Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7942
2026-08-20
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
26/4230, 26/4465, 26/4470 en 26/4489
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek om voorlopige voorziening tegen een evenementenvergunning en toestemming voor een verruimde geluidsuitstoot voor een festival.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:688 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-02-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:361 Raad van State 21-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.751 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummers: 26/4230, 26/4465, 26/4470 en 26/4489
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2026 in de zaken tussen
1 [naam 1] , uit [plaats 1] , verzoeker 1,
(gemachtigde: mr. O.V. Wilkens),
2 [naam 2] , uit [plaats 2] , verzoekster 2,
3 [naam 3] , uit [plaats 2] ,[naam 4] , uit [plaats 3] , verzoekers 3,
(gemachtigde: mr. F. Bajrami),
4 [naam 5] , uit [plaats 2] ,
verzoeker 4,
samen, verzoekers,
en
1de burgemeester van de gemeente Hilvarenbeek , de burgemeester,
2. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek , het college,
samen, verweerders.
Als vergunninghoudster neemt aan de zaak deel:
B2S B.V. uit Capelle aan den IJssel,
(gemachtigde: mr. J.A.M. Poortvliet).
Als derde partij neemt aan de zaak deel:
Beekse Bergen Exploitatie B.V. uit Hilvarenbeek ,
(gemachtigde: mr. M. Diepenhorst).
Inleiding
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen een besluit van verweerders van 7 juli 2026 (het bestreden besluit), over het aan vergunninghoudster verlenen van toestemming voor het evenement ‘Decibel outdoor 2026’ op het evenemententerrein van de derde partij aan [adres 1] in [plaats 2] . Verzoekers hebben de voorzieningenrechter daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken om een voorlopige voorziening op 19 augustus 2026 om 10:00 uur op zitting behandeld. Verzoeker 1 was samen met zijn gemachtigde en [geluidsdeskundige 1] (geluidsdeskundige) aanwezig. Verzoekster 2 was aanwezig. Verzoekers 3 waren samen met [geluidsdeskundige 2] (geluidsdeskundige) aanwezig. De gemachtigde van verzoekers 3 was – na voorafgaand bericht van verhindering – niet aanwezig. Verzoeker 4 was aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger college 1] , [vertegenwoordiger college 2] en [geluidsdeskundige 3] (geluidsdeskundige). Namens vergunninghoudster waren haar gemachtigde en [persoon 1] aanwezig. Namens de derde partij waren haar gemachtigde, [persoon 2] , [persoon 3] en [geluidsdeskundige 4] (geluidsdeskundige) aanwezig.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Feiten
1.1.
Verzoeker 1 woont aan [adres 2] in [plaats 1] . Verzoekster 2 woont aan [adres 3] in [plaats 2] . Verzoekers 3 wonen aan [adres 4] in [plaats 2] en [adres 5] in [plaats 3] . Verzoeker 4 woont aan [adres 6] in [plaats 2] . De derde partij is eigenaar van het evenemententerrein aan [adres 1] in [plaats 2] .
1.2.
Vergunninghoudster is voornemens om het evenement ‘Decibel Outdoor 2026’ te organiseren op vrijdag 28 augustus 2026 van 15.00 uur tot 01.00 uur (30.000 bezoekers), zaterdag 29 augustus 2026 van 13.00 uur tot 01.00 uur (50.000 bezoekers) en zondag 30 augustus 2026 van 13.00 uur tot 23.00 uur (50.000 bezoekers) op het evenemententerrein van de derde partij. Daar zal ook een camping bij worden gerealiseerd die geopend zal zijn vanaf vrijdag 28 augustus 2026 om 10:00 uur en zal sluiten op maandagochtend 31 augustus 2026 om 12:00 uur (hierna: het evenement).
1.3.
Vergunninghoudster heeft op 16 januari 2026 verschillende toestemmingen aangevraagd voor het evenement.
1.4.
Bij bestreden besluit hebben de burgemeester en het college (onder andere) de volgende toestemmingen verleend voor het evenement:
een door de burgemeester verleende evenementenvergunning op grond van artikel 2:10 van de Algemene plaatselijke verordening openbare orde en veiligheid gemeente Hilvarenbeek 2025 (APV)(bestreden deelbesluit 1);
een door de burgemeester verleende ontheffing van het verbod uit artikel 3 van de Zondagswet, voor het produceren van geluid op zondag 30 augustus 2026 (bestreden deelbesluit 2);
een door het college verleende toestemming voor een verruimde geluidsuitstoot, op grond van de voorschriften uit een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit van 6 juli 2010 (bestreden deelbesluit 3).
1.5.
Verzoekers hebben daar bezwaar tegen gemaakt. Verzoeker 1 heeft de voorzieningenrechter op 30 juli 2026 verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft dit verzoek geregistreerd onder zaaknummer 26/4230. Verzoekster 2, verzoekers 3 en verzoeker 4 hebben de voorzieningenrechter op 14 augustus 2026 verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft die verzoeken geregistreerd onder zaaknummers 26/4465, 26/4470 en 26/4489.
2. Wettelijk kader
2.1.
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Bestreden deelbesluit 1
2.2.
