Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7744

2026-07-15 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/440923 / JE RK 25-1871
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-15
Publicatiedatum
2026-08-15
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/440923 / JE RK 25-1871
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bekrachtiging schriftelijke aanwijzing

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.029 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummers: C/02/440923 / JE RK 25-1871
C/02/442105 / JE RK 25-2053
Datum uitspraak: 15 juli 2026




Nadere beschikking van de kinderrechter over een schriftelijke aanwijzing




in de zaken van



de gecertificeerde instelling

LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,



over





[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .





[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .



De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:





[de vader] ,

hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres in dit arrondissement,
advocaat mr. M.W.F. van Wijk uit Helmond.



De kinderrechter merkt aan als informant:





[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] .



Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 24 november 2025 en alle daarin genoemde stukken;


de brief van de GI van 23 maart 2026 met bijlagen.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- mr. Van Wijk, de advocaat van de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van de GI.


De vader in persoon en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.




1.3.
De behandeling van deze verzoeken heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de nog resterende verzoeken van de GI tot verlenging van de in 5.4 genoemde beschermingsmaatregelen (C/02/439702 / JE RK 25-1651 en C/02/439787 / JE RK 25-1663), de nieuwe verzoeken van de GI tot verlenging van de voormelde maatregelen (C/02/449755 / JE RK 26-11131 en C/02/449756 / JE RK 26-1132), het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling (C/02/438064 / JE RK 25-1396) en het verzoek van de GI tot wijziging van de zorgregeling van de vader met [minderjarige 1] (C/02/443040 / JE RK 25-2242). In de andere zaken is bij aparte beschikkingen van heden een beslissing gegeven.



1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover na de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter.





2De feiten


2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



2.2.

[minderjarige 1] verblijft op een behandelgroep in [plaats 1] . [minderjarige 2] verblijft in een gezinsgerichte voorziening in [plaats 2].



2.3.

Op 7 augustus 2025 heeft de GI aan de vader een schriftelijke aanwijzing gegeven, luidende als volgt:
‘U blijft in contact met de GI. Dit betekent dat u:

a. telefonisch bereikbaar bent; mocht u een oproep van de jeugdbeschermer hebben
gemist, dan neemt u binnen 48 uur telefonisch contact op met de jeugdbeschermer;
b. U geen blokkades op uw telefoon zet waardoor de jeugdbeschermer u niet telefonisch, via de email of via Whatsapp kan bereiken;
c. Toestemmingsverzoeken via de email worden binnen 48 uur beantwoord;
d. Toegezonden formulieren worden binnen 48 uur ondertekend retour gezonden;


U stelt zich in contact met de jeugdbeschermer niet dreigend op;
U belast [minderjarige 1] niet met volwassenproblematiek. Dit betekent dat u:

a. niet in het bijzijn van [minderjarige 1] de omgangsmomenten bespreekt met de
jeugdbeschermer;
b. eerst navraag doet bij de jeugdbeschermer voordat u met [minderjarige 1] de omgangsmomenten bespreekt;
c. [minderjarige 1] emotionele toestemming geeft om met de jeugdbeschermer in contact te
gaan.’


Op 26 augustus 2025 heeft de GI aan de vader een schriftelijke aanwijzing gegeven, luidende als volgt:



- ‘éénmaal per 14 dagen is er een vast moment in de week waarop er een
beeldbelafspraak is met u en de jeugdbeschermer (behoudens vakantie of feestdagen);
- indien de jeugdbeschermer u belt, mailt of appt, reageert u binnen 2 werkdagen;
- U komt binnen twee weken na dagtekening met een plan hoe u denkt om de
verhouding met zowel [minderjarige 2] als de gezinshuisouders weer (voor zover als
mogelijk) te herstellen;
- in uw contact met [minderjarige 2] is zijn tempo tot contact/contactherstel en de wensen die
hij hierover heeft leidend; dat houdt in dat u zich terughoudend opstelt in wat u
wilt en dat u [minderjarige 2] niet confronteert met belastende uitspraken over hemzelf of
de gezinshuisouders.’




2.5
Bij beschikking van 24 november 2025 heeft de kinderrechter de verzoeken tot bekrachtiging schriftelijke aanwijzing aangehouden in afwachting van het verdere verloop van het hulpverleningstraject en verdere ontwikkelingen in de nabije toekomst.





3De resterende verzoeken


3.1.
Aan de orde zijn nog de verzoeken van de GI om de door haar aan de vader gegeven schriftelijke aanwijzingen van 7 augustus 2025 en van 26 augustus 2025 te bekrachtigen en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1
Namens de GI wordt aangevoerd dat de gegeven schriftelijke aanwijzingen tot op heden geen resultaat hebben gehad. De GI had gehoopt met die aanwijzingen te bereiken dat de vader in contact blijft met de GI. Op dit moment heeft de GI geen zicht op de situatie van de vader. Ook over de gestarte hulpverlening van de vader bij [hulpverlening] ontvangt de GI geen informatie. De GI handhaaft daarom haar verzoeken tot bekrachtiging van beide schriftelijke aanwijzingen.



