Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:8020

2026-03-31 Strafrecht 25-029094
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-03-31
Publicatiedatum
2026-08-21
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Raadkamer
Zaaknummer
25-029094
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gegrond. Geen sprake van recidive

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.772 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht


Zittingsplaats Breda



raadkamernummer : 25-029094
datum : 31 maart 2026




beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:






[klager] ,

geboren op [geboortedag] 1985,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. T. Roggenkamp, advocaat te Roosendaal (Molenstraat 10, 4701 JS Roosendaal),



hierna te noemen: klager.





1De procedure


Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:



het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend op 13 november 2025 ter griffie van deze rechtbank;


de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 13 oktober 2025 onder beslagene in het strafvorderlijk onderzoek tegen hem in beslag is genomen: een Mercedes-Benz A 180 voorzien van [kenteken] (hierna: het voertuig);


de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie van 20 november 2025 en


de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.




Op 31 maart 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. P. Kuipers, klager en mr. T. Roggenkamp als raadsman van klager, gehoord.



Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan klager. Daartoe is aangevoerd dat klager eigenaar is van het in beslag genomen voertuig en een zwaarwegend belang heeft bij een teruggave. Klager heeft het voertuig nodig voor zijn werk. Bovendien beschikt hij inmiddels weer over een geldig rijbewijs, nadat hij de cursus van het CBR goed heeft afgerond. Klager acht het dan ook hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter later de verbeurdverklaring van het voertuig zal uitspreken. Ook zou voortduring van het beslag disproportioneel zijn gelet op de waarde van het voertuig en de omstandigheid dat hij binnenkort vader wordt.



De officier van justitie heeft zich in afwijking van de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie op het standpunt gesteld dat op basis van de documentatie van klager niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van recidive op het gebied van de Wegenverkeerswet 1994. Onder die omstandigheden acht de officier van justitie het hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, zal overgaan tot verbeurdverklaring van het voertuig. Het klaagschrift kan gegrond worden verklaard.





2De beoordeling


De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.



Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.



Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.



De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.



Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:

a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.


Op grond van artikel 116, eerste lid, Sv laat het Openbaar Ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. Dit betekent het volgende. Als het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stelt dat er geen strafvorderlijk belang meer is bij het voortduren van het beslag, dan moet de rechter ervan uitgaan dat het standpunt juist is.



Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de gronden voor het voortzetten van het strafvorderlijk beslag niet langer aanwezig zijn. Nu er geen strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag en de rechtbank niet is gebleken dat een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende van het voertuig is aan te merken, zal de rechtbank het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag gegrond verklaren en de teruggave van het voertuig aan klager gelasten.





3De beslissing


De rechtbank



- verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van de Mercedes-Benz A 180 met [kenteken] , aan klager.






Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 31 maart 2026.









INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).







ECLI:NL:HR:2010:BL2823.