Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7804

2026-07-17 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/443781 / FA RK 26-105
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-17
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/443781 / FA RK 26-105
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Meerderjarigenadoptie. Ruime invulling verzorgingstermijn. Zeer bijzondere omstandigheden. Verschoonbare termijnoverschrijding.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (25.039 tekens)
beschikking




RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT




Team Familie- en Jeugdrecht



Zittingsplaats: Breda



Zaaknummer: C/02/443781 / FA RK 26-105
Datum uitspraak: 17 juli 2026




Beschikking over adoptie


in de zaak van





[pleegouder 1] en [pleegouder 2],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. E.P.J. Appelman uit Alkmaar.



De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbende aan:





[de vrouw]
, geboren op [geboortedag 1] 1988 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [woonplaats].






1Het procesverloop


1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:


het op 8 januari 2026 ontvangen verzoekschrift, met producties 1 t/m 19;


het F9-formulier van mr. Appelman van 20 januari 2026, met productie 20;


het F9-formulier van mr. Appelman van 31 maart 2026, met productie 21;


het F9-formulier van mr. Appelman van 17 april 2026, met productie 22.





1.2.
Op 23 juni 2026 heeft de rechtbank het verzoek, met gesloten deuren, mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting zijn verschenen en gehoord:


de pleegouders, bijgestaan door mr. Appelman;


de vrouw.





1.3.
De rechtbank heeft daarnaast, met instemming van alle aanwezigen, bijzondere toestemming verleend aan de partner van de vrouw om de zitting als toehoorder bij te wonen.





2De feiten


2.1.
De vrouw is op [geboortedag 1] 1988 in [geboorteplaats 1] geboren als dochter van [de moeder] (hierna te noemen: de moeder).



2.2.
Op de geboorteakte van de vrouw staat alleen de moeder als ouder vermeld.



2.3.
De moeder is op [datum 1] 2008 overleden.



2.4.
De biologische vader van de vrouw is niet betrokken geweest in het leven van de vrouw. Hij is in 2019 overleden.



2.5.
De vrouw is op [geboortedag 1] 2006 meerderjarig geworden.



2.6.
De pleegouders zijn sinds [datum 2] 1990 met elkaar getrouwd. Uit de ambtshalve door de rechtbank geraadpleegde uittreksels van de pleegouders uit de Basisregistratie personen (Brp) blijkt dat zij sinds 20 september 1988 aaneengesloten op dezelfde adressen staan ingeschreven bij de gemeente.



2.7.
De pleegouders en de vrouw hebben de Nederlandse nationaliteit en zij wonen en hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland. De moeder had op het moment van haar overlijden de Nederlandse nationaliteit en woonde en had haar gewone verblijfplaats in Nederland.





3Het verzoek


3.1.
De pleegouders verzoeken om de adoptie van de vrouw door de pleegouders uit te spreken.



3.2.
Op de standpunten van partijen zal de rechtbank hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, ingaan.





4De beoordeling door de rechtbank



Wat zegt de wet?




4.1.
Op grond van artikel 1:227, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) geschiedt adoptie door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen tezamen of op verzoek van één persoon alleen. De rechtbank overweegt dat het verzoek op grond van artikel 1:227, derde lid BW vervolgens slechts alleen kan worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang is van het kind en op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1:228 BW, wordt voldaan.



4.2.
Op grond van artikel 1:228, eerste lid BW dient voorts aan de navolgende voorwaarden voor adoptie te worden voldaan:


dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaar of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken;


het kind niet een kleinkind van een adoptant is;


dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind is;


at geen der ouders het verzoek tegenspreekt;


dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt;


dat de adoptant of de adoptanten het kind gedurende ten minste een jaar heeft of hebben verzorgd en opgevoed;


dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben.






Inleiding





4.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.



