Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7719
2026-08-28
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
BRE 26/1989
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep over het afwijzen van een handhavingsverzoek.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2026:3505 Raad van State 17-06-2026
- ECLI:NL:RVS:2020:2706 Raad van State 11-11-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.856 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: 26/1989
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
Vereniging [eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, het college.
Als belanghebbende heeft deelgenomen aan de zaak: de gemeente Oisterwijk.
Inleiding
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 3 februari 2026, over het afwijzen van een handhavingsverzoek.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Namens eiseres waren [vertegenwoordiger] en mr. R.J.M. van de Ven aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .
Beoordeling door de rechtbank
1. Feiten
1.1.
De gemeente Oisterwijk is eigenaar van het pand (voormalig gemeentehuis) aan het [adres] in [plaats] (hierna: het pand). De gemeente is voornemens om het pand te slopen en op dezelfde plaats een nieuw gemeenschapshuis en twaalf appartementen te realiseren.
1.2.
Eiseres heeft het college in een brief van 18 juli 2025 verzocht om handhavend op te treden tegen het zonder omgevingsvergunning slopen van het gemeentehuis. Volgens eiseres is dat in strijd met artikel 2.1 van de Omgevingswet (Ow) en de Erfgoedwet.
1.3.
In een besluit van 1 oktober 2025 (primair besluit) heeft het college het handhavingsverzoek van eiseres afgewezen. Eiseres heeft daar op 9 oktober 2025 bezwaar tegen gemaakt.
1.4.
Bij bestreden besluit heeft het college dat bezwaar ongegrond verklaard.
1.5.
Eiseres heeft daar op 18 maart 2026 beroep tegen ingesteld.
1.6.
Op 7 juli 2026 heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. Vergunninghoudster heeft vervolgens aan de rechtbank medegedeeld dat halverwege september 2026 gestart zal worden met de sloop van het gemeentehuis. In een brief van 10 juli 2026 heeft de rechtbank aan eiseres medegedeeld dat de rechtbank vóór september 2026 – uiterlijk 28 augustus 2026 – uitspraak zal doen op het beroepschrift. Eiseres heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 13 juli 2026 ingetrokken.
2. Wettelijk kader
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
3. Belanghebbendheid eiseres
3.1.
De rechtbank heeft ambtshalve beoordeeld of het college eiseres in het bestreden besluit terecht heeft aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.2.
In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. In artikel 1:2, derde lid, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet bij de beoordeling of een dergelijke rechtspersoon feitelijke werkzaamheden verricht, worden uitgegaan van de feitelijke werkzaamheden die de rechtspersoon heeft verricht tot uiterlijk de dag voor het einde van de termijn waarbinnen bezwaar kan worden gemaakt. Verder geldt dat het louter in rechte opkomen tegen besluiten als regel niet wordt aangemerkt als het verrichten van feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb.1
3.3.
Uit de statuten van eiseres blijkt dat zij tot statutair doel heeft om de sloop van het gemeentehuis in [plaats] te voorkomen, zodat het zowel in materiële zin als immateriële zin behouden blijft als erfgoed voor de [gemeenschap] . Uit de statuten blijkt daarom dat eiseres een algemeen belang behartigt. Eiseres stelt voldoende feitelijke werkzaamheden te verrichten die verder strekken dan procederen tegen besluiten, omdat zij artikelen publiceert in plaatselijke uitgaven en omdat zij tijdens de verkiezingen bij de bijeenkomsten van de verschillende politieke partijen aandacht heeft gevraagd voor het algemeen belang dat zij behartigt. Hoewel de rechtbank twijfelt of eiseres daarmee voldoende feitelijke werkzaamheden verricht om aangemerkt te kunnen worden als belanghebbende, geeft de rechtbank eiseres het voordeel van de twijfel. Gelet daarop zal de rechtbank eiseres voor deze procedure aanmerken als belanghebbende en zal de rechtbank het beroepschrift inhoudelijk beoordelen.
4. Gronden
4.1.
Eiseres heeft aangevoerd dat het college het handhavingsverzoek ten onrechte heeft geweigerd. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft eiseres de argumenten aangevoerd, die hierna kort worden samengevat.
4.2.