Het is op grond van de APV verboden zonder een evenementenvergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. Een vergunning kan op grond van de APV in ieder geval worden geweigerd in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van het milieu. Ten behoeve van het verlenen van een evenementenvergunning heeft de burgemeester het Evenementenbeleid 2012 vastgesteld. In het locatieprofiel festivals Beekse Bergen 2023 is dat beleid specifiek aangevuld voor evenementen op het evenemententerrein van de Beekse Bergen.
Bestreden deelbesluit 2
2.3.
Het is op grond van de Zondagswet verboden op zondag zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, dat op een afstand van meer dan 200 meter van het punt van verwekking hoorbaar is. De burgemeester kan voor de tijd na 13 uur ontheffing verlenen van dat verbod.
Bestreden deelbesluit 3
2.4.
De voorzieningenrechter leest in het bestreden besluit dat het college de toestemming voor de verruimde geluidsuitstoot heeft verleend op grond van artikel 3:5 van de Algemene plaatselijke verordening fysieke leefomgeving gemeente Hilvarenbeek 2025. Op zitting is door het college toegelicht dat die bepaling niet van toepassing is, maar dat de toestemming is gebaseerd op voorschriften uit een eerder verleende milieuvergunning. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat dit in de beslissing op bezwaar hersteld zal worden.
2.5.
Het college heeft op 6 juli 2010 een milieuvergunning verleend aan de derde partij op grond van de Wet milieubeheer (Wm). De rechtbank stelt vast dat die vergunning sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) geldt als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Ow. In de milieuvergunning zijn geluidsnormen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau opgenomen. Evenementen waarbij gebruik wordt gemaakt van podia met een bronvermogen van meer dan 110 dB(A), met meerdere podia tegelijkertijd of die plaatsvinden in de buitenlucht na 23:00 uur, mogen volgens die voorschriften alleen plaatsvinden na overleg met en uitdrukkelijke toestemming van het bevoegd gezag. Zulke evenementen mogen niet meer dan vier keer per jaar plaatsvinden.
3. Spoedeisend belang en griffierecht
3.1.
Uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers een spoedeisend belang bij hun verzoek om een voorlopige voorziening. Het evenement is gepland van 28 augustus 2026 tot en met 30 augustus 2026. Verzoekers vrezen (geluids-)overlast te ondervinden van dat evenement en eventuele ondervonden (geluids-)overlast is onomkeerbaar.
3.2.
Voor het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening wordt daarnaast griffierecht geheven op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Awb. Omdat verschillende verzoeken om voorlopige voorziening kort voor de al geplande zitting waren ingediend, waren de nota’s voor het griffierecht nog niet ontvangen door verschillende verzoekers. Zij konden de nota daarom niet voorafgaand aan deze uitspraak voldoen. De voorzieningen-rechter vertrouwt erop dat verzoekers het griffierecht na het ontvangst van die nota alsnog zullen voldoen, zoals op zitting ook besproken is.
4. Uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2026
4.1.
In een uitspraak van 6 februari 2026 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank geoordeeld over (onder andere) de evenementenvergunning en toestemming voor verruimde geluidsuitstoot van verweerders voor ‘Decibel Outdoor 2024’. In die besluiten was een equivalent geluidsniveau vanwege muziekgeluid voorgeschreven ter plaatse van de gevels van de dichtstbij gelegen woningen van derden (gemeten over een periode van vijf minuten) van 75 dB(A) en 90 dB(C) tot 01:30 uur. De meervoudige kamer heeft die besluiten vernietigd, onder andere omdat verweerders onvoldoende hadden gemotiveerd dat geen onevenredige hinder zou ontstaan in de dichtstbij gelegen woningen bij een geluidsnorm van 90 dB(C) ter plaatse van de gevel van die woning. Verweerders hadden volgens de rechtbank geen onderzoek uitgevoerd naar de dempende werking van woninggevels bij laagfrequent geluid en hadden daarom niet zonder meer kunnen vaststellen dat geen onevenredige geluidshinder zou plaatsvinden bij omliggende woningen.
4.2.
Tegen die uitspraak is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). De Afdeling heeft nog geen uitspraak gedaan.
5. Het bestreden besluit
5.1.
Verweerders hebben in het bestreden besluit voor het evenement (onder andere) verleend: een evenementenvergunning, een ontheffing van de Zondagswet en toestemming voor een verruimde geluidsuitstoot op grond van de milieuvergunning uit 2010.
5.2.
