Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7695
2026-07-14
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/437285 / FA RK 25-3430
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Pal - bewust afgeweken van wettelijke maatstaven. Niet aangetoond dat man overeengekomen bijdrage niet kan blijven voldoen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2003:AF9468 Hoge Raad 12-09-2003
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.887 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/437285 / FA RK 25-3430
beschikking d.d. 1 4 juli 2026 betreffende levensonderhoud
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. M.E. Kok, gevestigd te Goes
en
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. D.R.M. de Vos, gevestigd te Bergen op Zoom.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 25 juni 2025 ontvangen verzoekschrift strekkende tot wijzing partneralimentatie, met bijlagen;
- het op 30 september 2025 ontvangen verweerschrift op verzoekschrift strekkende tot wijziging partneralimentatie (art. 1:401 BW), met bijlagen;
- de brief van mr. Kok d.d. 4 juni 2026, met nadere stukken;
- de tijdens de mondelinge behandeling van 16 juni 2026 door mr. Kok overgelegde pleitnota.
1.2 Het verzoek is behandeld tijdens de mondelinge behandeling van 16 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.
2De feiten
2.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van [datum 1] 2022 is door deze rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op [datum 2] 2022 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.2
Ingevolge het door partijen op 3, respectievelijk 10 december 2021 ondertekende convenant, dat aan de beschikking van [datum 1] 2022 is gehecht, dient de man nu -inclusief de wettelijke indexering – aan de vrouw € 4.434,39 per maand te betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 15 februari 2024 is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om de door hem te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van 1 april 2023 nader vast te stellen op nihil, althans op een lager dan het thans geldende bedrag.
2.4.
Bij beschikking van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 5 december 2024 is voornoemde beschikking van deze rechtbank van 15 februari 2024 vernietigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en is het verzoek van de man (alsnog) afgewezen.
2.5.
Bij beschikking van deze rechtbank van 16 april 2026 is - bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist - bepaald dat het van voornoemde beschikking van deze rechtbank d.d. [datum 1] 2022 deel uitmakende
echtscheidingsconvenant als volgt wordt gewijzigd:
- bepaalt dat de daarin overeengekomen door de man aan de vrouw te betalen
partneralimentatie met ingang van 1 april 2026 nader wordt vastgesteld op € 3.200,-- bruto per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, zulks met dien verstande dat indien in de bodemprocedure met zaaknummer C/02/437285 een hogere of lagere bijdrage wordt vastgesteld, het verschil vanaf 1 april 2026 tussen partijen wordt verrekend.
3Het verzoek
3.1
De man verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van [datum 1] 2022 te wijzigen en te bepalen dat de door de man verschuldigde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 juli 2025 op nihil wordt vastgesteld, dan wel de bijdrage te bepalen op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie meent te behoren.
3.2.
Ter zitting heeft de man zijn verzoek gewijzigd in zoverre dat de door hem verschuldigde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van datum verzoekschrift, zijnde 25 juni 2025, dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 2.119,= bruto per maand.
3.3.
De vrouw voert verweer en verzoekt voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de verzoeken van de man worden afgewezen.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover relevant voor de beoordeling, hierna
ingegaan.
4De beoordeling
Wettelijk kader
4.1.
Op grond van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Op grond van artikel 1:401 lid 4 BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Voorts kan op grond van artikel 1:401 lid 5 BW een overeenkomst betreffende levensonderhoud ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.
4.2.
Artikel 1:401 lid 5 BW is niet van toepassing als partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven van draagkracht en behoefte. In dat geval kan de alimentatie slechts worden gewijzigd op de grond van het bepaalde in artikel 1:159 lid 3 BW, waarin is bepaald dat wijziging slechts mogelijk is op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de alimentatieplichtige naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden. De strenge maatstaf van artikel 1:159 lid 3 BW wordt dan naar analogie toegepast.
Bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven
4.3.