Eiseres heeft aangevoerd dat het gemeentehuis voldoet aan de definitie van ‘cultureel erfgoed’ zoals dat staat opgenomen in de Erfgoedwet. Volgens eiseres is dat ook onderkend door de erfgoedvereniging. De Ow gaat volgens eiseres over de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat cultureel erfgoed. De Ow maakt geen verschil tussen cultureel erfgoed en aangemerkt cultureel erfgoed. Het zonder omgevingsvergunning slopen van cultureel erfgoed is in strijd met de doelstelling van de Ow en de taak die in artikel 2.1 van de Ow aan het college is toegekend tot het behouden van cultureel erfgoed. Daarnaast gaat het college voorbij aan artikel 1.7 van de Ow. De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant heeft een door de gemeente ingediende sloopmelding geaccepteerd, zonder zich te vergewissen van die erfgoedstatus.
4.3.
Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat het slopen van het gemeentehuis onnodig is, omdat uit het ‘ [haalbaarheidsonderzoek] ’ van [adviesbureau] van 26 april 2022 blijkt dat de kosten voor het verbouwen van het gemeentehuis naar een gemeenschapshuis aanzienlijk lager zijn dan die van de sloop- en nieuwbouwplannen.
4.4.
Verder heeft eiseres aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel. Er is geen redelijke verhouding tussen de inbreuk op de fysieke leefomgeving en het beoogde doel. Eiseres heeft daaraan toegevoegd dat het bestreden besluit ook in strijd is met het verbod van vooringenomenheid.
5. Omvang van het geding
5.1.
Aan de rechtbank is een bestreden besluit ter toetsing voorgelegd waarin een handhavingsverzoek van eiseres is afgewezen. De omvang van het geding wordt bepaald door het bestreden besluit.
5.2.
Op zitting heeft eiseres aangevoerd dat het college op grond van de Ow geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit heeft kunnen verlenen voor het nieuw te bouwen gemeenschapshuis met twaalf appartementen. Volgens eiseres is dat niet in overeenstemming met de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat het voormalig gemeentehuis daarvoor gesloopt moet worden. De rechtbank zal die grond niet beoordelen, omdat deze grond buiten de omvang van het geding valt. Dit is een grond die eiseres had moeten aanvoeren in een procedure tegen het verlenen van die omgevingsvergunning.
5.3.
Voor zover eiseres ook heeft bedoeld om aan te voeren dat het college het voormalig gemeentehuis ten onrechte niet heeft aangewezen als gemeentelijk monument, moet de rechtbank ook vaststellen dat die grond buiten de omvang van het geding valt.
6. Beoordeling
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college niet heeft gehandeld in strijd met het in artikel 2:4 van de Awb opgenomen verbod op vooringenomenheid. De enkele omstandigheid dat de gemeente Oisterwijk eigenaar is van het te slopen pand en het college van dezelfde gemeente op grond van de Ow het bevoegd gezag is t.a.v. van het door eiseres gedane handhavingsverzoek, maakt het college niet vooringenomen.
6.2.
Het college is uitsluitend bevoegd om handhavend op te treden, wanneer sprake is van een overtreding of – in het geval van een preventieve bestuurlijke sanctie – zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college het handhavingsverzoek heeft kunnen afwijzen, omdat niet is gebleken van (een klaarblijkelijk gevaar voor) een overtreding. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
6.4.
In de Erfgoedwet staat geregeld wanneer sprake is van beschermd cultureel erfgoed. Uit die wet blijkt dat daarvoor is vereist dat het pand als zodanig is aangewezen in een besluit van een bevoegd bestuursorgaan. Zonder een besluit waarin het pand als zodanig is aangewezen, is een pand geen beschermd cultureel erfgoed. Pas wanneer een pand op grond van de Erfgoedwet als cultureel erfgoed is aangewezen, zijn de regels ter bescherming van cultureel erfgoed van toepassing op dat pand. Die bescherming krijgt een pand niet, wanneer het pand uitsluitend binnen de algemeen geformuleerde definitie van ‘cultureel erfgoed’ uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet valt, zoals eiseres stelt. Uit de Erfgoedwet blijkt duidelijk dat ook is vereist dat het pand door een bevoegd bestuursorgaan als ‘cultureel erfgoed’ is aangewezen en dat alleen dan het wettelijk beschermingsregime van toepassing is op het pand.
6.5.
