Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7953

2026-08-21 Strafrecht; Materieel strafrecht 02-002988-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-21
Publicatiedatum
2026-08-20
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure
Op tegenspraak
Zaaknummer
02-002988-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor de invoer van ongeveer 5 kilogram methamfetamine en 1 kilogram cocaïne. Geen sprake van vormverzuim. Gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.516 tekens)
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT


Strafrecht



Zittingsplaats: Middelburg



Parketnummer: 02-002988-25




Vonnis van de meervoudige kamer van 21 augustus 2026






[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1987 te Curaçao,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[woonadres] ,
raadsman mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam.




1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 augustus 2026, waarbij de officier van justitie, mr. T. de Haze, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.



2De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode 22 december 2024 tot en met 7 januari 2025 samen met een ander ongeveer 5 kilogram methamfetamine en 1,14 kilogram cocaïne heeft ingevoerd in Nederland.




3De voorvragen

3.1.


De geldigheid van de dagvaarding

De dagvaarding is geldig.



3.2.


De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd.



3.3.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie


3.3.1.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De cocaïne is weliswaar voor het grootste deel uit het pakket gehaald en in beslag genomen, maar een restant van tien gram cocaïne is achtergelaten in het pakket. Hiermee is deze cocaïne onder regie van politie en justitie bewust op de markt gekomen. Ingevolge artikel 126ff, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) mag inbeslagneming slechts in het belang van het onderzoek worden uitgesteld met het oogmerk om daar op een later tijdstip wel toe over te gaan. Een bevel van de officier van justitie als bedoeld in artikel 126ff Sv ontbreekt echter in het dossier. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv en dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel tot uitsluiting van het bewijs dat is verkregen door de gecontroleerde aflevering.



3.3.2.


Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gesteld dat er voldoende waarborgen aanwezig waren om aan te nemen dat de inbeslagneming van de onderhavige tien gram cocaïne op een later tijdstip ook daadwerkelijk zou worden geëffectueerd. De cocaïne is steeds in het bezit van de politie geweest. Nadat het pakket was geleverd, is verdachte vrijwel meteen na ontvangst ervan aangehouden, waarbij die resterende tien gram alsnog in beslag zijn genomen. Van een vormverzuim is derhalve geen sprake. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat wel sprake is van een vormverzuim, dan is niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie niet aan de orde. Slechts in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) vindt niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie plaats. Daarvan is geen sprake. Bovendien is artikel 126ff Sv niet in het leven geroepen in het belang van een verdachte. Verdachte kan zich daarom niet beroepen op de niet of niet juiste naleving van het doorlaatverbod.



3.3.3.


Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het pakket met de cocaïne door de douane is onderschept, waarna het pakket met nog tien gram cocaïne door de politie om 09.40 uur is afgeleverd op het adres van verdachte en door hem is aangenomen. Om 09:54 uur is in de woning van de verdachte binnengetreden en is de resterende cocaïne in beslag genomen. Gelet op deze gang van zaken is de inbeslagneming in het belang van het onderzoek slechts voor zeer korte tijd uitgesteld met het oogmerk om zo spoedig mogelijk daartoe over te gaan. De inbeslagname voldoet daarmee aan de regelgeving zoals die is vervat in het Wetboek van Strafvordering in samenhang met de Opiumwet, meer in het bijzonder in artikel 126ff lid 1 Sv. Van een vormverzuim is derhalve niet gebleken.



Ten overvloede overweegt de rechtbank dat verdachte zich niet kan beroepen op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of bewijsuitsluiting, reeds omdat het bepaalde in artikel 126ff Sv niet in het leven is geroepen in het belang van verdachte en voor hem derhalve geen rechtens te beschermen belang in het geding is.



Gelet op het voorgaande wordt het verweer verworpen en acht de rechtbank het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk.




3.4.


De schorsing van de vervolging

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.





4De beoordeling van het bewijs

4.1.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich meermalen samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de invoer van methamfetamine en cocaïne.



4.2.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Het gewicht van de pakketten drugs is niet voldoende komen vast te staan. Verdachte heeft bovendien geen wetenschap gehad van de inhoud van de pakketten. Er is ook geen sprake van voorwaardelijk opzet. Nu verdachte geen contact heeft gehad met de verzenders van de pakketten, is ook geen sprake van medeplegen.



4.3.

Het oordeel van de rechtbank


4.3.1.


De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.



4.3.2.