Uit het bestreden besluit – en meer specifiek uit het bestreden deelbesluit 3 – blijkt dat verweerders zich op het standpunt stellen dat de toestemmingen voor het evenement in 2026 verleend kunnen worden, omdat de door de rechtbank geconstateerde gebreken in het bestreden besluit zijn hersteld. Ter onderbouwing van dat standpunt hebben verweerders onder andere verwezen naar notities van [naam 6] ( [geluidsdeskundige 3] ) van 15 april 2026 en 12 augustus 2026. Aan het bestreden besluit zijn geluidsvoorschriften verbonden die volgens verweerders in overeenstemming zijn met de maximumnormen van de Nota "Evenementen met een luidruchtig karakter" van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg uit 1996 (hierna: de Nota Limburg). De Nota Limburg kan volgens de Afdeling ten grondslag worden gelegd aan een onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidsnormering. In de geluidsvoorschriften in het bestreden besluit staat dat het equivalente geluidsniveau, afkomstig van het muziekgeluid van het evenement, op alle festivaldagen (en gedurende de uren waarvoor toestemming is verleend) niet meer mag bedragen dan 70 dB(A) en 90 dB(C) op de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige gevels in de omgeving van het festivalterrein. Het equivalente geluidsniveau mag op de gevels van woningen in de bebouwde kom van omliggende woonkernen ( [woonkernen] ) niet meer bedragen dan 60 dB(A) en 85 dB(C). Ondanks dat het stellen van een dB(C) norm niet verplicht is, wordt met de norm van 90 dB(C) een grens gesteld die met toepassing van de beste beschikbare technieken net haalbaar is voor het evenement en die passend is bij een dB(A)-norm van 70 dB(A). Daarmee wordt aangesloten bij de Nota Limburg en is volgens [naam 6] bij een gemiddelde gevelisolatie verzekerd dat het binnenniveau in de woningen de in de Nota Limburg voorgeschreven 50 dB(A) niet zal overschrijden. Bovendien zijn betrouwbare metingen van laagfrequent geluid (in de laagste octaafbanden) vrijwel onmogelijk, door de grote golflengtes van lage tonen waardoor grote spreiding in meetresultaten optreedt. Het meten van dB(C) waarden in woningen is om dezelfde redenen als het bepalen van de isolatiewaarden in de lage octaafbanden onbetrouwbaar.
6. Gronden
6.1.
Verzoekers hebben – kort samengevat – aangevoerd dat verweerders de toestemming voor verruimde geluidsuitstoot niet hebben kunnen verlenen, omdat zij onevenredige geluidsoverlast zullen ervaren van de muzieksoorten met een laagfrequent karakter. Verweerders hebben onvoldoende rekening gehouden met de belangen van omwonenden en hebben onvoldoende uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2026. Uit die uitspraak blijkt dat verweerders nader onderzoek hadden moeten doen naar de geluiddempende werking van de gevels van de woningen. Verweerders hebben dat onderzoek niet uitgevoerd. Zonder dat onderzoek is het onduidelijk hoe hoog de geluidsbelasting binnen in een woning zal zijn bij een norm van 90 dB(C) op de gevel. Volgens de deskundigen van verzoekers zal dit bij hun woningen hoger zijn dan het in de Nota Limburg opgenomen maximale binnenniveau van 50 dB(A). Of in een woning nog een gesprek kan worden gevoerd is ook niet hetzelfde als de vraag of de bewoners bij laagfrequent muziekgeluid worden beschermd tegen ernstige of onduldbare hinder. Verzoeker 4 heeft aan het voorgaande toegevoegd dat het festivalgeluid ook de zondagsrust en de godsdienstige vieringen verstoort.
6.2.
Ter onderbouwing van deze standpunten hebben verzoeker 1 en verzoekster 2 verwezen naar memo’s van [geluidsdeskundige 1] van 30 juli 2026 en 3 maart 2025, en verzoekster 2 ook nog naar het geluidmeetrapport ‘Decibel Outdoor 2024, Beekse Bergen’ van de Nederlandse stichting geluidshinder. Verzoekers 3 hebben verwezen naar een reactie van ‘ [adviesbureau] ’ van 14 augustus 2026.
7. Beoordeling
7.1.
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af. De voorzieningenrechter licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel komt. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
7.2.
De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Deze voorlopige voorzieningenprocedure leent zich niet voor een beoordeling of de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank in hoger beroep al dan niet stand kan houden. Het is aan de Afdeling om daar een oordeel over te geven in hoger beroep. Meer specifiek leent deze spoedprocedure zich niet voor een (her)beoordeling van de toelaatbaarheid van de voorgeschreven geluidsnormen. Te meer omdat de zeer technische standpunten van de door partijen ingeschakelde geluidsdeskundigen haaks op elkaar staan, met name voor wat betreft de dB(C)-norm.
7.3.
Omdat er dus (rechts)vragen aan de orde zijn die zich niet lenen voor een beantwoording in een voorlopige voorzieningenprocedure, heeft de voorzieningenrechter aan de hand van een afweging van de betrokken belangen bepaald of een voorlopige voorziening moet worden getroffen.
7.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan de belangen die zijn gediend bij het afwijzen van de verzoeken op dit moment een zwaarder gewicht moet worden toegekend, dan aan het belang van verzoekers bij toewijzing van de verzoeken.
7.5.
Op zitting hebben vergunninghoudster en de derde partij toegelicht dat zij al meer dan een jaar bezig zijn met de organisatie van het evenement en dat zij – op grond van het evenementenbeleid en het specifieke locatieprofiel – verplichtingen zijn aangegaan voor 11 miljoen euro. Het toewijzen van de verzoeken om voorlopige voorziening zou betekenen dat het evenement niet door kan gaan. Dat zou ertoe leiden dat vergunninghoudster en de derde partij aanzienlijke financiële schade en reputatieschade leiden. Het toewijzen van de verzoeken zou ook enorme gevolgen hebben voor de tienduizenden bezoekers die al een kaartje hebben gekocht voor het evenement, de leveranciers, de artiesten en de personen die werkzaam zullen zijn op het evenement. Het algemeen belang zou in dat geval ook aanzienlijk worden geraakt, omdat het evenement bijdraagt aan het culturele aanbod en de economische ontwikkeling van de regio.