De rechtbank stelt vast dat het pand niet de status heeft van beschermd cultureel erfgoed, omdat het pand niet als zodanig is aangewezen. In de Erfgoedwet staat dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap rijksmonumenten kan aanwijzen en een register van de rijksmonumenten bijhoudt. Uit dat register blijkt dat het pand aan de [adres] in [plaats] niet als rijksmonument is aangewezen. In de Erfgoedwet staat ook dat de gemeenteraad een erfgoedverordening kan vaststellen, die ziet op het beheer en behoud van cultureel erfgoed binnen de gemeente. De gemeenteraad van de gemeente Oisterwijk heeft de ‘Erfgoedverordening gemeente Oisterwijk 2023’ (hierna: Erfgoedverordening) vastgesteld. Het college kan op grond van die Erfgoedverordening besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. Het college van burgemeester en wethouders houdt een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij. In het gemeentelijk monumentenregister van de gemeente Oisterwijk staat het pand aan de [adres] in [plaats] niet als gemeentelijk monument aangewezen.
6.6.
De Ow gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval ‘cultureel erfgoed’. In de Ow zijn dus regels gesteld die strekken tot bescherming van panden met de status van cultureel erfgoed. Uit de bepalingen waarin die regels staan opgenomen blijkt dat die beschermingsregels uitsluitend van toepassing zijn op panden die door de minister dan wel het college op grond van de in overweging 6.3 genoemde wet- en regelgeving als cultureel erfgoed zijn aangewezen. Omdat het voormalig gemeentehuis niet als cultureel erfgoed is aangewezen, zijn die bepalingen niet van toepassing. Dat betekent dat het slopen van het voormalig gemeentehuis, niet in strijd is met deze bepalingen uit de Ow. Hierna licht de rechtbank dat nader toe, per door eiseres genoemde bepaling.
Artikel 2.1 van de Ow
6.7.
Het slopen van het pand door de gemeente Oisterwijk is niet in strijd met het door eiseres genoemde artikel 2.1 van de Ow. In die bepaling staat dat de uitoefening van taken en bevoegdheden door bestuursorganen geschiedt met het oog op de maatschappelijke doelen waarop het wetsvoorstel gericht is. Die bepaling kan niet door de gemeente Oisterwijk worden overtreden, omdat de bepaling zich richt tot bestuursorganen. De gemeente Oisterwijk is geen bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1 van de Awb, maar is een publiekrechtelijk rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 5.1 van de Ow
6.8.
Eiseres heeft het college daarnaast verzocht om handhavend op te treden tegen het in strijd met de Ow zonder omgevingsvergunning slopen van het pand. In artikel 5.1 van de Ow staat limitatief opgesomd voor welke activiteiten een omgevingsvergunning is vereist. In die bepaling staat niet dat voor het slopen van ieder pand een omgevingsvergunning is vereist. In artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Ow staat dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een rijksmonumentenactiviteit te verrichten. Een rijksmonumentenactiviteit wordt in de Ow (onder andere) gedefinieerd als: een activiteit inhoudende het slopen van een rijksmonument. Een rijksmonument is volgens de Ow een monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister. Zoals de rechtbank in overweging 6.4 heeft vastgesteld, is het pand niet ingeschreven in dat register. Gelet daarop is het slopen van het pand niet in strijd met dit verbod en kan geen sprake zijn van overtreding van deze bepaling uit de Ow.
In artikel 15 van de Erfgoedverordening staat dat het verboden is om een gemeentelijk monument zonder omgevingsvergunning van het college te slopen. Een gemeentelijk monument staat ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. Op grond van artikel 22.8 van de Ow geldt deze vergunningplicht als een verbod om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow. Zoals de rechtbank in overweging 6.4 heeft vastgesteld is het pand niet in het gemeentelijk erfgoedregister ingeschreven als gemeentelijk monument. Gelet daarop is het slopen van het pand ook niet in strijd met dit verbod en kan geen sprake zijn van overtreding van deze bepaling uit de Ow.
Artikel 1.7 van de Ow
6.9.
Het college heeft ook kunnen besluiten dat niet is gebleken van klaarblijkelijk gevaar dat de gemeente Oisterwijk het pand zal het slopen in strijd met de zorgplicht uit artikel 1.7 van de Ow. De artikelen 1.6 en 1.7 van de Ow moeten in samenhang worden gelezen. Door deze twee artikelen wordt een algemene zorgplicht voor eenieder in de wet geïntroduceerd. Artikel 1.6 van de Ow geeft aan dat er een algemene zorgplicht is: Een ieder draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. Artikel 1.7 van de Ow definieert nader de inhoud van de zorgplicht. Omdat het pand niet valt onder de beschermingsregels voor cultureel erfgoed, is geen sprake van gevaar voor overtreding van de zorgplicht ten aanzien van dat aspect van de fysieke leefomgeving.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving
6.10.
