Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7686

2026-07-14 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/448609 / JE RK 26/919
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-14
Publicatiedatum
2026-08-14
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/448609 / JE RK 26/919
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek ondertoezichtstelling.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.946 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/448609 / JE RK 26/919
Datum uitspraak: 14 juli 2026




Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,



over





[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .



De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. A. Koop-van Vliet uit Breda.



De kinderrechter merkt als informant aan:





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2].





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 mei 2026;


de door de Raad op 16 juni 2026 overgelegde geboorteakten.


De kinderrechter heeft de door de voormalige advocaat van de man mr. E. van Es ingediende brief van 22 juni 2026 buiten beschouwing gelaten, omdat de man informant is en daarom geen stukken mag indienen.



1.2.
De zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 29 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;


de vader,


een vertegenwoordiger van de Raad;


- een vertegenwoordiger van de GI (via teams).



1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.





2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.



2.3.
Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 15 april 2025 zijn de ouders verwezen voor een jeugdhulptraject naar het uniform hulpaanbod. Daarnaast is bepaald dat de vader gerechtigd is tot omgang met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eenmaal per veertien dagen op zaterdagochtend gedurende 1,5 uur (van 10.00 uur tot 11.30 uur) en tot een (video)belmoment iedere donderdagavond.



2.4.
Er loopt een omgangszaak tussen de ouders bij de rechtbank onder zaaknummer C/02/431872 FA RK 25-757.





3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.
De Raad heeft ter onderbouwing van het verzoek aangegeven dat er ernstige zorgen zijn over de mate waarin de kinderen worden belast met de echtscheidings-problematiek door de ouders, met name vanuit de moeder. De ouders zijn sinds mei 2024 uit elkaar. Het raadsonderzoek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een negatieve terugmelding van het traject binnen het uniform hulpaanbod vanuit [de zorgaanbieder] . [de zorgaanbieder] heeft tevens een melding gedaan bij Veilig Thuis vanwege de indruk dat er sprake is van ouderverstoting door de moeder. De emoties over de scheiding zitten bij de moeder nog heel hoog. Zij stelt haar verdriet boven het belang van de kinderen. De moeder vindt dat de vader door zijn handelen geen recht heeft op contact met de kinderen en zij wil de kinderen niet delen. Zij blokkeert concrete afspraken over de uitbreiding van de omgang tussen de vader en de kinderen. De Raad heeft ook zelf nog geprobeerd de moeder te bewegen tot uitbreiding van deze omgang, maar dat is niet gelukt omdat de moeder de door haar gestelde voorwaarden niet kan loslaten. De moeder stelt als voorwaarde dat de kinderen geen contact hebben met de nieuwe partner van de vader waar hij mee samenwoont. De moeder belast daarnaast de kinderen tijdens over overdrachtsmomenten. Zij heeft haar emoties daarbij niet onder controle en doet belastende uitspraken naar de kinderen. De moeder uit zorgen dat de vader niet goed voor de kinderen kan zorgen, maar de Raad heeft daar geen voorbeelden of signalen van vernomen. De moeder is onvoldoende bereid om hulpverlening te accepteren. De vader ervaart geen negatieve gevoelens richting de moeder en vindt haar een goede opvoeder. Hij zet zich in voor het contact met de kinderen. De vader is bereid hulpverlening te accepteren en is in staat naar zijn eigen aandeel te kijken. [minderjarige 1] heeft begeleiding gehad vanuit schoolmaatschappelijk werk. Zij heeft daar verteld behoefte te hebben aan meer contact met haar vader. Deze begeleiding is door de moeder gestopt. [minderjarige 2] is nog te jong om iets over de omgangsregeling met de vader aan te geven. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk, omdat de moeder onvoldoende bereid en beide ouders niet in staat zijn om de bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen weg te nemen. De Raad stelt dat er geen sprake is van een omgangsondertoezichtstelling. De Raad geeft, los van de ondertoezichtstelling, een duidelijk advies over hoe de omgangsregeling met de vader eruit moet komen te zien. In dat kader adviseert de Raad de omgang met de vader op te bouwen naar een weekend om de veertien dagen. Het is dan aan de GI om de opbouw van de omgang te monitoren en het tempo van de kinderen in de gaten te houden. De ontwikkelingsbedreiging van de kinderen ziet op de echtscheidingsproblematiek. De moeder moet stoppen met het emotioneel belasten van de kinderen met haar emoties en negatieve uitspraken over de vader. De Raad adviseert individuele hulpverlening voor de moeder. De Raad acht het daarnaast noodzakelijk dat de ouders onder begeleiding afspraken met elkaar maken over de kinderen. Tevens acht de Raad het nodig dat de kinderen een onafhankelijke vertrouwenspersoon krijgen, bijvoorbeeld via speltherapie of een kindbehartiger. De Raad heeft verzocht om een duur van negen maanden voor de ondertoezichtstelling, omdat de verwachting is dat als de afspraken er zijn het hulpverleningsproces overgedragen kan worden aan het vrijwillig kader.



