Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7859
2026-07-22
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/02/426388/HA ZA 24-503 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
In opdracht uitgevoerde werkzaamheden in diverse bouwprojecten. In conventie wordt betaling van openstaande facturen gevorderd. In reconventie wordt herstel van de gebreken gevorderd en schadevergoeding.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (95.849 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/426388 / HA ZA 24-503
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
HOPPENBROUWERS TECHNIEK B.V.,
te Udenhout,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Hoppenbrouwers,
advocaat: mr. A.C.P.M. van Dun,
tegen
WILLEMSZ BOUWBEDRIJF BV,
te Sprang Capelle,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Willemsz,
advocaat: mr. M.B.A. Alkema.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 januari 2026 en de daarin vermelde stukken
- de bij rolbericht van 29 mei 2026 door Willemsz toegezonden akte vermeerdering van eis in reconventie, tevens overlegging producties
- de mondelinge behandeling van 9 juni 2026 waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
in conventie en in reconventie
2.1.
Tussen partijen staan de volgende feiten vast op grond van de stellingen van partijen die niet of niet voldoende gemotiveerd door de ander zijn betwist.
2.2.
Hoppenbrouwers is een installatiebedrijf dat zich toelegt op diverse technische installatiewerken. Per 2 juli 2022 is Central Heating B.V., eveneens een installatiebedrijf, door fusie opgegaan in Hoppenbrouwers, nadat Central Heating B.V. eerder al onderdeel van de Hoppenbrouwers groep werd. De rechten en verplichtingen van Central Heating B.V. zijn overgegaan op Hoppenbrouwers. Hierna wordt daarom alleen de naam ‘Hoppenbrouwers’ gebruikt.
2.3.
Willems is een aannemingsbedrijf dat zich toelegt op woningbouw en utiliteitsbouw.
2.4.
Op of omstreeks 31 januari 2018 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in een gebouw met 15 appartementen in [plaats 1] de gehele werktuigbouwkundige installatie (hierna: W-installatie) zou leveren en aanbrengen conform bestek en tekeningen tegen een aanneemsom van € 290.000,- (hierna: [project 1] ). Dit project is opgeleverd.
2.5.
Op of omstreeks 27 februari 2018 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in gebouwen met in totaal 76 appartementen in [plaats 2] de gehele W-installatie zou leveren en aanbrengen conform bestek en tekeningen etc. tegen een aanneemsom van € 1.145.000,- (hierna: project [plaats 2] ). Dit project is opgeleverd.
2.6.
Op of omstreeks 6 mei 2019 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in 6 woningen en een gebouw met 6 appartementen in [plaats 1] W-installatiewerken zou leveren en aanbrengen tegen een aanneemsom van € 78.000,- (hierna: [project 3] ). Dit project is opgeleverd.
2.7.
Op of omstreeks 8 september 2020 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in 13 appartementen en 18 woningen in [plaats 3] de W-CV-MV-installatie zou leveren en aanbrengen tegen een aanneemsom van € 990.000,- (hierna: project [plaats 3] ). Dit project is opgeleverd.
2.8.
Op of omstreeks 30 oktober 2020 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in de woning van [project 2] in [plaats 4] loodgieterswerkzaamheden, de verwarmingsinstallatie en de mechanische ventilatie installatie zou verzorgen tegen een aanneemsom van € 77.000,- (hierna: [project 2] ). Dit project is opgeleverd.
2.9.
Op of omstreeks november 2020 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in een gebouw met 4 appartementen in [plaats 5] W-installatiewerkzaamheden zou verrichten (hierna: project [plaats 5] ). Dit project is opgeleverd.
2.10.
Op of omstreeks 2020 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in een gebouw met 4 appartementen in [plaats 6] W-installatiewerkzaamheden zou verzorgen tegen een aanneemsom van € 47.500,- (hierna: project [plaats 6] ). Dit project is opgeleverd.
2.11.
Op of omstreeks 20 februari 2021 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in 15 woningen in [plaats 7] , de verwarmingsinstallatie en het ventilatiesysteem zou verzorgen tegen een aanneemsom van € 175.000,- (hierna: project [plaats 7] ). Dit project is opgeleverd.
2.12.
Op of omstreeks 2021 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in een gebouw met 11 appartementen in [plaats 8] loodgieterswerkzaamheden, de verwarmingsinstallatie en de mechanische ventilatie installatie zou verzorgen tegen een aanneemsom van € 315.000,- (hierna: project [plaats 8] ). Dit project is opgeleverd.
2.13.
Op of omstreeks mei 2023 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in 12 woningen in [plaats 9] W-installatiewerkzaamheden zou verzorgen (hierna: project [plaats 9] ). Dit project is opgeleverd.
2.14.
Hopenbrouwers heeft aan Willems tussentijdse en eindfacturen gestuurd en betaling verzocht.
2.15.
In oktober 2023 hebben partijen een mailwisseling gevoerd over openstaande facturen van Hoppenbrouwers, over de verrekening van meer- en minderwerk voor het project [plaats 3] door Hoppenbrouwers, over de afwikkeling van schade en over schade bij een project.
2.16.
Bij brief van 16 januari 2024 heeft de advocaat van Hoppenbrouwers aan Willemsz een brief gezonden met onder andere de volgende inhoud.
“Ik ben benaderd door Hoppenbrouwers Techniek B.V. (voorheen Hoppenbrouwers Techniek [plaats 8] Central Heating B.V.) in verband met de (financiële) afwikkeling van verschillende projecten die Hoppenbrouwers voor u heeft uitgevoerd. Op dit moment blijft een zeer aanzienlijk bedrag aan openstaande, reeds lange tijd opeisbare facturen onbetaald, terwijl daarvoor geen juridische grondslag bestaat en ondanks dat van de zijde van Hoppenbrouwers reeds meermaals op betaling is aangedrongen. Ten gevolge van het verstrijken van de aan die facturen verbonden (fatale) betalingstermijnen bent u in verzuim en pleegt u, door het niet voldoen van de facturen, wanprestatie.
Daarnaast geldt dat er sprake is van een aanzienlijk bedrag aan nog niet gefactureerd meerwerk, met betrekking tot het project in [plaats 3] , dat door u eveneens vergoed zal dienen te worden.
Voorts heeft Hoppenbrouwers op het project in [plaats 2] schade hersteld die door u op uw CAR-verzekering zou kunnen en moeten worden geclaimd. Dat hebt u, ondanks toezegging daartoe, echter (nog) niet gedaan. Ofwel dient u dat alsnog te doen, ofwel bent u aansprakelijk voor het feit dat die schade niet onder de dekking vergoed wordt, nu het op uw weg ligt om op de juist wijze melding te doen en die melding voort te zetten.
Door Hoppenbrouwers is in het verleden meermaals verzocht om betaling, onder andere door de heren [naam 1] en [naam 2] , maar tot betaling is het nog niet gekomen. Hoppenbrouwers heeft om die reden mij verzocht haar bij te staan en u te verzoeken en, voor zover nodig, te sommeren tot betaling van het door u verschuldigde bedrag.
Door u is in totaal verschuldigd (…) € 265.283,62.
Voor zover bij Hoppenbrouwers een verweer c.q. reactie op de hiervoor genoemde bedragen bekend is, is dat verweer onterecht en juridisch onjuist en kan dat derhalve aan de verschuldigdheid en dus voldoening van voornoemd totaalbedrag niet in de weg staan. Ik licht dat toe per project.
(…)
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat u aan Hoppenbrouwers een aanzienlijk bedrag, opeisbaar, verschuldigd bent, Bovendien onthoudt u ten onrechte goedkeuring aan de meerwerken inzake [plaats 3] . Ik wijs u derhalve met nadruk op de hiervoor opgenomen sommaties en verzoek en sommeer u nogmaals om binnen de gestelde termijnen daaraan te voldoen. Van een gerechtvaardigde grond tot opschorting is geen sprake.
Voor zover er overigens wél enige gerechtvaardigde grond tot opschorting zou zijn, dan is evident dat dat (ten eerste) slechts voor enkele projecten kan gelden, maar is (ten tweede) vooral van belang dat uw gepretendeerde tegenvorderingen in geen enkele verhouding staan tot het bedrag dat nu, al zeer geruime tijd, onbetaald wordt gelaten. Dat sprake is van verzuim en wanprestatie staat derhalve vast.
Ik benadruk dan ook dat indien u niet aan voornoemde sommaties voldoet, Hoppenbrouwers zich vrij acht om haar vorderingen in rechte te verhalen. Alle daarvoor en daardoor gemaakte en te maken kosten zullen op u verhaald worden.”
2.17.
De rechtsbijstandverlener van Willemsz heeft bij brief van 8 maart 2024 als volgt gereageerd.
“Tot mij wendde zich Willemsz bouwbedrijf BV, met een verzoek om rechtsbijstand. Tussen mijn cliënte en uw cliënte is een overeenkomst gesloten op grond waarvan uw cliënte voor het project [plaats 2] (projectnummer [nummer 1] ) verschillende werkzaamheden heeft verricht. Helaas zijn er gebreken geconstateerd bij twee woningen waarbij mijn cliënte uw cliënte hierbij uitdrukkelijk in de gelegenheid stelt om voor herstel zorg te dragen.
Op 1 maart 2024 heeft mijn cliënte bij uw cliënte gemeld dat er bij [adres 1] een lekdetectie plaats heeft gevonden. Uit dat onderzoek bleek dat er een scheur in de riolering in de vloer in de wasruimte van Carreur 14 aanwezig was. Als gevolg van dit gebrek ontstond er een lekkage bij de woning [adres 1] , met schade als gevolg. Uw cliënte is verzocht om voor herstel zorg te dragen. Uw cliënte liet per e-mail van diezelfde dag weten dat hij daar niet op in gaat en de correspondentie via u laat lopen. Naast deze lekkage is er een lekkage aan de (douche-wtw) douchegoot bij [adres 2] . Als gevolg hiervan ontstaat er schimmel op de muren alsmede schade aan de woonkamer.
Het lijkt erop dat uw cliënte een beroep doet op een opschortingsrecht. Mijn cliënte wijst uw cliënte erop dat uw cliënte dat recht in deze kwestie niet toekomt. Inzake bovengenoemd project zijn alle betalingen verricht. Uw cliënte heeft geen opschortingsrecht. Er is voorts onvoldoende samenhang tussen de vermeende vordering van uw cliënte en de vordering van mijn cliënte. Sterker nog, in dit project heeft mijn cliënte teveel betaald waardoor een vordering op uw cliënte resteert van € 33.480,44. Ook zijn de volgende factuurbedragen nog onbetaald: (…) € 7.604,20 (…) € 30.250,00 (…) € 111.087,20 (…) € 347,88 (…).
Namens mijn cliënte sommeer ik uw cliënte om binnen 3 dagen te laten weten of zij voor herstel zorg zal dragen voor de lekkages aan de riolering en de douche-wtw alsmede voor herstel van alle gevolgschade in de woningen [adres 1] , [adres 3] en [adres 2] en eventueel andere woningen waarvan de schade op dit moment nog niet inzichtelijk of bekend is. Als uw cliënte daartoe overgaat dient het herstel binnen 10 dagen te hebben plaatsgevonden. Indien uw cliënte niet binnen de gestelde termijn reageert of afwijzend reageert, zal mijn cliënte een derde partij inschakelen om de werkzaamheden uit te voeren. Alle daarmee gepaard gaande kosten zullen op uw cliënte worden verhaald.”
2.18.
Partijen hebben geen oplossing bereikt en volledige (financiële) afsluiting van voormelde projecten heeft niet plaatsgehad. Hoppenbrouwers heeft Willemsz op 9 augustus 2024 gedagvaard.
3Het geschil
in conventie
3.1.
Hoppenbrouwers vordert, na wijziging van eis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te verklaren voor recht dat Willemsz toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten tussen Hoppenbrouwers en
Willemsz door de uit die overeenkomsten c.q. rechtsverhouding tussen partijen voortvloeiende betalingsverplichting niet na te komen, of althans subsidiair, te verklaren voor recht welk bedrag Willemsz uit hoofde van de hiervoor bedoelde overeenkomsten c.q. rechtsverhouding tussen partijen aan Hoppenbrouwers verschuldigd is en per wanneer dat opeisbaar verschuldigd zal zijn;
II. Willemsz te veroordelen tot betaling aan Hoppenbrouwers, binnen veertien dagen na
betekening van het vonnis, van een bedrag van € 378.264,46, verminderd met een bedrag van € 4.865,44, exclusief btw, of althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de respectievelijke vervaldata van de facturen, dan wel vanaf het moment dat Willemsz in verzuim is komen te verkeren, dan wel vanaf de dag der dagvaarding, dan wel vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag der algehele voldoening;
III. Willemsz te veroordelen tot het vergoeden, binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis, aan Hoppenbrouwers van de buitengerechtelijke incassokosten, van een bedrag van € 3.666,43, of althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
IV. Willemsz te veroordelen tot vergoeding aan Hoppenbrouwers van de (proces)kosten van
deze procedure, waaronder mede begrepen de beslagkosten, kosten van rechtsbijstand en de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.
3.2.
Willemsz voert verweer. Willemsz concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Hoppenbrouwers, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Hoppenbrouwers in de kosten van deze procedure.
in reconventie
3.3.
Willemsz vordert, na wijziging van eis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. Hoppenbrouwers te veroordelen tot het verhelpen van de gebreken die in de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, zijn aangeduid met de codes GL2, GL3, GL4, GL5, GL6, GL7, GL10, GL11, GL12, GL14, GL15, GL16, GT2, GT3, GT4, GT5, GT6, GT7, GT8, GR1, GR2, GR5, GR9, GR10, GR11, GR12, GT9, GT11, GK1, GK2, GK3, GK4, GKS, GK6, GK7, GK8, GK10 en GWK1, binnen drie maanden na de datum van het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
b. Hoppenbrouwers te veroordelen tot het verstrekken aan Willemsz van alle garantie- en
revisiebescheiden ten aanzien van de tien in geschil zijnde projecten/werken, binnen drie maanden na de datum van het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
c. Hoppenbrouwers te veroordelen tot betaling aan Willemsz van een bedrag van € 203.415,78 aan schadevergoeding, althans aan minderwerk, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 91.807,60 vanaf 9 juli 2021 tot de dag der algehele voldoening, over een bedrag van € 88.661,90 vanaf de dag dat de eis in reconventie is ingesteld tot de dag der algehele voldoening en over een bedrag van € 25.506,28 vanaf veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening;
d. Hoppenbrouwers te veroordelen tot betaling aan Willemsz van een bedrag van € 158.518,20 aan minderwerk, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 151.266,60 vanaf de dag dat de eis in reconventie is ingesteld tot de dag der algehele voldoening en over het restant vanaf veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening.
e. Hoppenbrouwers te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.343,43 aan buitengerechtelijke (incasso)kosten te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf veertien dagen na het te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening;
f. op te heffen de door Hoppenbrouwers ten tijde van de uitspraak van het vonnis door
Hoppenbrouwers ten laste van Willemsz gelegde conservatoire beslagen en
Hoppenbrouwers te verbieden nieuwe conservatoire beslagen ten laste van Willemsz te
leggen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
g. Hoppenbrouwers te veroordelen in de kosten van deze procedure in reconventie, te
vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf veertien dagen na het te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening;
h. Hoppenbrouwers te veroordelen tot betaling aan Willemsz van de rechtsvorderingen die [naam 5] heeft gecedeerd aan Willemsz ten bedrage van € 4.511,44, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf veertien dagen na het te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening;
i. Hoppenbrouwers in verband met het gebrek dat is aangeduid met code GT3 te veroordelen tot betaling aan Willemsz van een bedrag van € 1.511,98 exclusief btw aan schadevergoeding, althans aan minderwerk, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening;
j. Hoppenbrouwers in verband met het gebrek dat is aangeduid met code GR13 te veroordelen tot betaling aan Willemsz van een bedrag van € 788,85 exclusief btw aan schadevergoeding, althans aan minderwerk, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening;
k. Hoppenbrouwers te veroordelen tot het verhelpen van de gebreken die zijn aangeduid met GW1 en GR14, binnen drie maanden na de datum van het te wijzen vonnis, op straffe
van verbeurte van een dwangsom.
3.2.
Hoppenbrouwers voert verweer. Hoppenbrouwers concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Willemsz, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Willemsz in de kosten van deze procedure.
4De beoordeling
in conventie en in reconventie
De gedingen in conventie en in reconventie worden vanwege hun samenhang gezamenlijk beoordeeld.
4.1.
Er zijn geen processuele bezwaren geuit tegen de wijziging van eis in reconventie van Willemsz. De rechtbank acht de wijziging ook ambtshalve niet in strijd met de goede procesorde zodat over de gewijzigde vordering in reconventie zal worden geoordeeld. Een vermindering van eis in conventie, zoals Hoppenbrouwers die heeft geformuleerd, is altijd toelaatbaar.
4.2.
Partijen hebben na de zitting vonnis gevraagd. Dat brengt mee dat de rechtbank de geschilpunten over en weer zal beoordelen en beslissen op grond van hetgeen hun advocaten in de processtukken hebben geschreven en het besprokene tijdens de zitting, en wel met toepassing van de procesrechtelijke en materieelrechtelijke regels die daarbij gelden. De conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie wordt hierna CVA/REC genoemd. De conclusie van repliek in conventie tevens antwoord in reconventie wordt hierna CVR/CVA genoemd. De conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie wordt hierna CVD/CVR genoemd. De conclusie van dupliek in reconventie wordt hierna CVD/REC genoemd. De akten worden genoemd met de datum ervan.
4.3.
Partijen beroepen zich voor hun vorderingen op rechten en verplichtingen die over en weer op grond van de tussen hen gesloten overeenkomsten bestaan. Ook beroepen zij zich op rechten en verplichtingen die uit de wet, in het bijzonder uit de bepalingen in boek 6 en 7 BW, voortvloeien. De rechtbank beoordeelt daarom eerst welke rechten en verplichtingen partijen per project zijn overeengekomen. Dat doet de rechtbank op grond van de stellingen van partijen en de in verband daarmee overgelegde producties. Daarbij geldt dat de rechtbank ter zitting aan de orde heeft gesteld dat de schriftelijke stukken niet volledig zijn, terwijl partijen desgevraagd niet hebben meegedeeld dat er meer stukken op dit punt voorhanden zijn.
4.3.1.
[project 1] . In de dagvaarding en de CVA/REC maken partijen melding van een overeenkomst zonder nadere details te vermelden. Productie 3 bij CVA/REC vermeldt alleen de opdracht en prijs voor dit project. Meer producties met betrekking tot dit project zijn er niet. Bij gebreke van stellingen en producties die de rechtbank aanknopingspunten bieden de overeengekomen rechten en verplichtingen vast te stellen gelden, voor zover aan de orde, de regels van met name boek 6 en boek 7 BW.
4.3.2.
Project [plaats 2] . In de dagvaarding maakt Hoppenbrouwers melding van een overeenkomst zonder nadere details te vermelden. In de CVA/REC stelt Willemsz onder verwijzing naar productie 4 dat bij de overeenkomst is overeengekomen:
- een betalingsschema: 70% naar rato van gereed gekomen werk op de bouwplaats, 10% na ontvangst van het garantiebewijs conform bestek, 10% na herstel van alle restpunten, 10% 14 dagen na oplevering;
- meerwerk na voorafgaande schriftelijke opdracht;
- de technische omschrijvingen van [bedrijf] zijn van toepassing (o.a. garantie op apparatuur 2 jaar na oplevering en bij oplevering de onderhouds- en bedieningsvoorschriften en de revisiestukken verstrekken;
- de UAV 1989 zijn van toepassing.
Hoppenbrouwers betwist dit niet in de CVR/CVA. Dit leidt tot het oordeel dat de door Willemsz gestelde rechten en verplichtingen, zoals vermeld in haar productie 4 op de overeenkomst van toepassing zijn. Ook de regels van met name boek 6 en boek 7 BW zijn van toepassing.
4.3.3.
[project 3] . In de dagvaarding en de CVA/REC melden partijen dat sprake is van een overeenkomst zonder nadere details te vermelden. Productie 7 bij CVA/REC vermeldt alleen de opdracht en prijs voor dit project. Meer producties met betrekking tot dit project zijn er niet. Bij gebreke van stellingen en producties die de rechtbank aanknopingspunten bieden de overeengekomen rechten en verplichtingen vast te stellen gelden, voor zover aan de orde, de regels van met name boek 6 en boek 7 BW.
4.3.4.
Project [plaats 7] . Hoppenbrouwers stelt in de dagvaarding onder verwijzing naar productie 13 dat de overeenkomst is vastgelegd in een opdrachtbevestiging van Hoppenbrouwers van 20 februari 2021 en dat de ALIB-voorwaarden 2007 (met name artikel 16) van toepassing zijn. Willemsz betwist dit in de CVA/REC niet en stelt dat is overeengekomen dat meerwerk na voorafgaande schriftelijke opdracht plaatsvindt. In de CVD/CVR doet Willemsz een beroep op de vernietiging van de ALIB-voorwaarden omdat deze niet aan haar ter hand zijn gesteld, terwijl Willemsz geen grote onderneming als bedoeld in artikel 6:235 lid 1 BW is. Hoppenbrouwers heeft hierop niet gereageerd.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat dat de door Hoppenbrouwers gestelde rechten en verplichtingen, zoals vermeld in haar productie 13 (waarin onder andere ook is vermeld dat meerwerk na voorafgaande opdracht wordt verricht) op de overeenkomst van toepassing zijn, behalve de ALIB-voorwaarden 2007. Ook de regels van met name boek 6 en boek 7 BW zijn van toepassing.
4.3.5.
Project [plaats 3] . Hoppenbrouwers stelt in de dagvaarding onder verwijzing naar productie 5 dat de rechten en verplichtingen van partijen bij deze overeenkomst zijn vastgelegd in een opdrachtbevestiging van Willemsz, de opmerkingen daarop van Hoppenbouwers en een betalingsschema. Willemsz wijst in de CVA/REC eveneens naar productie 5 bij dagvaarding en naar haar productie 8A waarbij zij nadere correspondentie heeft overgelegd. Willemsz wijst daarbij onder verwijzing naar productie 5 onder andere op het volgende:
- een betalingsschema: 70% naar rato van gereed gekomen werk op de bouwplaats, 10% na ontvangst van het garantiebewijs conform bestek, 10% na herstel van alle restpunten, 10% 14 dagen na oplevering;
- meerwerk na voorafgaande schriftelijke opdracht;
- de Technische Omschrijvingen met daarin “Bedieningsvoorschriften en garantiebewijzen worden gebundeld en in 1-voud, tijdens oplevering aangeleverd”;
- de UAV 1989 zijn van toepassing.