Op grond van artikel 4.3, eerste lid, onder a, van de Ow zijn in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) algemene rijksregels gesteld over sloopwerkzaamheden. Voor het slopen van een bouwwerk geldt op grond van dit besluit geen omgevingsvergunningplicht. Hoofdstuk 7 van het Bbl bevat regels over bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken. Voor zover eiseres heeft bedoeld aan te voeren dat het slopen van het pand in strijd met die regels zal plaatsvinden, overweegt de rechtbank dat het relativiteitsvereiste aan die beroepsgrond in de weg staat. Het relativiteitsvereiste als staat opgenomen in artikel 8:69a van de Awb, houdt in dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Het relativiteitsvereiste staat niet aan een beroepsgrond in de weg, wanneer een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb opkomt voor algemene belangen die zij, gelet op haar statutaire doelstelling en door haar feitelijke werkzaamheden behartigt, en die geheel of ten dele samenvallen met de belangen die de norm beoogt te beschermen. Uit artikel 7.2 van het Bbl blijkt dat de regels in hoofdstuk 7 van het Bbl zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid in de directe omgeving van bouw- en sloopwerkzaamheden, het waarborgen van duurzaamheid bij het scheiden van bouw- en sloopafval op een bouw- en sloopterrein en het waarborgen van duurzaamheid bij de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht bij het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de regels uit hoofdstuk 7 van het Bbl niet beogen om het belang te beschermen die eiseres volgens haar statutaire doelstelling behartigt, namelijk het behoud van het pand. Haar statutaire doelstellingen zien niet op veiligheid, gezondheid, duurzaamheid of stikstof.
7. Conclusie
7.1.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.
7.2.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding.
De beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 28 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Wettelijk kader
Omgevingswet (Ow)
Artikel 1.2, eerste lid, van de Ow
Deze wet gaat over:
de fysieke leefomgeving, en
activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving.
Artikel 1.2, tweede lid, onder i, van de Ow
De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval cultureel erfgoed.
Artikel 1.7 van de Ow
Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen,
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken,
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.
Artikel 2.1, eerste lid, van de Ow
Een bestuursorgaan van een gemeente, een provincie of het Rijk of, met inachtneming van de Waterschapswet, van een waterschap oefent zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet uit met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld.
Artikel 5.1, eerste lid, onder a en onder b, van de Ow
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
een omgevingsplanactiviteit,
een rijksmonumentenactiviteit.
Erfgoedwet
Artikel 3.1, eerste lid, van de Erfgoedwet
Onze Minister kan ambtshalve besluiten een monument of archeologisch monument dat van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als rijksmonument.
Artikel 3.3, eerste lid, van de Erfgoedwet
Onze Minister houdt een register van de rijksmonumenten bij.
Artikel 3.16 van de Erfgoedwet
De gemeenteraad kan een erfgoedverordening vaststellen.
De verordening ziet op het beheer en behoud van cultureel erfgoed gelegen binnen de desbetreffende gemeente, dat van bijzonder belang is voor die gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis.
Het college van burgemeester en wethouders houdt een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij.
Erfgoedverordening gemeente Oisterwijk 2023 (Erfgoedverordening)
Artikel 6, eerste lid, van de Erfgoedverordening
Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.
Artikel 15, eerste lid, van de Erfgoedverordening
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument:
te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of
te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
ABRvS 17 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3505, r.o. 7.1.
Artikel 8:69, eerste lid, van de Awb.
Artikel 5:2, 5:1 en 5:7 van de Awb.
Artikel 3.1 en 3.3 van de Erfgoedwet.
Artikel 6, eerste lid, van de Erfgoedverordening.
Artikel 3.16 van de Erfgoedwet.
Artikel 1:2, eerste lid en tweede lid, onder i, van de Ow.
Artikel 1.1, eerste lid, van de Ow in samenhang met de bijlage bij de Ow.
Artikel 1.1, eerste lid, van de Ow in samenhang met de bijlage bij de Ow en artikel 1.1 van de Erfgoedwet.
Artikel 15, eerste lid, onder a, van de Erfgoedverordening.