7.6.
Het belang van verzoekers bij toewijzing van hun verzoeken om voorlopige voorziening is gelegen in het gevrijwaard blijven van geluidsoverlast in hun woonomgeving of tijdens godsdienstige vieringen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daar op dit moment een minder zwaar gewicht aan moet worden toegekend, omdat rekening wordt gehouden met dat belang door vergunninghoudster, de derde partij en verweerders. Op zitting is gebleken dat vergunninghoudster en de derde partij zich inzetten om overlast voor omwonenden zoveel als mogelijk te beperken. Zij spannen zich in om de beste beschikbare technieken toe te passen op het gebied van geluid, zodat zij kunnen voldoen aan de voorgeschreven geluidsnormen, en hebben de eindtijden van het festival in de loop der jaren vervroegd. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerders ook rekening hebben gehouden met de belangen van verzoekers door – strengere – geluidsnormen (dB(A)) voor te schrijven voor het evenement in 2026. Door in de voorschriften op te nemen dat tijdens het evenement metingen moeten plaatsvinden, wordt ook gewaarborgd dat aan die geluidsnormen wordt voldaan. Wanneer uit die metingen blijkt dat de normen worden overschreden, moet het geluid volgens de voorschriften worden aangepast. Of die normen nog strenger gesteld moeten worden, moet door de Afdeling beoordeeld worden in het hoger beroep tegen de uitspraak van 6 februari 2026. De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat het voor omwonenden niet prettig is om gedurende het evenement geconfronteerd te worden met laagfrequente geluiden, maar verzoekers kunnen gelet op het voorgaande in ieder geval niet worden geconfronteerd met ongelimiteerde geluidsemissies van het evenement. De voorzieningenrechter kan zich ook voorstellen dat het evenement leidt tot geluidsoverlast, maar die overlast wordt door het hierna volgende genuanceerd. De meeste verzoekers wonen op enkele kilometers afstand. Zij zullen daarom niet worden geconfronteerd met 70 dB(A) en 90 dB(C) op hun gevel. Ook de bewoners van de meest dichtbij gelegen woningen aan [adres 7] , zullen niet gedurende het hele evenement worden geconfronteerd met 70 dB(A) en 90 dB(C) op de gevel. De geluidsemissies variëren gedurende het evenement en zullen slechts op een aantal momenten tijdens het evenement (bijvoorbeeld ten tijde van de finale van een artiest) mogelijk zo hoog zijn als de maximale geluidsnormen. Het evenement zal daarnaast slechts drie dagen duren. Meer specifiek gaat het om tien uur op vrijdag, twaalf uur op zaterdag en tien uur op zondag, waarop sprake kan zijn van geluidsoverlast. Tussen 01:00 en 13:00 uur (gedurende twaalf uur) moet het stil zijn.
7.7.
De voorzieningenrechter ziet – gelet op de haaks op elkaar staande standpunten van de door partijen ingeschakelde geluidsdeskundigen – geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening in de vorm van het wijzigen van de geluidsvoorschriften.
8. Conclusie
8.1.
Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening afwijzen.
8.2.
Voor een proceskostenvergoeding is daarom geen aanleiding.
De beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 20 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wettelijk kader
Algemene plaatselijke verordening openbare orde en veiligheid gemeente Hilvarenbeek 2025 (APV)
Artikel 2:10, eerste lid, van de APV
Het is verboden zonder melding of zonder in afwijking van een evenementenvergunning van de burgemeester een evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen.
Artikel 1:7, eerste lid, van de APV
Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
de openbare orde;
de openbare veiligheid;
de volksgezondheid;
e bescherming van het milieu.
Zondagswet
Artikel 3 van de Zondagswet
Het is verboden op Zondag zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, dat op een afstand van meer dan 200 meter van het punt van verwekking hoorbaar is.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op uitingen tijdens geoorloofde samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, vergaderingen of betogingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Voor zover dat vereist is ter voorkoming van gerucht dat de viering van de Zondag en de openbare rust op de Zondag ernstig verstoort, voegt de burgemeester aan de voorschriften en beperkingen bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties voorschriften en beperkingen toe met betrekking tot het geluidsniveau en met betrekking tot het gebruik van geluidsapparaten, of worden door hem aanwijzingen ter zake gegeven.
Voor andere gevallen dan die bedoeld in het tweede lid kan de burgemeester voor de tijd na 13 uur ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid; de gemeenteraad kan ter zake regels stellen.
Artikel 2:10, eerste lid, van de APV.
Artikel 3, eerste en derde lid, van de Zondagswet.
Vanaf de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gold deze omgevingsvergunning als omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo (artikel 1.2, eerste lid, onder e, van de Invoeringswet Wabo). Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow), geldt deze omgevingsvergunning als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Ow. Artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Ow.
Artikel 10.1.1 en artikel 10.1.4 van de milieuvergunning.
Artikel 10.1.2 van de milieuvergunning.
Artikel 10.1.6 van de milieuvergunning.