4.4.
De vrouw is toen zij ongeveer vier jaar oud was, uit huis geplaatst omdat haar moeder vanwege persoonlijke problematiek niet meer voor haar kon zorgen. De vrouw heeft gedurende haar minderjarigheid in verschillende pleeggezinnen en in andere, gezinsgerichte settingen verbleven. De vrouw en de pleegouders kennen elkaar sinds 1997. De vrouw was op dat moment negen jaar oud. Om het pleeggezin waar de vrouw op dat moment verbleef te ontlasten, verbleef de vrouw in eerste instantie tijdens een deel van de weekenden bij de pleegouders. In de jaren daarna heeft de vrouw veel verdriet en ellende meegemaakt. In totaal heeft zij op zeventien verschillende plekken verbleven. De pleegouders hebben op verschillende momenten aan de betrokken jeugdzorgwerkers voorgesteld dat de vrouw volledig bij hen zou worden geplaatst. De jeugdzorgwerkers hebben dit echter steeds afgehouden, omdat zij van mening waren dat de vrouw het beste in een gezinshuis kon verblijven. Deze keuze heeft voor de vrouw verkeerd uitgepakt. Telkens als de vrouw zich begon te hechten aan de gezinshuisouders en aan de andere kinderen in het gezinshuis, werd zij opnieuw verplaatst naar een andere plek. Voortdurend werden gehechtheidsrelaties verbroken, met als gevolg meerdere traumatische ervaringen voor de vrouw.



4.5.
Toen de vrouw zeventien jaar oud was, heeft er een incident plaatsgevonden tussen de vrouw en het pleeggezin waar zij toen verbleef. De pleegouders hebben op dat moment voet bij stuk gehouden en erop aangedrongen dat de vrouw volledig bij hen moet worden geplaatst. De vrouw heeft vervolgens vanaf augustus 2005 tot februari 2006 bij de pleegouders verbleven. Daarna is zij op kamertraining gegaan. Aangezien de vrouw hiervoor al op een wachtlijst stond, moest zij de overstap maken. Na de kamertraining, toen zij meerderjarig was, is de vrouw op zichzelf gaan wonen.



Kennelijk belang





4.6.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft de vrouw een zeer belaste en onveilige jeugd gehad. Zij heeft veel negatieve gebeurtenissen meegemaakt en zij is voortdurend bij andere mensen geplaatst. Gedurende haar jeugd waren de pleegouders de enige stabiele factor in haar leven. De pleegouders zijn dan ook altijd haar steun en toeverlaat geweest en in feite haar ouderfiguren, en dat zijn zij nu nog steeds. De pleegouders hebben hierover aangegeven dat zij de vrouw vanaf het moment dat zij in hun leven kwam, hebben verzorgd en opgevoed alsof zij hun eigen kind is. De pleegouders en hun familie hebben de vrouw omarmd. De buitenwereld weet niet beter dan dat de vrouw onderdeel uitmaakt van het gezin van de pleegouders. Andersom geldt dat de vrouw haar pleegouders als haar eigen ouders ziet, maar dat zij voortdurend wordt geconfronteerd met het feit dat dit op papier niet zo is.



4.7.
De vrouw heeft vorig jaar een burn-out gehad en zij kampt onder meer met een posttraumatische stressstoornis en verlatingsangst. In verband hiermee heeft zij in 2014 en in 2016 behandeling gehad. In 2025 is deze behandeling opnieuw opgestart. De rechtbank acht het, gezien de gegeven omstandigheden, aannemelijk dat het voor de verdere (identiteits)ontwikkeling van de vrouw noodzakelijk is dat zij in een familierechtelijke relatie tot haar pleegouders komt te staan, zodat zij haar verleden voor eens en altijd kan afsluiten en zij voor haar gevoel echt bij het gezin van haar pleegouders hoort. De pleegouders en de vrouw hebben daarom de vurige wens geuit dat de pleegouders de vrouw zullen adopteren. De pleegouders willen hiermee benadrukken dat de vrouw echt bij hun gezin hoort, dat zij er altijd voor de vrouw zullen zijn en dat zij altijd op hen kan terugvallen. De vrouw heeft tot slot aangegeven dat een afwijzing van het verzoek naar verwachting een enorme klap voor haar zou zijn.



4.8.
De rechtbank is, gezien het voorgaande, van oordeel dat de adoptie door de pleegouders van de vrouw in het kennelijk belang van de vrouw moet worden geacht.



Niets meer te verwachten van de moeder als ouder





4.9.
Hoewel de vrouw in verschillende periodes in haar leven sporadisch contact heeft gehad met haar moeder, stelt de rechtbank op basis van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, vast dat zij geen duurzaam contact met elkaar hebben gehad. Althans niet in die zin dat de moeder gedurende een langere periode er echt voor de vrouw is geweest als ouder en dat de moeder de verantwoordelijkheid heeft gedragen voor de verzorging en opvoeding van de vrouw als “ouder op afstand”. Gezien deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de vrouw niets meer van haar moeder als ouder te verwachten heeft. Daarbij komt dat de moeder op [datum 1] 2008 is overleden, waardoor de vrouw ook om die reden niets meer van haar moeder als ouder te verwachten heeft. De vrouw heeft ook geen contact met haar biologische familie.