In dit geval hebben partijen geen beding als bedoeld in artikel 1:159 lid 1 BW gemaakt. Dat betekent dat artikel 1:401 lid 1 BW toepassing moet vinden. De rechtbank overweegt in dit verband dat artikel 1:401 lid 1 BW zo moet worden toegepast dat, indien partijen bij het maken van het echtscheidingsconvenant bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, wijziging van de overeenkomst betreffende levensonderhoud slechts mogelijk is, indien de man stelt en de rechtbank aannemelijk oordeelt dat na het tot stand komen van het echtscheidingsconvenant een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de vrouw, in het licht van alle thans bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Gezien de aan echtgenoten toekomende vrijheid de financiële gevolgen van hun echtscheiding zelf te regelen, zal het de rechtbank zowel bij zijn oordeel of aan deze voorwaarde is voldaan als, zo dit het geval is, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot wijziging van de omtrent het levensonderhoud getroffen regeling, terughoudendheid moeten betrachten. Dit brengt mee dat de rechtbank bij een wijziging van de uitkering tot levensonderhoud zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij wat partijen bij hun overeenkomst voor ogen stond, waarbij hij mede zal dienen te letten op het verband dat kan zijn beoogd tussen de regeling betreffende het levensonderhoud en door partijen getroffen regelingen van andere aard (HR 23 oktober 1987, nr. 7167, NJ 1988, 438 en ECLI:NL:HR:2003:AF9468).
4.4.
De man legt aan zijn verzoekschrift ten grondslag dat sprake is van een wijziging van omstandigheden omdat hij op [geboortedatum] 2025 60 jaar oud is geworden en in Saoedi-Arabië geldt dat je vanaf die leeftijd verplicht met pensioen moet en niet verder mag werken. Als gevolg hiervan is de dienstbetrekking van de man bij zijn toenmalige werkgever automatisch geëindigd op [geboortedatum] 2025. De man heeft hierover een – op verzoek van de man door zijn werkgever opgestelde – verklaring d.d. 7 januari 2025 in het geding gebracht. De advocaat van de man heeft ter zitting namens de man gesteld dat er sprake is van een volkomen wanverhouding tussen hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan en wat zich werkelijk heeft voorgedaan, nu de man door zijn pensioen in Saoedi-Arabië al geruime tijd niet meer over de draagkracht beschikt om de verschuldigde (geïndexeerde) bijdrage van € 4.434,= bruto per maand te voldoen. Partijen hebben in onderling overleg de voorlopig verschuldigde partnerbijdrage gewijzigd naar een bedrag van € 3.200,= bruto per maand. Dat is de bijdrage die de man nu voldoet, maar ook deze past niet bij zijn draagkracht. Door en namens de man is gesteld dat hij niet meer dan € 2.119,= bruto per maand aan partneralimentatie kan en wil voldoen. De man heeft ter zitting evenwel verklaard dat hij ten tijde van het sluiten van het convenant al wist dat hij in Saoedi-Arabië op zijn 60e met pensioen moest. Hij ging er op basis van het advies van zijn toenmalige advocaat vanuit dat hij dan wel een wijziging zou kunnen vragen. Op de vraag waarom hij het naderende pensioen niet eerder, bijvoorbeeld tijdens de eerdere procedure in 2023 bij de rechtbank of in 2024 bij het Hof, heeft gemeld, stelt de man dat hij dit op advies van zijn toenmalige advocaat niet heeft gedaan. Op de vraag of de man vermogen heeft, heeft hij geantwoord dat hij eerder € 150.000,- op een bankrekening had staan, waarvan - na onder meer aankoop van een auto - momenteel nog € 86.000,- resteert en dat hij verder enkel zijn woning en een vakantiewoning, die op het perceel van zijn woning staat, heeft. Daarnaast stelt hij dat zijn huidige partner in Nederland te weinig verdient om bij te dragen in de woonlasten van de man.
4.5.
