Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7764
2026-07-16
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/448402 KG ZA 26-255
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Verkoop woning aan derden, nu man woning niet kan overnemen conform vaststellingsovereenkomst partijen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.742 tekens)
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/448402 KG ZA 26-255
Vonnis in kort geding van 16 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. L.A.P. van Haperen,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. F.J. Koningsveld.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;
- de zitting op 2 juli 2026.
1.2
Tijdens de zitting zijn verschenen de vrouw en de man, bijgestaan door hun advocaten.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij hebben op 25 juli 2025 een notarieel samenlevingscontract laten opmaken. Dit contract is in onderling overleg per 31 december 2025 beëindigd. Hierna hebben zij hun vermogensrechtelijke afwikkeling geregeld in een door hen op 5 respectievelijk 10 februari 2026 ondertekende vaststellingsovereenkomst.
Partijen zijn sinds 8 juli 2022 gezamenlijk eigenaar van de woning aan [adres] te [woonplaats 1] . De koopsom bedroeg € 338.000,=. Partijen zijn ten behoeve van de aankoop van de woning een hypothecaire geldlening aangegaan bij Nationale Nederlanden, waarvan het restant per september 2025 € 247.572,= bedroeg.
Daarnaast heeft de vader van de vrouw een bedrag van € 98.610,18 aan partijen geleend in verband met de aankoop van de woning. Hij heef hiertoe de hypotheek op zijn eigen woning verhoogd.
De woning van partijen is op 31 december 2025 getaxeerd op € 375.000,= door [taxateur]
In voornoemde vaststellingsovereenkomst is de woning aan de man toebedeeld voor dit bedrag, onder de opschortende voorwaarden dat de hypotheeknemer de vrouw ontslaat uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid, de man de schuld aan de vader van de vrouw volledig aflost en de man aan de vrouw een bedrag aan overbedeling verschuldigd is. Ook is in de vaststellingsovereenkomst opgenomen dat indien een van de opschortende voorwaarden zich voordoet partijen de woning binnen twee weken te koop zullen zetten bij [taxateur] tegen een in onderling overleg te bepalen vraag- en laatprijs.
De man is er tot op heden niet in geslaagd om de woning op zijn naam te laten zetten.
3Het geschil in conventie en reconventie
3.1
De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het in gang zetten van het verkooptraject van de woning aan [adres] te [woonplaats 1] via [taxateur] te [woonplaats 1] , waaronder in ieder geval wordt verstaan:
- het ondertekenen van de bemiddelingsovereenkomst;
- het verstrekken van alle door de makelaar verlangde informatie en bescheiden;
- het opvolgen van de door de makelaar te geven verkoopadviezen met betrekking tot vraagprijs, laatprijs en verkoopstrategie;
- het verkoopklaar houden of maken van de woning voor bezichtigingen;
- het accepteren van een door partijen of, bij gebreke van overeenstemming, door de makelaar als marktconform aangemerkte bieding;
- het ondertekenen van de koopovereenkomst;
- het verlenen van volledige medewerking aan de notariële levering;
II. de man te veroordelen zijn volledige medewerking te verlenen aan die verkoop, daaronder begrepen het laten maken van een fotorapportage, het toestaan van bezichtigingen, het opgeruimd en schoonhouden van de woning en er voor te zorgen dat alles in de woning goed in orde is en adequaat functioneert;
III. de man te veroordelen om zijn volledige medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning, tegen een zo hoog mogelijke opbrengst, een en ander te bepalen door de desbetreffende makelaar, met inachtneming van het uitgangspunt dat de woning niet na 1 september 2026 geleverd wordt aan (een) derde(n);
IV. de man te bevelen aan de makelaar en/of (een) geïnteresseerde koper(s) in het kader van de verkoop van de woning direct na totstandkoming van de hiervoor bedoelde opdracht tot bemiddeling na voorafgaande aankondiging uiterlijk drie dagen tevoren vrijelijk toegang te verlenen tot de woning;
V. de man te veroordelen om de woning uiterlijk een week voor de levering leeg, ontruimd en in goede staat achter te laten en niet verder te betreden;
VI. alles op straffe van verbeurte ten titel van een dwangsom van € 1.000,= per dag of per geconstateerde overtreding dat de man in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, met een maximum van € 100.000,= dan wel een dwangsom in goede justitie te bepalen;
VII. te bepalen dat, voor het geval de man niet voldoet aan voormelde veroordelingen, de vrouw wordt gemachtigd tot het verrichten van handelingen tot verkoop en levering van de woning en daarnaast te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de man dat hij opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper(s), als bedoeld in artikel 3:296 BW en/of artikel 3:300 BW;
VIII. te bepalen dat de netto-opbrengst van de woning na aflossing van de hypothecaire geldlening, voldoening van de onderhandse lening, betaling van verkoopkosten en uitvoering van de in artikel 2.6 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen verrekening door de notaris tussen partijen zal worden afgerekend overeenkomstig artikel 2.6 van de vaststellingsovereenkomst;
IX. de man te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met nakosten en de wettelijke rente daarover indien niet tijdig wordt betaald.