Verzorgingstermijn





4.10.
De rechtbank stelt vervolgens vast, op basis van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, dat aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 1:228, eerste lid BW is voldaan, behalve aan de voorwaarde zoals genoemd sub a. en de voorwaarde genoemd sub f. Op grond van voormeld sub f. moeten de adoptanten het kind ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed (tijdens de minderjarigheid van het kind).



4.11.
De rechtbank stelt vast dat de vrouw pas toen zij zeventien jaar oud was volledig bij de pleegouders is geplaatst. Uit het ambtshalve door de rechtbank geraadpleegde uittreksel van de vrouw uit de Basisregistratie personen (Brp) blijkt dat de vrouw van augustus 2005 tot februari 2006 stond ingeschreven op het adres van de pleegouders. Daarna is de vrouw op kamertraining gegaan en (vrijwel gelijktijdig) is zij meerderjarig geworden. De vrouw heeft tijdens haar minderjarigheid dus niet ten minste een jaar volledig bij de pleegouders verbleven, waardoor de pleegouders in die zin niet ten minste gedurende een aaneengesloten jaar de feitelijke verantwoordelijkheid hebben gedragen voor de verzorging en opvoeding van de vrouw.



4.12.
De rechtbank overweegt, gezien de tekst in voormelde wettelijke bepaling, dat wordt gesproken van een verzorgingstermijn en niet van een samenlevingstermijn. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de termijn waarin de pleegouders en de vrouw daadwerkelijk hebben samengeleefd niet doorslaggevend is voor de invulling van voormelde verzorgingstermijn. Gebleken is dat de vrouw sinds zij negen jaar oud is geregeld tijdens de weekenden en tijdens een groot deel van de vakanties bij de pleegouders heeft verbleven. Zij hebben jarenlang allerlei activiteiten samen ondernomen. Bij de pleegouders thuis had de vrouw haar eigen kamer, kleren en andere spullen tot haar beschikking en de vrouw nam deel aan familieweekenden. Daarnaast is gebleken dat de pleegouders de vrouw altijd emotioneel, praktisch en financieel hebben ondersteund en dat de pleegouders werden gebeld als er iets met de vrouw aan de hand was, bijvoorbeeld als de vrouw moest worden opgehaald op het politiebureau. De pleegouders zijn tijdens een groot deel van de minderjarigheid van de vrouw dus kennelijk het eerste aanspreekpunt geweest ten aanzien van de vrouw. Hoewel de vrouw en de pleegouders dus feitelijk niet ten minste een jaar aaneengesloten fysiek in gezinsverband hebben samengeleefd, hebben de pleegouders gedurende de minderjarigheid van de vrouw wel op allerlei andere manieren de ouderrol op zich genomen, waardoor zij in die zin dus langer dan een jaar aaneengesloten de verantwoordelijkheid hebben genomen en gedragen voor de verzorging en opvoeding van de vrouw.



4.13.
De rechtbank is, gezien het voorgaande, dat wordt voldaan aan de verzorgingstermijn van ten minste een jaar zoals bepaald in voormeld artikel 1:228, eerste lid, sub f BW.



Minderjarigheidsvereiste





4.14.
Vaststaat dat de vrouw ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in deze zaak (op 8 januari 2026) 37 jaar oud en dus meerderjarig was, waardoor niet wordt voldaan aan de voorwaarde zoals bepaald in artikel 1:228, eerste lid, sub a BW.



4.15.
Gelet op richtinggevende (internationale) jurisprudentie op dit punt, ligt aan de rechtbank de vraag ter beoordeling voor of een weigering om adoptie toe te staan in dit geval een ongeoorloofde inmenging in het gezins- of familieleven of het privéleven van de pleegouders en/of de vrouw oplevert zoals bedoeld in artikel 8, leden 1 en 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), en of om die reden toepassing van artikel 1:228, eerste lid, aanhef en sub a BW achterwege dient te blijven.