Artikel 1 van de Erfgoedverordening.
Artikel 7.1 van het Bbl.
ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 6.6.
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: 26/1989
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
Vereniging [eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, het college.
Als belanghebbende heeft deelgenomen aan de zaak: de gemeente Oisterwijk.
Inleiding
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 3 februari 2026, over het afwijzen van een handhavingsverzoek.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Namens eiseres waren [vertegenwoordiger] en mr. R.J.M. van de Ven aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .
Beoordeling door de rechtbank
1. Feiten
1.1.
De gemeente Oisterwijk is eigenaar van het pand (voormalig gemeentehuis) aan het [adres] in [plaats] (hierna: het pand). De gemeente is voornemens om het pand te slopen en op dezelfde plaats een nieuw gemeenschapshuis en twaalf appartementen te realiseren.
1.2.
Eiseres heeft het college in een brief van 18 juli 2025 verzocht om handhavend op te treden tegen het zonder omgevingsvergunning slopen van het gemeentehuis. Volgens eiseres is dat in strijd met artikel 2.1 van de Omgevingswet (Ow) en de Erfgoedwet.
1.3.
In een besluit van 1 oktober 2025 (primair besluit) heeft het college het handhavingsverzoek van eiseres afgewezen. Eiseres heeft daar op 9 oktober 2025 bezwaar tegen gemaakt.
1.4.
Bij bestreden besluit heeft het college dat bezwaar ongegrond verklaard.
1.5.
Eiseres heeft daar op 18 maart 2026 beroep tegen ingesteld.
1.6.
Op 7 juli 2026 heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. Vergunninghoudster heeft vervolgens aan de rechtbank medegedeeld dat halverwege september 2026 gestart zal worden met de sloop van het gemeentehuis. In een brief van 10 juli 2026 heeft de rechtbank aan eiseres medegedeeld dat de rechtbank vóór september 2026 – uiterlijk 28 augustus 2026 – uitspraak zal doen op het beroepschrift. Eiseres heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 13 juli 2026 ingetrokken.
2. Wettelijk kader
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
3. Belanghebbendheid eiseres
3.1.
De rechtbank heeft ambtshalve beoordeeld of het college eiseres in het bestreden besluit terecht heeft aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.2.
In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. In artikel 1:2, derde lid, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet bij de beoordeling of een dergelijke rechtspersoon feitelijke werkzaamheden verricht, worden uitgegaan van de feitelijke werkzaamheden die de rechtspersoon heeft verricht tot uiterlijk de dag voor het einde van de termijn waarbinnen bezwaar kan worden gemaakt. Verder geldt dat het louter in rechte opkomen tegen besluiten als regel niet wordt aangemerkt als het verrichten van feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb.1
3.3.
Uit de statuten van eiseres blijkt dat zij tot statutair doel heeft om de sloop van het gemeentehuis in [plaats] te voorkomen, zodat het zowel in materiële zin als immateriële zin behouden blijft als erfgoed voor de [gemeenschap] . Uit de statuten blijkt daarom dat eiseres een algemeen belang behartigt. Eiseres stelt voldoende feitelijke werkzaamheden te verrichten die verder strekken dan procederen tegen besluiten, omdat zij artikelen publiceert in plaatselijke uitgaven en omdat zij tijdens de verkiezingen bij de bijeenkomsten van de verschillende politieke partijen aandacht heeft gevraagd voor het algemeen belang dat zij behartigt. Hoewel de rechtbank twijfelt of eiseres daarmee voldoende feitelijke werkzaamheden verricht om aangemerkt te kunnen worden als belanghebbende, geeft de rechtbank eiseres het voordeel van de twijfel. Gelet daarop zal de rechtbank eiseres voor deze procedure aanmerken als belanghebbende en zal de rechtbank het beroepschrift inhoudelijk beoordelen.
4. Gronden
4.1.
Eiseres heeft aangevoerd dat het college het handhavingsverzoek ten onrechte heeft geweigerd. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft eiseres de argumenten aangevoerd, die hierna kort worden samengevat.
4.2.