3.2
Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de zitting, samengevat, het volgende aangevoerd. Partijen hebben geld geleend bij haar vader, omdat zij bij de bank onvoldoende middelen konden krijgen voor de aankoop van de woning. In de onderlinge civiele verhoudingen tussen alle partijen gaat het om een lening. Hierop is maandelijks rente en aflossing aan haar vader betaald. Artikel 2.6 van de vaststellingsovereenkomst bevat de verdeelsleutel voor zowel het scenario van toedeling van de woning aan de man als voor verkoop aan derden. In beide scenario’s moet de onderhandse lening bij de vader van de vrouw worden afgelost. In artikel 3.1 is opgenomen dat partijen zich hebben laten informeren over de fiscale gevolgen en eventuele nadelige fiscale consequenties zelf dragen. Gebleken is dat de man de financiering onder de overeengekomen voorwaarden niet rond krijgt en dat hij niet wil meewerken aan verkoop van de woning aan derden. Om overname van de woning door de man mogelijk te maken, moet de lening van de vader van de vrouw volgens de man worden omgezet/aangemerkt als een inbreng van de vrouw bij aankoop van de woning. De vrouw wil dat niet, met name omdat dit fiscale en financiële risico’s voor haar mee brengt (schenkbelasting en advocaatkosten, wanneer haar toevoeging wordt ingetrokken). De bedoeling van partijen ligt besloten in de door hen ondertekende vaststellingsovereenkomst. Deze overeenkomst strekt er juist toe verdere discussie te beëindigen en voorkomen. Er is geen plaats voor een verdere uitleg van de inhoud.
Daarbij stelt de vrouw dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.
3.3
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen.
3.4
In reconventie vordert de man:
- de vrouw te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de overdracht van de woning aan [adres] te [woonplaats 1] aan de man, onder de voorwaarden zoals verwoord in de vaststellingsovereenkomst d.d. 10 februari 2026 en met de uitdrukkelijke bepaling dat het bedrag van € 98.610,18 is ingebracht door de vrouw en in het kader van de financiering van de uitkoop als zodanig aangemerkt dient te worden, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,= per dag of per geconstateerde overtreding dat de vrouw in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, met een maximum van € 100.000,= dan wel een dwangsom in goede justitie te bepalen;
- te bepalen dat, voor het geval de vrouw niet voldoet aan voormelde veroordelingen, de man wordt gemachtigd tot het verrichten van alle handelingen die benodigd zijn voor de overdracht van de woning aan hem en daarnaast te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van de vrouw aan deze overdracht.
3.5
Door en namens de man is ter onderbouwing van zijn verweer en vorderingen, samengevat, het volgende aangevoerd. Het streven van partijen is dat hij de woning zal overnemen. Daartoe hebben zij de vaststellingsovereenkomst opgesteld. Het probleem met betrekking tot de overname van de woning is ontstaan door labelling van het ingebrachte bedrag van € 98.610,18. Aan deze lening ligt geen schriftelijke overeenkomst ten grondslag. Daarom wil de geldverstrekker dit bedrag niet financieren. De man wil het door de vader van de vrouw geïnvesteerde bedrag vergoeden. Het gaat enkel om de duiding van de aard van de betaling door de vader van de vrouw. De hypotheekadviseur heeft een oplossing aangereikt: indien het voor de vrouw mogelijk zou zijn dat de redactie van de vaststellingsovereenkomst zodanig wordt aangepast dat het bedrag van € 98.610,18 door haar is ingebracht en zij dat bedrag heeft geleend van haar vader, is de financiering conform de overige bepalingen van de vaststellingsovereenkomst geen probleem. De man acht het juridisch onjuist en overigens ook onredelijk dat de vrouw nu in kort geding medewerking van hem eist voor verkoop van de woning. Hij is immers in staat en bereid om de woning over te nemen. Hij wil de woning blijven bewonen, mede omdat hij hier woont met zijn minderjarige dochter.