Willemsz stelt onder verwijzing naar haar productie 8A ook dat naar aanleiding van de opmerkingen van Hoppenbrouwers de nieuwe overeenkomst alleen de door Hoppenbrouwers gewenste Corona-clausule bevat en dat hetgeen overigens door haar werd gewenst niet is overeengekomen.
Hoppenbrouwers reageert hierop in de CVR/CVA. Hoppenbrouwers vermeldt dat er geen door beide partijen ondertekend stuk is. Zij voert voorts aan dat de Technische Omschrijving in de relatie Willemsz – opdrachtgever geldt en niet op de overeenkomst tussen partijen van toepassing is. Wel verwijst de opdrachtbevestiging voor de technische uitvoering naar die Omschrijving. Over oplevering en betaling is, onder verwerping door Hoppenbrouwers van de regeling in de opdrachtbevestiging van Willemsz, een eigen regeling afgesproken, te weten 95% naar rato van de voortgang in het werk en 5% na oplevering, op basis van welke regeling Hoppenbrouwers ook heeft gefactureerd, aldus Hoppenbrouwers.
In de CVD/CVR betwist Willemsz de stellingen van Hoppenbrouwers onder verwijzing naar hetgeen zij eerder aanvoerde. Willemsz stelt voorts dat partijen (expliciet) zijn overeengekomen dat Hoppenbrouwers aan Willemsz garantie- en revisiebescheiden ter beschikking stelt. Artikel 8 van de overeenkomst inhoudende dat het werk wordt geacht te voldoen indien niet binnen 8 dagen na opneming is bericht of het al dan niet voldoet, doet aan de eis van de Technische Omschrijving niet af, aldus Willemsz.
Het voorgaande leidt tot het volgende. De rechtbank kan op grond van de stellingen en producties van partijen niet vaststellen dat Willemsz al de door Hoppenbrouwers gemaakte opmerkingen met vermelding “niet akkoord” heeft aanvaard en verwerkt in een nieuwe overeenkomst. Slechts van het opnemen van een Corona-passage wordt melding gemaakt, maar de in productie 8A gemelde “bijlage” is niet overgelegd. Dat de gehele Technische Omschrijving onderdeel van de overeenkomst is blijkt niet uit de tekst van de opdrachtbevestiging van Willemsz en is voor dit project niet, althans niet gemotiveerd, in enig processtuk toegelicht. De toepasselijkheid van de UAV 1989 is niet betwist dus die voorwaarden gelden evenals de bepaling dat meerwerk na voorafgaande opdracht wordt verricht. De stelling van Hoppenbrouwers dat zij conform het door haar genoemde betalingsschema heeft gefactureerd is niet betwist. Hoppenbrouwers mocht om deze reden begrijpen dat haar betalingsvoorwaarden waren aanvaard. Aanknopingspunten voor een andere uitleg over de inhoud van de overeenkomst hebben partijen de rechtbank niet gegeven. Ook op deze overeenkomst zijn de regels van met name boek 6 en boek 7 BW van toepassing.
4.3.6.
[project 2] . De dagvaarding bevat geen stellingen over de inhoud van de overeenkomst. In de CVA/REC stelt Willemsz dat voor meerwerk een voorafgaande schriftelijke opdracht nodig is en dat Hoppenbrouwers garanties verstrekt conform de eisen van Woningborg. Willemsz doet een beroep op vernietiging van de ALIB-voorwaarden 2007 omdat deze niet ter hand zijn gesteld terwijl zij geen grote onderneming is.
Hoppenbrouwers verwijst in de CVR/CVA naar de als productie 26 overgelegde opdrachtbevestiging van Hoppenbrouwers. Daarin staat onder meer dat meerwerk volgens separate opdracht wordt verricht, dat de betalingstermijnen uit het voorstel van Hoppenbrouwers gelden, naar rato van de voortgang van de werkzaamheden en dat garanties volgens Woningborg worden verstrekt. Hoppenbrouwers heeft geen verweer tegen het beroep op vernietiging van de ALIB-voorwaarden gevoerd.
Willemsz heeft de verwijzing naar productie 26 voor de inhoud van de opdracht niet betwist. Zij reageert in de CVD/CVR alleen met de stelling dat met “garanties volgens Woningborg” is overeengekomen dat Hoppenbrouwers garantie- en revisiebescheiden aan Willemsz ter beschikking dient te stellen.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de door Hoppenbrouwers gestelde rechten en verplichtingen, zoals vermeld in haar productie 26 (waarin onder andere ook is vermeld dat meerwerk na voorafgaande opdracht wordt verricht en het betalingsschema/voorwaarden van Hoppenbrouwers van toepassing is/zijn) op de overeenkomst van toepassing zijn, behalve de ALIB-voorwaarden 2007. Ook de regels van met name boek 6 en boek 7 BW zijn van toepassing. Het ontbreekt aan gemotiveerde stellingen van Willemsz die tot de uitleg kunnen leiden dat de passage “garanties volgens Woningborg” dient te worden uitgelegd in die zin dat Hoppenbrouwers garantie- en revisiebescheiden aan Willemsz ter beschikking dient te stellen. Het was aan Willemsz om die aanknopingspunten te geven omdat Woningborg garanties, behoudens het door Woningborg te verstrekken certificaat, zien op de inhoud van garanties met betrekking tot geleverd werk en niet op het verstrekken van garantiebewijzen of revisiestukken.
4.3.7.
Project [plaats 5] . In de dagvaarding en de CVA/REC maken partijen melding van een overeenkomst zonder nadere details te vermelden. Ook in de daarop volgende conclusies doen zij dat niet. Bij gebreke van stellingen en producties die de rechtbank aanknopingspunten bieden de overeengekomen rechten en verplichtingen vast te stellen gelden, voor zover aan de orde, de regels van met name boek 6 en boek 7 BW.
4.3.8.
Project [plaats 8] . Hoppenbrouwers stelt in de dagvaarding onder verwijzing naar productie 8 dat de inhoud van de overeenkomst blijkt uit de door Willemsz geaccepteerde offerte van Hoppenbrouwers. Daarin is onder andere bepaald dat de ALIB-voorwaarden van toepassing zijn en dat de aanneemsom in termijnen naar gelang de stand van het werk moet worden betaald. Willemsz betwist dit in de CVA/REC niet. Wel doet zij een beroep op vernietiging van de ALIB-voorwaarden omdat deze niet aan haar ter hand zijn gesteld en zij geen grote onderneming is. In de CVD/CVR betoogt Willemsz dat met de offerte vanwege de vermelding “garanties volgens Woningborg” is overeengekomen dat Hoppenbrouwers garantie- en revisiebescheiden aan Willemsz ter beschikking dient te stellen. Hoppenbrouwers heeft geen verweer gevoerd tegen het beroep op vernietiging van de ALIB-voorwaarden.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat dat de door Hoppenbrouwers gestelde rechten en verplichtingen, zoals vermeld in haar productie 8 (waarin onder andere ook is vermeld dat meerwerk na voorafgaande opdracht wordt verricht en de betalingsvoorwaarden van Hoppenbrouwers van toepassing zijn) op de overeenkomst van toepassing zijn, behalve de ALIB-voorwaarden 2007. Ook de regels van met name boek 6 en boek 7 BW zijn van toepassing. Het ontbreekt aan gemotiveerde stellingen van Willemsz die tot de uitleg kunnen leiden dat de passage “garanties volgens Woningborg” dient te worden uitgelegd in die zin dat Hoppenbrouwers garantie- en revisiebescheiden aan Willemsz ter beschikking dient te stellen. Het was aan Willemsz om die aanknopingspunten te geven omdat Woningborg garanties, behoudens het door Woningborg te verstrekken certificaat, zien op de inhoud van garanties met betrekking tot geleverd werk en niet op het verstrekken van garantiebewijzen of revisiestukken. Ook in de UAV betreffen de eisen aan oplevering materiele eisen.
4.3.9.
Project [plaats 9] . In de dagvaarding en de CVA/REC maken partijen melding van een overeenkomst zonder nadere details te vermelden. Ook in de daarop volgende conclusies doen zij dat niet. Bij gebreke van stellingen en producties die de rechtbank aanknopingspunten bieden de overeengekomen rechten en verplichtingen vast te stellen gelden, voor zover aan de orde, de regels van met name boek 6 en boek 7 BW.
4.3.10.
Project [plaats 6] . Hoppenbrouwers stelt in de dagvaarding over de inhoud van de overeenkomst dat de aanneemsom in termijnen moet worden betaald naar gelang de stand van het werk. Willemsz heeft in de CVA/REC de stelling van Hoppenbrouwers niet betwist. Wel stelt zij dat de slotfactuur niet opeisbaar is omdat garantie- en revisiebescheiden niet zijn verstrekt. Willemsz stelt in de CVD/CVR dat een werktuigbouwkundig installateur altijd wordt geacht dergelijke bescheiden te verstrekken aan de opdrachtgever omdat men anders niet weet waar de leidingen zitten.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de overeenkomst inhoudt dat de aanneemsom in termijnen moet worden betaald naar gelang de stand van het werk en dat overigens bij gebreke van stellingen en producties die de rechtbank aanknopingspunten bieden de overeengekomen rechten en verplichtingen vast te stellen, voor zover aan de orde, de regels van met name boek 6 en boek 7 BW gelden.
Wat betreft de stelling dat de overeenkomst inhoudt dat Hoppenbrouwers voor verrichte werkzaamheden een garantieverklaring en revisietekeningen dient te verstrekken overweegt de rechtbank het volgende. In de offerte van Hoppenbrouwers, waar Hoppenbrouwers naar verwijst, is opgenomen welke garantie Hoppenbrouwers geeft. Daarmee is voor Willemsz duidelijk hoe lang en eventueel onder welke voorwaarden Hoppenbrouwers garantie geeft op haar werk. De vermelding in de aanvaarde offerte geldt als garantieverklaring. Dat is algemeen gebruikelijk. In de offerte is ook vermeld dat Hoppenbrouwers tekeningen van haar werk zal verstrekken. Dit is daarmee onderdeel van de rechten en verplichtingen van partijen. De vraag of het al dan niet verstrekt hebben van bescheiden in de weg staat aan opeisbaarheid van termijnfacturen beantwoordt de rechtbank later.
De vorderingen in conventie van Hoppenbrouwers tot betaling van factuurbedragen
4.4.
Hoppenbrouwers vordert betaling van termijnfacturen, inclusief de slot/opleveringsfactuur, betaling van meerwerkfacturen en betaling van overige facturen. Zij verwijst voor het totaaloverzicht naar haar productie 16.
4.4.1.
Voor het project [plaats 2] vordert Hoppenbrouwers onder verwijzing naar productie 4 bij dagvaarding:
- 4 meerwerkfacturen van in totaal € 7.191,67
- 1 factuur voor herstel meerdere lekkages van € 246,-
Voor het project [plaats 2] vordert Hoppenbrouwers ook een bedrag van € 23.656,24 exclusief btw vanwege gemaakte kosten voor herstel van schade op het werk. Hoppenbrouwers legt daaraan ten grondslag dat Willemsz een beroep op haar CAR-verzekering kan doen, dat zij heeft meegedeeld dit te zullen doen, maar dat zij dit niet heeft gedaan.
4.4.2.
Voor het project [plaats 3] vordert Hoppenbrouwers:
- termijnfacturen van in totaal € 27.330,-
- de opleveringsfactuur van € 6.000,-
- meerwerkfacturen van in totaal € 124.195,29 minus € 4.865,44 = € 119.329,85
- een meerwerkfactuur van in totaal € 89.324,60
4.4.3.
Voor het [project 2] vordert Hoppenbrouwers:
- de opleveringsfactuur van € 2.500,-
- meerwerkfacturen van in totaal € 13.987,95
4.4.4.
Voor het project [plaats 8] vordert Hoppenbrouwers:
- de opleveringsfactuur van € 15.750,-
- meerwerkfacturen van in totaal € 36.152,95
- een factuur voor herstelde schade van € 120,-
4.4.5.
Voor het [project 1] vordert Hoppenbrouwers:
- een factuur van € 625,- voor een geurhinderonderzoek
4.4.6.
Voor het [project 3] vordert Hoppenbrouwers:
- een factuur voor herstelde schade van € 1.000,-
4.4.7.
Voor het project [plaats 7] vordert Hoppenbrouwers:
- meerwerkfacturen van in totaal € 24.247,26
4.4.8.
Voor het project [plaats 6] vordert Hoppenbrouwers:
- de opleveringsfactuur van € 5.937,50
4.4.9.
De rechtbank zal nu eerst beoordelen welke verbintenissen tot betaling aan Hoppenbrouwers in beginsel op Willemsz rusten. Na die beoordeling zal de rechtbank beoordelen of Hoppenbrouwers gelet op de verweren van Willemsz nakoming van die verbintenissen (inhoudende betaling door Willemsz) kan vorderen. Dat is niet het geval voor zover Willemsz terecht een beroep doet op de niet-opeisbaarheid van facturen, op opschorting en/of op verrekening. Ook het beroep op opschorting van Hoppenbrouwers jegens Willemsz komt daarbij aan de orde.
Termijnfacturen inclusief opleveringsfacturen
[plaats 3] , [project 2] , [plaats 8] en [plaats 6]
4.4.10.
Hoppenbrouwers beroept zich erop dat Willemsz is tekortgeschoten in de nakoming van op haar rustende verbintenissen tot betaling van termijnfacturen inclusief opleveringsfacturen bij de projecten [plaats 3] , [project 2] , [plaats 8] en [plaats 6] . Op Hoppenbrouwers rusten stelplicht en bewijslast van het opeisbaar zijn van de verbintenissen tot betaling van die facturen en van de niet nakoming daarvan door Willemsz. Hoppenbrouwers stelt dat zij de overeengekomen werkzaamheden heeft verricht en dat het gereed gekomen werk is opgeleverd. Hoppenbrouwers stelt dat de overeenkomsten met betrekking tot voormelde vier projecten tussen Hoppenbrouwers en Willemsz voor de opeisbaarheid van een vordering tot betaling van de eindfactuur het verstrekken van een garantieverklaring of revisietekening niet vergen. Daarbij wijst Hoppenbrouwers erop dat bij geen enkele oplevering het verstrekken van een garantieverklaring of revisietekening als restpunt is opgevoerd of dat daarover anderszins een opmerking is gemaakt. Willemsz heeft niet betwist dat oplevering van de projecten heeft plaatsgehad. Zij heeft ook niet betwist dat bij de oplevering geen opmerkingen op dit punt zijn gemaakt. Willemsz betwist de opeisbaarheid met de stelling dat de overeenkomsten meebrengen dat voor opeisbaarheid van de facturen is vereist dat de genoemde bescheiden aan Willemsz zijn verstrekt. Volgens Willmesz heeft Hoppenbrouwers voor geen enkel project de genoemde bescheiden verstrekt.
4.4.10.1. Oplevering als bedoeld in artikel 7:758 BW heeft betrekking op de beoordeling door de opdrachtgever van de met de opdrachtnemer overeengekomen werkzaamheden. Wat betreft bij de oplevering te onderzoeken gebreken gaat het om gebreken met betrekking tot het tot stand te brengen werk. Oplevering ziet niet op andere overeengekomen verplichtingen. Dit volgt ook uit de UAV voor zover die op enige overeenkomst van toepassing zijn. Het tekortschieten in de nakoming van andere verplichtingen levert geen gebrek op maar kan wel een tekortkoming in de nakoming van een op grond van overeenkomst bestaande verbintenis of een voorwaarde voor opeisbaarheid van een factuurbedrag zijn. Noodzakelijk is dan wel dat de overeenkomst een verbintenis voor Hoppenbrouwers meebrengt, inhoudende dat voor opeisbaarheid van de termijnfacturen inclusief de opleveringsfacturen is vereist dat zij de garantieverklaring of revisietekening heeft verstrekt.
De rechtbank heeft hierboven haar oordeel over de inhoud van de overeenkomsten gegeven. Op grond daarvan overweegt de rechtbank het volgende.
4.4.10.2. Wat betreft het project [plaats 3] geldt een betalingsschema van 95% naar rato van de voortgang in het werk en 5% na oplevering. De overeenkomst houdt geen verbintenis voor Hoppenbrouwers in die meebrengt dat betaling van enig factuurbedrag afhankelijk is van het hebben verstrekt van de genoemde bescheiden, noch anderszins een verbintenis tot het verstrekken van die stukken. Oplevering heeft plaatsgehad. De termijnfacturen inclusief de opleveringsfactuur zijn opeisbaar. Willemsz is haar betalingsverplichting niet nagekomen zodat Hoppenbrouwers in beginsel terecht betaling vordert.
4.4.10.3. Wat betreft het [project 2] geldt hetzelfde als voor het project [plaats 3] . Met de overeenkomst is het betalingsschema van Hoppenbrouwers overeengekomen, terwijl er geen verbintenis is die voor Hoppenbrouwers meebrengt dat betaling van enig factuurbedrag afhankelijk is van het hebben verstrekt van de genoemde bescheiden, noch dat anderszins een verbintenis bestaat tot het verstrekken van die stukken. Het werk wordt naar rato van gereed komen gefactureerd. Oplevering heeft plaatsgehad. De opleveringsfactuur is opeisbaar. Willemsz is haar betalingsverplichting niet nagekomen zodat Hoppenbrouwers in beginsel terecht betaling vordert.
4.4.10.4. Wat betreft het project [plaats 8] geldt eveneens dat met de overeenkomst het betalingsschema van Hoppenbrouwers is overeengekomen, terwijl er geen verbintenis is die voor Hoppenbrouwers meebrengt dat betaling van enig factuurbedrag afhankelijk is van het hebben verstrekt van de genoemde bescheiden, noch anderszins een verbintenis tot het verstrekken van die stukken bestaat. De aanneemsom moet in termijnen naar gelang de stand van het werk worden betaald. Oplevering heeft plaatsgehad. De opleveringsfactuur is opeisbaar. Willemsz is haar betalingsverplichting niet nagekomen zodat Hoppenbrouwers in beginsel terecht betaling vordert.
4.4.10.5. Wat betreft het project [plaats 6] geldt eveneens dat met de overeenkomst het betalingsschema van Hoppenbrouwers is overeengekomen, terwijl er geen verbintenis is die voor Hoppenbrouwers meebrengt dat betaling van enig factuurbedrag afhankelijk is van het hebben verstrekt van de genoemde bescheiden, noch anderszins een verbintenis tot het verstrekken van die stukken bestaat. In het betalingsschema van Hoppenbrouwers is het gereed komen van werk bepalend voor de opeisbaarheid van een termijnfactuur. Het werk is opgeleverd. De opleveringsfactuur is opeisbaar. Willemsz is haar betalingsverplichting niet nagekomen zodat Hoppenbrouwers in beginsel terecht betaling vordert.
4.4.10.6. Uit het voorgaande volgt dat het voor het project [plaats 3] gaat om € 27.330,- (termijnfacturen) en € 6.000,- (opleveringsfactuur), voor het [project 2] om € 2.500,- (opleveringsfactuur), voor het project [plaats 8] om € 15.750,- (opleveringsfactuur) en voor het project [plaats 6] om € 5.937,50 (opleveringsfactuur). In totaal is Willemsz voor termijn- en opleveringsfacturen in beginsel in totaal een bedrag van € 57.517,50 verschuldigd.
De meerwerkfacturen koperskeuzes
4.5.
Hoppenbrouwers vordert betaling van meerwerkfacturen van de projecten [plaats 3] , [project 2] , [plaats 8] en [plaats 7] . Het gaat enerzijds om meerwerk vanwege bijzondere wensen van een koper (koperskeuze) en anderzijds om ander meerwerk, een en ander als bedoeld in artikel 7:755 BW. De rechtbank behandelt nu eerst het meerwerk koperskeuzes.
4.5.1.
Hoppenbrouwers stelt dat alle meerwerkfacturen al geruime tijd opeisbaar zijn gelet op de vervaldata en Willemsz gelet op die data al in verzuim verkeerde voordat de door Willemsz in reconventie gepretendeerde vorderingen ontstonden. Hoppenbouwers stelt ook dat bij bijna alle meerwerkfacturen specificaties en/of opdrachten zijn gevoegd, zoals tussen partijen gebruikelijk was en dat Willemsz dergelijke facturen in het verleden steeds betaalde. Zij verwijst naar productie 32 voor betaalde meerwerkfacturen voor de projecten [plaats 1] I en II. Over de wijze van verrekening van meer- en minderwerk in geval van koperskeuzes stelt Hoppenbrouwers het volgende.
“Na deze toelichting in abstracte zin, zal Hoppenbrouwers dit nog toelichten met een concreet voorbeeld van een kavel in het project [plaats 3] , in dit geval [kavel 1] . De verrekening gebeurde in dit project voor alle kavels op dezelfde manier, en dit is dus representatief voor het gehele project (waar een aanzienlijk deel van de vordering van Hoppenbrouwers betrekking op heeft).
Allereerst brengt Hoppenbrouwers de offerte van [naam 3] voor dit kavel in het geding:
productie 33. Op deze - door de bewuste koper voor akkoord ondertekende - offerte zijn alle
sanitairkeuzes zichtbaar. De werkzaamheden om dit uit te voeren waren gedeeltelijk voor
Hoppenbrouwers: enkel het loodgieterswerk werd door Hoppenbrouwers gedaan. Een voorbeeld van een keuze: deze koper heeft gekozen voor een dubbele meubelwastafel, in plaats van twee standaard wastafels. Gedeeltelijk waren de werkzaamheden ook voor de partij die het elektrawerk deed, dat was Hoppenbrouwers niet. Op deze offerte is bijvoorbeeld te zien dat er wandlichtpunten verplaatst zouden moeten worden. Dit alles leidt voor deze koper tot een totale meerprijs, waar de koper voor akkoord voor heeft getekend en die door Willemsz aan de koper gefactureerd werd. De koper zou dat bedrag dus betalen aan Willemsz en hééft dat bedrag ongetwijfeld ook al betaald.
Willemsz moest voor die werkzaamheden vervolgens gedeeltelijk Hoppenbrouwers afrekenen (voor het loodgieterswerk) en gedeeltelijk de elektricien (bijvoorbeeld voor het verplaatsen van wandlichtpunten). Hoppenbrouwers verwijst naar de bewuste factuur voor [kavel 1] met bijbehorende specificatie: productie 34. In de specificatie zijn twee prijzen genoemd, in twee kolommen naast elkaar: de kolom prijs kopers (de bruto prijs) en de kolom prijs aannemer (de netto prijs). De prijs voor de post “totaal sanitair keuzes” sluit voor de bruto prijs op een bedrag van € 3.984,80. Dat bedrag is terug te zien aan het slot van de offerte van [naam 3] , onder de noemer “Totaal generaal”. De netto prijs voor deze post is € 3.586,32. In deze post zijn door [naam 3] als gezegd de minderwerken al meegenomen in de totaalprijs. De koper heeft daar voor akkoord voor getekend, en wist dus dat dit bedrag betaald moest worden (en deed dat ook: aan Willemsz). Dit betekent dus ook dat Willemsz - anders dan zij voorstelt - helemaal geen aanspraak kan maken op “extra” minderwerk. Als daarvan sprake was, had [naam 3] dat immers al meegenomen in de offerte en had de koper daar bovendien al voor akkoord voor getekend. Hoppenbrouwers komt daar hierna nog op terug.