Eiseres heeft aangevoerd dat het gemeentehuis voldoet aan de definitie van ‘cultureel erfgoed’ zoals dat staat opgenomen in de Erfgoedwet. Volgens eiseres is dat ook onderkend door de erfgoedvereniging. De Ow gaat volgens eiseres over de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat cultureel erfgoed. De Ow maakt geen verschil tussen cultureel erfgoed en aangemerkt cultureel erfgoed. Het zonder omgevingsvergunning slopen van cultureel erfgoed is in strijd met de doelstelling van de Ow en de taak die in artikel 2.1 van de Ow aan het college is toegekend tot het behouden van cultureel erfgoed. Daarnaast gaat het college voorbij aan artikel 1.7 van de Ow. De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant heeft een door de gemeente ingediende sloopmelding geaccepteerd, zonder zich te vergewissen van die erfgoedstatus.
4.3.
Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat het slopen van het gemeentehuis onnodig is, omdat uit het ‘ [haalbaarheidsonderzoek] ’ van [adviesbureau] van 26 april 2022 blijkt dat de kosten voor het verbouwen van het gemeentehuis naar een gemeenschapshuis aanzienlijk lager zijn dan die van de sloop- en nieuwbouwplannen.
4.4.
Verder heeft eiseres aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel. Er is geen redelijke verhouding tussen de inbreuk op de fysieke leefomgeving en het beoogde doel. Eiseres heeft daaraan toegevoegd dat het bestreden besluit ook in strijd is met het verbod van vooringenomenheid.
5. Omvang van het geding
5.1.
Aan de rechtbank is een bestreden besluit ter toetsing voorgelegd waarin een handhavingsverzoek van eiseres is afgewezen. De omvang van het geding wordt bepaald door het bestreden besluit.
5.2.
Op zitting heeft eiseres aangevoerd dat het college op grond van de Ow geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit heeft kunnen verlenen voor het nieuw te bouwen gemeenschapshuis met twaalf appartementen. Volgens eiseres is dat niet in overeenstemming met de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat het voormalig gemeentehuis daarvoor gesloopt moet worden. De rechtbank zal die grond niet beoordelen, omdat deze grond buiten de omvang van het geding valt. Dit is een grond die eiseres had moeten aanvoeren in een procedure tegen het verlenen van die omgevingsvergunning.
5.3.
Voor zover eiseres ook heeft bedoeld om aan te voeren dat het college het voormalig gemeentehuis ten onrechte niet heeft aangewezen als gemeentelijk monument, moet de rechtbank ook vaststellen dat die grond buiten de omvang van het geding valt.
6. Beoordeling
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college niet heeft gehandeld in strijd met het in artikel 2:4 van de Awb opgenomen verbod op vooringenomenheid. De enkele omstandigheid dat de gemeente Oisterwijk eigenaar is van het te slopen pand en het college van dezelfde gemeente op grond van de Ow het bevoegd gezag is t.a.v. van het door eiseres gedane handhavingsverzoek, maakt het college niet vooringenomen.
6.2.
Het college is uitsluitend bevoegd om handhavend op te treden, wanneer sprake is van een overtreding of – in het geval van een preventieve bestuurlijke sanctie – zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college het handhavingsverzoek heeft kunnen afwijzen, omdat niet is gebleken van (een klaarblijkelijk gevaar voor) een overtreding. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
6.4.
In de Erfgoedwet staat geregeld wanneer sprake is van beschermd cultureel erfgoed. Uit die wet blijkt dat daarvoor is vereist dat het pand als zodanig is aangewezen in een besluit van een bevoegd bestuursorgaan. Zonder een besluit waarin het pand als zodanig is aangewezen, is een pand geen beschermd cultureel erfgoed. Pas wanneer een pand op grond van de Erfgoedwet als cultureel erfgoed is aangewezen, zijn de regels ter bescherming van cultureel erfgoed van toepassing op dat pand. Die bescherming krijgt een pand niet, wanneer het pand uitsluitend binnen de algemeen geformuleerde definitie van ‘cultureel erfgoed’ uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet valt, zoals eiseres stelt. Uit de Erfgoedwet blijkt duidelijk dat ook is vereist dat het pand door een bevoegd bestuursorgaan als ‘cultureel erfgoed’ is aangewezen en dat alleen dan het wettelijk beschermingsregime van toepassing is op het pand.
6.5.