Ter zitting is namens de man desgevraagd toegelicht dat de grondslag van zijn vordering een redelijke uitleg van de vaststellingsovereenkomst is.
3.6
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4De beoordeling in conventie en in reconventie
4.1
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
4.2
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Hiertoe dient eerst te worden beoordeeld of partijen een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen.
De voorzieningenrechter overweegt in dit verband het volgende. De man woont nog in de woning van partijen. De vrouw woont al langere tijd noodgedwongen bij haar vader. Zij kan in ieder geval geen eigen woning kopen zolang zij niet uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening is ontslagen. Ook kan zij nu geen gebruik maken van haar aandeel in de overwaarde. Zij heeft er aldus belang bij om op korte termijn tot verdeling van de woning te komen. Dit maakt dat de vrouw voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.
4.3
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Partijen hebben tijdens de zitting desgevraagd bevestigd dat tussen hen niet in geschil is dat sprake is van een lening van de vader van de vrouw aan beide partijen ten behoeve van de aankoop van de woning, zoals ook is benoemd in de vaststellingsovereenkomst.
Partijen hebben vanaf 2022 ook steeds maandelijks op de lening rente betaald/afgelost.
De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben afgesloten met twee scenario’s: toedeling van de woning aan de man onder de genoemde opschortende voorwaarden en anders verkoop aan derden. Verder wordt vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de hypotheekverstrekker het deel van de lening van de vader van de vrouw niet wil financieren omdat daar geen schriftelijke overeenkomst aan ten grondslag ligt. Daarmee staat vast dat de man daardoor niet in staat is de overname van de woning te financieren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de bedoeling van partijen bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst duidelijk. Anders dan de man veronderstelt, is er geen grond om de vaststellingsovereenkomst aan te passen of anders te interpreteren met betrekking tot de lening van de vader van de vrouw, waardoor de vrouw overigens fiscale en financiële risico’s loopt. Dit betekent dat, nu de man de woning niet kan overnemen, de woning verkocht moet worden aan derden.
4.4
Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen van de vrouw onder I, II, III , IV en V zullen worden toegewezen, met dien verstande dat de termijn in vordering I wordt bepaald op twee weken in plaats van twee dagen. Dit mede gezien de termijn die partijen in hun vaststellingsovereenkomst (artikel 1.6) hebben opgenomen. De man heeft overigens ook geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen deze vorderingen.
De voorzieningenrechter ziet verder reden om de vordering van de vrouw onder VI met betrekking tot het opleggen van een dwangsom toe te wijzen, nu gebleken is dat de onderlinge verstandhouding tussen partijen verslechterd is. De dwangsom zal echter worden gematigd en gemaximeerd als na te melden.
De vordering onder VII wordt afgewezen. De voorzieningenrechter gaat er vooralsnog van uit dat bovenstaande veroordelingen voldoende prikkel zijn voor de man om hieraan te voldoen.
De vordering onder VIII zal worden toegewezen. Deze vordering is niet weersproken en daarbij volgt een en ander eveneens uit de vaststellingsovereenkomst.
4.5
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van de man in reconventie zullen worden afgewezen.