4.2
Namens de vader wordt gesteld dat aan de juridische voorwaarden voor het geven van de schriftelijke aanwijzingen is voldaan. Het is echter de vraag welk doel de schriftelijke aanwijzingen hebben en of dat doel bereikt gaat worden door een bekrachtiging daarvan. Het moet vanuit de vader zelf komen om het contact met de GI aan te gaan.



4.3


[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben over de onderhavige verzoeken van de GI geen mening
gegeven. Wel hebben zij beiden aangegeven te willen blijven wonen waar zij op dit moment verblijven. Daarnaast hebben zij beiden aangegeven weer contact met de vader te willen. Dit contact dient wel onder begeleiding van de jeugdbeschermer van de GI te worden hervat.




4.4
De Raad stelt dat de vader niet lijkt te begrijpen dat hij in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het contact met de GI moet aangaan. De Raad verwacht niet dat een bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing ertoe gaat leiden dat de vader het contact met de GI aangaat, dit moet vanuit de vader zelf komen. Wel adviseert de Raad om beide beslissingen van de GI te bekrachtigen. Aldus heeft de GI nog wel een en ander in de hand. Anders blijft er niets voor de GI over, als de vader uit het contact blijft.





5De beoordeling


5.1
Op grond van artikel 1:263 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek BW kan een gecertificeerde instelling ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.



5.2
Op grond van artikel 1:263 lid 2 BW volgen de met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op.



5.3
Op grond van artikel 1:263 lid 3 BW kan de GI de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.



5.4
De kinderrechter heeft bij beschikking van heden in de zaken met nummers C/02/449755 / JE RK 26-11131 en C/02/449756 / JE RK 26-1132) de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd voor de periode van 4 augustus 2026 tot 4 augustus 2027.



5.5
De kinderrechter overweegt dat een schriftelijke aanwijzing dient te worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader hiervan dient de kinderrechter, aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk 3 en 4 Awb, te beoordelen of bij de besluitvorming door de GI de algemene voorschriften over zorgvuldigheid, evenredigheid en een deugdelijke motivering in acht zijn genomen. De schriftelijke aanwijzing dient het doel van de ondertoezichtstelling te dienen en in het belang van de minderjarige te worden geacht.



5.6
Niet gebleken is dat bij de totstandkoming van de schriftelijke aanwijzing sprake is van een schending van een of meerdere beginselen van behoorlijk bestuur. Er is voorafgaand aan het geven van de schriftelijke aanwijzingen een vooraankondiging daarvan naar de vader gestuurd, maar hij heeft hier niet op gereageerd met een zienswijze. De kinderrechter heeft in dit kader niet gemerkt dat er is gehandeld in strijd met een of meer beginselen van behoorlijk bestuur.



5.7
Beide schriftelijke aanwijzingen voldoen naar het oordeel van de kinderrechter aan de wettelijke vereisten zoals neergelegd in artikel 1:263 BW.



5.8
De situatie zoals die was op het moment van het geven van de schriftelijke aanwijzingen is nog steeds aan de orde. De vader is nog steeds niet beschikbaar voor de GI en van, een adequate, samenwerking is dan ook geen sprake. Zo heeft de GI geen inzicht gekregen in de hulpverlening die de vader van [hulpverlening] zou ontvangen. Het is beslist in het belang van de kinderen en de voortgang van de hulpverlening dat het contact tussen de vader en de GI wordt hersteld. De kinderrechter zal dan ook de verzoeken van de GI om de schriftelijke aanwijzingen te bekrachtigen, ondanks het tijdsverloop, toewijzen. Dit betekent dat de vader zich moet houden aan de aanwijzingen die hem worden gegeven in de schriftelijke aanwijzingen. De kinderrechter realiseert zich dat dit een gedragsverandering bij de vader vereist die vanuit hemzelf moet komen. Hij hoopt dat deze beslissing de vader voldoende prikkel geeft om het contact met de GI weer aan te gaan, te komen tot samenwerking, hetgeen ook zal bijdragen aan het contact(herstel) met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter verwacht dan ook dat gezien de aard en de strekking van zijn beslissing in de zaken betreffende de omgang met zaaknummers C/02/438064 / JE RK 25-1396 en C/02/443040 / JE RK 25-2242 van heden de vader een stimulans zal zien om zijn contact met de GI te hervatten. In die beslissing wordt de GI immers in staat gesteld om de omgang tussen beide kinderen en de vader te hervatten. Hierbij is mede van belang dat bij de zogenoemde kindgesprekken met beide kinderen is gebleken dat zij weer bereid zijn tot contact met hun vader. De kinderrechter hoopt daarom dat de vader vanuit een positieve grondhouding het contact met de GI herstelt om door haar tussenkomst het contact met zijn kinderen te kunnen herstellen, een en ander uiteraard in het tempo dat de kinderen aankunnen.



5.9
Tot slot overweegt de kinderrechter dat tegen deze beslissing op grond van artikel 807, aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, geen hoger beroep openstaat zodat de vader gehouden is om de bekrachtigde schriftelijke aanwijzingen van 7 en 26 augustus 2025 na te leven. Er is dan ook geen noodzaak om de onderhavige beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het daarop betrekking hebbende verzoek van de GI zal daarom worden afgewezen.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzingen van de GI aan de vader van 7 augustus 2026 en 26 augustus 2025.









Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026, in aanwezigheid van Van Diepen als griffier.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.