Daarnaast moest betaald worden voor de montage. Daarvoor staat in de specificatie van
Hoppenbrouwers een bruto prijs van € 2.128,56. In de offerte van [naam 3] staat aan het slot onder de noemer “Montage” een hoger bedrag van € 2.957,35. Dit laat zich verklaren doordat er ook werkzaamheden voor de elektricien waren. Die rekende Willemsz af met het bedrijf dat die werkzaamheden uitvoerde. De netto prijs voor deze post bedraagt € 1.915,70.
Het totaal van de brutoprijzen was dus € 6.113,36. Het totaal van de nettoprijzen voor de
loodgieterswerkzaamheden was € 5.502,02 en dat is exact het bedrag dat door Hoppenbrouwers aan Willemsz is gefactureerd, maar wat door Willemsz ten onrechte niet betaald wordt. Hieruit blijkt dus dat het standpunt van Willemsz dat bruto met netto prijzen verrekend zouden worden onjuist is. Aan Willemsz zijn nettoprijzen gefactureerd.
Voor de goede orde: in de specificatie staat nota bene de marge van Willemsz ook benoemd: het verschil tussen de bruto en de nettoprijs, onder het kopje “Aannemers provisie”. Die marge heeft Willemsz dus al lang en breed ontvangen, doordat zij een factuur aan de bewuste koper voor het bruto bedrag heeft kunnen sturen. Tot slot verwijst Hoppenbrouwers naar de e-mail die destijds is verstuurd, waarmee de factuur en specificatie voor deze kavel (tezamen met verschillende andere kavels) aan Willemsz zijn toegestuurd: productie 35. Daarin worden zowel het berekenen van de netto prijzen als de 10% vergoeding voor Willemsz ook benoemd.
In Akte II wordt door Willemsz voor de projecten [plaats 7] en [plaats 8] op een
soortgelijke wijze als voor [plaats 3] (zoals hiervoor besproken) aanspraak gemaakt op “extra” minderwerk c.q. wordt geklaagd over de door Hoppenbrouwers gehanteerde bedragen. Dat is ook voor die projecten dus ten onrechte, want de wijze van verrekening van meer- en minderwerk ging in die projecten op dezelfde wijze. De verrekening van het minderwerk was dus al begrepen in de meer-/minderwerk factuur die (door Willemsz, inclusief haar marge) aan de bewuste koper kon worden verzonden en die Willemsz dus al betaald zal hebben gekregen. Ook voor die projecten gaat het standpunt van Willemsz dus niet op. Om te laten zien dat de verrekening op die projecten hetzelfde verliep wordt ook voor het project in [plaats 7] (productie 35A) als het project in [plaats 8] (productie 35B) een voorbeeld verrekening voor een specifiek kavel ingebracht.
Deze wijze van verrekenen was, als gezegd, tussen partijen eerder al toegepast en voor Willemsz ook gewoon akkoord: er is een groot aantal soortgelijke facturen betaald.”
Ook heeft Hoppenbrouwers gewezen op een e-mail van 13 maart 2018 van Willemsz aan Hoppenbrouwers en [naam 3] die luidt:
“Beste Allen,
MEER-MNDERWERK VERREKENING:
- OPSLAG 10% voor tegels, sanitair en keukens over het meerwerk.
- [naam 3] communiceerd eindprijzen van opties waarin alle opslagen voor alle partijen opgenomen zijn.
- Is een meerprijs niet opgenomen in de eenheidsprijsprijslijst kun je OPSLAG 10% extra aanhouden voor extra bouwkundige werkzaamheden tbv hakwerk, breekwerk en aanheelwerk van de stucadoor.
Let dus op [naam 4] , bij [naam 7] geldt dit ook.”
4.5.2.
Willems betwist dat voor al het gefactureerde meerwerk opdracht is verstrekt. Ook acht zij de vordering voor meewerkfacturen onvoldoende onderbouwd. Daarnaast betwist Willemsz de juistheid van de meer- en minderwerk verrekening zoals Hoppenbrouwers die toepast en betwist zij dat er sprake is van een bestendige handelwijze tussen partijen. Willemsz voert aan dat een juiste wijze van verrekening ertoe leidt dat zij aanspraak heeft op minderwerk, hetgeen zij in reconventie vordert.
Over de meer- en minderwerk verrekening heeft Willemsz onder andere het volgende aangevoerd.
“Op basis van de specificaties van Hoppenbrouwers heeft Willemsz wel reeds geconstateerd (i) dat Hoppenbrouwers ten onrechte bepaald minderwerk niet heeft verrekend met het gestelde meerwerk en (ii) dat veel te laag zijn de door Hoppenbrouwers gehanteerde prijzen voor het minderwerk dat Hoppenbrouwers wel lijkt te hebben verrekend met het gestelde meerwerk (producties 147, 148, 149, 167, 170, 172 en 173 Willemsz). Zo is volgens de lijst van de Technische Unie de prijs van (uitsluitend) het closet dat in de oorspronkelijke opdrachten van Hoppenbrouwers zat € 373,- exclusief btw en verrekent Hoppenbrouwers slechts een bedrag van € 232,93 exclusief btw of zelfs van € 192,50 aan minderwerk voor de toilet combinatie (zie bijvoorbeeld productie 6 Hoppenbrouwers, “Sanitair keuzen bewoner [kavel 2] ” en “Sanitair keuzen bewoner [kavel 3] ”). Voorts is volgens de offerte van [naam 3] de prijs van de fontein combinatie die in de oorspronkelijke opdrachten van Hoppenbrouwers zat € 231,25 exclusief btw (productie 172 Willemsz) en verrekent Hoppenbrouwers slechts een bedrag van € 106,05 exclusief btw aan minderwerk voor de fontein combinatie (zie bijvoorbeeld productie 6 Hoppenbrouwers, “Sanitair keuzen bewoner [kavel 4] ”). Reeds om voornoemde redenen bestrijdt Willemsz de gestelde meerwerkvorderingen van Hoppenbrouwers uitdrukkelijk.
Ten aanzien van het gestelde meerwerk verder nog het volgende.
Hoppenbrouwers stelt dat ze wel degelijk nettoprijzen zou hebben gefactureerd aan Willemsz (nr. 70 CvRiC/CvAiR Hoppenbrouwers). In de uitleg die Hoppenbrouwers in dit verband geeft, ziet Willemsz echter bevestigd haar vermoeden dat Hoppenbrouwers voor het meerwerk (het geleverde en gemonteerde sanitair) consumentprijzen bij Willemsz in rekening brengt minus 10% (brutoprijzen), terwijl ze het minderwerk (het sanitair dat in de oorspronkelijke opdrachten van Hoppenbrouwers zat) verrekent tegen de werkelijke kosten van het sanitair en de montage ervan (nettoprijzen) (nr. 71 CvA Willemsz). Dit vermoeden en deze bevestiging baseert Willemsz voorts op de door haar overgelegde offerte van 1 mei 2020 van [naam 3] , de haar overgelegde sanitairlijsten van het [project 4] en het [project 5] en de door haar overgelegde lijst van de Technische Unie met de prijzen van 13 september 2019 (producties 167, 170, 172 en 173 Willemsz). In deze bescheiden worden prijzen genoemd voor het sanitair dat in de oorspronkelijke opdrachten van Hoppenbrouwers zat die vele malen hoger zijn dan de prijzen die Hoppenbrouwers lijkt te verrekenen.”
Verder voert Willemsz aan dat geen meerwerkprijs is overeengekomen zodat een redelijke prijs als bedoeld in artikel 7:752 lid 1 BW aan de orde is, waarvan geen sprake is. Ook voert zij aan dat geen sprake is van een bestendige wijze van verrekening in geval van meerwerkfacturatie en ook betwist zij dat partijen een marge van 10% zijn overeengekomen.
4.5.3.
De rechtbank overweegt over de meerwerkfacturen in geval van koperkeuzes het volgende. Hoppenbrouwers heeft haar vorderingen onderbouwd met gespecificeerde facturen en nadere stukken. De overeenkomsten met betrekking tot de projecten [plaats 3] , [project 2] , en [plaats 8] bepalen dat voor meerwerk een voorafgaande schriftelijke opdracht nodig is. Voor het project [plaats 6] geldt geen bijzondere afspraak zodat voor meerwerk een opdracht nodig is. Waar het hier gaat om koperskeuzes is de opdracht voor een wijziging in het werk door de koper aan Willemsz gegeven, waarna Willems Hoppenbrouwers voor de uitvoering heeft ingeschakeld als het om wijziging in het door Willemsz aan Hoppenbrouwers opgedragen werk ging. Willemsz heeft de opdrachten in geval van koperskeuzes niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Daartoe acht de rechtbank het volgende redengevend. De facturen zijn voorzien van vele gespecificeerde bijlagen met betrekking tot de koperskeuzes. Hoppenbrouwers heeft aangevoerd dat Willemsz de meerwerkfacturen aan de kopers zal hebben gefactureerd en betaald zal hebben gekregen. Willemsz heeft dit niet weersproken zodat vaststaat dat Willemsz de door Hoppenbrouwers voor koperskeuzes opgevoerde materialen en werkzaamheden aan haar klanten in rekening heeft gebracht. Van het ontbreken van een opdracht door de koper aan Willemsz en van Willemsz aan Hoppenbrouwers zal dan geen sprake zijn. Ook de omstandigheid dat Willemsz voorstelt € 100.000,- te betalen voor meerwerkfacturen om ervan af te zijn (productie 7 bijlage 3 van Hoppenbrouwers) brengt mee dat van Willemsz in het kader van haar betwisting meer is te vergen dan zij in deze procedure heeft gedaan. Dat Hoppenbrouwers geen schriftelijke opdrachten in geval van koperskeuzes heeft overgelegd staat in de omstandigheden van dit geval niet aan het aannemen van meerwerkopdrachten in de weg. De uitvoering van de overeenkomsten in de praktijk door partijen op dit punt is hier doorslaggevend. De discussie over de meerwerkfacturen in geval van koperskeuzes gaat in de kern over de hoogte ervan. Dat blijkt ook uit de omstandigheid dat Willemsz betoogt dat die facturen grond bieden voor haar vordering vanwege minderwerk.
4.5.4.
Over de wijze van factureren van meer- en minderwerk overweegt de rechtbank het volgende. Hoppenbrouwers heeft de wijze van verrekening gemotiveerd uitgelegd, zoals hierboven is weergegeven. De discussie tussen partijen over netto meerwerk-netto minderwerk verrekening of bruto meerwerk-netto minderwerk verrekening acht de rechtbank van ondergeschikt belang. Het gaat niet om de duiding van de verrekeningswijze. Het gaat om de vraag of de door Hoppenbrouwers gestelde feiten en omstandigheden de conclusie rechtvaardigen dat de door haar bestendig gehanteerde werkwijze onderdeel is (geworden) van de overeenkomsten tussen partijen. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is. Een bestendige of gebruikelijke werkwijze tussen partijen is een sterk aanknopingspunt om de rechten en verplichtingen tussen partijen vast te stellen. Hoppenbrouwers heeft onweersproken gesteld dat Willemsz in het verleden de op de door Hoppenbrouwers gehanteerde berekeningswijze gebaseerde meerwerkfacturen heeft betaald. Het gebrek aan protest indertijd biedt steun aan de stelling van Hoppenbrouwers dat partijen een gebruikelijke werkwijze op dit punt hebben en dat er geen andersluidende contractuele afspraak geldt. Die handelwijze heeft Hoppenbrouwers ook voor de nu door haar gevorderde meerwerkfacturen koperskeuzes toegepast. De uitvoering van de overeenkomsten in de praktijk door partijen is ook op dit punt hier doorslaggevend. Behoudens de in de vermindering van eis van Hoppenbrouwers tot uitdrukking gebrachte onjuist in rekening gebrachte meerwerken tot een bedrag van € 4.865,44 zijn de meerwerkfacturen koperskeuzes dan ook in beginsel terecht gevorderd door Hoppenbrouwers.
4.5.5.
Wat betreft het project [plaats 3] stelt Hoppenbrouwers dat de bij productie 6 gevoegde factuur van 28 februari 2024 van € 89.324,60 grotendeels facturen voor koperskeuzes betreft die Willemsz ten onrechte afwijst. Hoppenbrouwers stelt dat de werkwijze wat betreft factureren van het meerwerk ook voor deze koperskeuzes was zoals Willemsz die wilde. Willemsz voert aan dat ze deze factuur niet heeft gehad. Op de stelling van Hoppenbrouwers dat Willemsz inmiddels de factuur heeft, heeft Willemsz niet meer gereageerd. Willemsz betoogt dat Hoppenbouwers niet aan haar stelplicht heeft voldaan en verwijst verder naar haar verweer met betrekking tot de facturen voor koperskeuzes en de overige meerwerkfacturen.
De rechtbank verwijst voor deze meerwerkfactuur voor koperskeuzes naar hetgeen zij hierboven heeft overwogen. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van meerwerk dat door Willemsz is aanvaard gelet op de bestendige handelwijze van partijen. De vordering is onderbouwd met een factuur met bijgevoegde specificatie van het meerwerk. Het bedrag van € 82.778,51 aan meerwerk koperskeuzes is Willemsz in beginsel verschuldigd.
4.5.6.
Het voorgaande geldt voor de projecten [plaats 3] , [project 2] , [plaats 8] en [plaats 7] waarop deze vordering ziet.
4.5.7.
Uit het voorgaande volgt dat het wat betreft meerwerkfacturen koperskeuzes voor het project [plaats 3] gaat om € 119.329,85 en om € 82.778,51, voor het [project 2] om € 13.987,95, voor het project [plaats 8] om € 36.152,95 en voor het project [plaats 7] om € 24.247,26. Willemsz is voor meerwerkfacturen koperskeuzes in beginsel in totaal een bedrag van € 276.496,52 verschuldigd.
Overige meerwerkfacturen
4.6.
Naar aanleiding van de overige meerwerkfacturen (deels koperskeuzes) overweegt de rechtbank het volgende. Het gaat om de projecten [plaats 3] , [project 2] , [plaats 8] en [plaats 2] .
[plaats 3]
4.6.1.
Hoppenbrouwers verwijst voor de diverse facturen die tot het totaalbedrag leiden naar productie 6 en de daarachter gevoegde facturen en specificaties.
Voor factuur [nummer 2] (aansluiting water en riool berging) van € 813,91 stelt Hoppenbrouwers dat de opdracht van Willemsz uit productie 42a volgt. De rechtbank constateert dat dit juist is. Willemsz is deze factuur in beginsel verschuldigd.
Voor factuur [nummer 3] (meerwerk vloerisolatie trappenhuis) van € 1.200,- stelt Hoppenbrouwers onder verwijzing naar productie 42b dat deze opdracht niet in de reguliere opdracht zit. Willemsz betwist dat het hier meerwerk betreft. De rechtbank constateert dat partijen wel hebben gediscussieerd over deze post maar dat Willemsz heeft meegedeeld Hoppenbrouwers wel te kunnen volgen en opdracht heeft verstrekt. Willemsz is deze factuur in beginsel verschuldigd.
Voor factuur [nummer 3] (meerwerk zinkwerk) van € 1.083,- stelt Hoppenbrouwers onder verwijzing naar productie 42c dat dit werk nodig was. Willemsz voert aan dat dit werk al in de opdracht zat en er geen opdracht voor meerwerk is. De rechtbank constateert dat in deze productie geen schriftelijk akkoord van Willemsz is te zien, hetgeen voor deze post, niet zijnde koperskeuzes, op grond van overeenkomst is vereist. Deze factuur is Willemsz niet verschuldigd.
Voor factuur [nummer 4] (vloerverwarming aanpassen) van € 575,- stelt Hoppenbrouwers dat uit productie 42d de opdracht kan blijken. Willemsz betwist dat dit werk meerwerk is. De rechtbank constateert dat Willemsz akkoord heeft gegeven voor dit ‘klein meerwerk’. Willemsz is deze factuur in beginsel verschuldigd.
Voor factuur [nummer 5] (verplaatsen buiten deel) van € 682,50 stelt Hoppenbrouwers dat uit productie 42e de opdracht kan blijken. Willemsz voert aan dat deze werkzaamheden door toedoen van Hoppenbrouwers zelf noodzakelijk waren. De rechtbank constateert dat Willemsz opdracht heeft verstrekt voor het verplaatsen van het buitendeel van de warmtepomp naar de berging. Willemsz is deze factuur in beginsel verschuldigd. Dat geldt ook voor factuur [nummer 6] van € 682,50 nu de beide facturen het totaal van de meerwerkprijs betreffen.
Voor factuur [nummer 7] (verplaatsen buitenkraan) van € 190,- stelt Hoppenbrouwers dat de opdracht blijkt uit de achter productie 6 gevoegde emailcorrespondentie. Willemsz betwist dat van meerwerk sprake is. De rechtbank constateert dat partijen hebben gediscussieerd over deze post maar dat Willemsz akkoord heeft gegeven voor deze meerwerkpost. Willemsz is deze factuur in beginsel verschuldigd. Dat geldt ook voor factuur [nummer 8] van € 190,- nu de beide facturen het totaal van de meerwerkprijs betreffen.
[project 2]
4.6.2.
Hoppenbrouwers verwijst naar productie 7 voor het overzicht van de meerwerkfacturen en naar productie 21 voor de onderbouwing van het meerwerkwerk van in totaal € 13.987,95 exclusief btw, waarbij zij voor de onderbouwing van het meerwerk met betrekking tot het aanpassen van de airco specifiek naar productie 54 verwijst. Willemsz voert aan dat er geen onderbouwing voor het meerwerk is. Wat betreft de airco betoogt Willemsz dat dit werk al in de oorspronkelijke opdracht zit.
De rechtbank constateert dat de inhoud van de meerwerken blijkt uit de gespecificeerde facturen achter productie 7. Daaruit blijkt dat Willemsz aanvankelijk enkele meerwerkposten akkoord heeft bevonden en na nadere specificatie door Hoppenbrouwers akkoord heeft gegeven voor de lijst van 23 februari 2021 van Hoppenbrouwers minus enkele posten. Wat betreft het meerwerk met betrekking tot de airco verwijst Hoppenbrouwers in productie 54 naar een offerte van begin maart 2021. Deze ontbreekt zodat de rechtbank niet kan controleren of Willemsz voor deze post akkoord heeft gegeven, hetgeen nodig is op grond van de overeenkomst. Willemsz is deze post van € 2.603,50 niet verschuldigd. Voor het overige is Willemsz deze facturen in beginsel wel verschuldigd.
[plaats 8]
4.6.3.
Hoppenbrouwers stelt onder verwijzing naar productie 10 dat Willemsz akkoord heeft gegeven voor het herstel van schade aan een bad. De rechtbank constateert dat Willemsz akkoord heeft gegeven de helft van de totale kosten van € 240,- te betalen. Willemsz is deze factuur van € 120,- in beginsel verschuldigd.
[plaats 2]
4.6.4.
Hoppenbrouwers stelt dat het gaat om goedgekeurde meerwerken. Zij verwijst ter onderbouwing naar productie 4 met daarbij gevoegde gespecificeerde facturen en aanvullend naar productie 35c. Van factuur [nummer 9] van € 2.717,- heeft Willemsz € 600,- onbetaald gelaten en de overige vier meerwerkfacturen zijn geheel onbetaald gebleven. Willemsz verwijst naar productie 17 van Hoppenbrouwers ter onderbouwing van haar betwisting van deze meerwerkfacturen.
De rechtbank constateert dat Willemsz in haar achter productie 17 van Hoppenbrouwers gevoegde emailcorrespondentie discussieert over verrekening van sanitair met betrekking tot project [plaats 3] . Een gemotiveerde betwisting van de meerwerkfacturen met betrekking tot project [plaats 2] ontbreekt daar en ook overigens in de conclusies van Willemsz. Willemsz is deze meerwerkfacturen in beginsel verschuldigd.
4.6.5.
Uit het voorgaande volgt dat het wat betreft overige meerwerkfacturen voor het project [plaats 3] gaat om € 4.333,91, voor het [project 2] om € 11.384,45, voor het project [plaats 8] om € 120,- en voor het project [plaats 2] om € 7.191,67. Willemsz is voor overige meerwerkfacturen in beginsel in totaal een bedrag van € 23.030,03 verschuldigd.
Overige facturen van Hoppenbrouwers
4.7.
Naar aanleiding van de overige facturen van Hoppenbrouwers (niet zijnde koperskeuzes of ander meerwerk) overweegt de rechtbank het volgende. Het gaat om de projecten [plaats 2] , [plaats 1] I en [plaats 1] II.
[plaats 2]
4.7.1.
Hoppenbrouwers stelt dat zij aan de [naam 8] schade onder garantie heeft hersteld. Hoppenbrouwers vordert € 23.656,24 exclusief btw. Zij verwijst voor een specificatie en correspondentie naar producties 19 en 54. Hoppenbrouwers stelt dat de door Willemsz afgesloten CAR-verzekering dekking biedt voor deze schadepost. Hoppenbrouwers voert aan dat zij uit coulance de schade bij haar eigen aansprakelijkheidsverzekeraar heeft gedeclareerd en dat deze € 27.500,- heeft uitgekeerd na expertise van [naam 6] . Omdat haar kosten van herstel € 51.156,24 bedragen (productie 57), resteert € 23.656,24. Volgens Hoppenbrouwers heeft Willemsz destijds toegezegd deze schade bij haar CAR-verzekeraar te melden. Willemsz betwist de toezegging en acht de vordering niet deugdelijk gemotiveerd.
De rechtbank ziet in de producties van Hoppenbrouwers geen onderbouwing van enige toezegging van Willemsz. Ook overigens acht de rechtbank de stellingen van Hoppenbrouwers niet toereikend. Hoppenbrouwers beroept zich erop dat de CAR-verzekering van Willemsz dekking biedt in geval van aansprakelijkheid voor schade waar het hier om gaat. Zij heeft echter gesteld dat zij haar schade bij haar eigen aansprakelijkheidsverzekeraar heeft gemeld en dat na expertise € 27.500, - van de door haar gestelde schade is vergoed. Willemsz is jegens Hoppenbrouwers aansprakelijk indien Hoppenbrouwers gemotiveerd stelt dat indien Willemsz de schade bij haar CAR-verzekeraar had gemeld die verzekeraar het door haar eigen verzekeraar niet gehonoreerde bedrag wel zou hebben uitgekeerd. De rechtbank ziet dit niet gemotiveerd in de stellingen van Hoppenbrouwers en ook niet in haar producties. Willemsz is deze post niet verschuldigd.