De vrouw betwist dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die wijziging van de onderhoudsbijdrage rechtvaardigt. De vrouw verwijst naar de eerdere procedure (verzoek 3 augustus 2023) waarin de man eveneens heeft verzocht om wijziging van de partneralimentatie. In deze procedure is uiteindelijk in hoger beroep bij beschikking van 5 december 2024 door het Hof beslist (en het verzoek van de man afgewezen). In die procedure – nog vrij recent – is door de man niets gezegd over zijn aanstaande (verplichte) pensioen. Nergens blijkt ook uit dat er sprake is van een verplicht pensioen. Namens de vrouw is ook aangevoerd dat de man hierover thans wisselend verklaart, aangezien hij enerzijds zegt dat hij ermee bekend was dat hij op zijn 60e zou moeten stoppen met werken in Saoedi-Arabië, maar gehoopt had langer door te kunnen werken en anderzijds niet aantoont dat hij gedwongen werd te stoppen, maar niet aantoont dat hij überhaupt geprobeerd heeft daar langer door te werken. De vrouw meent dan ook dat de man aannemelijk dient te maken dat hij zijn dienstverband bij [bedrijf] niet kon voortzetten. Zij betwist in ieder geval dat de man vanaf 1 juli 2025 niet meer bij [bedrijf] of een ander bedrijf in Saoedi-Arabië zou kunnen werken. Daarnaast heeft de man geen inzage gegeven uit verhuur van zijn vakantiewoning, noch in zijn vermogen. Ook stelt de vrouw dat zijn huidige partner, die in Saoedi-Arabië als verloskundige werkte, in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en kan bijdragen in de woonlasten van de man Zij stelt zich op het standpunt dat er sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. De vrouw stelt voorts dat de man bij het maken van keuzes rekening had moeten houden met zijn alimentatieverplichting en dat de man gelet op zijn ruime inkomen in Saoedi-Arabië genoeg vermogen moet hebben opgebouwd, althans had kunnen opbouwen, om de alimentatie-afspraak na te komen en hiervoor te reserveren.
De rechtbank overweegt als volgt.
4.6.
De rechtbank dient gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader te beoordelen of er in het onderhavige geval na het tot stand komen van het echtscheidingsconvenant een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de vrouw, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Daarbij dient zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij wat partijen bij hun overeenkomst voor ogen stond, en bij een eventuele wijziging van de omtrent het levensonderhoud getroffen regeling, de nodige terughoudendheid te betrachten.
4.7.
In voornoemde beschikking van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 5 december 2024 is onherroepelijk geoordeeld dat partijen in het echtscheidingsconvenant bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven ten aanzien van de behoefte van de vrouw, de draagkracht van de man en de duur van de alimentatie. De rechtbank verwijst naar hetgeen het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch hierover in voornoemde beschikking van 5 december 2024 reeds heeft overwogen en stelt ook op basis van de thans overgelegde stukken en hetgeen daarover is gezegd vast dat partijen in afwijking van de wettelijke maatstaven een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zijn overeengekomen, die aanzienlijk lager lag dan wanneer bij de vaststelling van deze bijdrage wel van de wettelijke maatstaven zou zijn uitgegaan. Niet in geschil is immers dat de (aanvullende) behoefte van de vrouw ruim hoger lag dan de tussen partijen overeengekomen bijdrage. Ook zijn partijen bewust afgeweken van de wettelijke alimentatieduur, in die zin dat zij een kortere alimentatietermijn zijn overeengekomen. Dat de man naar eigen zeggen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst al wist dat hij met zijn 60e met pensioen zou gaan, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat hij – gelet op zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw – hiervoor, zoals de vrouw ook heeft aangevoerd, had moeten en kunnen reserveren. De rechtbank stelt vast dat de man dit in ieder geval deels heeft gedaan. Ter zitting heeft de man desgevraagd immers verklaard dat hij eerder € 150.000,- op een bankrekening had staan, waarvan - na onder meer aankoop van een auto - momenteel nog€ 86.000,- resteert. De vrouw stelt dat de man mede gezien zijn hoge