4.16.
De rechtbank overweegt in dat verband als volgt. Hoewel adoptie door de wetgever primair werd gezien als een maatregel van kinderbescherming, gaat adoptie in haar effecten verder dan voor het doel van kinderbescherming vereist is. Bovendien grijpt zij in, in het afstammingsrecht en in het bijzonder waar zij familierechtelijke betrekkingen tot stand brengt tussen de adoptiefouders en hun bloed- en aanverwanten enerzijds, en het adoptiefkind en zijn of haar eventuele toekomstige echtgenoot en nakomelingen anderzijds, welke betrekkingen ook na het meerderjarig worden van het kind blijven bestaan en nog kunnen ontstaan. Daarnaast worden de familierechtelijke banden met de bestaande familieleden beëindigd. Betrokkenen kunnen bij het ontstaan van de hiervoor bedoelde familierechtelijke betrekkingen ook tijdens die meerderjarigheid nog belang hebben, ook al kan de adoptie wegens de bereikte meerderjarigheid niet meer het karakter van een maatregel van kinderbescherming hebben. De wet voorziet niet in een (andere) manier waarop die familiebanden na de bereikte meerderjarigheid nog zouden kunnen ontstaan.



4.17.
Vooropgesteld moet worden dat aan artikel 8, eerste lid EVRM geen ongeclausuleerd recht op adoptie kan worden ontleend. Dat adoptie slechts mogelijk is indien wordt voldaan aan de door de nationale wet daaraan gestelde eisen, levert dus op zichzelf bezien geen ongeoorloofde inbreuk op een door artikel 8, eerste lid EVRM beschermd recht op. Aan artikel 8, eerste lid EVRM kan wel het recht op bescherming van het gezinsleven tussen de (pleeg)ouders en een door hen in hun gezin opgenomen kind worden ontleend, maar niet het recht om dat kind te adopteren zonder dat wordt voldaan aan de door de wet in de artikelen 1:227 en 1:228 BW aan adoptie gestelde vereisten en voorwaarden (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2000, NJ 2001, 103). Die voorwaarden zijn bovendien van openbare orde. Het buiten toepassing laten van zo’n voorwaarde kan daarom slechts plaatsvinden indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen. Een tweede aspect dat van belang is, is of de termijnoverschrijding met betrekking tot het verzoek verschoonbaar is. De staat maakt immers geen ongerechtvaardigde inbreuk op het familieleven als burgers zonder goede reden (te) lang wachten met het indienen van een verzoekschrift.



Zeer bijzondere omstandigheden





4.18.
De rechtbank is van oordeel, gezien de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, dat er in deze zaak sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die maken dat het verzoek tot adoptie door de pleegouders van de vrouw, ondanks dat niet wordt voldaan aan het minderjarigheidsvereiste zoals genoemd in artikel 1:228, eerste lid, sub a BW, dient te worden toegewezen. De rechtbank zal dit hierna toelichten.



4.19.
De ouder-kindrelatie tussen de pleegouders en de vrouw bestaat, zoals hiervoor al is overwogen, feitelijk al sinds de vrouw negen jaar oud is. Deze relatie heeft gedurende de hele verdere minderjarigheid van de vrouw bestaan en bestaat nu nog steeds. De pleegouders zijn altijd de stabiele factor in het leven van de vrouw geweest en zijn dit nu nog steeds. Daarbij komt dat een adoptie door de pleegouders van de vrouw, met het oog op de persoonlijke problematiek van de vrouw, in het belang van haar verdere (identiteits)ontwikkeling noodzakelijk wordt geacht. De rechtbank acht het aannemelijk dat een afwijzing van het verzoek negatieve effecten zal hebben of zelfs schadelijk zal zijn voor (de verdere identiteitsontwikkeling van) de vrouw. De vrouw heeft, met het oog op haar verdere identiteitsvorming, dan ook een zwaarwegend belang bij de verzochte adoptie. Uit recente, richtinggevende jurisprudentie van gerechtshoven en rechtbanken blijkt dat er in toenemende mate veel gewicht wordt toegekend aan het bestaan van een langdurige, feitelijke ouder-kindrelatie bij de beoordeling van verzoeken tot meerderjarigenadoptie (zie onder meer de uitspraak van gerechtshof Den Haag 15 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2605). Dit is ook in lijn met het wetsvoorstel Wet afbouw interlandelijke adoptie en vereenvoudiging identiteitsherstel dat de wetgever begin dit jaar heeft ingediend. Uit de Memorie van Toelichting bij dit wetsvoorstel blijkt dat de wetgever voornemens is om meerderjarigenadoptie in de toekomst mogelijk te maken. Daarbij wordt de situatie benoemd waarin sprake is van een duurzame ouder-kindrelatie die tijdens de jeugd is ontstaan, maar die nooit is geformaliseerd, zoals die van pleegouders en hun pleegkind.