De vordering van Hoppenbrouwers tot ‘herstel van diverse schades’ van € 246,- is geheel niet van een motivering voorzien. Willemsz is deze post niet verschuldigd.
[plaats 1] I
4.7.2.
Hoppenbrouwers stelt dat zij met Willemsz na correspondentie daarover de afspraak heeft gemaakt dat Willemsz de kosten van een geurhinderonderzoek zou betalen als de klacht van de bewoner onterecht zou blijken te zijn. De klacht is ongegrond waarna Hoppenbrouwers aan Willemsz de helft van de kosten, € 625,- in rekening heeft gebracht. Willemsz heeft dit betwist. Zij voert aan dat ze aan Hoppenbrouwers had meegedeeld dat Hoppenbrouwers het onderzoek alleen mocht laten verrichten als de opdrachtgever van Willemsz eerst aan Hoppenbrouwers had toegezegd dat hij de kosten zou dragen. Hoppenbrouwers is echter zonder die toezegging met het onderzoek gestart.
De rechtbank constateert dat Hoppenbrouwers geen correspondentie in het geding heeft gebracht terwijl zij zich daar wel op baseert. De rechtbank constateert ook dat Hoppenbrouwers bij CVR/CVA niet is ingegaan op deze post. Gelet op de gemotiveerde betwisting van Willemsz was dat wel van haar te vergen. Deze post ontbeert een deugdelijke grondslag. Willemsz is deze post niet verschuldigd.
[plaats 1] II
4.7.3.
Hoppenbrouwers stelt dat zij schade aan een badmeubel heeft hersteld (vervangen) die door een schoonmaker is veroorzaakt die waarschijnlijk in opdracht van Willemsz aan het werk was. Voor de onderbouwing van de vordering verwijst Hoppenbrouwers naar productie 23. Willemsz betwist dat uit de vraag van Willemsz in de correspondentie achter productie 23 een meerwerkopdracht of de toezegging dat zij kosten zou vergoeden aan Hoppenbrouwers kan worden afgeleid.
De rechtbank constateert dat Willemsz bij emailbericht van 29 september 2021 aan de bewoner meldt dat de schade niet op de opleverlijst staat. Voorts geeft Willems aan de bewoner aan, met cc aan [naam 3] en Hoppenbrouwers, dat [naam 3] het meubel in opdracht moet nemen. Hoppenbrouwers voert terecht aan dat hiermee aan haar opdracht is verstrekt nu [naam 3] de partij is die steeds door Hoppenbrouwers werd ingeschakeld voor levering van badkamermateriaal en Hoppenbrouwers en [naam 3] in de cc zijn gezet door Willemsz. Willemsz is deze factuur in beginsel verschuldigd.
4.7.4.
Willemsz is voor overige facturen van Hoppenbrouwers in beginsel in totaal een bedrag van € 1.000,- verschuldigd.
Conclusie vorderingen in conventie van Hoppenbrouwers
4.8.
Hoppenbrouwers heeft in beginsel een vordering in verband met onbetaald gelaten facturen van in totaal € 358.044,05 op Willemsz. Wat betreft de door Hoppenbrouwers gevorderde rente over de factuurbedragen overweegt de rechtbank het volgende. Hoppenbrouwers vordert de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW. Hoppenbrouwers dient daarom feiten te stellen die de rechtbank aanknopingspunten bieden deze vordering deugdelijk te achten. Hoppenbrouwers stelt primair dat de betalingstermijnen op de facturen fatale termijnen zijn zodat Willemsz zonder ingebrekestelling in verzuim verkeert. Hoppenbrouwers stelt subsidiair dat Willemsz ondanks herhaalde aanmaningen in gebreke is gebleven met betaling en daarom in verzuim verkeert. De rechtbank overweegt dat voor de verschuldigdheid van wettelijke handelsrente geen verzuim is vereist. Hoppenbrouwers heeft geen deugdelijke feitelijke motivering gegeven voor haar vordering tot betaling van wettelijke handelsrente, terwijl de rechtbank die niet zelf mag geven. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of betaling van ‘gewone’ wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijsbaar is. Daarvoor is wel verzuim vereist. Hoppenbrouwers stelt dat daarvan sprake is. Hoppenbrouwers motiveert niet dat sprake is van fatale termijnen. Dit is wel van haar te vergen nu de vermelding op de facturen ‘gaarne betalen binnen 30 dagen’ niet duidt op fatale termijnen. Ook de subsidiaire stelling is niet nader gemotiveerd door het noemen van aanmaningen of sommaties. In de brief van 16 januari 2024 (productie 17), waarin Willemsz wordt gesommeerd het gehele in deze procedure gevorderde bedrag te betalen, is evenmin enige eerdere concrete aanmaning of sommatie genoemd. Ook bevat deze brief geen termijn voor betaling. De brief van 9 februari 2024 voldoet wel aan alle eisen voor een ingebrekestelling hetgeen meebrengt dat Willemsz vanaf 16 februari 2024 in verzuim verkeert. Vanaf die datum is Willemsz in beginsel wettelijke rente over enig toe te wijzen bedrag verschuldigd.
De vorderingen in reconventie van Willemsz tevens verweren in conventie tot opschorting, betaling en/of verrekening en het beroep op opschorting van Hoppenbrouwers
4.9.
De verweren van Willemsz in conventie betreffen een beroep op opschorting en een beroep op verrekening. In reconventie vordert Willemsz betaling van Hoppenbrouwers van minderwerk en schadevergoeding.
Aan het beroep op opschorting ligt ten grondslag dat Hoppenbrouwers tekort is geschoten in de nakoming van op grond van de overeenkomsten tussen partijen op Hoppenbrouwers rustende verbintenissen. Het gaat om de verbintenis tot het verstrekken van garantie- en revisiestukken (voor de nog niet op dit punt door de rechtbank beoordeelde projecten) en de verbintenis tot het verrichten van deugdelijk werk/herstel van gebreken. Aan het beroep op opschorting ligt ook ten grondslag dat Hopenbrouwers vorderingen tot betaling van minderwerk en schadevergoeding van Willemsz ten onrechte onbetaald laat. Dit laatste ligt ook ten grondslag aan het beroep op verrekening.
4.10.
De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de beoordeling in conventie dat Willemsz geen vordering tot betaling van minderwerk met betrekking tot het door Hoppenbrouwers gefactureerde meerwerk heeft. De rechtbank heeft geoordeeld dat de wijze van berekening door Hoppenbrouwers is zoals partijen dat zijn overeengekomen.
Wat betreft de gestelde minderwerken ML1 (verdelers), 2 (vloerslangen) en 3 (uitstortgootsteen) overweegt de rechtbank het volgende. Willemsz stelt dat de rechtbank in een vonnis van 28 augustus 2024 in een zaak tussen Willemsz en haar opdrachtgever (Crossing Borders) heeft beslist dat op voormelde drie punten sprake is van minderwerk. Hieraan verbindt Willemsz de gevolgtrekking dat zij op grond van haar overeenkomsten met Hoppenbrouwers een vordering tot betaling van minderwerk op Hoppenbrouwers heeft. Gesteld noch gebleken is dat deze vorderingen, als zij op een deugdelijke grondslag zouden zijn gebaseerd, eerder zijn ontstaan dan op grond van het vonnis van de rechtbank. Destijds is geen minderwerk(prijs) overeengekomen; daarover ontbreken stellingen of anderszins aanknopingspunten. Feitelijk is dan sprake van een gedeeltelijke opzegging van de overeenkomst na voormeld vonnis, hetgeen resulteert in een vordering op grond van onverschuldigde betaling. Waar deze vorderingen - als zij juist zijn - zijn ontstaan na 28 augustus 2024 doet Hoppenbrouwers terecht een beroep op opschorting omdat zij op dat moment al een zeer grote vordering op Willemsz had die Willemsz ten onrechte onbetaald laat.
Dit betekent dat de vordering van Willemsz tot betaling van minderwerk van in totaal € 158.518,20 niet toewijsbaar is. Deze vordering kan niet aan een beroep op opschorting of verrekening ten grondslag worden gelegd.
4.11.
Wat betreft de vordering tot het verstrekken van garantie- en revisiestukken overweegt de rechtbank het volgende. Uit de inhoud van de overeenkomsten, voor zover de rechtbank die in conventie heeft kunnen vaststellen, volgt niet dat partijen zijn overeengekomen dat Hoppenbrouwers garantie- en revisiestukken dient te verstrekken, behoudens voor het project [plaats 2] . Voor dat project heeft Hoppenbrouwers echter onweersproken aangevoerd onder verwijzing naar productie 60 dat de desbetreffende stukken met de opleveringsmap zijn verstrekt. Ook voor andere projecten heeft Hoppenbrouwers onder verwijzing naar producties 28, 59 en 61 aangevoerd dat zij deze stukken heeft verstrekt. Op dit moment ten overvloede, maar voor zover alsnog zou kunnen worden vastgesteld dat op Hoppenbrouwers de verbintenis tot het verstrekken van deze stukken rust, overweegt de rechtbank het volgende. Willemsz stelt dat Hoppenbrouwers voor geen enkel project garantie-en revisiestukken heeft verstrekt. Dat is gelet op het voorgaande evident onjuist. Voor het project [plaats 2] heeft Willemsz de opleveringsfactuur betaald. Hoppenbrouwers heeft gesteld dat zij voor de projecten stukken heeft verstrekt, dat na de opleveringen die al van geruime tijd terug dateren nooit is geklaagd over het ontbreken van stukken en dat dit wel in de rede had gelegen indien stukken werden gemist. De blote stelling van Willemsz dat bij geen van de projecten de garantie- en revisiestukken zijn verstrekt is in dat licht ontoereikend. Het had op de weg van Willemsz gelegen c.q. ligt in haar domein, om haar blote stelling bijvoorbeeld met verklaringen van bewoners te onderbouwen. Een grond voor opschorting op dit punt is er niet.
4.12.
Wat betreft de vordering tot herstel van gebreken/deugdelijke nakoming en de daaraan gekoppelde vordering tot schadevergoeding overweegt de rechtbank het volgende.
4.12.1.
Hoppenbrouwers werpt Willemsz een overeenkomst van februari 2023 tegen (producties 22 en 39). Hoppenbrouwers betoogt dat met betrekking tot klachten van Willemsz over de in die overeenkomst betrokken projecten partijen elkaar finale kwijting hebben verleend zodat Willemsz geen aanspraak meer kan maken jegens Hoppenbrouwers op herstel van klachten/gebreken. De rechtbank ziet in de bewoordingen van voormelde producties niet dat sprake is van finale kwijting in die zin dat Willemsz geen andere klachten/gebreken meer aan Hoppenbrouwers kan tegenwerpen. Hoppenbrouwers heeft de rechtbank ook in haar stellingen geen aanknopingspunten voor de door haar voorgestane uitleg gegeven.
4.12.2.
Willemsz stelt dat de klachten/gebreken GL1, GL3, GL4 en GRM1 meebrengen dat zij al opeisbare vorderingen op Hoppenbrouwers had voordat Hoppenbrouwers opeisbare vordering op Willesmz kreeg. Wat betreft de waterschade aan het project [plaats 2] (GL1) stelt Willemsz dat niet alleen Hoppenbrouwers herstelwerkzaamheden heeft verricht (de rechtbank heeft in conventie de vordering van Hoppenbrouwers op Willemsz - de kwestie CAR-verzekering - afgewezen), maar ook Willemsz. Willemsz stelt dat zij een hoger bedrag aan herstelkosten heeft gemaakt, namelijk € 91.809,-, dan dat zij van haar verzekeraar vergoed heeft gekregen en dat Hoppenbrouwers het meerdere als schadevergoeding aan haar dient te betalen. Willemsz stelt onder verwijzing naar een e-mailbericht van 21 oktober 2021 van haar tussenpersoon aan Hoppenbrouwers (productie 9) dat onderzoek van Top Expertise uitwees dat constructiefouten van Hoppenbrouwers de oorzaak van de lekkages zijn, dat de polis van Willemsz dekking biedt voor het herstellen van een materiele schade en dat die kosten door Top Expertise werden vastgesteld op € 58.449,-. Hoppenbrouwers betwist dat de schade door haar is veroorzaakt en zij betwist dat Willemsz schade heeft geleden. De rechtbank overweegt hier, zoals zij dat ook ten aanzien van de vergelijkbare vordering van Hoppenbrouwers deed, dat waar de verzekering volgens voormelde e-mail de materiele schade als gevolg van de lekkages dekt het aan Willemsz is de motiveren dat de redelijke kosten van herstel van de materiele schade hoger zijn dan de verzekeringsexpert heeft vastgesteld. Dat heeft Willemsz na de betwisting van Hoppenbrouwers niet gedaan. Het overleggen van een kostenoverzicht is in het licht van de begroting van Top Expertise niet toereikend. De vordering tot schadevergoeding ontbeert een deugdelijke grondslag.
Wat betreft punt GL3 heeft Hoppenbrouwers in reactie op het gestelde gebrek aangevoerd dat zij daar waar nodig al terugstroombeveiliging heeft aangebracht. Willemsz heeft hier daarna niet meer op gereageerd. Bovendien ontbreekt een aanknopingspunt in de stukken voor het oordeel dat als wel sprake is van een gebrek dit gebrek eerder aan Hoppenbrouwers is tegengeworpen dan de vorderingen van Hoppenbrouwers ontstonden.
Wat betreft punt GL4 heeft Hoppenbrouwers in reactie op het gestelde gebrek aangevoerd dat dit punt haar onbekend is. Het ontbreekt de rechtbank aan een aanknopingspunt in de stukken voor het oordeel dat als wel sprake is van een gebrek dit gebrek eerder aan Hoppenbrouwers is tegengeworpen dan de vorderingen van Hoppenbrouwers ontstonden.
Wat betreft punt GRM1 (onjuiste ligbaden) stelt Willemsz dat Hoppenbrouwers de ligbaden niet op juist afschot had aangebracht en dat Willemsz dat heeft hersteld en op 20 januari 2021 een factuur daarvoor aan Hoppenbrouwers heeft gestuurd (productie 99a) van € 6.284,46 exclusief btw. Hoppenbrouwers betoogt dat de vordering is verjaard en acht de herstelkosten niet onderbouwd. De rechtbank acht dit geen toereikende betwisting nu de factuur beschikbaar is. Hoppenbrouwers beroept zich op opschorting maar alleen haar factuur van 1 januari 2021 (productie 4 met betrekking tot [plaats 2] ) van € 2.717,54 is eerder opeisbaar. Dat rechtvaardigt geen algehele opschorting waarop Hoppenbrouwers zich beroept. Willemsz kan dit bedrag van € 6.284,46 exclusief btw verrekenen nu verjaring niet in de weg staat aan verrekening.
4.13.
Wat betreft de vordering tot herstel van gebreken/deugdelijke nakoming en de daaraan gekoppelde vordering tot schadevergoeding overweegt de rechtbank voorts het volgende.
4.13.1.
Willemsz stelt dat Hoppenbrouwers bij meerdere projecten heeft verzuimd naar aanleiding van klachten gebreken te herstellen en alsnog deugdelijk haar verbintenis tot het verrichten van werkzaamheden na te komen. Hoppenbrouwers beroept zich op opschorting. De rechtbank acht dit beroep terecht. Tussen de vorderingen over en weer in deze zaak bestaat voldoende samenhang als bedoeld in artikel 6:52 BW nu het hier gaat om tussen partijen in korte tijd achter elkaar gesloten overeenkomsten van dezelfde aard als het gaat om de over en weer te verrichten prestaties. Willemsz heeft niet gesteld dat een of meer van de door haar gestelde gebreken bij oplevering als opleverpunt zijn gemeld. Dit betekent dat zij na de oplevering zijn gemeld. Dat kan wanneer geen sprake is van gebreken die bij oplevering redelijkerwijs niet konden worden ontdekt. De klachten over gebreken dateren van 2023/2024 voor [plaats 2] , van december 2022/begin 2023 voor [plaats 7] , van december 2022/2023/2024 voor [plaats 3] , van juni 2023 voor [project 2] , van november 22/23/24 voor [plaats 8] en van juli 2023 voor [plaats 9] . Uit de datering van de bij de dagvaarding als producties gevoegde termijn- opleverings- en meerwerkfacturen volgt dat er voor november/december 2022 al de nodige facturen opeisbaar waren die Willemsz onbetaald liet, hetgeen opschorting van eventuele herstelverplichtingen vanwege meldingen in november/december 2022 rechtvaardigt. Daaruit volgt ook dat veel facturen, voor een groot bedrag, dateren van eind 2022 hetgeen opschorting van de eventuele herstelverplichtingen vanwege meldingen daarna rechtvaardigt. Met het verder voortschrijden van de facturering, die onbetaald bleef, liep de vordering van Hoppenbrouwers op, waarmee haar beroep op opschorting in verband met klachten geuit in 2023 en 2024 wordt gerechtvaardigd. Het gevolg hiervan is dat Willemsz geen vordering tot herstel/nakoming op Hoppenbrouwers geldend kan maken en dat zij daarmee ook geen vordering tot schadevergoeding van € 203.415,78 vanwege gesteld door haar verrichte herstelwerkzaamheden geldend kan maken.
4.13.2.
Het voorgaande geldt ook voor de in de vordering afzonderlijk opgenomen gestelde gebreken GT3, GR13, GW1 en GR14, gelet op de data waarop deze gestelde gebreken volgens Willemsz bekend zijn gemaakt.
4.13.3.
Het is daarom ten overvloede dat de rechtbank het volgende overweegt. Partijen hebben in februari 2023 naar aanleiding van klachten van Willemsz over gebreken een regeling getroffen waarbij Hoppenbrouwers € 20.000,- aan Willemsz betaalde. De rechtbank ziet voorts niet verklaard waarom in de correspondentie over die regeling geen melding wordt gemaakt van alle gebreken die nu in deze procedure wel worden gesteld. De correspondentie in oktober 2023 maakt geen melding van de vele in deze procedure gestelde gebreken. Evenmin ziet de rechtbank in de brief van de rechtsbijstandverlener van Willemsz van 8 maart 2024 een aanknopingspunt dat er volgens Willemsz, behalve de enkele in die brief vermelde gebreken, zoveel gebreken speelden als Willems nu in deze procedure stelt. Voorts valt op dat vele gestelde gebreken over lekkages gaan die gelet op de daarbij genoemde data dan tot heden al vele jaren zouden zijn blijven bestaan. Ook voor andere punten noopt de aard van het gestelde gebrek tot een motivering dat het desbetreffende gebrek ook nu bestaat. Die ontbreekt. Wat betreft de aan de gebreken dor Willemsz gekoppelde vordering tot betaling van schadevergoeding is verzuim vereist. Willemsz heeft hieraan geen aandacht besteed. Wat betreft de onderbouwing van de hoogte van de gestelde schade c.q. door Willemsz gestelde herstelkosten geldt dat de uurtarieven en de uren die volgens Willemsz per gebrek aan de orde zijn opvallend hoog c.q. veel zijn. Dat noopt tot een deugdelijke onderbouwing van de schade. Die ontbreekt.
4.14.
Met betrekking tot de gestelde cessie van een vordering van [naam 5] van € 4.511,44 aan Willemsz overweegt de rechtbank het volgende. [naam 5] heeft op 25 augustus 2022 een factuur van € 20.613,36 aan Willemsz gestuurd voor verricht meer- en minderwerk (productie 151). Willemsz stelt dat [naam 5] een aantal van de gefactureerde werkzaamheden in opdracht van Hoppenbrouwers heeft verricht of door toedoen van Hoppenbrouwers heeft moeten verrichten. Willemsz stelt dat [naam 5] haar vordering op Hoppenbrouwers voor een bedrag van € 4.511,44 heeft gecedeerd aan Willemsz (nummer 74 akte van 4 april 2025). Hoppenbrouwers heeft de vordering betwist en ook dat cessie heeft plaatsgehad. De rechtbank constateert dat Willemsz vervolgens de cessie niet heeft onderbouwd met een schriftelijke akte van cessie, hetgeen noodzakelijk is en hetgeen zij eenvoudig had kunnen doen indien deze akte is opgemaakt. Het gevolg is dat deze vordering wordt afgewezen reeds omdat de cessie niet vaststaat.
4.15.
Uit voorgaande beoordeling volgt dat Willemsz een bedrag van € 6.284,46 exclusief btw kan verrekenen met de vordering van Hoppenbrouwers in conventie en dat, na deze verrekening, de vordering van Willemsz in reconventie moet worden afgewezen.
4.16.
De slotsom is dat de vordering van Hoppenbrouwers toewijsbaar is voor een bedrag van € 351.759,59 te vermeerderen met wettelijke rente conform het in 4.8. overwogene.
4.17.
De verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten is niet bestreden. Conform de geldende staffel en gelet op de toewijsbare hoofdsom begroot de rechtbank die die door Willemsz te betalen kosten op € 3.533,80.
4.18.
Hoppenbrouwers vordert Willemsz te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 313,92 voor kosten deurwaardersexploten, € 688,00 voor griffierecht en € 2.885,00 voor salaris advocaat (1,0 punt × € 2.885,00), totaal € 3.886,92.
4.19.
Willemsz is in conventie en in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Hoppenbrouwers in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,22
- griffierecht
€
5.929,00
- salaris advocaat
€
8.655,00
(3 punten × € 2.885,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
14.888,22
De proceskosten van Hoppenbrouwers in reconventie worden begroot op € 4.327,50 aan salaris advocaat.
Wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten is toewijsbaar op de wijze als hierna in het dictum vermeld, wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW niet.
5De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat Willemsz toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten tussen Hoppenbrouwers en
Willemsz door de uit die overeenkomsten c.q. rechtsverhouding tussen partijen voortvloeiende betalingsverplichting niet na te komen;
5.2.
veroordeelt Willemsz tot betaling aan Hoppenbrouwers, binnen veertien dagen na
betekening van het vonnis, van een bedrag van € 351.759,59, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 16 februari 2024 tot de dag van algehele betaling;
5.3.
veroordeelt Willemsz tot betaling aan Hoppenbrouwers, binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, van een bedrag van € 3.533,80 aan buitengerechtelijke incassokosten;
5.4.
veroordeelt Willemsz in de proceskosten van Hoppenbrouwers van € 14.888,22 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Willemsz niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt Willemsz tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in reconventie
5.6.
wijst de vorderingen af;
5.7.
veroordeelt Willemsz in de proceskosten van Hoppenbrouwers van € 4.327,50;
5.8.
veroordeelt Willemsz tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in conventie en in reconventie;
5.9.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Geloven en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/426388 / HA ZA 24-503
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
HOPPENBROUWERS TECHNIEK B.V.,
te Udenhout,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Hoppenbrouwers,
advocaat: mr. A.C.P.M. van Dun,
tegen
WILLEMSZ BOUWBEDRIJF BV,
te Sprang Capelle,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Willemsz,
advocaat: mr. M.B.A. Alkema.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 januari 2026 en de daarin vermelde stukken
- de bij rolbericht van 29 mei 2026 door Willemsz toegezonden akte vermeerdering van eis in reconventie, tevens overlegging producties
- de mondelinge behandeling van 9 juni 2026 waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
in conventie en in reconventie
2.1.
