Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7748

2026-07-15 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/448237 FA RK 26-2515
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-15
Publicatiedatum
2026-08-15
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/448237 FA RK 26-2515
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek wijziging voorlopige voorziening KAL ivm werkloosheid afgewezen. Niet voldaan aan criteria art. 824 Rv.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.236 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT



Team Familie- en Jeugdrecht


Breda


Zaaknummer: C/02/448237 FA RK 26-2515


datum uitspraak: 15 juli 2026



beschikking betreffende wijziging voorlopige voorzieningen



in de zaak van




[de man]
,
wonende te [woonplaats 1],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. R. Aboukir,


en




[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 2],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. T. Ertekin.


1 Het procesverloop


1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 18 mei 2026 van de man ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 28 juni 2026 van de vrouw ontvangen verweerschrift;
- de F9-formulieren (drie maal) van mr. Aboukir van 29 juni 2026 met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Ertekin van 30 juni 2026 met bijlagen;
- de beschikking betreffende voorlopige voorzieningen van 19 december 2025.

1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 2 juli 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.


1.3 Namens de vrouw is verzocht de door de man op 29 juni 2026 ingediende stukken buiten beschouwing te laten omdat deze te laat zijn ingediend, in strijd met de goede procesorde en het procesreglement. De man heeft op zitting toegelicht dat hij in verband met familieomstandigheden van medische aard deze stukken niet eerder bij zijn advocaat kon aanleveren. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een overmachtssituatie en zal de stukken meenemen in de beoordeling.



2Het verzoek


Het verzoek van de man tot wijziging van voormelde beschikking strekt tot nadere vaststelling van de door hem te betalen bijdrage ten behoeve van de minderjarige op nihil, met ingang van de datum van indiening van zijn verzoekschrift.





3De beoordeling


3.1
Bij voormelde beschikking is, samengevat, bepaald
- dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning;
- dat de minderjarige dochter van partijen, [minderjarige], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024, wordt toevertrouwd aan de vrouw;
- dat de man en de minderjarige gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, met een opbouwregeling zoals in die beschikking beschreven;
- dat de man ten behoeve van de minderjarige een bedrag van € 345,= per maand moet voldoen.



3.2
Vanwege de geboorteplaats van beide partijen heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft die ambtshalve beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat haar rechtsmacht toekomt en dat zij naar Nederlands recht dient te beslissen op de verzoeken.



3.3
De man voert als grond voor zijn verzoek aan dat sinds genoemde beschikking de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de daarbij gegeven voorziening met betrekking tot de onderhoudsbijdrage voor de minderjarige [minderjarige] niet in stand kan blijven.



3.4

Hij stelt in dit verband het volgende.
Zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst via het uitzendbureau is per 6 mei 2026 niet verlengd. Dit betekent dat zijn inkomen en daarmee zijn draagkracht is gedaald, omdat aan hem per 11 mei 2026 een WW-uitkering is toegekend. Hij is daarom niet meer in staat de vastgestelde kinderbijdrage te voldoen.




3.5

De vrouw voert gemotiveerd verweer.
Primair stelt zij dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek. Hij heeft bij zijn verzoekschrift geen financiële stukken en een draagkrachtberekening overgelegd, waardoor de vrouw niet tijdig verweer kon voeren.
Subsidiair stelt zij dat het verzoek moet worden afgewezen, omdat dit niet of niet voldoende is onderbouwd. De man heeft niet aangetoond dat zijn werkloosheid onvermijdbaar en niet verwijtbaar was. Daarbij heeft hij een startkwalificatie en op basis van zijn opleiding en diploma kan de man elders aan werk komen, aldus de vrouw.




3.6
De rechtbank stelt voorop dat tegen een op grond van artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gegeven beschikking geen hogere voorziening openstaat, behalve cassatie in het belang der wet. Op grond van het bepaalde in artikel 824 lid 2 Rv kan een op basis van artikel 822 Rv gegeven beschikking slechts worden gewijzigd of ingetrokken, indien de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven. Hieruit volgt dat niet iedere wijziging van omstandigheden, of onjuistheid dan wel onvolledigheid, een wijziging van de beschikking voorlopige voorzieningen rechtvaardigt, maar kan daarvan slechts sprake zijn in evidente, zeer sprekende gevallen.



3.7

De rechtbank overweegt als volgt.
Met de vrouw stelt de rechtbank vast dat uit de door de man overgelegde arbeidsovereenkomst blijkt dat de man al op 5 februari 2026 ervan op de hoogte is gebracht dat dit contract na 6 mei 2026 definitief zou stoppen. Daarbij is in het contract ook opgenomen dat de man gedurende werktijd mag solliciteren. Ter zitting is gebleken dat de arbeidsovereenkomst niet is verlengd, omdat deze al drie keer eerder verlengd was; bij een vierde verlenging zou een vast dienstverband moeten volgen, waarvoor de werkgever kennelijk niet had gekozen.
Het had dan ook op de weg van de man gelegen tijdig en actief op zoek te gaan naar een andere baan. In plaats daarvan heeft hij gewacht en op 4 mei 2026 een WW-uitkering aangevraagd. De man heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij, met name telefonisch, aan het solliciteren is en dat hij ook op gesprek is geweest bij bedrijven maar dat hij hierop nog geen positieve reacties heeft ontvangen. De rechtbank stelt vast dat de man geen stukken heeft overgelegd van zijn sollicitatieactiviteiten. Verder wordt overwogen dat de man gezond is, goed opgeleid en ervaring heeft als machinebouwer. Hierbij heeft de man zelf op zitting bevestigd dat hij verwacht dat hij weer snel een nieuwe baan zal vinden. Het feit dat de man nu tijdelijk geen werk heeft, rechtvaardigt daarom niet een wijziging van de geldende kinderbijdrage. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is voldaan aan de criteria van artikel 824 Rv. Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen. Dit betekent dat de man gehouden is om de kinderbijdrage voor [minderjarige], die bij de beschikking van 19 december 2025 is vastgesteld, te blijven betalen.






4De beslissing


De rechtbank



wijst het verzoek van de man af.



Deze beschikking is gegeven door mr. Pulskens en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.