Rechtbank Zeeland West Brabant 6 februari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:688.
ABRvS 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:361, r.o. 7.2.
Bestuursrecht
zaaknummers: 26/4230, 26/4465, 26/4470 en 26/4489
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2026 in de zaken tussen
1 [naam 1] , uit [plaats 1] , verzoeker 1,
(gemachtigde: mr. O.V. Wilkens),
2 [naam 2] , uit [plaats 2] , verzoekster 2,
3 [naam 3] , uit [plaats 2] ,[naam 4] , uit [plaats 3] , verzoekers 3,
(gemachtigde: mr. F. Bajrami),
4 [naam 5] , uit [plaats 2] ,
verzoeker 4,
samen, verzoekers,
en
1de burgemeester van de gemeente Hilvarenbeek , de burgemeester,
2. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek , het college,
samen, verweerders.
Als vergunninghoudster neemt aan de zaak deel:
B2S B.V. uit Capelle aan den IJssel,
(gemachtigde: mr. J.A.M. Poortvliet).
Als derde partij neemt aan de zaak deel:
Beekse Bergen Exploitatie B.V. uit Hilvarenbeek ,
(gemachtigde: mr. M. Diepenhorst).
Inleiding
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen een besluit van verweerders van 7 juli 2026 (het bestreden besluit), over het aan vergunninghoudster verlenen van toestemming voor het evenement ‘Decibel outdoor 2026’ op het evenemententerrein van de derde partij aan [adres 1] in [plaats 2] . Verzoekers hebben de voorzieningenrechter daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken om een voorlopige voorziening op 19 augustus 2026 om 10:00 uur op zitting behandeld. Verzoeker 1 was samen met zijn gemachtigde en [geluidsdeskundige 1] (geluidsdeskundige) aanwezig. Verzoekster 2 was aanwezig. Verzoekers 3 waren samen met [geluidsdeskundige 2] (geluidsdeskundige) aanwezig. De gemachtigde van verzoekers 3 was – na voorafgaand bericht van verhindering – niet aanwezig. Verzoeker 4 was aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger college 1] , [vertegenwoordiger college 2] en [geluidsdeskundige 3] (geluidsdeskundige). Namens vergunninghoudster waren haar gemachtigde en [persoon 1] aanwezig. Namens de derde partij waren haar gemachtigde, [persoon 2] , [persoon 3] en [geluidsdeskundige 4] (geluidsdeskundige) aanwezig.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Feiten
1.1.
Verzoeker 1 woont aan [adres 2] in [plaats 1] . Verzoekster 2 woont aan [adres 3] in [plaats 2] . Verzoekers 3 wonen aan [adres 4] in [plaats 2] en [adres 5] in [plaats 3] . Verzoeker 4 woont aan [adres 6] in [plaats 2] . De derde partij is eigenaar van het evenemententerrein aan [adres 1] in [plaats 2] .
1.2.
Vergunninghoudster is voornemens om het evenement ‘Decibel Outdoor 2026’ te organiseren op vrijdag 28 augustus 2026 van 15.00 uur tot 01.00 uur (30.000 bezoekers), zaterdag 29 augustus 2026 van 13.00 uur tot 01.00 uur (50.000 bezoekers) en zondag 30 augustus 2026 van 13.00 uur tot 23.00 uur (50.000 bezoekers) op het evenemententerrein van de derde partij. Daar zal ook een camping bij worden gerealiseerd die geopend zal zijn vanaf vrijdag 28 augustus 2026 om 10:00 uur en zal sluiten op maandagochtend 31 augustus 2026 om 12:00 uur (hierna: het evenement).
1.3.
Vergunninghoudster heeft op 16 januari 2026 verschillende toestemmingen aangevraagd voor het evenement.
1.4.
Bij bestreden besluit hebben de burgemeester en het college (onder andere) de volgende toestemmingen verleend voor het evenement:
een door de burgemeester verleende evenementenvergunning op grond van artikel 2:10 van de Algemene plaatselijke verordening openbare orde en veiligheid gemeente Hilvarenbeek 2025 (APV)(bestreden deelbesluit 1);
een door de burgemeester verleende ontheffing van het verbod uit artikel 3 van de Zondagswet, voor het produceren van geluid op zondag 30 augustus 2026 (bestreden deelbesluit 2);
een door het college verleende toestemming voor een verruimde geluidsuitstoot, op grond van de voorschriften uit een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit van 6 juli 2010 (bestreden deelbesluit 3).
1.5.
Verzoekers hebben daar bezwaar tegen gemaakt. Verzoeker 1 heeft de voorzieningenrechter op 30 juli 2026 verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft dit verzoek geregistreerd onder zaaknummer 26/4230. Verzoekster 2, verzoekers 3 en verzoeker 4 hebben de voorzieningenrechter op 14 augustus 2026 verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft die verzoeken geregistreerd onder zaaknummers 26/4465, 26/4470 en 26/4489.
2. Wettelijk kader
2.1.
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Bestreden deelbesluit 1
2.2.