Tussen partijen staan de volgende feiten vast op grond van de stellingen van partijen die niet of niet voldoende gemotiveerd door de ander zijn betwist.
2.2.
Hoppenbrouwers is een installatiebedrijf dat zich toelegt op diverse technische installatiewerken. Per 2 juli 2022 is Central Heating B.V., eveneens een installatiebedrijf, door fusie opgegaan in Hoppenbrouwers, nadat Central Heating B.V. eerder al onderdeel van de Hoppenbrouwers groep werd. De rechten en verplichtingen van Central Heating B.V. zijn overgegaan op Hoppenbrouwers. Hierna wordt daarom alleen de naam ‘Hoppenbrouwers’ gebruikt.
2.3.
Willems is een aannemingsbedrijf dat zich toelegt op woningbouw en utiliteitsbouw.
2.4.
Op of omstreeks 31 januari 2018 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in een gebouw met 15 appartementen in [plaats 1] de gehele werktuigbouwkundige installatie (hierna: W-installatie) zou leveren en aanbrengen conform bestek en tekeningen tegen een aanneemsom van € 290.000,- (hierna: [project 1] ). Dit project is opgeleverd.
2.5.
Op of omstreeks 27 februari 2018 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in gebouwen met in totaal 76 appartementen in [plaats 2] de gehele W-installatie zou leveren en aanbrengen conform bestek en tekeningen etc. tegen een aanneemsom van € 1.145.000,- (hierna: project [plaats 2] ). Dit project is opgeleverd.
2.6.
Op of omstreeks 6 mei 2019 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in 6 woningen en een gebouw met 6 appartementen in [plaats 1] W-installatiewerken zou leveren en aanbrengen tegen een aanneemsom van € 78.000,- (hierna: [project 3] ). Dit project is opgeleverd.
2.7.
Op of omstreeks 8 september 2020 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in 13 appartementen en 18 woningen in [plaats 3] de W-CV-MV-installatie zou leveren en aanbrengen tegen een aanneemsom van € 990.000,- (hierna: project [plaats 3] ). Dit project is opgeleverd.
2.8.
Op of omstreeks 30 oktober 2020 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in de woning van [project 2] in [plaats 4] loodgieterswerkzaamheden, de verwarmingsinstallatie en de mechanische ventilatie installatie zou verzorgen tegen een aanneemsom van € 77.000,- (hierna: [project 2] ). Dit project is opgeleverd.
2.9.
Op of omstreeks november 2020 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in een gebouw met 4 appartementen in [plaats 5] W-installatiewerkzaamheden zou verrichten (hierna: project [plaats 5] ). Dit project is opgeleverd.
2.10.
Op of omstreeks 2020 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in een gebouw met 4 appartementen in [plaats 6] W-installatiewerkzaamheden zou verzorgen tegen een aanneemsom van € 47.500,- (hierna: project [plaats 6] ). Dit project is opgeleverd.
2.11.
Op of omstreeks 20 februari 2021 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in 15 woningen in [plaats 7] , de verwarmingsinstallatie en het ventilatiesysteem zou verzorgen tegen een aanneemsom van € 175.000,- (hierna: project [plaats 7] ). Dit project is opgeleverd.
2.12.
Op of omstreeks 2021 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in een gebouw met 11 appartementen in [plaats 8] loodgieterswerkzaamheden, de verwarmingsinstallatie en de mechanische ventilatie installatie zou verzorgen tegen een aanneemsom van € 315.000,- (hierna: project [plaats 8] ). Dit project is opgeleverd.
2.13.
Op of omstreeks mei 2023 heeft Willemsz als hoofdaannemer met Hoppenbrouwers als onderaannemer een overeenkomst gesloten waarbij Hoppenbrouwers in 12 woningen in [plaats 9] W-installatiewerkzaamheden zou verzorgen (hierna: project [plaats 9] ). Dit project is opgeleverd.
2.14.
Hopenbrouwers heeft aan Willems tussentijdse en eindfacturen gestuurd en betaling verzocht.
2.15.
In oktober 2023 hebben partijen een mailwisseling gevoerd over openstaande facturen van Hoppenbrouwers, over de verrekening van meer- en minderwerk voor het project [plaats 3] door Hoppenbrouwers, over de afwikkeling van schade en over schade bij een project.
2.16.
Bij brief van 16 januari 2024 heeft de advocaat van Hoppenbrouwers aan Willemsz een brief gezonden met onder andere de volgende inhoud.
“Ik ben benaderd door Hoppenbrouwers Techniek B.V. (voorheen Hoppenbrouwers Techniek [plaats 8] Central Heating B.V.) in verband met de (financiële) afwikkeling van verschillende projecten die Hoppenbrouwers voor u heeft uitgevoerd. Op dit moment blijft een zeer aanzienlijk bedrag aan openstaande, reeds lange tijd opeisbare facturen onbetaald, terwijl daarvoor geen juridische grondslag bestaat en ondanks dat van de zijde van Hoppenbrouwers reeds meermaals op betaling is aangedrongen. Ten gevolge van het verstrijken van de aan die facturen verbonden (fatale) betalingstermijnen bent u in verzuim en pleegt u, door het niet voldoen van de facturen, wanprestatie.
Daarnaast geldt dat er sprake is van een aanzienlijk bedrag aan nog niet gefactureerd meerwerk, met betrekking tot het project in [plaats 3] , dat door u eveneens vergoed zal dienen te worden.
Voorts heeft Hoppenbrouwers op het project in [plaats 2] schade hersteld die door u op uw CAR-verzekering zou kunnen en moeten worden geclaimd. Dat hebt u, ondanks toezegging daartoe, echter (nog) niet gedaan. Ofwel dient u dat alsnog te doen, ofwel bent u aansprakelijk voor het feit dat die schade niet onder de dekking vergoed wordt, nu het op uw weg ligt om op de juist wijze melding te doen en die melding voort te zetten.
Door Hoppenbrouwers is in het verleden meermaals verzocht om betaling, onder andere door de heren [naam 1] en [naam 2] , maar tot betaling is het nog niet gekomen. Hoppenbrouwers heeft om die reden mij verzocht haar bij te staan en u te verzoeken en, voor zover nodig, te sommeren tot betaling van het door u verschuldigde bedrag.
Door u is in totaal verschuldigd (…) € 265.283,62.
Voor zover bij Hoppenbrouwers een verweer c.q. reactie op de hiervoor genoemde bedragen bekend is, is dat verweer onterecht en juridisch onjuist en kan dat derhalve aan de verschuldigdheid en dus voldoening van voornoemd totaalbedrag niet in de weg staan. Ik licht dat toe per project.
(…)
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat u aan Hoppenbrouwers een aanzienlijk bedrag, opeisbaar, verschuldigd bent, Bovendien onthoudt u ten onrechte goedkeuring aan de meerwerken inzake [plaats 3] . Ik wijs u derhalve met nadruk op de hiervoor opgenomen sommaties en verzoek en sommeer u nogmaals om binnen de gestelde termijnen daaraan te voldoen. Van een gerechtvaardigde grond tot opschorting is geen sprake.
Voor zover er overigens wél enige gerechtvaardigde grond tot opschorting zou zijn, dan is evident dat dat (ten eerste) slechts voor enkele projecten kan gelden, maar is (ten tweede) vooral van belang dat uw gepretendeerde tegenvorderingen in geen enkele verhouding staan tot het bedrag dat nu, al zeer geruime tijd, onbetaald wordt gelaten. Dat sprake is van verzuim en wanprestatie staat derhalve vast.
Ik benadruk dan ook dat indien u niet aan voornoemde sommaties voldoet, Hoppenbrouwers zich vrij acht om haar vorderingen in rechte te verhalen. Alle daarvoor en daardoor gemaakte en te maken kosten zullen op u verhaald worden.”
2.17.
De rechtsbijstandverlener van Willemsz heeft bij brief van 8 maart 2024 als volgt gereageerd.
“Tot mij wendde zich Willemsz bouwbedrijf BV, met een verzoek om rechtsbijstand. Tussen mijn cliënte en uw cliënte is een overeenkomst gesloten op grond waarvan uw cliënte voor het project [plaats 2] (projectnummer [nummer 1] ) verschillende werkzaamheden heeft verricht. Helaas zijn er gebreken geconstateerd bij twee woningen waarbij mijn cliënte uw cliënte hierbij uitdrukkelijk in de gelegenheid stelt om voor herstel zorg te dragen.
Op 1 maart 2024 heeft mijn cliënte bij uw cliënte gemeld dat er bij [adres 1] een lekdetectie plaats heeft gevonden. Uit dat onderzoek bleek dat er een scheur in de riolering in de vloer in de wasruimte van Carreur 14 aanwezig was. Als gevolg van dit gebrek ontstond er een lekkage bij de woning [adres 1] , met schade als gevolg. Uw cliënte is verzocht om voor herstel zorg te dragen. Uw cliënte liet per e-mail van diezelfde dag weten dat hij daar niet op in gaat en de correspondentie via u laat lopen. Naast deze lekkage is er een lekkage aan de (douche-wtw) douchegoot bij [adres 2] . Als gevolg hiervan ontstaat er schimmel op de muren alsmede schade aan de woonkamer.
Het lijkt erop dat uw cliënte een beroep doet op een opschortingsrecht. Mijn cliënte wijst uw cliënte erop dat uw cliënte dat recht in deze kwestie niet toekomt. Inzake bovengenoemd project zijn alle betalingen verricht. Uw cliënte heeft geen opschortingsrecht. Er is voorts onvoldoende samenhang tussen de vermeende vordering van uw cliënte en de vordering van mijn cliënte. Sterker nog, in dit project heeft mijn cliënte teveel betaald waardoor een vordering op uw cliënte resteert van € 33.480,44. Ook zijn de volgende factuurbedragen nog onbetaald: (…) € 7.604,20 (…) € 30.250,00 (…) € 111.087,20 (…) € 347,88 (…).
Namens mijn cliënte sommeer ik uw cliënte om binnen 3 dagen te laten weten of zij voor herstel zorg zal dragen voor de lekkages aan de riolering en de douche-wtw alsmede voor herstel van alle gevolgschade in de woningen [adres 1] , [adres 3] en [adres 2] en eventueel andere woningen waarvan de schade op dit moment nog niet inzichtelijk of bekend is. Als uw cliënte daartoe overgaat dient het herstel binnen 10 dagen te hebben plaatsgevonden. Indien uw cliënte niet binnen de gestelde termijn reageert of afwijzend reageert, zal mijn cliënte een derde partij inschakelen om de werkzaamheden uit te voeren. Alle daarmee gepaard gaande kosten zullen op uw cliënte worden verhaald.”
2.18.
Partijen hebben geen oplossing bereikt en volledige (financiële) afsluiting van voormelde projecten heeft niet plaatsgehad. Hoppenbrouwers heeft Willemsz op 9 augustus 2024 gedagvaard.
3Het geschil
in conventie
3.1.
Hoppenbrouwers vordert, na wijziging van eis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te verklaren voor recht dat Willemsz toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten tussen Hoppenbrouwers en
Willemsz door de uit die overeenkomsten c.q. rechtsverhouding tussen partijen voortvloeiende betalingsverplichting niet na te komen, of althans subsidiair, te verklaren voor recht welk bedrag Willemsz uit hoofde van de hiervoor bedoelde overeenkomsten c.q. rechtsverhouding tussen partijen aan Hoppenbrouwers verschuldigd is en per wanneer dat opeisbaar verschuldigd zal zijn;
II. Willemsz te veroordelen tot betaling aan Hoppenbrouwers, binnen veertien dagen na
betekening van het vonnis, van een bedrag van € 378.264,46, verminderd met een bedrag van € 4.865,44, exclusief btw, of althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de respectievelijke vervaldata van de facturen, dan wel vanaf het moment dat Willemsz in verzuim is komen te verkeren, dan wel vanaf de dag der dagvaarding, dan wel vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan de dag der algehele voldoening;
III. Willemsz te veroordelen tot het vergoeden, binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis, aan Hoppenbrouwers van de buitengerechtelijke incassokosten, van een bedrag van € 3.666,43, of althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
IV. Willemsz te veroordelen tot vergoeding aan Hoppenbrouwers van de (proces)kosten van
deze procedure, waaronder mede begrepen de beslagkosten, kosten van rechtsbijstand en de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.
3.2.
Willemsz voert verweer. Willemsz concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Hoppenbrouwers, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Hoppenbrouwers in de kosten van deze procedure.
in reconventie
3.3.
Willemsz vordert, na wijziging van eis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. Hoppenbrouwers te veroordelen tot het verhelpen van de gebreken die in de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, zijn aangeduid met de codes GL2, GL3, GL4, GL5, GL6, GL7, GL10, GL11, GL12, GL14, GL15, GL16, GT2, GT3, GT4, GT5, GT6, GT7, GT8, GR1, GR2, GR5, GR9, GR10, GR11, GR12, GT9, GT11, GK1, GK2, GK3, GK4, GKS, GK6, GK7, GK8, GK10 en GWK1, binnen drie maanden na de datum van het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
b. Hoppenbrouwers te veroordelen tot het verstrekken aan Willemsz van alle garantie- en
revisiebescheiden ten aanzien van de tien in geschil zijnde projecten/werken, binnen drie maanden na de datum van het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
c. Hoppenbrouwers te veroordelen tot betaling aan Willemsz van een bedrag van € 203.415,78 aan schadevergoeding, althans aan minderwerk, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 91.807,60 vanaf 9 juli 2021 tot de dag der algehele voldoening, over een bedrag van € 88.661,90 vanaf de dag dat de eis in reconventie is ingesteld tot de dag der algehele voldoening en over een bedrag van € 25.506,28 vanaf veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening;
d. Hoppenbrouwers te veroordelen tot betaling aan Willemsz van een bedrag van € 158.518,20 aan minderwerk, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 151.266,60 vanaf de dag dat de eis in reconventie is ingesteld tot de dag der algehele voldoening en over het restant vanaf veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening.
e. Hoppenbrouwers te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.343,43 aan buitengerechtelijke (incasso)kosten te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf veertien dagen na het te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening;
f. op te heffen de door Hoppenbrouwers ten tijde van de uitspraak van het vonnis door
Hoppenbrouwers ten laste van Willemsz gelegde conservatoire beslagen en
Hoppenbrouwers te verbieden nieuwe conservatoire beslagen ten laste van Willemsz te
leggen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
g. Hoppenbrouwers te veroordelen in de kosten van deze procedure in reconventie, te
vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf veertien dagen na het te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening;
h. Hoppenbrouwers te veroordelen tot betaling aan Willemsz van de rechtsvorderingen die [naam 5] heeft gecedeerd aan Willemsz ten bedrage van € 4.511,44, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf veertien dagen na het te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening;
i. Hoppenbrouwers in verband met het gebrek dat is aangeduid met code GT3 te veroordelen tot betaling aan Willemsz van een bedrag van € 1.511,98 exclusief btw aan schadevergoeding, althans aan minderwerk, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening;
j. Hoppenbrouwers in verband met het gebrek dat is aangeduid met code GR13 te veroordelen tot betaling aan Willemsz van een bedrag van € 788,85 exclusief btw aan schadevergoeding, althans aan minderwerk, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening;
k. Hoppenbrouwers te veroordelen tot het verhelpen van de gebreken die zijn aangeduid met GW1 en GR14, binnen drie maanden na de datum van het te wijzen vonnis, op straffe
van verbeurte van een dwangsom.
3.2.
Hoppenbrouwers voert verweer. Hoppenbrouwers concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Willemsz, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Willemsz in de kosten van deze procedure.
4De beoordeling
in conventie en in reconventie
De gedingen in conventie en in reconventie worden vanwege hun samenhang gezamenlijk beoordeeld.
4.1.
Er zijn geen processuele bezwaren geuit tegen de wijziging van eis in reconventie van Willemsz. De rechtbank acht de wijziging ook ambtshalve niet in strijd met de goede procesorde zodat over de gewijzigde vordering in reconventie zal worden geoordeeld. Een vermindering van eis in conventie, zoals Hoppenbrouwers die heeft geformuleerd, is altijd toelaatbaar.
4.2.
Partijen hebben na de zitting vonnis gevraagd. Dat brengt mee dat de rechtbank de geschilpunten over en weer zal beoordelen en beslissen op grond van hetgeen hun advocaten in de processtukken hebben geschreven en het besprokene tijdens de zitting, en wel met toepassing van de procesrechtelijke en materieelrechtelijke regels die daarbij gelden. De conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie wordt hierna CVA/REC genoemd. De conclusie van repliek in conventie tevens antwoord in reconventie wordt hierna CVR/CVA genoemd. De conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie wordt hierna CVD/CVR genoemd. De conclusie van dupliek in reconventie wordt hierna CVD/REC genoemd. De akten worden genoemd met de datum ervan.
4.3.
Partijen beroepen zich voor hun vorderingen op rechten en verplichtingen die over en weer op grond van de tussen hen gesloten overeenkomsten bestaan. Ook beroepen zij zich op rechten en verplichtingen die uit de wet, in het bijzonder uit de bepalingen in boek 6 en 7 BW, voortvloeien. De rechtbank beoordeelt daarom eerst welke rechten en verplichtingen partijen per project zijn overeengekomen. Dat doet de rechtbank op grond van de stellingen van partijen en de in verband daarmee overgelegde producties. Daarbij geldt dat de rechtbank ter zitting aan de orde heeft gesteld dat de schriftelijke stukken niet volledig zijn, terwijl partijen desgevraagd niet hebben meegedeeld dat er meer stukken op dit punt voorhanden zijn.
4.3.1.
[project 1] . In de dagvaarding en de CVA/REC maken partijen melding van een overeenkomst zonder nadere details te vermelden. Productie 3 bij CVA/REC vermeldt alleen de opdracht en prijs voor dit project. Meer producties met betrekking tot dit project zijn er niet. Bij gebreke van stellingen en producties die de rechtbank aanknopingspunten bieden de overeengekomen rechten en verplichtingen vast te stellen gelden, voor zover aan de orde, de regels van met name boek 6 en boek 7 BW.
4.3.2.
Project [plaats 2] . In de dagvaarding maakt Hoppenbrouwers melding van een overeenkomst zonder nadere details te vermelden. In de CVA/REC stelt Willemsz onder verwijzing naar productie 4 dat bij de overeenkomst is overeengekomen:
- een betalingsschema: 70% naar rato van gereed gekomen werk op de bouwplaats, 10% na ontvangst van het garantiebewijs conform bestek, 10% na herstel van alle restpunten, 10% 14 dagen na oplevering;
- meerwerk na voorafgaande schriftelijke opdracht;
- de technische omschrijvingen van [bedrijf] zijn van toepassing (o.a. garantie op apparatuur 2 jaar na oplevering en bij oplevering de onderhouds- en bedieningsvoorschriften en de revisiestukken verstrekken;
- de UAV 1989 zijn van toepassing.
Hoppenbrouwers betwist dit niet in de CVR/CVA. Dit leidt tot het oordeel dat de door Willemsz gestelde rechten en verplichtingen, zoals vermeld in haar productie 4 op de overeenkomst van toepassing zijn. Ook de regels van met name boek 6 en boek 7 BW zijn van toepassing.
4.3.3.
[project 3] . In de dagvaarding en de CVA/REC melden partijen dat sprake is van een overeenkomst zonder nadere details te vermelden. Productie 7 bij CVA/REC vermeldt alleen de opdracht en prijs voor dit project. Meer producties met betrekking tot dit project zijn er niet. Bij gebreke van stellingen en producties die de rechtbank aanknopingspunten bieden de overeengekomen rechten en verplichtingen vast te stellen gelden, voor zover aan de orde, de regels van met name boek 6 en boek 7 BW.
4.3.4.
Project [plaats 7] . Hoppenbrouwers stelt in de dagvaarding onder verwijzing naar productie 13 dat de overeenkomst is vastgelegd in een opdrachtbevestiging van Hoppenbrouwers van 20 februari 2021 en dat de ALIB-voorwaarden 2007 (met name artikel 16) van toepassing zijn. Willemsz betwist dit in de CVA/REC niet en stelt dat is overeengekomen dat meerwerk na voorafgaande schriftelijke opdracht plaatsvindt. In de CVD/CVR doet Willemsz een beroep op de vernietiging van de ALIB-voorwaarden omdat deze niet aan haar ter hand zijn gesteld, terwijl Willemsz geen grote onderneming als bedoeld in artikel 6:235 lid 1 BW is. Hoppenbrouwers heeft hierop niet gereageerd.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat dat de door Hoppenbrouwers gestelde rechten en verplichtingen, zoals vermeld in haar productie 13 (waarin onder andere ook is vermeld dat meerwerk na voorafgaande opdracht wordt verricht) op de overeenkomst van toepassing zijn, behalve de ALIB-voorwaarden 2007. Ook de regels van met name boek 6 en boek 7 BW zijn van toepassing.
4.3.5.
Project [plaats 3] . Hoppenbrouwers stelt in de dagvaarding onder verwijzing naar productie 5 dat de rechten en verplichtingen van partijen bij deze overeenkomst zijn vastgelegd in een opdrachtbevestiging van Willemsz, de opmerkingen daarop van Hoppenbouwers en een betalingsschema. Willemsz wijst in de CVA/REC eveneens naar productie 5 bij dagvaarding en naar haar productie 8A waarbij zij nadere correspondentie heeft overgelegd. Willemsz wijst daarbij onder verwijzing naar productie 5 onder andere op het volgende:
- een betalingsschema: 70% naar rato van gereed gekomen werk op de bouwplaats, 10% na ontvangst van het garantiebewijs conform bestek, 10% na herstel van alle restpunten, 10% 14 dagen na oplevering;
- meerwerk na voorafgaande schriftelijke opdracht;
- de Technische Omschrijvingen met daarin “Bedieningsvoorschriften en garantiebewijzen worden gebundeld en in 1-voud, tijdens oplevering aangeleverd”;
- de UAV 1989 zijn van toepassing.