De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs


Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 3 januari en 6 januari 2025 heeft de Nederlandse douane twee pakketten, verstuurd vanuit de Verenigde Staten, onderschept. Het eerste pakket was gericht aan [persoon 1] , [adres 1] in [plaats 1] . Dit pakket bevatte drie in T-shirts gewikkelde vacuümgetrokken zakken. De zakken bevatten gezamenlijk ongeveer 5 kilogram methamfetamine. Het eerste pakket is door de douane in beslag genomen. Het tweede pakket was gericht aan [persoon 2] , [adres 2] in [plaats 2] . Naast enkele kledingstukken bevatte dit pakket een vacuümgetrokken zak. De inhoud van de zak betrof netto een kilo cocaïne. De cocaïne is, op tien gram na, uit het pakket genomen en vervolgens afgeleverd op het adres zoals op het pakket vermeld. Verdachte heeft dit pakket van een zich als koerier voordoende verbalisant aangenomen. Kort daarna is de politie binnengetreden in de woning van verdachte, waarna het afgeleverde pakket is aangetroffen.




Wetenschap

Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat zich in de pakketten drugs bevond. Hij zou door een man, voor verdachte bekend als [persoon 3] , zijn benaderd om pakketten met merkkleding en telefoons in ontvangst te nemen. Verdachte zou daarvoor ongeveer € 350,00 krijgen.



De rechtbank stelt vast dat in de telefoon van verdachte berichten tussen hem en [persoon 3] zijn aangetroffen, waarin onder andere wordt gesproken over ‘pap’, efidrine en ‘ice’. Daarnaast wordt gesproken over het volgen, ontvangen en vrijgeven van pakketten. Deze berichten zijn verstuurd en ontvangen in de ten laste gelegde periode. Naast deze berichten zijn in de telefoon van verdachte ook schermafbeeldingen van de voor de pakketten gebruikte namen, adressen en track and trace-gegevens van pakketten uit de Verenigde Staten aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gesprekken die de verdachte heeft gevoerd met [persoon 3] niet anders geduid worden dan gesprekken over de invoer van verdovende middelen in Nederland.
Voorts overweegt de rechtbank dat verdachte een aanzienlijk bedrag aangeboden kreeg om een pakket in ontvangst te nemen. Daar komt bij dat verdachte heeft verklaard dat hij het gevoel had dat er iets niet goed zat en dat zijn opdrachtgever onrustig was en het afgeleverde pakket zo snel mogelijk wilde hebben.



Op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in de pakketten verdovende middelen verpakt zaten. Door een van de pakketten in ontvangst te nemen en voor het andere pakket een afleveradres te regelen, heeft hij deze aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard.





Medeplegen

De rechtbank is ook van oordeel dat er, gelet op de rol van verdachte, sprake is van medeplegen. Uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, volgt allereerst dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij betrokken was bij de invoer van verdovende middelen en dus (voorwaardelijk) opzet had op het gronddelict. Ten tweede blijkt hieruit dat verdachte bewust met een ander, [persoon 3] , heeft samengewerkt. Verdachte speelde een rol bij het ontvangen van de pakketten met verdovende middelen. Hij heeft rondom de afleveringen van de pakketten intensief app-contact gehad met medeverdachte [persoon 3] . Hij voorzag zijn medeverdachte van adressen om de pakketten naar te versturen en heeft zelf een van de pakketten in ontvangst genomen. De bijdrage van verdachte was substantieel en dus van voldoende gewicht. Verdachte vormde naar het oordeel van de rechtbank een essentiële schakel in de keten die tot de invoer van methamfetamine en cocaïne heeft geleid.




Conclusie

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen medeplegen van de invoer van methamfetamine en cocaïne.




4.4.


De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte



in de periode 22 december 2024 tot en met 7 januari 2025 te [plaats 1] en [plaats 2] ,
tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 5 kilogram van een materiaal bevattende methamfetamine en 1.000 gram cocaïne, zijnde methamfetamine en cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.



Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.



De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.





5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.


Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.




6De strafoplegging

6.1.


De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 46 maanden, met aftrek van voorarrest.



6.2.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop en daarom een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke straf met verplicht reclasseringscontact op te leggen.



6.3.