Verschoonbare termijnoverschrijding





4.20.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De vrouw heeft tijdens haar minderjarigheid voor het overgrote deel niet met de pleegouders in gezinsverband samengeleefd. De pleegouders wilden dat wel, maar dit werd niet toegestaan door Jeugdbescherming. De vrouw had hier destijds zelf geen stem in. Toen de vrouw zeventien jaar oud was, is zij - na aandringen door de pleegouders - bij de pleegouders gaan wonen. Op dat moment ontstond weliswaar de wens voor een adoptie, maar de moeder zou hier nooit mee akkoord zijn gegaan. Vanuit respect naar de moeder toe en met het oog op haar houding, was adoptie op dat moment dus niet aan de orde.



4.21.
In 2008 is de moeder overleden, maar op dat moment was de vrouw al meerderjarig. De wens tot adoptie kwam steeds meer naar voren in de periode nadat de vrouw meerderjarig is geworden. In 2009 zijn de pleegouders al zaken testamentair gaan regelen. Verder is in 2022 de achternaam van de vrouw gewijzigd in die van de pleegouders. De pleegouders waren destijds nog in de veronderstelling, gezien de stand van de jurisprudentie op dat moment, dat meerderjarigenadoptie niet mogelijk zou zijn. Eind 2025 kwamen de pleegouders en de vrouw via internet erachter, onder meer doordat de vrouw tijdens haar therapie opnieuw is gaan zoeken naar mogelijkheden, dat meerderjarigenadoptie in zeer bijzondere omstandigheden wel mogelijk is. Hierna zijn de pleegouders meteen op zoek gegaan naar een advocaat en is het voorliggende verzoek ingediend. De wens tot adoptie bestond dus al veel langer, maar vanwege voormelde omstandigheden zijn partijen daartoe niet eerder overgegaan. Het is de rechtbank duidelijk gebleken dat als de pleegouders hadden geweten dat een meerderjarigenadoptie tot de mogelijkheden behoort, zij zeker stappen daartoe zouden hebben gezet. Van stilzitten of een verwijtbare termijnoverschrijding is, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook geen enkele sprake. Gezien voormelde omstandigheden acht de rechtbank deze overschrijding dan ook verschoonbaar.



Conclusie





4.22.
De rechtbank is, gezien voormelde zeer bijzondere omstandigheden, van oordeel dat een weigering om adoptie van de vrouw door de pleegouders toe te staan een ongeoorloofde inmenging in het recht op familie- en gezinsleven van de vrouw en de pleegouders, als bedoeld in artikel 8, tweede lid EVRM, oplevert. Hoewel adoptie in dit geval niet meer het karakter heeft van een maatregel van kinderbescherming, is de rechtbank, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de vrouw een zwaarwegend belang heeft bij het vestigen van een familierechtelijke betrekking met de pleegouders, alsmede bij de juridische bevestiging van de emotionele band die zij met de pleegouders heeft en van het gevoel dat zij en de pleegouders tot één gezin en familie behoren.



4.23.
Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de pleegouders, dat niet is weersproken, toewijzen in die zin dat zij de adoptie door de pleegouders van de vrouw zal uitspreken.



Toesturen van de beschikking aan de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand





4.24.
De rechtbank zal bepalen dat de griffier van deze rechtbank, wanneer de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, oftewel wanneer de termijn voor het instellen van een hoger beroep tegen de beslissing is verstreken, een afschrift van deze beschikking zal toesturen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente waar de vrouw is geboren, in dit geval de gemeente Goirle, om daarin aantekening te doen van deze beschikking.



Verdeling proceskosten





4.25.
Gelet op de aard van de procedure zullen de proceskosten van partijen in deze procedure tussen hen worden verdeeld, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.





5De beslissing


De rechtbank:



5.1.
spreekt uit de adoptie door [pleegouder 1], geboren op [geboortedag 2] 1962 in [geboorteplaats 2], en [pleegouder 2], geboren op [geboortedag 3] 1965 in [geboorteplaats 3] van [de vrouw], geboren op [geboortedag 1] 1988 in [geboorteplaats 1];



5.2.
draagt de griffier op, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking te doen toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente Goirle om daarin aantekening te doen van deze beschikking;



5.3.
verdeelt de kosten van partijen in deze procedure tussen hen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.



Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026 door mr. Phillips, rechter, bijgestaan door mr. Wallerbos als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:




door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.



Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.