Willemsz stelt onder verwijzing naar haar productie 8A ook dat naar aanleiding van de opmerkingen van Hoppenbrouwers de nieuwe overeenkomst alleen de door Hoppenbrouwers gewenste Corona-clausule bevat en dat hetgeen overigens door haar werd gewenst niet is overeengekomen.
Hoppenbrouwers reageert hierop in de CVR/CVA. Hoppenbrouwers vermeldt dat er geen door beide partijen ondertekend stuk is. Zij voert voorts aan dat de Technische Omschrijving in de relatie Willemsz – opdrachtgever geldt en niet op de overeenkomst tussen partijen van toepassing is. Wel verwijst de opdrachtbevestiging voor de technische uitvoering naar die Omschrijving. Over oplevering en betaling is, onder verwerping door Hoppenbrouwers van de regeling in de opdrachtbevestiging van Willemsz, een eigen regeling afgesproken, te weten 95% naar rato van de voortgang in het werk en 5% na oplevering, op basis van welke regeling Hoppenbrouwers ook heeft gefactureerd, aldus Hoppenbrouwers.
In de CVD/CVR betwist Willemsz de stellingen van Hoppenbrouwers onder verwijzing naar hetgeen zij eerder aanvoerde. Willemsz stelt voorts dat partijen (expliciet) zijn overeengekomen dat Hoppenbrouwers aan Willemsz garantie- en revisiebescheiden ter beschikking stelt. Artikel 8 van de overeenkomst inhoudende dat het werk wordt geacht te voldoen indien niet binnen 8 dagen na opneming is bericht of het al dan niet voldoet, doet aan de eis van de Technische Omschrijving niet af, aldus Willemsz.
Het voorgaande leidt tot het volgende. De rechtbank kan op grond van de stellingen en producties van partijen niet vaststellen dat Willemsz al de door Hoppenbrouwers gemaakte opmerkingen met vermelding “niet akkoord” heeft aanvaard en verwerkt in een nieuwe overeenkomst. Slechts van het opnemen van een Corona-passage wordt melding gemaakt, maar de in productie 8A gemelde “bijlage” is niet overgelegd. Dat de gehele Technische Omschrijving onderdeel van de overeenkomst is blijkt niet uit de tekst van de opdrachtbevestiging van Willemsz en is voor dit project niet, althans niet gemotiveerd, in enig processtuk toegelicht. De toepasselijkheid van de UAV 1989 is niet betwist dus die voorwaarden gelden evenals de bepaling dat meerwerk na voorafgaande opdracht wordt verricht. De stelling van Hoppenbrouwers dat zij conform het door haar genoemde betalingsschema heeft gefactureerd is niet betwist. Hoppenbrouwers mocht om deze reden begrijpen dat haar betalingsvoorwaarden waren aanvaard. Aanknopingspunten voor een andere uitleg over de inhoud van de overeenkomst hebben partijen de rechtbank niet gegeven. Ook op deze overeenkomst zijn de regels van met name boek 6 en boek 7 BW van toepassing.
4.3.6.
[project 2] . De dagvaarding bevat geen stellingen over de inhoud van de overeenkomst. In de CVA/REC stelt Willemsz dat voor meerwerk een voorafgaande schriftelijke opdracht nodig is en dat Hoppenbrouwers garanties verstrekt conform de eisen van Woningborg. Willemsz doet een beroep op vernietiging van de ALIB-voorwaarden 2007 omdat deze niet ter hand zijn gesteld terwijl zij geen grote onderneming is.
Hoppenbrouwers verwijst in de CVR/CVA naar de als productie 26 overgelegde opdrachtbevestiging van Hoppenbrouwers. Daarin staat onder meer dat meerwerk volgens separate opdracht wordt verricht, dat de betalingstermijnen uit het voorstel van Hoppenbrouwers gelden, naar rato van de voortgang van de werkzaamheden en dat garanties volgens Woningborg worden verstrekt. Hoppenbrouwers heeft geen verweer tegen het beroep op vernietiging van de ALIB-voorwaarden gevoerd.
Willemsz heeft de verwijzing naar productie 26 voor de inhoud van de opdracht niet betwist. Zij reageert in de CVD/CVR alleen met de stelling dat met “garanties volgens Woningborg” is overeengekomen dat Hoppenbrouwers garantie- en revisiebescheiden aan Willemsz ter beschikking dient te stellen.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de door Hoppenbrouwers gestelde rechten en verplichtingen, zoals vermeld in haar productie 26 (waarin onder andere ook is vermeld dat meerwerk na voorafgaande opdracht wordt verricht en het betalingsschema/voorwaarden van Hoppenbrouwers van toepassing is/zijn) op de overeenkomst van toepassing zijn, behalve de ALIB-voorwaarden 2007. Ook de regels van met name boek 6 en boek 7 BW zijn van toepassing. Het ontbreekt aan gemotiveerde stellingen van Willemsz die tot de uitleg kunnen leiden dat de passage “garanties volgens Woningborg” dient te worden uitgelegd in die zin dat Hoppenbrouwers garantie- en revisiebescheiden aan Willemsz ter beschikking dient te stellen. Het was aan Willemsz om die aanknopingspunten te geven omdat Woningborg garanties, behoudens het door Woningborg te verstrekken certificaat, zien op de inhoud van garanties met betrekking tot geleverd werk en niet op het verstrekken van garantiebewijzen of revisiestukken.
4.3.7.
Project [plaats 5] . In de dagvaarding en de CVA/REC maken partijen melding van een overeenkomst zonder nadere details te vermelden. Ook in de daarop volgende conclusies doen zij dat niet. Bij gebreke van stellingen en producties die de rechtbank aanknopingspunten bieden de overeengekomen rechten en verplichtingen vast te stellen gelden, voor zover aan de orde, de regels van met name boek 6 en boek 7 BW.
4.3.8.
Project [plaats 8] . Hoppenbrouwers stelt in de dagvaarding onder verwijzing naar productie 8 dat de inhoud van de overeenkomst blijkt uit de door Willemsz geaccepteerde offerte van Hoppenbrouwers. Daarin is onder andere bepaald dat de ALIB-voorwaarden van toepassing zijn en dat de aanneemsom in termijnen naar gelang de stand van het werk moet worden betaald. Willemsz betwist dit in de CVA/REC niet. Wel doet zij een beroep op vernietiging van de ALIB-voorwaarden omdat deze niet aan haar ter hand zijn gesteld en zij geen grote onderneming is. In de CVD/CVR betoogt Willemsz dat met de offerte vanwege de vermelding “garanties volgens Woningborg” is overeengekomen dat Hoppenbrouwers garantie- en revisiebescheiden aan Willemsz ter beschikking dient te stellen. Hoppenbrouwers heeft geen verweer gevoerd tegen het beroep op vernietiging van de ALIB-voorwaarden.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat dat de door Hoppenbrouwers gestelde rechten en verplichtingen, zoals vermeld in haar productie 8 (waarin onder andere ook is vermeld dat meerwerk na voorafgaande opdracht wordt verricht en de betalingsvoorwaarden van Hoppenbrouwers van toepassing zijn) op de overeenkomst van toepassing zijn, behalve de ALIB-voorwaarden 2007. Ook de regels van met name boek 6 en boek 7 BW zijn van toepassing. Het ontbreekt aan gemotiveerde stellingen van Willemsz die tot de uitleg kunnen leiden dat de passage “garanties volgens Woningborg” dient te worden uitgelegd in die zin dat Hoppenbrouwers garantie- en revisiebescheiden aan Willemsz ter beschikking dient te stellen. Het was aan Willemsz om die aanknopingspunten te geven omdat Woningborg garanties, behoudens het door Woningborg te verstrekken certificaat, zien op de inhoud van garanties met betrekking tot geleverd werk en niet op het verstrekken van garantiebewijzen of revisiestukken. Ook in de UAV betreffen de eisen aan oplevering materiele eisen.
4.3.9.
Project [plaats 9] . In de dagvaarding en de CVA/REC maken partijen melding van een overeenkomst zonder nadere details te vermelden. Ook in de daarop volgende conclusies doen zij dat niet. Bij gebreke van stellingen en producties die de rechtbank aanknopingspunten bieden de overeengekomen rechten en verplichtingen vast te stellen gelden, voor zover aan de orde, de regels van met name boek 6 en boek 7 BW.
4.3.10.
Project [plaats 6] . Hoppenbrouwers stelt in de dagvaarding over de inhoud van de overeenkomst dat de aanneemsom in termijnen moet worden betaald naar gelang de stand van het werk. Willemsz heeft in de CVA/REC de stelling van Hoppenbrouwers niet betwist. Wel stelt zij dat de slotfactuur niet opeisbaar is omdat garantie- en revisiebescheiden niet zijn verstrekt. Willemsz stelt in de CVD/CVR dat een werktuigbouwkundig installateur altijd wordt geacht dergelijke bescheiden te verstrekken aan de opdrachtgever omdat men anders niet weet waar de leidingen zitten.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de overeenkomst inhoudt dat de aanneemsom in termijnen moet worden betaald naar gelang de stand van het werk en dat overigens bij gebreke van stellingen en producties die de rechtbank aanknopingspunten bieden de overeengekomen rechten en verplichtingen vast te stellen, voor zover aan de orde, de regels van met name boek 6 en boek 7 BW gelden.
Wat betreft de stelling dat de overeenkomst inhoudt dat Hoppenbrouwers voor verrichte werkzaamheden een garantieverklaring en revisietekeningen dient te verstrekken overweegt de rechtbank het volgende. In de offerte van Hoppenbrouwers, waar Hoppenbrouwers naar verwijst, is opgenomen welke garantie Hoppenbrouwers geeft. Daarmee is voor Willemsz duidelijk hoe lang en eventueel onder welke voorwaarden Hoppenbrouwers garantie geeft op haar werk. De vermelding in de aanvaarde offerte geldt als garantieverklaring. Dat is algemeen gebruikelijk. In de offerte is ook vermeld dat Hoppenbrouwers tekeningen van haar werk zal verstrekken. Dit is daarmee onderdeel van de rechten en verplichtingen van partijen. De vraag of het al dan niet verstrekt hebben van bescheiden in de weg staat aan opeisbaarheid van termijnfacturen beantwoordt de rechtbank later.
De vorderingen in conventie van Hoppenbrouwers tot betaling van factuurbedragen
4.4.
Hoppenbrouwers vordert betaling van termijnfacturen, inclusief de slot/opleveringsfactuur, betaling van meerwerkfacturen en betaling van overige facturen. Zij verwijst voor het totaaloverzicht naar haar productie 16.
4.4.1.
Voor het project [plaats 2] vordert Hoppenbrouwers onder verwijzing naar productie 4 bij dagvaarding:
- 4 meerwerkfacturen van in totaal € 7.191,67
- 1 factuur voor herstel meerdere lekkages van € 246,-
Voor het project [plaats 2] vordert Hoppenbrouwers ook een bedrag van € 23.656,24 exclusief btw vanwege gemaakte kosten voor herstel van schade op het werk. Hoppenbrouwers legt daaraan ten grondslag dat Willemsz een beroep op haar CAR-verzekering kan doen, dat zij heeft meegedeeld dit te zullen doen, maar dat zij dit niet heeft gedaan.
4.4.2.
Voor het project [plaats 3] vordert Hoppenbrouwers:
- termijnfacturen van in totaal € 27.330,-
- de opleveringsfactuur van € 6.000,-
- meerwerkfacturen van in totaal € 124.195,29 minus € 4.865,44 = € 119.329,85
- een meerwerkfactuur van in totaal € 89.324,60
4.4.3.
Voor het [project 2] vordert Hoppenbrouwers:
- de opleveringsfactuur van € 2.500,-
- meerwerkfacturen van in totaal € 13.987,95
4.4.4.
Voor het project [plaats 8] vordert Hoppenbrouwers:
- de opleveringsfactuur van € 15.750,-
- meerwerkfacturen van in totaal € 36.152,95
- een factuur voor herstelde schade van € 120,-
4.4.5.
Voor het [project 1] vordert Hoppenbrouwers:
- een factuur van € 625,- voor een geurhinderonderzoek
4.4.6.
Voor het [project 3] vordert Hoppenbrouwers:
- een factuur voor herstelde schade van € 1.000,-
4.4.7.
Voor het project [plaats 7] vordert Hoppenbrouwers:
- meerwerkfacturen van in totaal € 24.247,26
4.4.8.
Voor het project [plaats 6] vordert Hoppenbrouwers:
- de opleveringsfactuur van € 5.937,50
4.4.9.
De rechtbank zal nu eerst beoordelen welke verbintenissen tot betaling aan Hoppenbrouwers in beginsel op Willemsz rusten. Na die beoordeling zal de rechtbank beoordelen of Hoppenbrouwers gelet op de verweren van Willemsz nakoming van die verbintenissen (inhoudende betaling door Willemsz) kan vorderen. Dat is niet het geval voor zover Willemsz terecht een beroep doet op de niet-opeisbaarheid van facturen, op opschorting en/of op verrekening. Ook het beroep op opschorting van Hoppenbrouwers jegens Willemsz komt daarbij aan de orde.
Termijnfacturen inclusief opleveringsfacturen
[plaats 3] , [project 2] , [plaats 8] en [plaats 6]
4.4.10.
Hoppenbrouwers beroept zich erop dat Willemsz is tekortgeschoten in de nakoming van op haar rustende verbintenissen tot betaling van termijnfacturen inclusief opleveringsfacturen bij de projecten [plaats 3] , [project 2] , [plaats 8] en [plaats 6] . Op Hoppenbrouwers rusten stelplicht en bewijslast van het opeisbaar zijn van de verbintenissen tot betaling van die facturen en van de niet nakoming daarvan door Willemsz. Hoppenbrouwers stelt dat zij de overeengekomen werkzaamheden heeft verricht en dat het gereed gekomen werk is opgeleverd. Hoppenbrouwers stelt dat de overeenkomsten met betrekking tot voormelde vier projecten tussen Hoppenbrouwers en Willemsz voor de opeisbaarheid van een vordering tot betaling van de eindfactuur het verstrekken van een garantieverklaring of revisietekening niet vergen. Daarbij wijst Hoppenbrouwers erop dat bij geen enkele oplevering het verstrekken van een garantieverklaring of revisietekening als restpunt is opgevoerd of dat daarover anderszins een opmerking is gemaakt. Willemsz heeft niet betwist dat oplevering van de projecten heeft plaatsgehad. Zij heeft ook niet betwist dat bij de oplevering geen opmerkingen op dit punt zijn gemaakt. Willemsz betwist de opeisbaarheid met de stelling dat de overeenkomsten meebrengen dat voor opeisbaarheid van de facturen is vereist dat de genoemde bescheiden aan Willemsz zijn verstrekt. Volgens Willmesz heeft Hoppenbrouwers voor geen enkel project de genoemde bescheiden verstrekt.
4.4.10.1. Oplevering als bedoeld in artikel 7:758 BW heeft betrekking op de beoordeling door de opdrachtgever van de met de opdrachtnemer overeengekomen werkzaamheden. Wat betreft bij de oplevering te onderzoeken gebreken gaat het om gebreken met betrekking tot het tot stand te brengen werk. Oplevering ziet niet op andere overeengekomen verplichtingen. Dit volgt ook uit de UAV voor zover die op enige overeenkomst van toepassing zijn. Het tekortschieten in de nakoming van andere verplichtingen levert geen gebrek op maar kan wel een tekortkoming in de nakoming van een op grond van overeenkomst bestaande verbintenis of een voorwaarde voor opeisbaarheid van een factuurbedrag zijn. Noodzakelijk is dan wel dat de overeenkomst een verbintenis voor Hoppenbrouwers meebrengt, inhoudende dat voor opeisbaarheid van de termijnfacturen inclusief de opleveringsfacturen is vereist dat zij de garantieverklaring of revisietekening heeft verstrekt.
De rechtbank heeft hierboven haar oordeel over de inhoud van de overeenkomsten gegeven. Op grond daarvan overweegt de rechtbank het volgende.
4.4.10.2. Wat betreft het project [plaats 3] geldt een betalingsschema van 95% naar rato van de voortgang in het werk en 5% na oplevering. De overeenkomst houdt geen verbintenis voor Hoppenbrouwers in die meebrengt dat betaling van enig factuurbedrag afhankelijk is van het hebben verstrekt van de genoemde bescheiden, noch anderszins een verbintenis tot het verstrekken van die stukken. Oplevering heeft plaatsgehad. De termijnfacturen inclusief de opleveringsfactuur zijn opeisbaar. Willemsz is haar betalingsverplichting niet nagekomen zodat Hoppenbrouwers in beginsel terecht betaling vordert.
4.4.10.3. Wat betreft het [project 2] geldt hetzelfde als voor het project [plaats 3] . Met de overeenkomst is het betalingsschema van Hoppenbrouwers overeengekomen, terwijl er geen verbintenis is die voor Hoppenbrouwers meebrengt dat betaling van enig factuurbedrag afhankelijk is van het hebben verstrekt van de genoemde bescheiden, noch dat anderszins een verbintenis bestaat tot het verstrekken van die stukken. Het werk wordt naar rato van gereed komen gefactureerd. Oplevering heeft plaatsgehad. De opleveringsfactuur is opeisbaar. Willemsz is haar betalingsverplichting niet nagekomen zodat Hoppenbrouwers in beginsel terecht betaling vordert.
4.4.10.4. Wat betreft het project [plaats 8] geldt eveneens dat met de overeenkomst het betalingsschema van Hoppenbrouwers is overeengekomen, terwijl er geen verbintenis is die voor Hoppenbrouwers meebrengt dat betaling van enig factuurbedrag afhankelijk is van het hebben verstrekt van de genoemde bescheiden, noch anderszins een verbintenis tot het verstrekken van die stukken bestaat. De aanneemsom moet in termijnen naar gelang de stand van het werk worden betaald. Oplevering heeft plaatsgehad. De opleveringsfactuur is opeisbaar. Willemsz is haar betalingsverplichting niet nagekomen zodat Hoppenbrouwers in beginsel terecht betaling vordert.
4.4.10.5. Wat betreft het project [plaats 6] geldt eveneens dat met de overeenkomst het betalingsschema van Hoppenbrouwers is overeengekomen, terwijl er geen verbintenis is die voor Hoppenbrouwers meebrengt dat betaling van enig factuurbedrag afhankelijk is van het hebben verstrekt van de genoemde bescheiden, noch anderszins een verbintenis tot het verstrekken van die stukken bestaat. In het betalingsschema van Hoppenbrouwers is het gereed komen van werk bepalend voor de opeisbaarheid van een termijnfactuur. Het werk is opgeleverd. De opleveringsfactuur is opeisbaar. Willemsz is haar betalingsverplichting niet nagekomen zodat Hoppenbrouwers in beginsel terecht betaling vordert.
4.4.10.6. Uit het voorgaande volgt dat het voor het project [plaats 3] gaat om € 27.330,- (termijnfacturen) en € 6.000,- (opleveringsfactuur), voor het [project 2] om € 2.500,- (opleveringsfactuur), voor het project [plaats 8] om € 15.750,- (opleveringsfactuur) en voor het project [plaats 6] om € 5.937,50 (opleveringsfactuur). In totaal is Willemsz voor termijn- en opleveringsfacturen in beginsel in totaal een bedrag van € 57.517,50 verschuldigd.
De meerwerkfacturen koperskeuzes
4.5.
Hoppenbrouwers vordert betaling van meerwerkfacturen van de projecten [plaats 3] , [project 2] , [plaats 8] en [plaats 7] . Het gaat enerzijds om meerwerk vanwege bijzondere wensen van een koper (koperskeuze) en anderzijds om ander meerwerk, een en ander als bedoeld in artikel 7:755 BW. De rechtbank behandelt nu eerst het meerwerk koperskeuzes.
4.5.1.
Hoppenbrouwers stelt dat alle meerwerkfacturen al geruime tijd opeisbaar zijn gelet op de vervaldata en Willemsz gelet op die data al in verzuim verkeerde voordat de door Willemsz in reconventie gepretendeerde vorderingen ontstonden. Hoppenbouwers stelt ook dat bij bijna alle meerwerkfacturen specificaties en/of opdrachten zijn gevoegd, zoals tussen partijen gebruikelijk was en dat Willemsz dergelijke facturen in het verleden steeds betaalde. Zij verwijst naar productie 32 voor betaalde meerwerkfacturen voor de projecten [plaats 1] I en II. Over de wijze van verrekening van meer- en minderwerk in geval van koperskeuzes stelt Hoppenbrouwers het volgende.
“Na deze toelichting in abstracte zin, zal Hoppenbrouwers dit nog toelichten met een concreet voorbeeld van een kavel in het project [plaats 3] , in dit geval [kavel 1] . De verrekening gebeurde in dit project voor alle kavels op dezelfde manier, en dit is dus representatief voor het gehele project (waar een aanzienlijk deel van de vordering van Hoppenbrouwers betrekking op heeft).
Allereerst brengt Hoppenbrouwers de offerte van [naam 3] voor dit kavel in het geding:
productie 33. Op deze - door de bewuste koper voor akkoord ondertekende - offerte zijn alle
sanitairkeuzes zichtbaar. De werkzaamheden om dit uit te voeren waren gedeeltelijk voor
Hoppenbrouwers: enkel het loodgieterswerk werd door Hoppenbrouwers gedaan. Een voorbeeld van een keuze: deze koper heeft gekozen voor een dubbele meubelwastafel, in plaats van twee standaard wastafels. Gedeeltelijk waren de werkzaamheden ook voor de partij die het elektrawerk deed, dat was Hoppenbrouwers niet. Op deze offerte is bijvoorbeeld te zien dat er wandlichtpunten verplaatst zouden moeten worden. Dit alles leidt voor deze koper tot een totale meerprijs, waar de koper voor akkoord voor heeft getekend en die door Willemsz aan de koper gefactureerd werd. De koper zou dat bedrag dus betalen aan Willemsz en hééft dat bedrag ongetwijfeld ook al betaald.
Willemsz moest voor die werkzaamheden vervolgens gedeeltelijk Hoppenbrouwers afrekenen (voor het loodgieterswerk) en gedeeltelijk de elektricien (bijvoorbeeld voor het verplaatsen van wandlichtpunten). Hoppenbrouwers verwijst naar de bewuste factuur voor [kavel 1] met bijbehorende specificatie: productie 34. In de specificatie zijn twee prijzen genoemd, in twee kolommen naast elkaar: de kolom prijs kopers (de bruto prijs) en de kolom prijs aannemer (de netto prijs). De prijs voor de post “totaal sanitair keuzes” sluit voor de bruto prijs op een bedrag van € 3.984,80. Dat bedrag is terug te zien aan het slot van de offerte van [naam 3] , onder de noemer “Totaal generaal”. De netto prijs voor deze post is € 3.586,32. In deze post zijn door [naam 3] als gezegd de minderwerken al meegenomen in de totaalprijs. De koper heeft daar voor akkoord voor getekend, en wist dus dat dit bedrag betaald moest worden (en deed dat ook: aan Willemsz). Dit betekent dus ook dat Willemsz - anders dan zij voorstelt - helemaal geen aanspraak kan maken op “extra” minderwerk. Als daarvan sprake was, had [naam 3] dat immers al meegenomen in de offerte en had de koper daar bovendien al voor akkoord voor getekend. Hoppenbrouwers komt daar hierna nog op terug.