De rechtbank stelt vast dat het pand niet de status heeft van beschermd cultureel erfgoed, omdat het pand niet als zodanig is aangewezen. In de Erfgoedwet staat dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap rijksmonumenten kan aanwijzen en een register van de rijksmonumenten bijhoudt. Uit dat register blijkt dat het pand aan de [adres] in [plaats] niet als rijksmonument is aangewezen. In de Erfgoedwet staat ook dat de gemeenteraad een erfgoedverordening kan vaststellen, die ziet op het beheer en behoud van cultureel erfgoed binnen de gemeente. De gemeenteraad van de gemeente Oisterwijk heeft de ‘Erfgoedverordening gemeente Oisterwijk 2023’ (hierna: Erfgoedverordening) vastgesteld. Het college kan op grond van die Erfgoedverordening besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. Het college van burgemeester en wethouders houdt een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij. In het gemeentelijk monumentenregister van de gemeente Oisterwijk staat het pand aan de [adres] in [plaats] niet als gemeentelijk monument aangewezen.
6.6.
De Ow gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval ‘cultureel erfgoed’. In de Ow zijn dus regels gesteld die strekken tot bescherming van panden met de status van cultureel erfgoed. Uit de bepalingen waarin die regels staan opgenomen blijkt dat die beschermingsregels uitsluitend van toepassing zijn op panden die door de minister dan wel het college op grond van de in overweging 6.3 genoemde wet- en regelgeving als cultureel erfgoed zijn aangewezen. Omdat het voormalig gemeentehuis niet als cultureel erfgoed is aangewezen, zijn die bepalingen niet van toepassing. Dat betekent dat het slopen van het voormalig gemeentehuis, niet in strijd is met deze bepalingen uit de Ow. Hierna licht de rechtbank dat nader toe, per door eiseres genoemde bepaling.
Artikel 2.1 van de Ow
6.7.
Het slopen van het pand door de gemeente Oisterwijk is niet in strijd met het door eiseres genoemde artikel 2.1 van de Ow. In die bepaling staat dat de uitoefening van taken en bevoegdheden door bestuursorganen geschiedt met het oog op de maatschappelijke doelen waarop het wetsvoorstel gericht is. Die bepaling kan niet door de gemeente Oisterwijk worden overtreden, omdat de bepaling zich richt tot bestuursorganen. De gemeente Oisterwijk is geen bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1 van de Awb, maar is een publiekrechtelijk rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 5.1 van de Ow
6.8.
Eiseres heeft het college daarnaast verzocht om handhavend op te treden tegen het in strijd met de Ow zonder omgevingsvergunning slopen van het pand. In artikel 5.1 van de Ow staat limitatief opgesomd voor welke activiteiten een omgevingsvergunning is vereist. In die bepaling staat niet dat voor het slopen van ieder pand een omgevingsvergunning is vereist. In artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Ow staat dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een rijksmonumentenactiviteit te verrichten. Een rijksmonumentenactiviteit wordt in de Ow (onder andere) gedefinieerd als: een activiteit inhoudende het slopen van een rijksmonument. Een rijksmonument is volgens de Ow een monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister. Zoals de rechtbank in overweging 6.4 heeft vastgesteld, is het pand niet ingeschreven in dat register. Gelet daarop is het slopen van het pand niet in strijd met dit verbod en kan geen sprake zijn van overtreding van deze bepaling uit de Ow.
In artikel 15 van de Erfgoedverordening staat dat het verboden is om een gemeentelijk monument zonder omgevingsvergunning van het college te slopen. Een gemeentelijk monument staat ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. Op grond van artikel 22.8 van de Ow geldt deze vergunningplicht als een verbod om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow. Zoals de rechtbank in overweging 6.4 heeft vastgesteld is het pand niet in het gemeentelijk erfgoedregister ingeschreven als gemeentelijk monument. Gelet daarop is het slopen van het pand ook niet in strijd met dit verbod en kan geen sprake zijn van overtreding van deze bepaling uit de Ow.
Artikel 1.7 van de Ow
6.9.
Het college heeft ook kunnen besluiten dat niet is gebleken van klaarblijkelijk gevaar dat de gemeente Oisterwijk het pand zal het slopen in strijd met de zorgplicht uit artikel 1.7 van de Ow. De artikelen 1.6 en 1.7 van de Ow moeten in samenhang worden gelezen. Door deze twee artikelen wordt een algemene zorgplicht voor eenieder in de wet geïntroduceerd. Artikel 1.6 van de Ow geeft aan dat er een algemene zorgplicht is: Een ieder draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. Artikel 1.7 van de Ow definieert nader de inhoud van de zorgplicht. Omdat het pand niet valt onder de beschermingsregels voor cultureel erfgoed, is geen sprake van gevaar voor overtreding van de zorgplicht ten aanzien van dat aspect van de fysieke leefomgeving.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving
6.10.