Het oordeel van de rechtbank


De aard en de ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van 5 kilogram methamfetamine en 1 kilogram cocaïne. Harddrugs, zoals onder meer methamfetamine en cocaïne, bevatten stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid en sterk verslavend zijn. Het op de markt brengen van deze harddrugs vormt dan ook een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. Door de invoer van cocaïne heeft verdachte zich begeven op het terrein van de internationale handel in verdovende middelen, waarmee hij een bijdrage heeft geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Met de handel in harddrugs wordt veel geld verdiend en deze handel gaat daardoor gepaard met vele vormen van – ook zeer ernstige – criminaliteit. Verdachte heeft zich door een bijdrage te leveren aan de invoer van methamfetamine en cocaïne niet laten weerhouden door deze voorzienbare gevolgen en is slechts uit geweest op financieel gewin.



Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet meer dan terecht dat er voor de invoer van harddrugs lange, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. Enerzijds dient dit als vergelding voor de ontwrichting van de samenleving waar de dader indirect aan heeft bijgedragen. Anderzijds heeft het opleggen van vrijheidsstraffen tot doel anderen ervan te weerhouden zich met deze vorm van criminaliteit in te laten.




De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij in 2011 voor een soortgelijke zaak veroordeeld is. Dat is zo lang geleden dat het strafblad van verdachte daarom niet strafverzwarend meeweegt bij het bepalen van de straf.



Ook houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsrapport van 8 juli 2026 dat over verdachte is opgemaakt. Hieruit volgt dat geen sprake is van een duidelijk delict patroon met betrekking tot drugsgerelateerde delicten. De reclassering ziet risico verhogende factoren op de leefgebieden ‘financiën’ en ‘houding’. Verdachte was gevoelig voor mooie spullen en een luxe leven en had het destijds niet breed vanwege schulden. Ook kende hij geen gevaar en deinsde hij dus niet voor zaken terug. Verdachte maakte een bewuste, pro-criminele keuze vanuit financieel oogpunt. De reclassering ziet echter ook dat verdachte andere stappen wil nemen in zijn leven. Hoewel hij op dit moment geen werk heeft, is verdachte wel voornemens om weer aan de slag te gaan. Positief te noemen is dat er sprake is van beschermingsbewind en dat een schuldhulptraject in augustus 2026 zal worden afgerond. Ook de houding van verdachte is veranderd: hij wil zo gezond mogelijk leven en drinkt en blowt daarom niet meer vanaf januari 2026. Hij zal vanaf oktober gaan starten met behandeling bij een psycholoog om ontstane paniekklachten aan te pakken. Verdachte is daarnaast vader van twee dochters van één en drie jaar en ook hen wil hij een ander voorbeeld meegeven. De reclassering schat het risico op recidive in als laag en ziet geen redenen om een forensisch kader te adviseren.




De strafoplegging

Gelet op de ernst van het feiten, de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, is in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Wel ziet de rechtbank in de persoon van verdachte ruimte en aanleiding om in het voordeel van verdachte af te wijken van de landelijke oriëntatiepunten en aan verdachte ook een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Verdachte komt enigszins beïnvloedbaar over. Bovendien lijkt zijn rol beperkter te zijn dan die van de medeverdachte. Daarnaast heeft de reclassering een positief beeld over verdachte geschetst. Zij vinden interventies of toezicht niet noodzakelijk.



Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden.



Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.





7Het beslag

7.1.


De onttrekking aan het verkeer

De in beslag genomen drugs worden onttrokken aan het verkeer. De drugs zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om die drugs te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.



7.2.


De teruggave aan verdachte

Onder verdachte is een bedrag van € 445,00 in beslag genomen. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat het geldbedrag is verkregen door middel van of uit de baten van een strafbaar feit. Daarom zal ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag een last worden gegeven tot teruggave aan verdachte.





8De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 13a van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.



9Beslissing
De rechtbank:



Bewezenverklaring


- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;



Strafbaarheid


- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;



Beslag


- verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende voorwerpen:
* 37 gram cocaïne (omschrijving: PL2000-2025002564-G2861276);* 5 gram verdovende middelen (omschrijving: PL2000-2025002564-G2861290);* 5 gram cocaïne (omschrijving: PL2000-2025002564-G2861299);

- gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen voorwerp, te weten:
* € 445,00 (omschrijving: PL2000-ZB1R025002_840065).



Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, en mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos, griffier, en is
uitgesproken ter openbare zitting op 21 augustus 2026.




Bijlage I: De tenlastelegging




hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 22 december 2024
tot en met 7 januari 2025 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 5 kilogram, in
elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine, en/of 1,14
kilogram cocaïne, zijnde metamfetamine en/of cocaïne (telkens) een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;



(art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek
van Strafrecht)