4.2.
De GI heeft aangegeven dat hulpverlening voor de ouders en voor de kinderen ingezet kan worden. Er dient ook gekeken te worden naar de band tussen de moeder en de kinderen en hoe er grenzen aan haar gedrag kunnen worden gesteld. Daarnaast kan het contact tussen de vader en de kinderen via een opbouwschema uitgebreid worden. De GI heeft niet direct een jeugdbeschermer beschikbaar, omdat er sprake is van een wachtlijst. Het zal maanden duren voordat er een vaste jeugdbeschermer gekoppeld kan worden. Wel wordt er binnen vijf dagen een monitoringsmedewerker aangesteld, die elke maand contact zal hebben met de ouders en alvast een aanmelding kan doen bij de hulpverlening.



4.3.

Door en namens de moeder is aangegeven dat zij het niet eens is met het verzoek. Zij vindt dat de verzochte ondertoezichtstelling een omgangsondertoezichtstelling is en niet voldoet aan de daaraan in de jurisprudentie gestelde eisen (zoals in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 ECLI:NL:HR:2016:295). Het gaat enkel en alleen om uitbreiding van de omgangsregeling. De kinderen ontwikkelen zich goed. De echtscheidingsproblematiek is niet dusdanig van aard dat er sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. Daarnaast zal de ondertoezichtstelling niet doelmatig zijn. De moeder voelt zich niet gehoord. Zij heeft nooit een betrokken vader gezien. De moeder houdt zich aan de omgangsregeling die door de voorzieningenrechter is vastgesteld en een procedure daarover loopt nog. Zij zal via de POH van de huisarts hulpverlening voor zichzelf vragen. De ondertoezichtstelling zal contraproductief werken. Tenslotte zijn er geen doelen genoemd in het raadsrapport, waardoor onduidelijk is waar dan aan gewerkt moet worden. Bovendien duurt het maanden voordat een jeugdbeschermer beschikbaar is. De moeder vraagt daarom het verzoek af te wijzen.
De moeder wenst dat er kwalitatief goede omgang komt tussen de kinderen en de vader. Zij vindt een dag in de twee weken het hoogst haalbare voor dit moment. De kinderen geven aan dat ze pas bij de vader willen blijven slapen als ze ouder zijn.




4.4.
De vader stemt in met het verzoek, omdat er in de afgelopen periode geen hulpverlening of uitbreiding van de omgangsregeling tot stand is gekomen. Er is nu sprake van een beperkte omgangsregeling van anderhalf uur. Hij kan op dit moment enkel even iets leuks met de kinderen gaan doen. Met de kinderen op-en-neer rijden naar zijn woning in Limburg kan alleen als er minstens een dag omgang is. De man is bereid af te spreken dat zijn partner voorlopig niet betrokken wordt bij de omgang met de kinderen. De vader wil graag dat er via een opbouwschema gewerkt wordt naar een weekendregeling om de veertien dagen. Hij hoopt dat de ouders aan de kinderen kunnen laten voelen dat onbelast contact met beide ouders mogelijk is en dat de ouders bijvoorbeeld bij de musical op school beiden aanwezig kunnen zijn.



4.5.

