Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:8017
2026-04-14
Strafrecht
25-014611
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
afwijzen
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2019:1472 Hoge Raad 01-10-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.874 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
raadkamernummer : 25-014611
datum : 14 april 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 29f Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [woonadres] ,
advocaat: mr. N. Wouters, advocaat te Middelburg,
hierna te noemen: verzoeker.
1De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift ex artikel 29f Sv ontvangen op de griffie op 29 mei 2025;
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie van 17 juni 2025;
het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 26 augustus 2025;
het proces-verbaal van de raadkamer zitting van 9 december 2025;
het e-mailbericht van de zaaksofficier van justitie van 11 februari 2026;
het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 24 februari 2026;
de schriftelijke reactie van verzoeker van 2 april 2026 en
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie van 3 april 2026;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
De rechtbank heeft op 24 februari 2026 het verzoek in besloten raadkamer behandeld. Hierbij waren aanwezig de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, verzoeker en
mr. N. Wouters als advocaat van verzoeker.
Tijdens de zitting heeft de officier van justitie meegedeeld dat het eindproces-verbaal medio maart 2026 gereed zal zijn en dat verzoeker zal worden gedagvaard voor de meervoudige strafkamer. In dat kader is een voorlopige tenlastelegging opgesteld. Gelet hierop heeft de rechter geoordeeld dat nog een termijn stellen aan het Openbaar Ministerie in de rede ligt, nu het uitspreken van een einde strafzaak op dit moment niet passend is. De rechter heeft de behandeling van het verzoek daarom opnieuw aangehouden en daarbij de officier van justitie verzocht om uiterlijk 23 maart 2026 het einddossier en de voorlopige tenlastelegging aan de verdediging te verstrekken.
Na de zitting heeft de zaaksofficier van justitie schriftelijk aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat het eindproces-verbaal en de (inmiddels definitief gemaakte) concept tenlastelegging aan de raadsvrouw zijn verstrekt en dat de onderzoekswensen zijn uitgevraagd.
De raadsvrouw heeft de ontvangst van de betreffende dossierstukken schriftelijk aan de rechtbank bevestigd en heeft zich ten aanzien van het verzoek gerefereerd aan het eindoordeel van de rechtbank.
2De beoordeling
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen.
Als een vervolging niet wordt voortgezet, kan de verdachte de rechtbank verzoeken de zaak tegen hem geëindigd te verklaren. Daarbij staat het belang van de verdachte om duidelijkheid te krijgen over de tegen hem aangevangen en nog niet beëindigde vervolging voorop.
Grond voor het geven van een verklaring dat de zaak is geëindigd kan de rechter onder meer vinden in de omstandigheid dat niet of nauwelijks (meer) activiteiten worden verricht in het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte en het daarnaast redelijkerwijs niet valt te verwachten dat het Openbaar Ministerie tegen de verdachte strafvervolging zal instellen of voortzetten (ECLI:NL:HR:2019:1472).
Een verzoek om een zaak geëindigd te verklaren dient terughoudend te worden getoetst vanwege de verstrekkende gevolgen ingeval van een toewijzing. Het is aan het Openbaar Ministerie om aannemelijk te maken dat alsnog verdere vervolging zal plaatsvinden.
Op 8 februari 2024 is door het Openbaar Ministerie een onderzoek naar verzoeker gestart in verband met een verdenking van kindermishandeling. Uit de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie van 3 april 2026 begrijpt de rechtbank dat het eindproces-verbaal inmiddels gereed is, de tenlastelegging op 23 maart 2026 definitief is gemaakt en dat ook de onderzoekswensen zijn uitgevraagd. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek tot beëindiging van de strafzaak afwijzen.
Beslissing
De rechtbank
- wijst het verzoek af.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 14 april 2026.
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
raadkamernummer : 25-014611
datum : 14 april 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 29f Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [woonadres] ,
advocaat: mr. N. Wouters, advocaat te Middelburg,
hierna te noemen: verzoeker.
1De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift ex artikel 29f Sv ontvangen op de griffie op 29 mei 2025;
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie van 17 juni 2025;
het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 26 augustus 2025;
het proces-verbaal van de raadkamer zitting van 9 december 2025;
het e-mailbericht van de zaaksofficier van justitie van 11 februari 2026;
het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 24 februari 2026;
de schriftelijke reactie van verzoeker van 2 april 2026 en
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie van 3 april 2026;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
De rechtbank heeft op 24 februari 2026 het verzoek in besloten raadkamer behandeld. Hierbij waren aanwezig de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, verzoeker en
mr. N. Wouters als advocaat van verzoeker.
Tijdens de zitting heeft de officier van justitie meegedeeld dat het eindproces-verbaal medio maart 2026 gereed zal zijn en dat verzoeker zal worden gedagvaard voor de meervoudige strafkamer. In dat kader is een voorlopige tenlastelegging opgesteld. Gelet hierop heeft de rechter geoordeeld dat nog een termijn stellen aan het Openbaar Ministerie in de rede ligt, nu het uitspreken van een einde strafzaak op dit moment niet passend is. De rechter heeft de behandeling van het verzoek daarom opnieuw aangehouden en daarbij de officier van justitie verzocht om uiterlijk 23 maart 2026 het einddossier en de voorlopige tenlastelegging aan de verdediging te verstrekken.
Na de zitting heeft de zaaksofficier van justitie schriftelijk aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat het eindproces-verbaal en de (inmiddels definitief gemaakte) concept tenlastelegging aan de raadsvrouw zijn verstrekt en dat de onderzoekswensen zijn uitgevraagd.
De raadsvrouw heeft de ontvangst van de betreffende dossierstukken schriftelijk aan de rechtbank bevestigd en heeft zich ten aanzien van het verzoek gerefereerd aan het eindoordeel van de rechtbank.
2De beoordeling
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen.
Als een vervolging niet wordt voortgezet, kan de verdachte de rechtbank verzoeken de zaak tegen hem geëindigd te verklaren. Daarbij staat het belang van de verdachte om duidelijkheid te krijgen over de tegen hem aangevangen en nog niet beëindigde vervolging voorop.
Grond voor het geven van een verklaring dat de zaak is geëindigd kan de rechter onder meer vinden in de omstandigheid dat niet of nauwelijks (meer) activiteiten worden verricht in het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte en het daarnaast redelijkerwijs niet valt te verwachten dat het Openbaar Ministerie tegen de verdachte strafvervolging zal instellen of voortzetten (ECLI:NL:HR:2019:1472).
Een verzoek om een zaak geëindigd te verklaren dient terughoudend te worden getoetst vanwege de verstrekkende gevolgen ingeval van een toewijzing. Het is aan het Openbaar Ministerie om aannemelijk te maken dat alsnog verdere vervolging zal plaatsvinden.
Op 8 februari 2024 is door het Openbaar Ministerie een onderzoek naar verzoeker gestart in verband met een verdenking van kindermishandeling. Uit de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie van 3 april 2026 begrijpt de rechtbank dat het eindproces-verbaal inmiddels gereed is, de tenlastelegging op 23 maart 2026 definitief is gemaakt en dat ook de onderzoekswensen zijn uitgevraagd. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek tot beëindiging van de strafzaak afwijzen.
Beslissing
De rechtbank
- wijst het verzoek af.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 14 april 2026.