4.6
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.7
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1
veroordeelt de man om binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het in gang zetten van het
verkooptraject van de woning aan [adres] te [woonplaats 1] via [taxateur] te [woonplaats 1] , waaronder in ieder geval wordt verstaan:
- het ondertekenen van de bemiddelingsovereenkomst;
- het verstrekken van alle door de makelaar verlangde informatie en bescheiden;
- het opvolgen van de door de makelaar te geven verkoopadviezen met betrekking tot vraagprijs, laatprijs en verkoopstrategie;
- het verkoopklaar houden of maken van de woning voor bezichtigingen;
- het accepteren van een door partijen of, bij gebreke van overeenstemming, door de makelaar als marktconform aangemerkte bieding;
- het ondertekenen van de koopovereenkomst;
- het verlenen van volledige medewerking aan de notariële levering;
5.2
veroordeelt de man zijn volledige medewerking te verlenen aan die verkoop, daaronder begrepen het laten maken van een fotorapportage, het toestaan van bezichtigingen, het opgeruimd en schoonhouden van de woning en ervoor te zorgen dat alles in de woning goed in orde is en adequaat functioneert;
5.3
veroordeelt de man om zijn volledig medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning, tegen een zo hoog mogelijke opbrengst, een en ander te bepalen door de desbetreffende makelaar, met inachtneming van het uitgangspunt dat de woning niet na 1 september 2026 geleverd wordt aan (een) derde(n);
5.4
beveelt de man aan de makelaar en/of (een) geïnteresseerde koper(s) in het kader van de verkoop van de woning direct na totstandkoming van de hiervoor bedoelde opdracht tot bemiddeling na voorafgaande aankondiging uiterlijk drie dagen tevoren vrijelijk toegang te verlenen tot de woning;
5.5
veroordeelt de man om de woning uiterlijk een week voor de levering leeg, ontruimd en in goede staat achter te laten en niet verder te betreden;
5.6
bepaalt dat de man een dwangsom van € 250,= (tweehonderdvijftig euro) per dag zal verbeuren indien hij in gebreke blijft aan voormelde veroordelingen te voldoen, met bepaling dat aan dwangsommen in totaal maximaal € 25.000,= (vijfentwintig duizend euro) kan worden verbeurd;
5.7
bepaalt dat de netto-opbrengst van de woning na aflossing van de hypothecaire geldlening, voldoening van de onderhandse lening, betaling van verkoopkosten en uitvoering van de in artikel 2.6 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen verrekening door de notaris tussen partijen zal worden afgerekend overeenkomstig artikel 2.6 van de vaststellingsovereenkomst;
5.8
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.9
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.10
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Pulskens, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/448402 KG ZA 26-255
Vonnis in kort geding van 16 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. L.A.P. van Haperen,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. F.J. Koningsveld.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;
- de zitting op 2 juli 2026.
1.2
Tijdens de zitting zijn verschenen de vrouw en de man, bijgestaan door hun advocaten.
1.3
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij hebben op 25 juli 2025 een notarieel samenlevingscontract laten opmaken. Dit contract is in onderling overleg per 31 december 2025 beëindigd. Hierna hebben zij hun vermogensrechtelijke afwikkeling geregeld in een door hen op 5 respectievelijk 10 februari 2026 ondertekende vaststellingsovereenkomst.
Partijen zijn sinds 8 juli 2022 gezamenlijk eigenaar van de woning aan [adres] te [woonplaats 1] . De koopsom bedroeg € 338.000,=. Partijen zijn ten behoeve van de aankoop van de woning een hypothecaire geldlening aangegaan bij Nationale Nederlanden, waarvan het restant per september 2025 € 247.572,= bedroeg.
Daarnaast heeft de vader van de vrouw een bedrag van € 98.610,18 aan partijen geleend in verband met de aankoop van de woning. Hij heef hiertoe de hypotheek op zijn eigen woning verhoogd.
De woning van partijen is op 31 december 2025 getaxeerd op € 375.000,= door [taxateur]
In voornoemde vaststellingsovereenkomst is de woning aan de man toebedeeld voor dit bedrag, onder de opschortende voorwaarden dat de hypotheeknemer de vrouw ontslaat uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid, de man de schuld aan de vader van de vrouw volledig aflost en de man aan de vrouw een bedrag aan overbedeling verschuldigd is. Ook is in de vaststellingsovereenkomst opgenomen dat indien een van de opschortende voorwaarden zich voordoet partijen de woning binnen twee weken te koop zullen zetten bij [taxateur] tegen een in onderling overleg te bepalen vraag- en laatprijs.
De man is er tot op heden niet in geslaagd om de woning op zijn naam te laten zetten.