[minderjarige 1] heeft in haar gesprek met de kinderrechter, kort samengevat, verteld dat ze het niet zo fijn vindt dat ze haar vader maar kort ziet en dat haar ouders soms ruzie maken. Ze gaat naar een binnenspeeltuin of naar het bos met haar vader. Als ze ouder is, wil ze wel bij haar vader overnachten. Ze heeft nu nog vaak enge dromen en wil dan bij haar moeder in bed kruipen.





5De beoordeling


5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.



5.2.
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Die bedreiging in de ontwikkeling zit met name in het gegeven dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden belast met de echtscheidingsproblematiek tussen de ouders. Zij ervaren dat de emoties van hun moeder over de scheiding nog hoog zitten, krijgen belastende uitspraken over hun vader te horen en ervaren dat zij hun vader maar zeer beperkt mogen zien. Dit heeft gevolgen voor de sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling van de kinderen. Vaak wordt gezien dat kinderen die hiermee te maken hebben in loyaliteitsconflict komen en zich daardoor niet vrij meer voelen om met de vader en/of de moeder contact te hebben. Het is van invloed op de ontwikkeling van de band tussen ouder en kind en beperkt de mogelijkheid dat kinderen zelf een eigen beeld gaan vormen over de ouder. Het ervaren van afwijzing van één van de ouders kan ook gevolgen hebben voor het zelfbeeld van het kind. Een kind bestaat immers voor de helft uit ieder van de ouders en kan persoonlijkheidskenmerken hebben die op één van de ouders lijken. Het is daarom zo belangrijk dat de kinderen niet belast worden met de negatieve gevoelens van de moeder over de vader en dat zij gaan ervaren dat zij meer contact mogen hebben met de vader. Aangezien de verzochte ondertoezichtstelling niet enkel is gericht op uitbreiding van de omgangsregeling is geen sprake van een zogenoemde omgangsondertoezichtstelling.



5.3.
Op het moment van indiening van het verzoek door de Raad was er nog geen sprake van een mogelijkheid tot uitbreiding van de omgangsregeling tussen de kinderen en de vader en het accepteren van hulpverlening door de moeder voor inzicht in haar aandeel. De kinderrechter begrijpt dat de Raad onderhavig verzoek in dat kader heeft gedaan. Tijdens de zitting hebben de ouders afspraken gemaakt over de voorlopige uitbreiding van de omgangsregeling. Deze overeenstemming is vastgelegd in de omgangszaak (zaaknummer C/02/431872 FA RK 25-757). Daarnaast heeft de moeder aangegeven hulp voor zichzelf te gaan zoeken via de POH van de huisarts. De kinderrechter acht het hiermee op dit moment niet uitgesloten dat de ouders in het vrijwillig kader tot het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen kunnen komen. De rechtbank zal het verloop hiervan kunnen volgen, omdat er nog een gezag- en omgangsprocedure loopt. De Raad zal in zijn adviserende functie ook daarin betrokken worden. De Raad kan eventueel later overwegen een hernieuwde indiening van het verzoek te doen, indien de noodzaak daarvan uit de gezags- en omgangszaak blijkt.



5.4.
De kinderrechter wijst daarom het verzoek tot ondertoezichtstelling af.



5.5.

[minderjarige 1] heeft bij de kinderrechter aangegeven graag een brief te willen ontvangen met uitleg over de uitspraak. De kinderrechter zal daarom een brief aan haar sturen met de volgende inhoud:



Beste [minderjarige 1] ,





Pasgeleden ben jij naar de rechtbank gekomen en heb jij met mij een gesprek gehad. Jij hebt toen goed verteld over jou, mama, papa, [minderjarige 2] en jouw [hond] . Ik heb een paar dagen later een gesprek gehad met jouw ouders. Daar was ook een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming bij aanwezig.





Jouw ouders hebben toen samen afspraken gemaakt over dat jij en [minderjarige 2] voortaan langer met jouw vader contact hebben. Jouw moeder kan aan jou vertellen wanneer dat is.





Ik wens je alvast een fijne zomervakantie.





Met vriendelijke groet,





Van Leuven


kinderrechter







6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
wijst het verzoek af.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.