Het is op grond van de APV verboden zonder een evenementenvergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. Een vergunning kan op grond van de APV in ieder geval worden geweigerd in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van het milieu. Ten behoeve van het verlenen van een evenementenvergunning heeft de burgemeester het Evenementenbeleid 2012 vastgesteld. In het locatieprofiel festivals Beekse Bergen 2023 is dat beleid specifiek aangevuld voor evenementen op het evenemententerrein van de Beekse Bergen.
Bestreden deelbesluit 2
2.3.
Het is op grond van de Zondagswet verboden op zondag zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, dat op een afstand van meer dan 200 meter van het punt van verwekking hoorbaar is. De burgemeester kan voor de tijd na 13 uur ontheffing verlenen van dat verbod.
Bestreden deelbesluit 3
2.4.
De voorzieningenrechter leest in het bestreden besluit dat het college de toestemming voor de verruimde geluidsuitstoot heeft verleend op grond van artikel 3:5 van de Algemene plaatselijke verordening fysieke leefomgeving gemeente Hilvarenbeek 2025. Op zitting is door het college toegelicht dat die bepaling niet van toepassing is, maar dat de toestemming is gebaseerd op voorschriften uit een eerder verleende milieuvergunning. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat dit in de beslissing op bezwaar hersteld zal worden.
2.5.
Het college heeft op 6 juli 2010 een milieuvergunning verleend aan de derde partij op grond van de Wet milieubeheer (Wm). De rechtbank stelt vast dat die vergunning sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) geldt als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Ow. In de milieuvergunning zijn geluidsnormen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau opgenomen. Evenementen waarbij gebruik wordt gemaakt van podia met een bronvermogen van meer dan 110 dB(A), met meerdere podia tegelijkertijd of die plaatsvinden in de buitenlucht na 23:00 uur, mogen volgens die voorschriften alleen plaatsvinden na overleg met en uitdrukkelijke toestemming van het bevoegd gezag. Zulke evenementen mogen niet meer dan vier keer per jaar plaatsvinden.
3. Spoedeisend belang en griffierecht
3.1.
Uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers een spoedeisend belang bij hun verzoek om een voorlopige voorziening. Het evenement is gepland van 28 augustus 2026 tot en met 30 augustus 2026. Verzoekers vrezen (geluids-)overlast te ondervinden van dat evenement en eventuele ondervonden (geluids-)overlast is onomkeerbaar.
3.2.
Voor het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening wordt daarnaast griffierecht geheven op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Awb. Omdat verschillende verzoeken om voorlopige voorziening kort voor de al geplande zitting waren ingediend, waren de nota’s voor het griffierecht nog niet ontvangen door verschillende verzoekers. Zij konden de nota daarom niet voorafgaand aan deze uitspraak voldoen. De voorzieningen-rechter vertrouwt erop dat verzoekers het griffierecht na het ontvangst van die nota alsnog zullen voldoen, zoals op zitting ook besproken is.
4. Uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2026
4.1.
In een uitspraak van 6 februari 2026 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank geoordeeld over (onder andere) de evenementenvergunning en toestemming voor verruimde geluidsuitstoot van verweerders voor ‘Decibel Outdoor 2024’. In die besluiten was een equivalent geluidsniveau vanwege muziekgeluid voorgeschreven ter plaatse van de gevels van de dichtstbij gelegen woningen van derden (gemeten over een periode van vijf minuten) van 75 dB(A) en 90 dB(C) tot 01:30 uur. De meervoudige kamer heeft die besluiten vernietigd, onder andere omdat verweerders onvoldoende hadden gemotiveerd dat geen onevenredige hinder zou ontstaan in de dichtstbij gelegen woningen bij een geluidsnorm van 90 dB(C) ter plaatse van de gevel van die woning. Verweerders hadden volgens de rechtbank geen onderzoek uitgevoerd naar de dempende werking van woninggevels bij laagfrequent geluid en hadden daarom niet zonder meer kunnen vaststellen dat geen onevenredige geluidshinder zou plaatsvinden bij omliggende woningen.
4.2.
Tegen die uitspraak is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). De Afdeling heeft nog geen uitspraak gedaan.
5. Het bestreden besluit
5.1.
Verweerders hebben in het bestreden besluit voor het evenement (onder andere) verleend: een evenementenvergunning, een ontheffing van de Zondagswet en toestemming voor een verruimde geluidsuitstoot op grond van de milieuvergunning uit 2010.
5.2.