Daarnaast moest betaald worden voor de montage. Daarvoor staat in de specificatie van
Hoppenbrouwers een bruto prijs van € 2.128,56. In de offerte van [naam 3] staat aan het slot onder de noemer “Montage” een hoger bedrag van € 2.957,35. Dit laat zich verklaren doordat er ook werkzaamheden voor de elektricien waren. Die rekende Willemsz af met het bedrijf dat die werkzaamheden uitvoerde. De netto prijs voor deze post bedraagt € 1.915,70.
Het totaal van de brutoprijzen was dus € 6.113,36. Het totaal van de nettoprijzen voor de
loodgieterswerkzaamheden was € 5.502,02 en dat is exact het bedrag dat door Hoppenbrouwers aan Willemsz is gefactureerd, maar wat door Willemsz ten onrechte niet betaald wordt. Hieruit blijkt dus dat het standpunt van Willemsz dat bruto met netto prijzen verrekend zouden worden onjuist is. Aan Willemsz zijn nettoprijzen gefactureerd.
Voor de goede orde: in de specificatie staat nota bene de marge van Willemsz ook benoemd: het verschil tussen de bruto en de nettoprijs, onder het kopje “Aannemers provisie”. Die marge heeft Willemsz dus al lang en breed ontvangen, doordat zij een factuur aan de bewuste koper voor het bruto bedrag heeft kunnen sturen. Tot slot verwijst Hoppenbrouwers naar de e-mail die destijds is verstuurd, waarmee de factuur en specificatie voor deze kavel (tezamen met verschillende andere kavels) aan Willemsz zijn toegestuurd: productie 35. Daarin worden zowel het berekenen van de netto prijzen als de 10% vergoeding voor Willemsz ook benoemd.
In Akte II wordt door Willemsz voor de projecten [plaats 7] en [plaats 8] op een
soortgelijke wijze als voor [plaats 3] (zoals hiervoor besproken) aanspraak gemaakt op “extra” minderwerk c.q. wordt geklaagd over de door Hoppenbrouwers gehanteerde bedragen. Dat is ook voor die projecten dus ten onrechte, want de wijze van verrekening van meer- en minderwerk ging in die projecten op dezelfde wijze. De verrekening van het minderwerk was dus al begrepen in de meer-/minderwerk factuur die (door Willemsz, inclusief haar marge) aan de bewuste koper kon worden verzonden en die Willemsz dus al betaald zal hebben gekregen. Ook voor die projecten gaat het standpunt van Willemsz dus niet op. Om te laten zien dat de verrekening op die projecten hetzelfde verliep wordt ook voor het project in [plaats 7] (productie 35A) als het project in [plaats 8] (productie 35B) een voorbeeld verrekening voor een specifiek kavel ingebracht.
Deze wijze van verrekenen was, als gezegd, tussen partijen eerder al toegepast en voor Willemsz ook gewoon akkoord: er is een groot aantal soortgelijke facturen betaald.”
Ook heeft Hoppenbrouwers gewezen op een e-mail van 13 maart 2018 van Willemsz aan Hoppenbrouwers en [naam 3] die luidt:
“Beste Allen,
MEER-MNDERWERK VERREKENING:
- OPSLAG 10% voor tegels, sanitair en keukens over het meerwerk.
- [naam 3] communiceerd eindprijzen van opties waarin alle opslagen voor alle partijen opgenomen zijn.
- Is een meerprijs niet opgenomen in de eenheidsprijsprijslijst kun je OPSLAG 10% extra aanhouden voor extra bouwkundige werkzaamheden tbv hakwerk, breekwerk en aanheelwerk van de stucadoor.
Let dus op [naam 4] , bij [naam 7] geldt dit ook.”
4.5.2.
Willems betwist dat voor al het gefactureerde meerwerk opdracht is verstrekt. Ook acht zij de vordering voor meewerkfacturen onvoldoende onderbouwd. Daarnaast betwist Willemsz de juistheid van de meer- en minderwerk verrekening zoals Hoppenbrouwers die toepast en betwist zij dat er sprake is van een bestendige handelwijze tussen partijen. Willemsz voert aan dat een juiste wijze van verrekening ertoe leidt dat zij aanspraak heeft op minderwerk, hetgeen zij in reconventie vordert.
Over de meer- en minderwerk verrekening heeft Willemsz onder andere het volgende aangevoerd.
“Op basis van de specificaties van Hoppenbrouwers heeft Willemsz wel reeds geconstateerd (i) dat Hoppenbrouwers ten onrechte bepaald minderwerk niet heeft verrekend met het gestelde meerwerk en (ii) dat veel te laag zijn de door Hoppenbrouwers gehanteerde prijzen voor het minderwerk dat Hoppenbrouwers wel lijkt te hebben verrekend met het gestelde meerwerk (producties 147, 148, 149, 167, 170, 172 en 173 Willemsz). Zo is volgens de lijst van de Technische Unie de prijs van (uitsluitend) het closet dat in de oorspronkelijke opdrachten van Hoppenbrouwers zat € 373,- exclusief btw en verrekent Hoppenbrouwers slechts een bedrag van € 232,93 exclusief btw of zelfs van € 192,50 aan minderwerk voor de toilet combinatie (zie bijvoorbeeld productie 6 Hoppenbrouwers, “Sanitair keuzen bewoner [kavel 2] ” en “Sanitair keuzen bewoner [kavel 3] ”). Voorts is volgens de offerte van [naam 3] de prijs van de fontein combinatie die in de oorspronkelijke opdrachten van Hoppenbrouwers zat € 231,25 exclusief btw (productie 172 Willemsz) en verrekent Hoppenbrouwers slechts een bedrag van € 106,05 exclusief btw aan minderwerk voor de fontein combinatie (zie bijvoorbeeld productie 6 Hoppenbrouwers, “Sanitair keuzen bewoner [kavel 4] ”). Reeds om voornoemde redenen bestrijdt Willemsz de gestelde meerwerkvorderingen van Hoppenbrouwers uitdrukkelijk.
Ten aanzien van het gestelde meerwerk verder nog het volgende.
Hoppenbrouwers stelt dat ze wel degelijk nettoprijzen zou hebben gefactureerd aan Willemsz (nr. 70 CvRiC/CvAiR Hoppenbrouwers). In de uitleg die Hoppenbrouwers in dit verband geeft, ziet Willemsz echter bevestigd haar vermoeden dat Hoppenbrouwers voor het meerwerk (het geleverde en gemonteerde sanitair) consumentprijzen bij Willemsz in rekening brengt minus 10% (brutoprijzen), terwijl ze het minderwerk (het sanitair dat in de oorspronkelijke opdrachten van Hoppenbrouwers zat) verrekent tegen de werkelijke kosten van het sanitair en de montage ervan (nettoprijzen) (nr. 71 CvA Willemsz). Dit vermoeden en deze bevestiging baseert Willemsz voorts op de door haar overgelegde offerte van 1 mei 2020 van [naam 3] , de haar overgelegde sanitairlijsten van het [project 4] en het [project 5] en de door haar overgelegde lijst van de Technische Unie met de prijzen van 13 september 2019 (producties 167, 170, 172 en 173 Willemsz). In deze bescheiden worden prijzen genoemd voor het sanitair dat in de oorspronkelijke opdrachten van Hoppenbrouwers zat die vele malen hoger zijn dan de prijzen die Hoppenbrouwers lijkt te verrekenen.”
Verder voert Willemsz aan dat geen meerwerkprijs is overeengekomen zodat een redelijke prijs als bedoeld in artikel 7:752 lid 1 BW aan de orde is, waarvan geen sprake is. Ook voert zij aan dat geen sprake is van een bestendige wijze van verrekening in geval van meerwerkfacturatie en ook betwist zij dat partijen een marge van 10% zijn overeengekomen.
4.5.3.
De rechtbank overweegt over de meerwerkfacturen in geval van koperkeuzes het volgende. Hoppenbrouwers heeft haar vorderingen onderbouwd met gespecificeerde facturen en nadere stukken. De overeenkomsten met betrekking tot de projecten [plaats 3] , [project 2] , en [plaats 8] bepalen dat voor meerwerk een voorafgaande schriftelijke opdracht nodig is. Voor het project [plaats 6] geldt geen bijzondere afspraak zodat voor meerwerk een opdracht nodig is. Waar het hier gaat om koperskeuzes is de opdracht voor een wijziging in het werk door de koper aan Willemsz gegeven, waarna Willems Hoppenbrouwers voor de uitvoering heeft ingeschakeld als het om wijziging in het door Willemsz aan Hoppenbrouwers opgedragen werk ging. Willemsz heeft de opdrachten in geval van koperskeuzes niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Daartoe acht de rechtbank het volgende redengevend. De facturen zijn voorzien van vele gespecificeerde bijlagen met betrekking tot de koperskeuzes. Hoppenbrouwers heeft aangevoerd dat Willemsz de meerwerkfacturen aan de kopers zal hebben gefactureerd en betaald zal hebben gekregen. Willemsz heeft dit niet weersproken zodat vaststaat dat Willemsz de door Hoppenbrouwers voor koperskeuzes opgevoerde materialen en werkzaamheden aan haar klanten in rekening heeft gebracht. Van het ontbreken van een opdracht door de koper aan Willemsz en van Willemsz aan Hoppenbrouwers zal dan geen sprake zijn. Ook de omstandigheid dat Willemsz voorstelt € 100.000,- te betalen voor meerwerkfacturen om ervan af te zijn (productie 7 bijlage 3 van Hoppenbrouwers) brengt mee dat van Willemsz in het kader van haar betwisting meer is te vergen dan zij in deze procedure heeft gedaan. Dat Hoppenbrouwers geen schriftelijke opdrachten in geval van koperskeuzes heeft overgelegd staat in de omstandigheden van dit geval niet aan het aannemen van meerwerkopdrachten in de weg. De uitvoering van de overeenkomsten in de praktijk door partijen op dit punt is hier doorslaggevend. De discussie over de meerwerkfacturen in geval van koperskeuzes gaat in de kern over de hoogte ervan. Dat blijkt ook uit de omstandigheid dat Willemsz betoogt dat die facturen grond bieden voor haar vordering vanwege minderwerk.
4.5.4.
Over de wijze van factureren van meer- en minderwerk overweegt de rechtbank het volgende. Hoppenbrouwers heeft de wijze van verrekening gemotiveerd uitgelegd, zoals hierboven is weergegeven. De discussie tussen partijen over netto meerwerk-netto minderwerk verrekening of bruto meerwerk-netto minderwerk verrekening acht de rechtbank van ondergeschikt belang. Het gaat niet om de duiding van de verrekeningswijze. Het gaat om de vraag of de door Hoppenbrouwers gestelde feiten en omstandigheden de conclusie rechtvaardigen dat de door haar bestendig gehanteerde werkwijze onderdeel is (geworden) van de overeenkomsten tussen partijen. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is. Een bestendige of gebruikelijke werkwijze tussen partijen is een sterk aanknopingspunt om de rechten en verplichtingen tussen partijen vast te stellen. Hoppenbrouwers heeft onweersproken gesteld dat Willemsz in het verleden de op de door Hoppenbrouwers gehanteerde berekeningswijze gebaseerde meerwerkfacturen heeft betaald. Het gebrek aan protest indertijd biedt steun aan de stelling van Hoppenbrouwers dat partijen een gebruikelijke werkwijze op dit punt hebben en dat er geen andersluidende contractuele afspraak geldt. Die handelwijze heeft Hoppenbrouwers ook voor de nu door haar gevorderde meerwerkfacturen koperskeuzes toegepast. De uitvoering van de overeenkomsten in de praktijk door partijen is ook op dit punt hier doorslaggevend. Behoudens de in de vermindering van eis van Hoppenbrouwers tot uitdrukking gebrachte onjuist in rekening gebrachte meerwerken tot een bedrag van € 4.865,44 zijn de meerwerkfacturen koperskeuzes dan ook in beginsel terecht gevorderd door Hoppenbrouwers.
4.5.5.
Wat betreft het project [plaats 3] stelt Hoppenbrouwers dat de bij productie 6 gevoegde factuur van 28 februari 2024 van € 89.324,60 grotendeels facturen voor koperskeuzes betreft die Willemsz ten onrechte afwijst. Hoppenbrouwers stelt dat de werkwijze wat betreft factureren van het meerwerk ook voor deze koperskeuzes was zoals Willemsz die wilde. Willemsz voert aan dat ze deze factuur niet heeft gehad. Op de stelling van Hoppenbrouwers dat Willemsz inmiddels de factuur heeft, heeft Willemsz niet meer gereageerd. Willemsz betoogt dat Hoppenbouwers niet aan haar stelplicht heeft voldaan en verwijst verder naar haar verweer met betrekking tot de facturen voor koperskeuzes en de overige meerwerkfacturen.
De rechtbank verwijst voor deze meerwerkfactuur voor koperskeuzes naar hetgeen zij hierboven heeft overwogen. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van meerwerk dat door Willemsz is aanvaard gelet op de bestendige handelwijze van partijen. De vordering is onderbouwd met een factuur met bijgevoegde specificatie van het meerwerk. Het bedrag van € 82.778,51 aan meerwerk koperskeuzes is Willemsz in beginsel verschuldigd.
4.5.6.
Het voorgaande geldt voor de projecten [plaats 3] , [project 2] , [plaats 8] en [plaats 7] waarop deze vordering ziet.
4.5.7.
Uit het voorgaande volgt dat het wat betreft meerwerkfacturen koperskeuzes voor het project [plaats 3] gaat om € 119.329,85 en om € 82.778,51, voor het [project 2] om € 13.987,95, voor het project [plaats 8] om € 36.152,95 en voor het project [plaats 7] om € 24.247,26. Willemsz is voor meerwerkfacturen koperskeuzes in beginsel in totaal een bedrag van € 276.496,52 verschuldigd.
Overige meerwerkfacturen
4.6.
Naar aanleiding van de overige meerwerkfacturen (deels koperskeuzes) overweegt de rechtbank het volgende. Het gaat om de projecten [plaats 3] , [project 2] , [plaats 8] en [plaats 2] .
[plaats 3]
4.6.1.
Hoppenbrouwers verwijst voor de diverse facturen die tot het totaalbedrag leiden naar productie 6 en de daarachter gevoegde facturen en specificaties.
Voor factuur [nummer 2] (aansluiting water en riool berging) van € 813,91 stelt Hoppenbrouwers dat de opdracht van Willemsz uit productie 42a volgt. De rechtbank constateert dat dit juist is. Willemsz is deze factuur in beginsel verschuldigd.
Voor factuur [nummer 3] (meerwerk vloerisolatie trappenhuis) van € 1.200,- stelt Hoppenbrouwers onder verwijzing naar productie 42b dat deze opdracht niet in de reguliere opdracht zit. Willemsz betwist dat het hier meerwerk betreft. De rechtbank constateert dat partijen wel hebben gediscussieerd over deze post maar dat Willemsz heeft meegedeeld Hoppenbrouwers wel te kunnen volgen en opdracht heeft verstrekt. Willemsz is deze factuur in beginsel verschuldigd.
Voor factuur [nummer 3] (meerwerk zinkwerk) van € 1.083,- stelt Hoppenbrouwers onder verwijzing naar productie 42c dat dit werk nodig was. Willemsz voert aan dat dit werk al in de opdracht zat en er geen opdracht voor meerwerk is. De rechtbank constateert dat in deze productie geen schriftelijk akkoord van Willemsz is te zien, hetgeen voor deze post, niet zijnde koperskeuzes, op grond van overeenkomst is vereist. Deze factuur is Willemsz niet verschuldigd.
Voor factuur [nummer 4] (vloerverwarming aanpassen) van € 575,- stelt Hoppenbrouwers dat uit productie 42d de opdracht kan blijken. Willemsz betwist dat dit werk meerwerk is. De rechtbank constateert dat Willemsz akkoord heeft gegeven voor dit ‘klein meerwerk’. Willemsz is deze factuur in beginsel verschuldigd.
Voor factuur [nummer 5] (verplaatsen buiten deel) van € 682,50 stelt Hoppenbrouwers dat uit productie 42e de opdracht kan blijken. Willemsz voert aan dat deze werkzaamheden door toedoen van Hoppenbrouwers zelf noodzakelijk waren. De rechtbank constateert dat Willemsz opdracht heeft verstrekt voor het verplaatsen van het buitendeel van de warmtepomp naar de berging. Willemsz is deze factuur in beginsel verschuldigd. Dat geldt ook voor factuur [nummer 6] van € 682,50 nu de beide facturen het totaal van de meerwerkprijs betreffen.
Voor factuur [nummer 7] (verplaatsen buitenkraan) van € 190,- stelt Hoppenbrouwers dat de opdracht blijkt uit de achter productie 6 gevoegde emailcorrespondentie. Willemsz betwist dat van meerwerk sprake is. De rechtbank constateert dat partijen hebben gediscussieerd over deze post maar dat Willemsz akkoord heeft gegeven voor deze meerwerkpost. Willemsz is deze factuur in beginsel verschuldigd. Dat geldt ook voor factuur [nummer 8] van € 190,- nu de beide facturen het totaal van de meerwerkprijs betreffen.
[project 2]
4.6.2.
Hoppenbrouwers verwijst naar productie 7 voor het overzicht van de meerwerkfacturen en naar productie 21 voor de onderbouwing van het meerwerkwerk van in totaal € 13.987,95 exclusief btw, waarbij zij voor de onderbouwing van het meerwerk met betrekking tot het aanpassen van de airco specifiek naar productie 54 verwijst. Willemsz voert aan dat er geen onderbouwing voor het meerwerk is. Wat betreft de airco betoogt Willemsz dat dit werk al in de oorspronkelijke opdracht zit.
De rechtbank constateert dat de inhoud van de meerwerken blijkt uit de gespecificeerde facturen achter productie 7. Daaruit blijkt dat Willemsz aanvankelijk enkele meerwerkposten akkoord heeft bevonden en na nadere specificatie door Hoppenbrouwers akkoord heeft gegeven voor de lijst van 23 februari 2021 van Hoppenbrouwers minus enkele posten. Wat betreft het meerwerk met betrekking tot de airco verwijst Hoppenbrouwers in productie 54 naar een offerte van begin maart 2021. Deze ontbreekt zodat de rechtbank niet kan controleren of Willemsz voor deze post akkoord heeft gegeven, hetgeen nodig is op grond van de overeenkomst. Willemsz is deze post van € 2.603,50 niet verschuldigd. Voor het overige is Willemsz deze facturen in beginsel wel verschuldigd.
[plaats 8]
4.6.3.
Hoppenbrouwers stelt onder verwijzing naar productie 10 dat Willemsz akkoord heeft gegeven voor het herstel van schade aan een bad. De rechtbank constateert dat Willemsz akkoord heeft gegeven de helft van de totale kosten van € 240,- te betalen. Willemsz is deze factuur van € 120,- in beginsel verschuldigd.
[plaats 2]
4.6.4.
Hoppenbrouwers stelt dat het gaat om goedgekeurde meerwerken. Zij verwijst ter onderbouwing naar productie 4 met daarbij gevoegde gespecificeerde facturen en aanvullend naar productie 35c. Van factuur [nummer 9] van € 2.717,- heeft Willemsz € 600,- onbetaald gelaten en de overige vier meerwerkfacturen zijn geheel onbetaald gebleven. Willemsz verwijst naar productie 17 van Hoppenbrouwers ter onderbouwing van haar betwisting van deze meerwerkfacturen.
De rechtbank constateert dat Willemsz in haar achter productie 17 van Hoppenbrouwers gevoegde emailcorrespondentie discussieert over verrekening van sanitair met betrekking tot project [plaats 3] . Een gemotiveerde betwisting van de meerwerkfacturen met betrekking tot project [plaats 2] ontbreekt daar en ook overigens in de conclusies van Willemsz. Willemsz is deze meerwerkfacturen in beginsel verschuldigd.
4.6.5.
Uit het voorgaande volgt dat het wat betreft overige meerwerkfacturen voor het project [plaats 3] gaat om € 4.333,91, voor het [project 2] om € 11.384,45, voor het project [plaats 8] om € 120,- en voor het project [plaats 2] om € 7.191,67. Willemsz is voor overige meerwerkfacturen in beginsel in totaal een bedrag van € 23.030,03 verschuldigd.
Overige facturen van Hoppenbrouwers
4.7.
Naar aanleiding van de overige facturen van Hoppenbrouwers (niet zijnde koperskeuzes of ander meerwerk) overweegt de rechtbank het volgende. Het gaat om de projecten [plaats 2] , [plaats 1] I en [plaats 1] II.
[plaats 2]
4.7.1.
Hoppenbrouwers stelt dat zij aan de [naam 8] schade onder garantie heeft hersteld. Hoppenbrouwers vordert € 23.656,24 exclusief btw. Zij verwijst voor een specificatie en correspondentie naar producties 19 en 54. Hoppenbrouwers stelt dat de door Willemsz afgesloten CAR-verzekering dekking biedt voor deze schadepost. Hoppenbrouwers voert aan dat zij uit coulance de schade bij haar eigen aansprakelijkheidsverzekeraar heeft gedeclareerd en dat deze € 27.500,- heeft uitgekeerd na expertise van [naam 6] . Omdat haar kosten van herstel € 51.156,24 bedragen (productie 57), resteert € 23.656,24. Volgens Hoppenbrouwers heeft Willemsz destijds toegezegd deze schade bij haar CAR-verzekeraar te melden. Willemsz betwist de toezegging en acht de vordering niet deugdelijk gemotiveerd.
De rechtbank ziet in de producties van Hoppenbrouwers geen onderbouwing van enige toezegging van Willemsz. Ook overigens acht de rechtbank de stellingen van Hoppenbrouwers niet toereikend. Hoppenbrouwers beroept zich erop dat de CAR-verzekering van Willemsz dekking biedt in geval van aansprakelijkheid voor schade waar het hier om gaat. Zij heeft echter gesteld dat zij haar schade bij haar eigen aansprakelijkheidsverzekeraar heeft gemeld en dat na expertise € 27.500, - van de door haar gestelde schade is vergoed. Willemsz is jegens Hoppenbrouwers aansprakelijk indien Hoppenbrouwers gemotiveerd stelt dat indien Willemsz de schade bij haar CAR-verzekeraar had gemeld die verzekeraar het door haar eigen verzekeraar niet gehonoreerde bedrag wel zou hebben uitgekeerd. De rechtbank ziet dit niet gemotiveerd in de stellingen van Hoppenbrouwers en ook niet in haar producties. Willemsz is deze post niet verschuldigd.