Op grond van artikel 4.3, eerste lid, onder a, van de Ow zijn in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) algemene rijksregels gesteld over sloopwerkzaamheden. Voor het slopen van een bouwwerk geldt op grond van dit besluit geen omgevingsvergunningplicht. Hoofdstuk 7 van het Bbl bevat regels over bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken. Voor zover eiseres heeft bedoeld aan te voeren dat het slopen van het pand in strijd met die regels zal plaatsvinden, overweegt de rechtbank dat het relativiteitsvereiste aan die beroepsgrond in de weg staat. Het relativiteitsvereiste als staat opgenomen in artikel 8:69a van de Awb, houdt in dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Het relativiteitsvereiste staat niet aan een beroepsgrond in de weg, wanneer een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb opkomt voor algemene belangen die zij, gelet op haar statutaire doelstelling en door haar feitelijke werkzaamheden behartigt, en die geheel of ten dele samenvallen met de belangen die de norm beoogt te beschermen. Uit artikel 7.2 van het Bbl blijkt dat de regels in hoofdstuk 7 van het Bbl zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid in de directe omgeving van bouw- en sloopwerkzaamheden, het waarborgen van duurzaamheid bij het scheiden van bouw- en sloopafval op een bouw- en sloopterrein en het waarborgen van duurzaamheid bij de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht bij het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de regels uit hoofdstuk 7 van het Bbl niet beogen om het belang te beschermen die eiseres volgens haar statutaire doelstelling behartigt, namelijk het behoud van het pand. Haar statutaire doelstellingen zien niet op veiligheid, gezondheid, duurzaamheid of stikstof.
7. Conclusie
7.1.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.
7.2.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding.
De beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 28 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Wettelijk kader
Omgevingswet (Ow)
Artikel 1.2, eerste lid, van de Ow
Deze wet gaat over:
de fysieke leefomgeving, en
activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving.
Artikel 1.2, tweede lid, onder i, van de Ow
De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval cultureel erfgoed.
Artikel 1.7 van de Ow
Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen,
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken,
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.
Artikel 2.1, eerste lid, van de Ow
Een bestuursorgaan van een gemeente, een provincie of het Rijk of, met inachtneming van de Waterschapswet, van een waterschap oefent zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet uit met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld.
Artikel 5.1, eerste lid, onder a en onder b, van de Ow
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
een omgevingsplanactiviteit,
een rijksmonumentenactiviteit.
Erfgoedwet
Artikel 3.1, eerste lid, van de Erfgoedwet
Onze Minister kan ambtshalve besluiten een monument of archeologisch monument dat van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als rijksmonument.
Artikel 3.3, eerste lid, van de Erfgoedwet
Onze Minister houdt een register van de rijksmonumenten bij.
Artikel 3.16 van de Erfgoedwet
De gemeenteraad kan een erfgoedverordening vaststellen.
De verordening ziet op het beheer en behoud van cultureel erfgoed gelegen binnen de desbetreffende gemeente, dat van bijzonder belang is voor die gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis.
Het college van burgemeester en wethouders houdt een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij.
Erfgoedverordening gemeente Oisterwijk 2023 (Erfgoedverordening)
Artikel 6, eerste lid, van de Erfgoedverordening
Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.
Artikel 15, eerste lid, van de Erfgoedverordening
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument:
te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of
te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
ABRvS 17 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3505, r.o. 7.1.
Artikel 8:69, eerste lid, van de Awb.
Artikel 5:2, 5:1 en 5:7 van de Awb.
Artikel 3.1 en 3.3 van de Erfgoedwet.
Artikel 6, eerste lid, van de Erfgoedverordening.
Artikel 3.16 van de Erfgoedwet.
Artikel 1:2, eerste lid en tweede lid, onder i, van de Ow.
Artikel 1.1, eerste lid, van de Ow in samenhang met de bijlage bij de Ow.
Artikel 1.1, eerste lid, van de Ow in samenhang met de bijlage bij de Ow en artikel 1.1 van de Erfgoedwet.
Artikel 15, eerste lid, onder a, van de Erfgoedverordening.
Artikel 1 van de Erfgoedverordening.
Artikel 7.1 van het Bbl.
ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 6.6.