Uit het bestreden besluit – en meer specifiek uit het bestreden deelbesluit 3 – blijkt dat verweerders zich op het standpunt stellen dat de toestemmingen voor het evenement in 2026 verleend kunnen worden, omdat de door de rechtbank geconstateerde gebreken in het bestreden besluit zijn hersteld. Ter onderbouwing van dat standpunt hebben verweerders onder andere verwezen naar notities van [naam 6] ( [geluidsdeskundige 3] ) van 15 april 2026 en 12 augustus 2026. Aan het bestreden besluit zijn geluidsvoorschriften verbonden die volgens verweerders in overeenstemming zijn met de maximumnormen van de Nota "Evenementen met een luidruchtig karakter" van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg uit 1996 (hierna: de Nota Limburg). De Nota Limburg kan volgens de Afdeling ten grondslag worden gelegd aan een onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidsnormering. In de geluidsvoorschriften in het bestreden besluit staat dat het equivalente geluidsniveau, afkomstig van het muziekgeluid van het evenement, op alle festivaldagen (en gedurende de uren waarvoor toestemming is verleend) niet meer mag bedragen dan 70 dB(A) en 90 dB(C) op de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige gevels in de omgeving van het festivalterrein. Het equivalente geluidsniveau mag op de gevels van woningen in de bebouwde kom van omliggende woonkernen ( [woonkernen] ) niet meer bedragen dan 60 dB(A) en 85 dB(C). Ondanks dat het stellen van een dB(C) norm niet verplicht is, wordt met de norm van 90 dB(C) een grens gesteld die met toepassing van de beste beschikbare technieken net haalbaar is voor het evenement en die passend is bij een dB(A)-norm van 70 dB(A). Daarmee wordt aangesloten bij de Nota Limburg en is volgens [naam 6] bij een gemiddelde gevelisolatie verzekerd dat het binnenniveau in de woningen de in de Nota Limburg voorgeschreven 50 dB(A) niet zal overschrijden. Bovendien zijn betrouwbare metingen van laagfrequent geluid (in de laagste octaafbanden) vrijwel onmogelijk, door de grote golflengtes van lage tonen waardoor grote spreiding in meetresultaten optreedt. Het meten van dB(C) waarden in woningen is om dezelfde redenen als het bepalen van de isolatiewaarden in de lage octaafbanden onbetrouwbaar.
6. Gronden
6.1.
Verzoekers hebben – kort samengevat – aangevoerd dat verweerders de toestemming voor verruimde geluidsuitstoot niet hebben kunnen verlenen, omdat zij onevenredige geluidsoverlast zullen ervaren van de muzieksoorten met een laagfrequent karakter. Verweerders hebben onvoldoende rekening gehouden met de belangen van omwonenden en hebben onvoldoende uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2026. Uit die uitspraak blijkt dat verweerders nader onderzoek hadden moeten doen naar de geluiddempende werking van de gevels van de woningen. Verweerders hebben dat onderzoek niet uitgevoerd. Zonder dat onderzoek is het onduidelijk hoe hoog de geluidsbelasting binnen in een woning zal zijn bij een norm van 90 dB(C) op de gevel. Volgens de deskundigen van verzoekers zal dit bij hun woningen hoger zijn dan het in de Nota Limburg opgenomen maximale binnenniveau van 50 dB(A). Of in een woning nog een gesprek kan worden gevoerd is ook niet hetzelfde als de vraag of de bewoners bij laagfrequent muziekgeluid worden beschermd tegen ernstige of onduldbare hinder. Verzoeker 4 heeft aan het voorgaande toegevoegd dat het festivalgeluid ook de zondagsrust en de godsdienstige vieringen verstoort.
6.2.
Ter onderbouwing van deze standpunten hebben verzoeker 1 en verzoekster 2 verwezen naar memo’s van [geluidsdeskundige 1] van 30 juli 2026 en 3 maart 2025, en verzoekster 2 ook nog naar het geluidmeetrapport ‘Decibel Outdoor 2024, Beekse Bergen’ van de Nederlandse stichting geluidshinder. Verzoekers 3 hebben verwezen naar een reactie van ‘ [adviesbureau] ’ van 14 augustus 2026.
7. Beoordeling
7.1.
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af. De voorzieningenrechter licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel komt. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
7.2.
De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Deze voorlopige voorzieningenprocedure leent zich niet voor een beoordeling of de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank in hoger beroep al dan niet stand kan houden. Het is aan de Afdeling om daar een oordeel over te geven in hoger beroep. Meer specifiek leent deze spoedprocedure zich niet voor een (her)beoordeling van de toelaatbaarheid van de voorgeschreven geluidsnormen. Te meer omdat de zeer technische standpunten van de door partijen ingeschakelde geluidsdeskundigen haaks op elkaar staan, met name voor wat betreft de dB(C)-norm.
7.3.
Omdat er dus (rechts)vragen aan de orde zijn die zich niet lenen voor een beantwoording in een voorlopige voorzieningenprocedure, heeft de voorzieningenrechter aan de hand van een afweging van de betrokken belangen bepaald of een voorlopige voorziening moet worden getroffen.
7.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan de belangen die zijn gediend bij het afwijzen van de verzoeken op dit moment een zwaarder gewicht moet worden toegekend, dan aan het belang van verzoekers bij toewijzing van de verzoeken.
7.5.
Op zitting hebben vergunninghoudster en de derde partij toegelicht dat zij al meer dan een jaar bezig zijn met de organisatie van het evenement en dat zij – op grond van het evenementenbeleid en het specifieke locatieprofiel – verplichtingen zijn aangegaan voor 11 miljoen euro. Het toewijzen van de verzoeken om voorlopige voorziening zou betekenen dat het evenement niet door kan gaan. Dat zou ertoe leiden dat vergunninghoudster en de derde partij aanzienlijke financiële schade en reputatieschade leiden. Het toewijzen van de verzoeken zou ook enorme gevolgen hebben voor de tienduizenden bezoekers die al een kaartje hebben gekocht voor het evenement, de leveranciers, de artiesten en de personen die werkzaam zullen zijn op het evenement. Het algemeen belang zou in dat geval ook aanzienlijk worden geraakt, omdat het evenement bijdraagt aan het culturele aanbod en de economische ontwikkeling van de regio.