inkomen in Saoedi-Arabië (circa € 14.000,= netto per maand in 2019) over veel meer vermogen moet of had kunnen beschikken. De rechtbank stelt vast dat de man heeft nagelaten om enig inzicht te verschaffen in zijn vermogenspositie, hetgeen gelet op de aard van de procedure en de betwisting door de vrouw wel op zijn weg had gelegen. Ook heeft de man niet inzichtelijk gemaakt of hij bij het einde van zijn dienstverband een vergoeding heeft ontvangen of aanspraak kan maken op pensioen uit Saoedi-Arabië of voorgaande dienstbetrekkingen. Voor wat betreft het huidige inkomen uit arbeid van de man volgt uit de door de man overgelegde loonstroken over de periode eind 2025 een bruto jaarloon van thans € 114.891,=. De vrouw stelt dat de man daarnaast in ieder geval ook inkomsten heeft uit de verhuur van een vakantiewoning. De man heeft deze inkomsten onder overlegging van een door hemzelf opgesteld kostenoverzicht eerst betwist en daarna gesteld dat deze verhuur in de praktijk zodanig weinig oplevert dat hij er noodgedwongen mee gaat stoppen, maar hij heeft geen objectieve verifieerbare stukken overgelegd waaruit dit blijkt. De man verwijst ter onderbouwing van deze stellingen naar zijn eigen berekeningen en stelt eerst ter zitting dat hij hoge investeringen heeft moeten doen om de vakantiewoning op de markt te krijgen. Als met deze investeringen geen rekening wordt gehouden dan is het maximale netto resultaat € 150,= netto per maand, aldus de man. Omdat de man verder geen, althans onvoldoende, inzicht heeft verschaft in zijn vermogenspositie en inkomenscomponenten, terwijl dit naar het oordeel van de rechtbank, gezien het feit dat de man de verzoekende partij is en zijn stellingen op dit punt gemotiveerd zijn betwist door de vrouw, wel op zijn weg had gelegen, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken, althans onvoldoende onderbouwd, dat de man thans niet meer in staat is om de verschuldigde partneralimentatie conform de afspraken van partijen te voldoen. Dat er sprake is van een situatie waarin, in het licht van de huidige omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag worden verwacht, is naar het oordeel van de rechtbank derhalve niet gebleken.
4.8.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen omdat de drempel voor wijziging van het echtscheidingsconvenant niet is gehaald.
5De beslissing
De rechtbank:
wijst de verzoeken van de man af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/437285 / FA RK 25-3430
beschikking d.d. 1 4 juli 2026 betreffende levensonderhoud
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. M.E. Kok, gevestigd te Goes
en
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. D.R.M. de Vos, gevestigd te Bergen op Zoom.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 25 juni 2025 ontvangen verzoekschrift strekkende tot wijzing partneralimentatie, met bijlagen;
- het op 30 september 2025 ontvangen verweerschrift op verzoekschrift strekkende tot wijziging partneralimentatie (art. 1:401 BW), met bijlagen;
- de brief van mr. Kok d.d. 4 juni 2026, met nadere stukken;
- de tijdens de mondelinge behandeling van 16 juni 2026 door mr. Kok overgelegde pleitnota.
1.2 Het verzoek is behandeld tijdens de mondelinge behandeling van 16 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.
2De feiten
2.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van [datum 1] 2022 is door deze rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op [datum 2] 2022 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.2
Ingevolge het door partijen op 3, respectievelijk 10 december 2021 ondertekende convenant, dat aan de beschikking van [datum 1] 2022 is gehecht, dient de man nu -inclusief de wettelijke indexering – aan de vrouw € 4.434,39 per maand te betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 15 februari 2024 is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om de door hem te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van 1 april 2023 nader vast te stellen op nihil, althans op een lager dan het thans geldende bedrag.
2.4.
Bij beschikking van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 5 december 2024 is voornoemde beschikking van deze rechtbank van 15 februari 2024 vernietigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en is het verzoek van de man (alsnog) afgewezen.
2.5.
