gemaakt aan een aantal zeer ernstige strafbare feiten. Hij heeft bij het plegen van deze feiten kennelijk alleen oog gehad voor geldelijk gewin of andere eigen belangen en zich niets gelegen laten liggen aan de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers.




Eendaadse samenloop

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, tussen het teweegbrengen van de ontploffing in Tilburg (feit 2) en de poging tot doodslag daar (feit 1).




De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 22 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten.




[psycholoog] en [orthopedagoog-generalist] hebben op 26 mei 2026 een rapport opgemaakt over verdachte. Hieruit volgt onder meer dat bij verdachte sprake is van een functioneren op zeer moeilijk lerend niveau vanuit een ontwikkelingstekort. Hiervan was ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde en dit beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Verdachte heeft door zijn zeer moeilijk lerend niveau van functioneren de gevolgen van de daad ten tijde van het ten laste gelegde niet kunnen overzien. Tevens kon hij vanuit zijn belaste verleden en zijn gebrekkige mentaliserend vermogen de relatie met zijn neef niet goed inschatten/niet overzien dat er mogelijk misbruik van hem gemaakt zou kunnen worden. Verdachte heeft mede door zijn behoefte aan verbinding geen verband kunnen leggen tussen de ogenschijnlijk goede relatie met zijn neef, waarin zijn neef hem probeerde te helpen en leuke dingen met hem ondernam, en het gevraagde misdrijf. Verdachte was tevens door de druk die er op hem werd uitgeoefend niet in staat om zijn gedrag te sturen en in vrijheid een andere keuze te maken. Het middelengebruik heeft ervoor gezorgd dat het remmende mechanisme in de hersenen voor zelfbeheersing niet goed heeft kunnen functioneren waardoor morele grenzen op dat moment vervaagden. Door de normalisatie van cannabisgebruik in de familie is verdachte zich er verminderd van bewust welke gevolgen cannabisgebruik heeft op zijn gedrag. De rapporteurs zijn hierdoor van mening dat verdachte niet geheel verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn gedrag in deze situatie en adviseren daarom hem het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.
Het recidiverisico voor gewelddadig gedrag wordt als laag ingeschat. Het recidiverisico voor algemene recidive wordt als matig ingeschat. Verdachte is gemotiveerd voor begeleiding en heeft een positieve houding ten opzichte van autoriteit. Hij beschikt over een redelijke mate van zelfcontrole en is in staat tot empathie. Hij heeft positieve levensdoelen.Verdachte beschikt over een redelijk sociaal steunend netwerk. Hij heeft een vriendin die hem steunt. Er is sprake van een woonsituatie met begeleiding en toezicht (begeleid wonen), wat beschermend is. Verdachte ervaart wel stress van zijn overgang van het ouderlijk huis naar begeleid wonen. Hij geeft aan veel niet te weten/niet geleerd te hebben. Afspraken zijn voor hem moeilijk na te komen door de hoeveelheid afspraken en het ontbreken van planningsvaardigheden. Daarnaast wordt verdachte binnenkort vader. Hij ervaart hierdoor stress omdat hij bang is dat hij niet financieel zorg kan dragen voor zijn kind. Verdachte heeft geringe copingvaardigheden; hij heeft overwegend een vermijdende copingstijl. De verwachte stress door de geboorte van zijn kind zal hij moeilijk kunnen opvangen door zijn beperkte copingvaardigheden en beperkte adaptieve vaardigheden. Dit kan risicoverhogend werken.
De rapporteurs adviseren het volwassenenstrafrecht toe te passen. Verdachte scoort weliswaar hoog qua handelingsvaardigheden, maar een pedagogische aanpak wordt niet meer passend geacht.Met het oog op het terugdringen van recidive achten de rapporteurs individuele begeleiding in de juiste context noodzakelijk. Verdachte heeft door zijn functioneren op zeer moeilijk lerend niveau en zeer beperkte adaptieve vaardigheden baat bij intensieve begeleiding waardoor de achterstand op de verschillende gebieden kan verminderen. Daarnaast achten de rapporteurs het van belang dat verdachte geen middelen meer gebruikt. Belangrijk is hierbij dat hij educatie krijgt over middelengebruik en de invloed hiervan op zijn gedrag. Ook het aanleren van een alternatieve coping in plaats van middelengebruik kan een positieve invloed hebben op het verminderen van het middelengebruik. Een training gericht op gedragsverandering ten aanzien van middelengebruik zou helpend kunnen zijn. Als laatste achten de rapporteurs het van belang dat verdachte meer steunfiguren in zijn nabije omgeving krijgt waarmee hij zijn zorgen kan delen en die hij om hulp en/of advies kan vragen. Op dit moment krijgt hij begeleiding van Reclassering Nederland vanuit de schorsende voorwaarden. Het is van groot belang dat er zoveel mogelijk wordt aangesloten bij het niveau van functioneren van verdachte en dat er rekening mee gehouden wordt dat hij meer potentieel heeft dan hij nu laat zien. Geadviseerd wordt de reclasseringsmaatregel te laten uitvoeren door William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering Nederland.