3Het geschil in conventie en reconventie
3.1
De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het in gang zetten van het verkooptraject van de woning aan [adres] te [woonplaats 1] via [taxateur] te [woonplaats 1] , waaronder in ieder geval wordt verstaan:
- het ondertekenen van de bemiddelingsovereenkomst;
- het verstrekken van alle door de makelaar verlangde informatie en bescheiden;
- het opvolgen van de door de makelaar te geven verkoopadviezen met betrekking tot vraagprijs, laatprijs en verkoopstrategie;
- het verkoopklaar houden of maken van de woning voor bezichtigingen;
- het accepteren van een door partijen of, bij gebreke van overeenstemming, door de makelaar als marktconform aangemerkte bieding;
- het ondertekenen van de koopovereenkomst;
- het verlenen van volledige medewerking aan de notariële levering;
II. de man te veroordelen zijn volledige medewerking te verlenen aan die verkoop, daaronder begrepen het laten maken van een fotorapportage, het toestaan van bezichtigingen, het opgeruimd en schoonhouden van de woning en er voor te zorgen dat alles in de woning goed in orde is en adequaat functioneert;
III. de man te veroordelen om zijn volledige medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning, tegen een zo hoog mogelijke opbrengst, een en ander te bepalen door de desbetreffende makelaar, met inachtneming van het uitgangspunt dat de woning niet na 1 september 2026 geleverd wordt aan (een) derde(n);
IV. de man te bevelen aan de makelaar en/of (een) geïnteresseerde koper(s) in het kader van de verkoop van de woning direct na totstandkoming van de hiervoor bedoelde opdracht tot bemiddeling na voorafgaande aankondiging uiterlijk drie dagen tevoren vrijelijk toegang te verlenen tot de woning;
V. de man te veroordelen om de woning uiterlijk een week voor de levering leeg, ontruimd en in goede staat achter te laten en niet verder te betreden;
VI. alles op straffe van verbeurte ten titel van een dwangsom van € 1.000,= per dag of per geconstateerde overtreding dat de man in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, met een maximum van € 100.000,= dan wel een dwangsom in goede justitie te bepalen;
VII. te bepalen dat, voor het geval de man niet voldoet aan voormelde veroordelingen, de vrouw wordt gemachtigd tot het verrichten van handelingen tot verkoop en levering van de woning en daarnaast te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de man dat hij opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper(s), als bedoeld in artikel 3:296 BW en/of artikel 3:300 BW;
VIII. te bepalen dat de netto-opbrengst van de woning na aflossing van de hypothecaire geldlening, voldoening van de onderhandse lening, betaling van verkoopkosten en uitvoering van de in artikel 2.6 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen verrekening door de notaris tussen partijen zal worden afgerekend overeenkomstig artikel 2.6 van de vaststellingsovereenkomst;
IX. de man te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met nakosten en de wettelijke rente daarover indien niet tijdig wordt betaald.
3.2
Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de zitting, samengevat, het volgende aangevoerd. Partijen hebben geld geleend bij haar vader, omdat zij bij de bank onvoldoende middelen konden krijgen voor de aankoop van de woning. In de onderlinge civiele verhoudingen tussen alle partijen gaat het om een lening. Hierop is maandelijks rente en aflossing aan haar vader betaald. Artikel 2.6 van de vaststellingsovereenkomst bevat de verdeelsleutel voor zowel het scenario van toedeling van de woning aan de man als voor verkoop aan derden. In beide scenario’s moet de onderhandse lening bij de vader van de vrouw worden afgelost. In artikel 3.1 is opgenomen dat partijen zich hebben laten informeren over de fiscale gevolgen en eventuele nadelige fiscale consequenties zelf dragen. Gebleken is dat de man de financiering onder de overeengekomen voorwaarden niet rond krijgt en dat hij niet wil meewerken aan verkoop van de woning aan derden. Om overname van de woning door de man mogelijk te maken, moet de lening van de vader van de vrouw volgens de man worden omgezet/aangemerkt als een inbreng van de vrouw bij aankoop van de woning. De vrouw wil dat niet, met name omdat dit fiscale en financiële risico’s voor haar mee brengt (schenkbelasting en advocaatkosten, wanneer haar toevoeging wordt ingetrokken). De bedoeling van partijen ligt besloten in de door hen ondertekende vaststellingsovereenkomst. Deze overeenkomst strekt er juist toe verdere discussie te beëindigen en voorkomen. Er is geen plaats voor een verdere uitleg van de inhoud.