Bij beschikking van deze rechtbank van 16 april 2026 is - bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist - bepaald dat het van voornoemde beschikking van deze rechtbank d.d. [datum 1] 2022 deel uitmakende
echtscheidingsconvenant als volgt wordt gewijzigd:
- bepaalt dat de daarin overeengekomen door de man aan de vrouw te betalen
partneralimentatie met ingang van 1 april 2026 nader wordt vastgesteld op € 3.200,-- bruto per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, zulks met dien verstande dat indien in de bodemprocedure met zaaknummer C/02/437285 een hogere of lagere bijdrage wordt vastgesteld, het verschil vanaf 1 april 2026 tussen partijen wordt verrekend.
3Het verzoek
3.1
De man verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van [datum 1] 2022 te wijzigen en te bepalen dat de door de man verschuldigde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 juli 2025 op nihil wordt vastgesteld, dan wel de bijdrage te bepalen op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie meent te behoren.
3.2.
Ter zitting heeft de man zijn verzoek gewijzigd in zoverre dat de door hem verschuldigde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van datum verzoekschrift, zijnde 25 juni 2025, dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 2.119,= bruto per maand.
3.3.
De vrouw voert verweer en verzoekt voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de verzoeken van de man worden afgewezen.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover relevant voor de beoordeling, hierna
ingegaan.
4De beoordeling
Wettelijk kader
4.1.
Op grond van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Op grond van artikel 1:401 lid 4 BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Voorts kan op grond van artikel 1:401 lid 5 BW een overeenkomst betreffende levensonderhoud ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.
4.2.
Artikel 1:401 lid 5 BW is niet van toepassing als partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven van draagkracht en behoefte. In dat geval kan de alimentatie slechts worden gewijzigd op de grond van het bepaalde in artikel 1:159 lid 3 BW, waarin is bepaald dat wijziging slechts mogelijk is op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de alimentatieplichtige naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden. De strenge maatstaf van artikel 1:159 lid 3 BW wordt dan naar analogie toegepast.
Bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven
4.3.
In dit geval hebben partijen geen beding als bedoeld in artikel 1:159 lid 1 BW gemaakt. Dat betekent dat artikel 1:401 lid 1 BW toepassing moet vinden. De rechtbank overweegt in dit verband dat artikel 1:401 lid 1 BW zo moet worden toegepast dat, indien partijen bij het maken van het echtscheidingsconvenant bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, wijziging van de overeenkomst betreffende levensonderhoud slechts mogelijk is, indien de man stelt en de rechtbank aannemelijk oordeelt dat na het tot stand komen van het echtscheidingsconvenant een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de vrouw, in het licht van alle thans bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Gezien de aan echtgenoten toekomende vrijheid de financiële gevolgen van hun echtscheiding zelf te regelen, zal het de rechtbank zowel bij zijn oordeel of aan deze voorwaarde is voldaan als, zo dit het geval is, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot wijziging van de omtrent het levensonderhoud getroffen regeling, terughoudendheid moeten betrachten. Dit brengt mee dat de rechtbank bij een wijziging van de uitkering tot levensonderhoud zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij wat partijen bij hun overeenkomst voor ogen stond, waarbij hij mede zal dienen te letten op het verband dat kan zijn beoogd tussen de regeling betreffende het levensonderhoud en door partijen getroffen regelingen van andere aard (HR 23 oktober 1987, nr. 7167, NJ 1988, 438 en ECLI:NL:HR:2003:AF9468).
4.4.