De vordering van Hoppenbrouwers tot ‘herstel van diverse schades’ van € 246,- is geheel niet van een motivering voorzien. Willemsz is deze post niet verschuldigd.
[plaats 1] I
4.7.2.
Hoppenbrouwers stelt dat zij met Willemsz na correspondentie daarover de afspraak heeft gemaakt dat Willemsz de kosten van een geurhinderonderzoek zou betalen als de klacht van de bewoner onterecht zou blijken te zijn. De klacht is ongegrond waarna Hoppenbrouwers aan Willemsz de helft van de kosten, € 625,- in rekening heeft gebracht. Willemsz heeft dit betwist. Zij voert aan dat ze aan Hoppenbrouwers had meegedeeld dat Hoppenbrouwers het onderzoek alleen mocht laten verrichten als de opdrachtgever van Willemsz eerst aan Hoppenbrouwers had toegezegd dat hij de kosten zou dragen. Hoppenbrouwers is echter zonder die toezegging met het onderzoek gestart.
De rechtbank constateert dat Hoppenbrouwers geen correspondentie in het geding heeft gebracht terwijl zij zich daar wel op baseert. De rechtbank constateert ook dat Hoppenbrouwers bij CVR/CVA niet is ingegaan op deze post. Gelet op de gemotiveerde betwisting van Willemsz was dat wel van haar te vergen. Deze post ontbeert een deugdelijke grondslag. Willemsz is deze post niet verschuldigd.
[plaats 1] II
4.7.3.
Hoppenbrouwers stelt dat zij schade aan een badmeubel heeft hersteld (vervangen) die door een schoonmaker is veroorzaakt die waarschijnlijk in opdracht van Willemsz aan het werk was. Voor de onderbouwing van de vordering verwijst Hoppenbrouwers naar productie 23. Willemsz betwist dat uit de vraag van Willemsz in de correspondentie achter productie 23 een meerwerkopdracht of de toezegging dat zij kosten zou vergoeden aan Hoppenbrouwers kan worden afgeleid.
De rechtbank constateert dat Willemsz bij emailbericht van 29 september 2021 aan de bewoner meldt dat de schade niet op de opleverlijst staat. Voorts geeft Willems aan de bewoner aan, met cc aan [naam 3] en Hoppenbrouwers, dat [naam 3] het meubel in opdracht moet nemen. Hoppenbrouwers voert terecht aan dat hiermee aan haar opdracht is verstrekt nu [naam 3] de partij is die steeds door Hoppenbrouwers werd ingeschakeld voor levering van badkamermateriaal en Hoppenbrouwers en [naam 3] in de cc zijn gezet door Willemsz. Willemsz is deze factuur in beginsel verschuldigd.
4.7.4.
Willemsz is voor overige facturen van Hoppenbrouwers in beginsel in totaal een bedrag van € 1.000,- verschuldigd.
Conclusie vorderingen in conventie van Hoppenbrouwers
4.8.
Hoppenbrouwers heeft in beginsel een vordering in verband met onbetaald gelaten facturen van in totaal € 358.044,05 op Willemsz. Wat betreft de door Hoppenbrouwers gevorderde rente over de factuurbedragen overweegt de rechtbank het volgende. Hoppenbrouwers vordert de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW. Hoppenbrouwers dient daarom feiten te stellen die de rechtbank aanknopingspunten bieden deze vordering deugdelijk te achten. Hoppenbrouwers stelt primair dat de betalingstermijnen op de facturen fatale termijnen zijn zodat Willemsz zonder ingebrekestelling in verzuim verkeert. Hoppenbrouwers stelt subsidiair dat Willemsz ondanks herhaalde aanmaningen in gebreke is gebleven met betaling en daarom in verzuim verkeert. De rechtbank overweegt dat voor de verschuldigdheid van wettelijke handelsrente geen verzuim is vereist. Hoppenbrouwers heeft geen deugdelijke feitelijke motivering gegeven voor haar vordering tot betaling van wettelijke handelsrente, terwijl de rechtbank die niet zelf mag geven. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of betaling van ‘gewone’ wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijsbaar is. Daarvoor is wel verzuim vereist. Hoppenbrouwers stelt dat daarvan sprake is. Hoppenbrouwers motiveert niet dat sprake is van fatale termijnen. Dit is wel van haar te vergen nu de vermelding op de facturen ‘gaarne betalen binnen 30 dagen’ niet duidt op fatale termijnen. Ook de subsidiaire stelling is niet nader gemotiveerd door het noemen van aanmaningen of sommaties. In de brief van 16 januari 2024 (productie 17), waarin Willemsz wordt gesommeerd het gehele in deze procedure gevorderde bedrag te betalen, is evenmin enige eerdere concrete aanmaning of sommatie genoemd. Ook bevat deze brief geen termijn voor betaling. De brief van 9 februari 2024 voldoet wel aan alle eisen voor een ingebrekestelling hetgeen meebrengt dat Willemsz vanaf 16 februari 2024 in verzuim verkeert. Vanaf die datum is Willemsz in beginsel wettelijke rente over enig toe te wijzen bedrag verschuldigd.
De vorderingen in reconventie van Willemsz tevens verweren in conventie tot opschorting, betaling en/of verrekening en het beroep op opschorting van Hoppenbrouwers
4.9.
De verweren van Willemsz in conventie betreffen een beroep op opschorting en een beroep op verrekening. In reconventie vordert Willemsz betaling van Hoppenbrouwers van minderwerk en schadevergoeding.
Aan het beroep op opschorting ligt ten grondslag dat Hoppenbrouwers tekort is geschoten in de nakoming van op grond van de overeenkomsten tussen partijen op Hoppenbrouwers rustende verbintenissen. Het gaat om de verbintenis tot het verstrekken van garantie- en revisiestukken (voor de nog niet op dit punt door de rechtbank beoordeelde projecten) en de verbintenis tot het verrichten van deugdelijk werk/herstel van gebreken. Aan het beroep op opschorting ligt ook ten grondslag dat Hopenbrouwers vorderingen tot betaling van minderwerk en schadevergoeding van Willemsz ten onrechte onbetaald laat. Dit laatste ligt ook ten grondslag aan het beroep op verrekening.
4.10.
De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de beoordeling in conventie dat Willemsz geen vordering tot betaling van minderwerk met betrekking tot het door Hoppenbrouwers gefactureerde meerwerk heeft. De rechtbank heeft geoordeeld dat de wijze van berekening door Hoppenbrouwers is zoals partijen dat zijn overeengekomen.
Wat betreft de gestelde minderwerken ML1 (verdelers), 2 (vloerslangen) en 3 (uitstortgootsteen) overweegt de rechtbank het volgende. Willemsz stelt dat de rechtbank in een vonnis van 28 augustus 2024 in een zaak tussen Willemsz en haar opdrachtgever (Crossing Borders) heeft beslist dat op voormelde drie punten sprake is van minderwerk. Hieraan verbindt Willemsz de gevolgtrekking dat zij op grond van haar overeenkomsten met Hoppenbrouwers een vordering tot betaling van minderwerk op Hoppenbrouwers heeft. Gesteld noch gebleken is dat deze vorderingen, als zij op een deugdelijke grondslag zouden zijn gebaseerd, eerder zijn ontstaan dan op grond van het vonnis van de rechtbank. Destijds is geen minderwerk(prijs) overeengekomen; daarover ontbreken stellingen of anderszins aanknopingspunten. Feitelijk is dan sprake van een gedeeltelijke opzegging van de overeenkomst na voormeld vonnis, hetgeen resulteert in een vordering op grond van onverschuldigde betaling. Waar deze vorderingen - als zij juist zijn - zijn ontstaan na 28 augustus 2024 doet Hoppenbrouwers terecht een beroep op opschorting omdat zij op dat moment al een zeer grote vordering op Willemsz had die Willemsz ten onrechte onbetaald laat.
Dit betekent dat de vordering van Willemsz tot betaling van minderwerk van in totaal € 158.518,20 niet toewijsbaar is. Deze vordering kan niet aan een beroep op opschorting of verrekening ten grondslag worden gelegd.
4.11.
Wat betreft de vordering tot het verstrekken van garantie- en revisiestukken overweegt de rechtbank het volgende. Uit de inhoud van de overeenkomsten, voor zover de rechtbank die in conventie heeft kunnen vaststellen, volgt niet dat partijen zijn overeengekomen dat Hoppenbrouwers garantie- en revisiestukken dient te verstrekken, behoudens voor het project [plaats 2] . Voor dat project heeft Hoppenbrouwers echter onweersproken aangevoerd onder verwijzing naar productie 60 dat de desbetreffende stukken met de opleveringsmap zijn verstrekt. Ook voor andere projecten heeft Hoppenbrouwers onder verwijzing naar producties 28, 59 en 61 aangevoerd dat zij deze stukken heeft verstrekt. Op dit moment ten overvloede, maar voor zover alsnog zou kunnen worden vastgesteld dat op Hoppenbrouwers de verbintenis tot het verstrekken van deze stukken rust, overweegt de rechtbank het volgende. Willemsz stelt dat Hoppenbrouwers voor geen enkel project garantie-en revisiestukken heeft verstrekt. Dat is gelet op het voorgaande evident onjuist. Voor het project [plaats 2] heeft Willemsz de opleveringsfactuur betaald. Hoppenbrouwers heeft gesteld dat zij voor de projecten stukken heeft verstrekt, dat na de opleveringen die al van geruime tijd terug dateren nooit is geklaagd over het ontbreken van stukken en dat dit wel in de rede had gelegen indien stukken werden gemist. De blote stelling van Willemsz dat bij geen van de projecten de garantie- en revisiestukken zijn verstrekt is in dat licht ontoereikend. Het had op de weg van Willemsz gelegen c.q. ligt in haar domein, om haar blote stelling bijvoorbeeld met verklaringen van bewoners te onderbouwen. Een grond voor opschorting op dit punt is er niet.
4.12.
Wat betreft de vordering tot herstel van gebreken/deugdelijke nakoming en de daaraan gekoppelde vordering tot schadevergoeding overweegt de rechtbank het volgende.
4.12.1.
Hoppenbrouwers werpt Willemsz een overeenkomst van februari 2023 tegen (producties 22 en 39). Hoppenbrouwers betoogt dat met betrekking tot klachten van Willemsz over de in die overeenkomst betrokken projecten partijen elkaar finale kwijting hebben verleend zodat Willemsz geen aanspraak meer kan maken jegens Hoppenbrouwers op herstel van klachten/gebreken. De rechtbank ziet in de bewoordingen van voormelde producties niet dat sprake is van finale kwijting in die zin dat Willemsz geen andere klachten/gebreken meer aan Hoppenbrouwers kan tegenwerpen. Hoppenbrouwers heeft de rechtbank ook in haar stellingen geen aanknopingspunten voor de door haar voorgestane uitleg gegeven.
4.12.2.
Willemsz stelt dat de klachten/gebreken GL1, GL3, GL4 en GRM1 meebrengen dat zij al opeisbare vorderingen op Hoppenbrouwers had voordat Hoppenbrouwers opeisbare vordering op Willesmz kreeg. Wat betreft de waterschade aan het project [plaats 2] (GL1) stelt Willemsz dat niet alleen Hoppenbrouwers herstelwerkzaamheden heeft verricht (de rechtbank heeft in conventie de vordering van Hoppenbrouwers op Willemsz - de kwestie CAR-verzekering - afgewezen), maar ook Willemsz. Willemsz stelt dat zij een hoger bedrag aan herstelkosten heeft gemaakt, namelijk € 91.809,-, dan dat zij van haar verzekeraar vergoed heeft gekregen en dat Hoppenbrouwers het meerdere als schadevergoeding aan haar dient te betalen. Willemsz stelt onder verwijzing naar een e-mailbericht van 21 oktober 2021 van haar tussenpersoon aan Hoppenbrouwers (productie 9) dat onderzoek van Top Expertise uitwees dat constructiefouten van Hoppenbrouwers de oorzaak van de lekkages zijn, dat de polis van Willemsz dekking biedt voor het herstellen van een materiele schade en dat die kosten door Top Expertise werden vastgesteld op € 58.449,-. Hoppenbrouwers betwist dat de schade door haar is veroorzaakt en zij betwist dat Willemsz schade heeft geleden. De rechtbank overweegt hier, zoals zij dat ook ten aanzien van de vergelijkbare vordering van Hoppenbrouwers deed, dat waar de verzekering volgens voormelde e-mail de materiele schade als gevolg van de lekkages dekt het aan Willemsz is de motiveren dat de redelijke kosten van herstel van de materiele schade hoger zijn dan de verzekeringsexpert heeft vastgesteld. Dat heeft Willemsz na de betwisting van Hoppenbrouwers niet gedaan. Het overleggen van een kostenoverzicht is in het licht van de begroting van Top Expertise niet toereikend. De vordering tot schadevergoeding ontbeert een deugdelijke grondslag.
Wat betreft punt GL3 heeft Hoppenbrouwers in reactie op het gestelde gebrek aangevoerd dat zij daar waar nodig al terugstroombeveiliging heeft aangebracht. Willemsz heeft hier daarna niet meer op gereageerd. Bovendien ontbreekt een aanknopingspunt in de stukken voor het oordeel dat als wel sprake is van een gebrek dit gebrek eerder aan Hoppenbrouwers is tegengeworpen dan de vorderingen van Hoppenbrouwers ontstonden.
Wat betreft punt GL4 heeft Hoppenbrouwers in reactie op het gestelde gebrek aangevoerd dat dit punt haar onbekend is. Het ontbreekt de rechtbank aan een aanknopingspunt in de stukken voor het oordeel dat als wel sprake is van een gebrek dit gebrek eerder aan Hoppenbrouwers is tegengeworpen dan de vorderingen van Hoppenbrouwers ontstonden.
Wat betreft punt GRM1 (onjuiste ligbaden) stelt Willemsz dat Hoppenbrouwers de ligbaden niet op juist afschot had aangebracht en dat Willemsz dat heeft hersteld en op 20 januari 2021 een factuur daarvoor aan Hoppenbrouwers heeft gestuurd (productie 99a) van € 6.284,46 exclusief btw. Hoppenbrouwers betoogt dat de vordering is verjaard en acht de herstelkosten niet onderbouwd. De rechtbank acht dit geen toereikende betwisting nu de factuur beschikbaar is. Hoppenbrouwers beroept zich op opschorting maar alleen haar factuur van 1 januari 2021 (productie 4 met betrekking tot [plaats 2] ) van € 2.717,54 is eerder opeisbaar. Dat rechtvaardigt geen algehele opschorting waarop Hoppenbrouwers zich beroept. Willemsz kan dit bedrag van € 6.284,46 exclusief btw verrekenen nu verjaring niet in de weg staat aan verrekening.
4.13.
Wat betreft de vordering tot herstel van gebreken/deugdelijke nakoming en de daaraan gekoppelde vordering tot schadevergoeding overweegt de rechtbank voorts het volgende.
4.13.1.
Willemsz stelt dat Hoppenbrouwers bij meerdere projecten heeft verzuimd naar aanleiding van klachten gebreken te herstellen en alsnog deugdelijk haar verbintenis tot het verrichten van werkzaamheden na te komen. Hoppenbrouwers beroept zich op opschorting. De rechtbank acht dit beroep terecht. Tussen de vorderingen over en weer in deze zaak bestaat voldoende samenhang als bedoeld in artikel 6:52 BW nu het hier gaat om tussen partijen in korte tijd achter elkaar gesloten overeenkomsten van dezelfde aard als het gaat om de over en weer te verrichten prestaties. Willemsz heeft niet gesteld dat een of meer van de door haar gestelde gebreken bij oplevering als opleverpunt zijn gemeld. Dit betekent dat zij na de oplevering zijn gemeld. Dat kan wanneer geen sprake is van gebreken die bij oplevering redelijkerwijs niet konden worden ontdekt. De klachten over gebreken dateren van 2023/2024 voor [plaats 2] , van december 2022/begin 2023 voor [plaats 7] , van december 2022/2023/2024 voor [plaats 3] , van juni 2023 voor [project 2] , van november 22/23/24 voor [plaats 8] en van juli 2023 voor [plaats 9] . Uit de datering van de bij de dagvaarding als producties gevoegde termijn- opleverings- en meerwerkfacturen volgt dat er voor november/december 2022 al de nodige facturen opeisbaar waren die Willemsz onbetaald liet, hetgeen opschorting van eventuele herstelverplichtingen vanwege meldingen in november/december 2022 rechtvaardigt. Daaruit volgt ook dat veel facturen, voor een groot bedrag, dateren van eind 2022 hetgeen opschorting van de eventuele herstelverplichtingen vanwege meldingen daarna rechtvaardigt. Met het verder voortschrijden van de facturering, die onbetaald bleef, liep de vordering van Hoppenbrouwers op, waarmee haar beroep op opschorting in verband met klachten geuit in 2023 en 2024 wordt gerechtvaardigd. Het gevolg hiervan is dat Willemsz geen vordering tot herstel/nakoming op Hoppenbrouwers geldend kan maken en dat zij daarmee ook geen vordering tot schadevergoeding van € 203.415,78 vanwege gesteld door haar verrichte herstelwerkzaamheden geldend kan maken.
4.13.2.
Het voorgaande geldt ook voor de in de vordering afzonderlijk opgenomen gestelde gebreken GT3, GR13, GW1 en GR14, gelet op de data waarop deze gestelde gebreken volgens Willemsz bekend zijn gemaakt.
4.13.3.
Het is daarom ten overvloede dat de rechtbank het volgende overweegt. Partijen hebben in februari 2023 naar aanleiding van klachten van Willemsz over gebreken een regeling getroffen waarbij Hoppenbrouwers € 20.000,- aan Willemsz betaalde. De rechtbank ziet voorts niet verklaard waarom in de correspondentie over die regeling geen melding wordt gemaakt van alle gebreken die nu in deze procedure wel worden gesteld. De correspondentie in oktober 2023 maakt geen melding van de vele in deze procedure gestelde gebreken. Evenmin ziet de rechtbank in de brief van de rechtsbijstandverlener van Willemsz van 8 maart 2024 een aanknopingspunt dat er volgens Willemsz, behalve de enkele in die brief vermelde gebreken, zoveel gebreken speelden als Willems nu in deze procedure stelt. Voorts valt op dat vele gestelde gebreken over lekkages gaan die gelet op de daarbij genoemde data dan tot heden al vele jaren zouden zijn blijven bestaan. Ook voor andere punten noopt de aard van het gestelde gebrek tot een motivering dat het desbetreffende gebrek ook nu bestaat. Die ontbreekt. Wat betreft de aan de gebreken dor Willemsz gekoppelde vordering tot betaling van schadevergoeding is verzuim vereist. Willemsz heeft hieraan geen aandacht besteed. Wat betreft de onderbouwing van de hoogte van de gestelde schade c.q. door Willemsz gestelde herstelkosten geldt dat de uurtarieven en de uren die volgens Willemsz per gebrek aan de orde zijn opvallend hoog c.q. veel zijn. Dat noopt tot een deugdelijke onderbouwing van de schade. Die ontbreekt.
4.14.
Met betrekking tot de gestelde cessie van een vordering van [naam 5] van € 4.511,44 aan Willemsz overweegt de rechtbank het volgende. [naam 5] heeft op 25 augustus 2022 een factuur van € 20.613,36 aan Willemsz gestuurd voor verricht meer- en minderwerk (productie 151). Willemsz stelt dat [naam 5] een aantal van de gefactureerde werkzaamheden in opdracht van Hoppenbrouwers heeft verricht of door toedoen van Hoppenbrouwers heeft moeten verrichten. Willemsz stelt dat [naam 5] haar vordering op Hoppenbrouwers voor een bedrag van € 4.511,44 heeft gecedeerd aan Willemsz (nummer 74 akte van 4 april 2025). Hoppenbrouwers heeft de vordering betwist en ook dat cessie heeft plaatsgehad. De rechtbank constateert dat Willemsz vervolgens de cessie niet heeft onderbouwd met een schriftelijke akte van cessie, hetgeen noodzakelijk is en hetgeen zij eenvoudig had kunnen doen indien deze akte is opgemaakt. Het gevolg is dat deze vordering wordt afgewezen reeds omdat de cessie niet vaststaat.
4.15.
Uit voorgaande beoordeling volgt dat Willemsz een bedrag van € 6.284,46 exclusief btw kan verrekenen met de vordering van Hoppenbrouwers in conventie en dat, na deze verrekening, de vordering van Willemsz in reconventie moet worden afgewezen.
4.16.
De slotsom is dat de vordering van Hoppenbrouwers toewijsbaar is voor een bedrag van € 351.759,59 te vermeerderen met wettelijke rente conform het in 4.8. overwogene.
4.17.
De verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten is niet bestreden. Conform de geldende staffel en gelet op de toewijsbare hoofdsom begroot de rechtbank die die door Willemsz te betalen kosten op € 3.533,80.
4.18.
Hoppenbrouwers vordert Willemsz te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 313,92 voor kosten deurwaardersexploten, € 688,00 voor griffierecht en € 2.885,00 voor salaris advocaat (1,0 punt × € 2.885,00), totaal € 3.886,92.
4.19.
Willemsz is in conventie en in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Hoppenbrouwers in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,22
- griffierecht
€
5.929,00
- salaris advocaat
€
8.655,00
(3 punten × € 2.885,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
14.888,22
De proceskosten van Hoppenbrouwers in reconventie worden begroot op € 4.327,50 aan salaris advocaat.
Wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten is toewijsbaar op de wijze als hierna in het dictum vermeld, wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW niet.
5De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat Willemsz toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomsten tussen Hoppenbrouwers en
Willemsz door de uit die overeenkomsten c.q. rechtsverhouding tussen partijen voortvloeiende betalingsverplichting niet na te komen;
5.2.
veroordeelt Willemsz tot betaling aan Hoppenbrouwers, binnen veertien dagen na
betekening van het vonnis, van een bedrag van € 351.759,59, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 16 februari 2024 tot de dag van algehele betaling;
5.3.
veroordeelt Willemsz tot betaling aan Hoppenbrouwers, binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, van een bedrag van € 3.533,80 aan buitengerechtelijke incassokosten;
5.4.
veroordeelt Willemsz in de proceskosten van Hoppenbrouwers van € 14.888,22 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Willemsz niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt Willemsz tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in reconventie
5.6.
wijst de vorderingen af;
5.7.
veroordeelt Willemsz in de proceskosten van Hoppenbrouwers van € 4.327,50;
5.8.
veroordeelt Willemsz tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in conventie en in reconventie;
5.9.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Geloven en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.