Reclassering Nederland heeft op 19 juni 2026 een rapport over verdachte opgemaakt. Hieruit volgt onder meer dat de reclassering een jongen ziet die nog niet alle vaardigheden onder de knie heeft vanwege zijn verleden en opvoeding en het daardoor moeilijk vindt om hulp te accepteren. Als belangrijkste criminogene factoren ziet de reclassering het sociaal netwerk van verdachte. Wanneer hij een goed ondersteunend netwerk heeft en hij die ondersteuning ook accepteert, schat de reclassering in dat verdachte een mooie toekomst voor hem en zijn gezin tegemoet gaat. De reclassering schat het risico op recidive in het algemeen in als gemiddeld omdat verdachte zich nog niet helemaal aan de schorsende voorwaarden houdt en geen inzicht geeft in zijn sociale netwerk. Als verdachte in gaat zien dat zijn gedrag consequenties heeft, zowel positief als negatief, wordt het risico minder omdat de reclassering inschat dat verdachte dit inzicht wel heeft.

Toerekeningsvatbaarheid en adolescentenstrafrecht

Nu de conclusies van de psycholoog en de orthopedagoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Verdachte wordt dus in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verband waarmee hij in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.



Gelet op de adviezen van de deskundigen en de reclassering, waar onder meer uit volgt dat verdachte niet meer in voldoende mate pedagogisch beïnvloedbaar is, ziet de rechtbank geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank heeft wel oog voor de beperkingen van verdachte. Hoewel niet aan de criteria voor toepassing van het jeugdstrafrecht wordt voldaan, zal de rechtbank daar in de strafmaat wel uitdrukkelijk rekening mee houden.




Straf

De rechtbank houdt, naast de beperkingen van verdachte, rekening met zijn jeugdige leeftijd en specifieke rol bij de bewezenverklaarde feiten. Verdachte werd aangestuurd door medeverdachten die de touwtjes in handen hadden. Verdachte was weliswaar een uitvoerder, maar niet het brein achter de gepleegde aanslagen.



De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering, passend is. Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.




Dadelijke uitvoerbaarheid

De rechtbank zal bepalen dat de bijzondere voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.



Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.







7De benadeelde partijen



[slachtoffer 1]


heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 1 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 19.701,41 aan materiële schade en een vergoeding van € 16.000,- aan immateriële schade.




Materiële schade

De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft op de terechtzitting de schadepost verlies verdienvermogen naar beneden bijgesteld en aangegeven dat dit bedrag het te vorderen bedrag minus de belasting betreft. Het is de rechtbank niet geheel duidelijk hoe deze schadepost is opgebouwd en welke berekening de raadsvrouw heeft toegepast om tot dit bedrag te komen. Dit vergt nader onderzoek en levert daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in deze schadepost. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.



De schadeposten die zien op de kosten voor medische zorg en de kosten voor medische verschotten zijn niet gemotiveerd betwist en komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze posten zullen daarom worden toegewezen.




Immateriële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij knieletsel heeft opgelopen. Het vergt echter nader onderzoek om vast te stellen in welke mate dit letsel is ontstaan door de bewezenverklaarde feiten en in welke mate sprake was van het eerder opgelopen en vastgestelde knieletsel van de benadeelde partij. Dit levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal deze schadepost daarom toewijzen tot een bedrag van € 500,- en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.



De benadeelde heeft aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank heeft rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend en zal deze schadepost toewijzen tot een bedrag van € 5.000,-. De benadeelde partij wordt in het overige deel niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.




Conclusie

De rechtbank wijst € 1.004,41 aan materiële schade en € 5.500,- aan immateriële schadevergoeding toe en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.



Nu verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Verder zal over het toegekende bedrag de wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de dag waarop de schade is ontstaan, te weten 4 januari 2025.





[slachtoffer 2]


heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 3.000,- aan immateriële schade.



De benadeelde heeft aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank stelt de schade van de benadeelde partij vast op € 1.000,-. Bij het bepalen van het schadebedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. Daarnaast heeft de rechtbank, zonder af te willen doen aan de ernst van de schade, meegewogen dat het hier niet om een woning ging maar om een bedrijfspand en dat dit bedrijfspand al vaker doelwit is geweest van aanslagen. Ook is het explosief niet afgegaan. De benadeelde partij wordt in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.



De benadeelde partij zal, zoals ook door de verdediging en de raadsvrouw van de benadeelde partij is verzocht, niet-ontvankelijk worden verklaard in de stelpost van € 10.000,-.