De man legt aan zijn verzoekschrift ten grondslag dat sprake is van een wijziging van omstandigheden omdat hij op [geboortedatum] 2025 60 jaar oud is geworden en in Saoedi-Arabië geldt dat je vanaf die leeftijd verplicht met pensioen moet en niet verder mag werken. Als gevolg hiervan is de dienstbetrekking van de man bij zijn toenmalige werkgever automatisch geëindigd op [geboortedatum] 2025. De man heeft hierover een – op verzoek van de man door zijn werkgever opgestelde – verklaring d.d. 7 januari 2025 in het geding gebracht. De advocaat van de man heeft ter zitting namens de man gesteld dat er sprake is van een volkomen wanverhouding tussen hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan en wat zich werkelijk heeft voorgedaan, nu de man door zijn pensioen in Saoedi-Arabië al geruime tijd niet meer over de draagkracht beschikt om de verschuldigde (geïndexeerde) bijdrage van € 4.434,= bruto per maand te voldoen. Partijen hebben in onderling overleg de voorlopig verschuldigde partnerbijdrage gewijzigd naar een bedrag van € 3.200,= bruto per maand. Dat is de bijdrage die de man nu voldoet, maar ook deze past niet bij zijn draagkracht. Door en namens de man is gesteld dat hij niet meer dan € 2.119,= bruto per maand aan partneralimentatie kan en wil voldoen. De man heeft ter zitting evenwel verklaard dat hij ten tijde van het sluiten van het convenant al wist dat hij in Saoedi-Arabië op zijn 60e met pensioen moest. Hij ging er op basis van het advies van zijn toenmalige advocaat vanuit dat hij dan wel een wijziging zou kunnen vragen. Op de vraag waarom hij het naderende pensioen niet eerder, bijvoorbeeld tijdens de eerdere procedure in 2023 bij de rechtbank of in 2024 bij het Hof, heeft gemeld, stelt de man dat hij dit op advies van zijn toenmalige advocaat niet heeft gedaan. Op de vraag of de man vermogen heeft, heeft hij geantwoord dat hij eerder € 150.000,- op een bankrekening had staan, waarvan - na onder meer aankoop van een auto - momenteel nog € 86.000,- resteert en dat hij verder enkel zijn woning en een vakantiewoning, die op het perceel van zijn woning staat, heeft. Daarnaast stelt hij dat zijn huidige partner in Nederland te weinig verdient om bij te dragen in de woonlasten van de man.
4.5.
De vrouw betwist dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die wijziging van de onderhoudsbijdrage rechtvaardigt. De vrouw verwijst naar de eerdere procedure (verzoek 3 augustus 2023) waarin de man eveneens heeft verzocht om wijziging van de partneralimentatie. In deze procedure is uiteindelijk in hoger beroep bij beschikking van 5 december 2024 door het Hof beslist (en het verzoek van de man afgewezen). In die procedure – nog vrij recent – is door de man niets gezegd over zijn aanstaande (verplichte) pensioen. Nergens blijkt ook uit dat er sprake is van een verplicht pensioen. Namens de vrouw is ook aangevoerd dat de man hierover thans wisselend verklaart, aangezien hij enerzijds zegt dat hij ermee bekend was dat hij op zijn 60e zou moeten stoppen met werken in Saoedi-Arabië, maar gehoopt had langer door te kunnen werken en anderzijds niet aantoont dat hij gedwongen werd te stoppen, maar niet aantoont dat hij überhaupt geprobeerd heeft daar langer door te werken. De vrouw meent dan ook dat de man aannemelijk dient te maken dat hij zijn dienstverband bij [bedrijf] niet kon voortzetten. Zij betwist in ieder geval dat de man vanaf 1 juli 2025 niet meer bij [bedrijf] of een ander bedrijf in Saoedi-Arabië zou kunnen werken. Daarnaast heeft de man geen inzage gegeven uit verhuur van zijn vakantiewoning, noch in zijn vermogen. Ook stelt de vrouw dat zijn huidige partner, die in Saoedi-Arabië als verloskundige werkte, in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en kan bijdragen in de woonlasten van de man Zij stelt zich op het standpunt dat er sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. De vrouw stelt voorts dat de man bij het maken van keuzes rekening had moeten houden met zijn alimentatieverplichting en dat de man gelet op zijn ruime inkomen in Saoedi-Arabië genoeg vermogen moet hebben opgebouwd, althans had kunnen opbouwen, om de alimentatie-afspraak na te komen en hiervoor te reserveren.
De rechtbank overweegt als volgt.
4.6.
De rechtbank dient gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader te beoordelen of er in het onderhavige geval na het tot stand komen van het echtscheidingsconvenant een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de vrouw, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Daarbij dient zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij wat partijen bij hun overeenkomst voor ogen stond, en bij een eventuele wijziging van de omtrent het levensonderhoud getroffen regeling, de nodige terughoudendheid te betrachten.
4.7.