7.6.
Het belang van verzoekers bij toewijzing van hun verzoeken om voorlopige voorziening is gelegen in het gevrijwaard blijven van geluidsoverlast in hun woonomgeving of tijdens godsdienstige vieringen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daar op dit moment een minder zwaar gewicht aan moet worden toegekend, omdat rekening wordt gehouden met dat belang door vergunninghoudster, de derde partij en verweerders. Op zitting is gebleken dat vergunninghoudster en de derde partij zich inzetten om overlast voor omwonenden zoveel als mogelijk te beperken. Zij spannen zich in om de beste beschikbare technieken toe te passen op het gebied van geluid, zodat zij kunnen voldoen aan de voorgeschreven geluidsnormen, en hebben de eindtijden van het festival in de loop der jaren vervroegd. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerders ook rekening hebben gehouden met de belangen van verzoekers door – strengere – geluidsnormen (dB(A)) voor te schrijven voor het evenement in 2026. Door in de voorschriften op te nemen dat tijdens het evenement metingen moeten plaatsvinden, wordt ook gewaarborgd dat aan die geluidsnormen wordt voldaan. Wanneer uit die metingen blijkt dat de normen worden overschreden, moet het geluid volgens de voorschriften worden aangepast. Of die normen nog strenger gesteld moeten worden, moet door de Afdeling beoordeeld worden in het hoger beroep tegen de uitspraak van 6 februari 2026. De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat het voor omwonenden niet prettig is om gedurende het evenement geconfronteerd te worden met laagfrequente geluiden, maar verzoekers kunnen gelet op het voorgaande in ieder geval niet worden geconfronteerd met ongelimiteerde geluidsemissies van het evenement. De voorzieningenrechter kan zich ook voorstellen dat het evenement leidt tot geluidsoverlast, maar die overlast wordt door het hierna volgende genuanceerd. De meeste verzoekers wonen op enkele kilometers afstand. Zij zullen daarom niet worden geconfronteerd met 70 dB(A) en 90 dB(C) op hun gevel. Ook de bewoners van de meest dichtbij gelegen woningen aan [adres 7] , zullen niet gedurende het hele evenement worden geconfronteerd met 70 dB(A) en 90 dB(C) op de gevel. De geluidsemissies variëren gedurende het evenement en zullen slechts op een aantal momenten tijdens het evenement (bijvoorbeeld ten tijde van de finale van een artiest) mogelijk zo hoog zijn als de maximale geluidsnormen. Het evenement zal daarnaast slechts drie dagen duren. Meer specifiek gaat het om tien uur op vrijdag, twaalf uur op zaterdag en tien uur op zondag, waarop sprake kan zijn van geluidsoverlast. Tussen 01:00 en 13:00 uur (gedurende twaalf uur) moet het stil zijn.
7.7.
De voorzieningenrechter ziet – gelet op de haaks op elkaar staande standpunten van de door partijen ingeschakelde geluidsdeskundigen – geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening in de vorm van het wijzigen van de geluidsvoorschriften.
8. Conclusie
8.1.
Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening afwijzen.
8.2.
Voor een proceskostenvergoeding is daarom geen aanleiding.
De beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 20 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Wettelijk kader
Algemene plaatselijke verordening openbare orde en veiligheid gemeente Hilvarenbeek 2025 (APV)
Artikel 2:10, eerste lid, van de APV
Het is verboden zonder melding of zonder in afwijking van een evenementenvergunning van de burgemeester een evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen.
Artikel 1:7, eerste lid, van de APV
Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
de openbare orde;
de openbare veiligheid;
de volksgezondheid;
e bescherming van het milieu.
Zondagswet
Artikel 3 van de Zondagswet
Het is verboden op Zondag zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, dat op een afstand van meer dan 200 meter van het punt van verwekking hoorbaar is.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op uitingen tijdens geoorloofde samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, vergaderingen of betogingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Voor zover dat vereist is ter voorkoming van gerucht dat de viering van de Zondag en de openbare rust op de Zondag ernstig verstoort, voegt de burgemeester aan de voorschriften en beperkingen bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties voorschriften en beperkingen toe met betrekking tot het geluidsniveau en met betrekking tot het gebruik van geluidsapparaten, of worden door hem aanwijzingen ter zake gegeven.
Voor andere gevallen dan die bedoeld in het tweede lid kan de burgemeester voor de tijd na 13 uur ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid; de gemeenteraad kan ter zake regels stellen.
Artikel 2:10, eerste lid, van de APV.
Artikel 3, eerste en derde lid, van de Zondagswet.
Vanaf de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gold deze omgevingsvergunning als omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo (artikel 1.2, eerste lid, onder e, van de Invoeringswet Wabo). Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow), geldt deze omgevingsvergunning als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Ow. Artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Ow.
Artikel 10.1.1 en artikel 10.1.4 van de milieuvergunning.
Artikel 10.1.2 van de milieuvergunning.
Artikel 10.1.6 van de milieuvergunning.
Rechtbank Zeeland West Brabant 6 februari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:688.
ABRvS 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:361, r.o. 7.2.