Nu verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Verder zal over het toegekende bedrag de wettelijke rente worden toegewezen met ingang van de dag waarop de schade is ontstaan, te weten 4 januari 2025.





[slachtoffer 3]


heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 3 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.882,- aan materiële schade en een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade.




Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de materiële schade niet is onderbouwd. Uit het dossier maakt de rechtbank op dat een deel van de ruit is vernield door het bewezen verklaarde feit. De rechtbank kan de causaliteit tussen het bewezen verklaarde feit en de gestelde beschadigingen in de hal waar vergoeding voor wordt gevorderd echter niet vaststellen. Bovendien is deze schadepost uitvoerig betwist door de verdediging. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.




Immateriële schade

De benadeelde heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschendingen door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in haar eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank zal deze schadepost toewijzen tot een bedrag van € 2.500,-. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met wat er in vergelijkbare zaken aan schadevergoeding wordt toegekend. Daarnaast heeft de rechtbank, zonder daarbij af te willen doen aan de impact van dit incident op de benadeelde partij, meegewogen dat de schade in de woning relatief beperkt was en dat de benadeelde partij op het moment van het incident niet in de woning aanwezig was. De benadeelde partij wordt in het overige niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.





8Het beslag
De in beslag genomen telefoon zal worden verbeurd verklaard. De bewezen feiten zijn met behulp van dit voorwerp begaan.




9De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47, 55, 57, 157 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.




10De beslissing
De rechtbank:



Vrijspraak


- spreekt verdachte vrij van de onder feit 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord;



Bewezenverklaring




verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;


spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;





Strafbaarheid


- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

de eendaadse samenloop van

feit 1: medeplegen van poging tot doodslag;
en

feit 2: medeplegen van poging tot opzettelijk brand stichten en een ontploffing
teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar
voor een ander te duchten is;




feit 3: medeplegen van opzettelijk brandstichten en een ontploffing teweegbrengen
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

- verklaart verdachte strafbaar;




Strafoplegging


- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat:


veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;


veroordeelde gedurende het toezicht, of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij Humane Zorg of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;


veroordeelde zich ambulant laat begeleiden door een zorgverlener als Coach E25, Humane Zorg, Leger des Heils, Humanitas Homerun, Jan Arends, (FACT) Fivoor, Pension Maaszicht of Stichting Exodus. Indien geïndiceerd kan dit ook een andere zorgverlener zijn, dit is ter beoordeling aan de reclassering. Deze begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding;


veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met de medeverdachten [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag 2] 1999, [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedag 3] 1997 en [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag 4] 2006, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;


veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de gemeentes Tilburg en Amsterdam. Dit kan op advies van de reclassering gewijzigd worden;


veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk of een opleiding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;


veroordeelde meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;


veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van lijst II (softdrugs) in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel dit wordt gecontroleerd;



- geeft opdracht aan genoemde reclasseringsinstelling tot het houden van toezicht op de naleving van de voormelde bijzondere voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;



voorwaarden daarbij zijn:


dat veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;


dat veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;



- bepaalt dat de bijzondere voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;



Benadeelde partij [slachtoffer 1]


- veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van € 6.504,41, bestaande uit € 1.004,41 aan materiële schade en € 5.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 1] te betalen € 6.504,41 (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij niet betaling 57 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;



Benadeelde partij [slachtoffer 2]


- veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 2] te betalen € 1.000,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij niet betaling 10 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;



Benadeelde partij [slachtoffer 3]


- veroordeelt verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] , van € 2.500,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 3] te betalen € 2.500,- (hoofdsom), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;

- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij niet betaling 25 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;



Beslag


- verklaart verbeurd:
- 1 stk GSM, Apple, blauw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, en mrs. M.H.M. Collombon en A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Biert, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 augustus 2026.




Bijlage I





De tenlastelegging




Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat



1
hij op of omstreeks 4 januari 2025 te Tilburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of een of meer anderen opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een brandend voorwerp/explosief, in de richting van die [slachtoffer 1] en/of een of meer anderen heeft/hebben gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;



2
hij op of omstreeks 4 januari 2025 te Tilburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten [coffeeshop] en omliggende panden en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een of meer beveiligers van [coffeeshop] en/of omwonenden te duchten was
een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een brandend voorwerp/explosief, heeft/hebben gegooid in de richting van het pand van [coffeeshop] en/of de beveiligers van [coffeeshop] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


3
hij op of omstreeks 3 januari 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht, door een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een explosief, voor de woning aan [adres 2] te Amsterdam te plaatsen en/of aan te steken terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en/of omliggende panden en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoner(s) van voornoemde woning en/of omwonenden en/of voorbijgangers
te duchten was.