In voornoemde beschikking van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 5 december 2024 is onherroepelijk geoordeeld dat partijen in het echtscheidingsconvenant bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven ten aanzien van de behoefte van de vrouw, de draagkracht van de man en de duur van de alimentatie. De rechtbank verwijst naar hetgeen het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch hierover in voornoemde beschikking van 5 december 2024 reeds heeft overwogen en stelt ook op basis van de thans overgelegde stukken en hetgeen daarover is gezegd vast dat partijen in afwijking van de wettelijke maatstaven een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zijn overeengekomen, die aanzienlijk lager lag dan wanneer bij de vaststelling van deze bijdrage wel van de wettelijke maatstaven zou zijn uitgegaan. Niet in geschil is immers dat de (aanvullende) behoefte van de vrouw ruim hoger lag dan de tussen partijen overeengekomen bijdrage. Ook zijn partijen bewust afgeweken van de wettelijke alimentatieduur, in die zin dat zij een kortere alimentatietermijn zijn overeengekomen. Dat de man naar eigen zeggen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst al wist dat hij met zijn 60e met pensioen zou gaan, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat hij – gelet op zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw – hiervoor, zoals de vrouw ook heeft aangevoerd, had moeten en kunnen reserveren. De rechtbank stelt vast dat de man dit in ieder geval deels heeft gedaan. Ter zitting heeft de man desgevraagd immers verklaard dat hij eerder € 150.000,- op een bankrekening had staan, waarvan - na onder meer aankoop van een auto - momenteel nog€ 86.000,- resteert. De vrouw stelt dat de man mede gezien zijn hoge inkomen in Saoedi-Arabië (circa € 14.000,= netto per maand in 2019) over veel meer vermogen moet of had kunnen beschikken. De rechtbank stelt vast dat de man heeft nagelaten om enig inzicht te verschaffen in zijn vermogenspositie, hetgeen gelet op de aard van de procedure en de betwisting door de vrouw wel op zijn weg had gelegen. Ook heeft de man niet inzichtelijk gemaakt of hij bij het einde van zijn dienstverband een vergoeding heeft ontvangen of aanspraak kan maken op pensioen uit Saoedi-Arabië of voorgaande dienstbetrekkingen. Voor wat betreft het huidige inkomen uit arbeid van de man volgt uit de door de man overgelegde loonstroken over de periode eind 2025 een bruto jaarloon van thans € 114.891,=. De vrouw stelt dat de man daarnaast in ieder geval ook inkomsten heeft uit de verhuur van een vakantiewoning. De man heeft deze inkomsten onder overlegging van een door hemzelf opgesteld kostenoverzicht eerst betwist en daarna gesteld dat deze verhuur in de praktijk zodanig weinig oplevert dat hij er noodgedwongen mee gaat stoppen, maar hij heeft geen objectieve verifieerbare stukken overgelegd waaruit dit blijkt. De man verwijst ter onderbouwing van deze stellingen naar zijn eigen berekeningen en stelt eerst ter zitting dat hij hoge investeringen heeft moeten doen om de vakantiewoning op de markt te krijgen. Als met deze investeringen geen rekening wordt gehouden dan is het maximale netto resultaat € 150,= netto per maand, aldus de man. Omdat de man verder geen, althans onvoldoende, inzicht heeft verschaft in zijn vermogenspositie en inkomenscomponenten, terwijl dit naar het oordeel van de rechtbank, gezien het feit dat de man de verzoekende partij is en zijn stellingen op dit punt gemotiveerd zijn betwist door de vrouw, wel op zijn weg had gelegen, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken, althans onvoldoende onderbouwd, dat de man thans niet meer in staat is om de verschuldigde partneralimentatie conform de afspraken van partijen te voldoen. Dat er sprake is van een situatie waarin, in het licht van de huidige omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag worden verwacht, is naar het oordeel van de rechtbank derhalve niet gebleken.
4.8.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen omdat de drempel voor wijziging van het echtscheidingsconvenant niet is gehaald.
5De beslissing
De rechtbank:
wijst de verzoeken van de man af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.