Daarbij stelt de vrouw dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.
3.3
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen.
3.4
In reconventie vordert de man:
- de vrouw te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de overdracht van de woning aan [adres] te [woonplaats 1] aan de man, onder de voorwaarden zoals verwoord in de vaststellingsovereenkomst d.d. 10 februari 2026 en met de uitdrukkelijke bepaling dat het bedrag van € 98.610,18 is ingebracht door de vrouw en in het kader van de financiering van de uitkoop als zodanig aangemerkt dient te worden, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,= per dag of per geconstateerde overtreding dat de vrouw in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, met een maximum van € 100.000,= dan wel een dwangsom in goede justitie te bepalen;
- te bepalen dat, voor het geval de vrouw niet voldoet aan voormelde veroordelingen, de man wordt gemachtigd tot het verrichten van alle handelingen die benodigd zijn voor de overdracht van de woning aan hem en daarnaast te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van de vrouw aan deze overdracht.
3.5
Door en namens de man is ter onderbouwing van zijn verweer en vorderingen, samengevat, het volgende aangevoerd. Het streven van partijen is dat hij de woning zal overnemen. Daartoe hebben zij de vaststellingsovereenkomst opgesteld. Het probleem met betrekking tot de overname van de woning is ontstaan door labelling van het ingebrachte bedrag van € 98.610,18. Aan deze lening ligt geen schriftelijke overeenkomst ten grondslag. Daarom wil de geldverstrekker dit bedrag niet financieren. De man wil het door de vader van de vrouw geïnvesteerde bedrag vergoeden. Het gaat enkel om de duiding van de aard van de betaling door de vader van de vrouw. De hypotheekadviseur heeft een oplossing aangereikt: indien het voor de vrouw mogelijk zou zijn dat de redactie van de vaststellingsovereenkomst zodanig wordt aangepast dat het bedrag van € 98.610,18 door haar is ingebracht en zij dat bedrag heeft geleend van haar vader, is de financiering conform de overige bepalingen van de vaststellingsovereenkomst geen probleem. De man acht het juridisch onjuist en overigens ook onredelijk dat de vrouw nu in kort geding medewerking van hem eist voor verkoop van de woning. Hij is immers in staat en bereid om de woning over te nemen. Hij wil de woning blijven bewonen, mede omdat hij hier woont met zijn minderjarige dochter.
Ter zitting is namens de man desgevraagd toegelicht dat de grondslag van zijn vordering een redelijke uitleg van de vaststellingsovereenkomst is.
3.6
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4De beoordeling in conventie en in reconventie
4.1
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
4.2
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Hiertoe dient eerst te worden beoordeeld of partijen een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen.
De voorzieningenrechter overweegt in dit verband het volgende. De man woont nog in de woning van partijen. De vrouw woont al langere tijd noodgedwongen bij haar vader. Zij kan in ieder geval geen eigen woning kopen zolang zij niet uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening is ontslagen. Ook kan zij nu geen gebruik maken van haar aandeel in de overwaarde. Zij heeft er aldus belang bij om op korte termijn tot verdeling van de woning te komen. Dit maakt dat de vrouw voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.
4.3
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Partijen hebben tijdens de zitting desgevraagd bevestigd dat tussen hen niet in geschil is dat sprake is van een lening van de vader van de vrouw aan beide partijen ten behoeve van de aankoop van de woning, zoals ook is benoemd in de vaststellingsovereenkomst.
Partijen hebben vanaf 2022 ook steeds maandelijks op de lening rente betaald/afgelost.
De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben afgesloten met twee scenario’s: toedeling van de woning aan de man onder de genoemde opschortende voorwaarden en anders verkoop aan derden. Verder wordt vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de hypotheekverstrekker het deel van de lening van de vader van de vrouw niet wil financieren omdat daar geen schriftelijke overeenkomst aan ten grondslag ligt. Daarmee staat vast dat de man daardoor niet in staat is de overname van de woning te financieren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de bedoeling van partijen bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst duidelijk. Anders dan de man veronderstelt, is er geen grond om de vaststellingsovereenkomst aan te passen of anders te interpreteren met betrekking tot de lening van de vader van de vrouw, waardoor de vrouw overigens fiscale en financiële risico’s loopt. Dit betekent dat, nu de man de woning niet kan overnemen, de woning verkocht moet worden aan derden.
4.4
Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen van de vrouw onder I, II, III , IV en V zullen worden toegewezen, met dien verstande dat de termijn in vordering I wordt bepaald op twee weken in plaats van twee dagen. Dit mede gezien de termijn die partijen in hun vaststellingsovereenkomst (artikel 1.6) hebben opgenomen. De man heeft overigens ook geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen deze vorderingen.
De voorzieningenrechter ziet verder reden om de vordering van de vrouw onder VI met betrekking tot het opleggen van een dwangsom toe te wijzen, nu gebleken is dat de onderlinge verstandhouding tussen partijen verslechterd is. De dwangsom zal echter worden gematigd en gemaximeerd als na te melden.
De vordering onder VII wordt afgewezen. De voorzieningenrechter gaat er vooralsnog van uit dat bovenstaande veroordelingen voldoende prikkel zijn voor de man om hieraan te voldoen.
De vordering onder VIII zal worden toegewezen. Deze vordering is niet weersproken en daarbij volgt een en ander eveneens uit de vaststellingsovereenkomst.
4.5
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van de man in reconventie zullen worden afgewezen.
4.6
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.7
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1
veroordeelt de man om binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het in gang zetten van het
verkooptraject van de woning aan [adres] te [woonplaats 1] via [taxateur] te [woonplaats 1] , waaronder in ieder geval wordt verstaan:
- het ondertekenen van de bemiddelingsovereenkomst;
- het verstrekken van alle door de makelaar verlangde informatie en bescheiden;
- het opvolgen van de door de makelaar te geven verkoopadviezen met betrekking tot vraagprijs, laatprijs en verkoopstrategie;
- het verkoopklaar houden of maken van de woning voor bezichtigingen;
- het accepteren van een door partijen of, bij gebreke van overeenstemming, door de makelaar als marktconform aangemerkte bieding;
- het ondertekenen van de koopovereenkomst;
- het verlenen van volledige medewerking aan de notariële levering;
5.2
veroordeelt de man zijn volledige medewerking te verlenen aan die verkoop, daaronder begrepen het laten maken van een fotorapportage, het toestaan van bezichtigingen, het opgeruimd en schoonhouden van de woning en ervoor te zorgen dat alles in de woning goed in orde is en adequaat functioneert;
5.3
veroordeelt de man om zijn volledig medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning, tegen een zo hoog mogelijke opbrengst, een en ander te bepalen door de desbetreffende makelaar, met inachtneming van het uitgangspunt dat de woning niet na 1 september 2026 geleverd wordt aan (een) derde(n);
5.4
beveelt de man aan de makelaar en/of (een) geïnteresseerde koper(s) in het kader van de verkoop van de woning direct na totstandkoming van de hiervoor bedoelde opdracht tot bemiddeling na voorafgaande aankondiging uiterlijk drie dagen tevoren vrijelijk toegang te verlenen tot de woning;
5.5
veroordeelt de man om de woning uiterlijk een week voor de levering leeg, ontruimd en in goede staat achter te laten en niet verder te betreden;
5.6
bepaalt dat de man een dwangsom van € 250,= (tweehonderdvijftig euro) per dag zal verbeuren indien hij in gebreke blijft aan voormelde veroordelingen te voldoen, met bepaling dat aan dwangsommen in totaal maximaal € 25.000,= (vijfentwintig duizend euro) kan worden verbeurd;
5.7
bepaalt dat de netto-opbrengst van de woning na aflossing van de hypothecaire geldlening, voldoening van de onderhandse lening, betaling van verkoopkosten en uitvoering van de in artikel 2.6 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen verrekening door de notaris tussen partijen zal worden afgerekend overeenkomstig artikel 2.6 van de vaststellingsovereenkomst;
5.8
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.9
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.10
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Pulskens, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.