Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7682

2026-07-14 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/448329 / FA RK 26-2567
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-14
Publicatiedatum
2026-08-14
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/448329 / FA RK 26-2567
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Informele rechtsingang met vraag om zorgregeling (co-ouderschap) te wijzigen - benoeming bijzondere curator.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (28.200 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT




Team Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/448329 / FA RK 26-2567
Datum uitspraak: 14 juli 2026




beschikking benoeming bijzondere curator






[minderjarige 1]
, hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014,
wonende in [woonplaats] ,





[minderjarige 2]
, hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015,
wonende in [woonplaats] ,





[minderjarige 3]
, hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2017,
wonende in [woonplaats] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. E.M.G. van Nuenen-Meulesteen uit Hilvarenbeek,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren uit Breda.



Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over de vraag van de minderjarigen te adviseren.





1Het verloop van de zaak


1.1
Op 15 mei 2026 heeft de rechtbank een e-mailbericht ontvangen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen).



1.2
De kinderrechter heeft op 8 juni 2026 met [minderjarige 1] en [minderjarige 3] gesproken over hun e-mailbericht. Op verzoek van [minderjarige 2] heeft hij niet met de kinderrechter gepraat.



1.3
Naar aanleiding van de brief van de minderjarigen en het gesprek met [minderjarige 1] en [minderjarige 3] heeft de kinderrechter de ouders (en de Raad) uitgenodigd voor een zitting. De zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2026. Hierbij zijn verschenen en gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een medewerker namens de Raad.





2De feiten


2.1
De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest. Uit dit huwelijk zijn de minderjarigen geboren.



2.2
De ouders hebben samen het ouderlijk gezag over de minderjarigen.



2.3
Bij beschikking van deze rechtbank van 2 december 2024 is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Deze beschikking is op 24 december 2024 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.



2.4
Bij beschikking van deze rechtbank van 30 januari 2026 is bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de moeder. Daarnaast is een zorgregeling in de reguliere (school)weken bepaald, inhoudende dat de minderjarigen bij de ouders zullen verblijven als volgt:
- iedere maandag en dinsdag bij de vader en iedere woensdag en donderdag bij de moeder;
- in de even weken van vrijdag tot en met zondag bij de vader en in de oneven weken van

vrijdag tot en met zondag bij de moeder.
Ook is een regeling met betrekking tot de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen vastgesteld.






3De vraag van de minderjarigen


3.1
De minderjarigen vragen de kinderrechter om de zorgregeling te wijzigen, waarbij zij wonen bij de moeder en zij een nachtje/weekend bij hun vader zijn en tijdens lange vakanties een of twee weken bij de vader zijn.



3.2
De minderjarigen schrijven in hun e-mailbericht, samengevat, als volgt. De minderjarigen willen het liefst bij de moeder wonen, met een zorgregeling met de vader waarbij zij een nachtje of weekend bij hem zijn. Ook in de vakanties willen zij het liefste bij de moeder zijn. In de langere vakanties kunnen zij dan één of twee weken naar hun vader. Volgens de minderjarigen begrijpt hun moeder hen beter en is zij meer bij hen betrokken. Zij voelen zich fijn bij haar.



3.3

Tijdens het kindgesprek hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 3] de kinderrechter, samengevat, hun vraag bevestigd. [minderjarige 3] voegt hieraan toe dat zij soms één nachtje bij de vader wil zijn en in de vakantie het liefste één week, waarbij zij in het begin van de vakanties bij de moeder is. [minderjarige 1] zou om het weekend naar de vader willen gaan en tijdens de vakanties maximaal twee weken. [minderjarige 1] en [minderjarige 3] geven aan dat zij de moeder missen als zij bij de vader zijn. Daarnaast geven zij aan er last van de hebben dat hun ouders niet met elkaar praten. Zij weten dat de moeder de vader e-mails stuurt die hij niet allemaal leest. [minderjarige 1] en [minderjarige 3] benadrukken dat zij niet ongelukkig zijn. Zij vinden het wel vervelend om steeds op en neer tussen de ouders te moeten gaan.

4. De standpunten van de ouders en het advies van de Raad





4.1

In reactie op de vraag van de minderjarigen wordt door en namens de moeder, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De moeder is van de wens van de minderjarigen op de hoogte. Er is tussen de ouders veel gebeurd. De moeder is ziek geweest, er zijn meldingen gedaan bij Veilig Thuis en tussentijds zijn de ouders bezig geweest met het afwikkelen van de echtscheiding. Hoewel de zorgregeling goed wordt nagekomen, en zij daar nog steeds achter staat, denkt de moeder dat de minderjarigen met hun vraag aangeven rust te willen. Daar moet voor nu naar worden geluisterd. Anders dan de vader vindt de moeder het niet noodzakelijk om hulpverlening voor de minderjarigen in te zetten. Voor de ouders zijn verschillende dingen geprobeerd, van gesprekken met advocaten tot hulpverlening van [persoon] . Het is daarbij niet gelukt om tot een volledig ouderschapsplan te komen. Bij beide ouders is sprake van complexe rouw. Hiermee moeten zij aan de slag. De meest ideale situatie lijkt een solo parallel ouderschap. Echter, dan moet er wel sprake zijn van minimale communicatie. De moeder benadrukt dat beide ouders alles in handen hebben; zij zijn gezond, hebben een goed netwerk en hebben samen drie lieve, slimme en gezonde kinderen. Belangrijk is dat de ouders gaan leren dat de minderjarigen het bij hen beiden leuk kunnen hebben. Daarbij hoort dat de ouders met elkaar leren praten over de onderwerpen die belangrijk zijn voor de minderjarigen. Een onderzoek van de minderjarigen, zoals de vader wenst, is daarbij niet nodig. Het zijn de ouders die de minderjarigen het vertrouwen moeten geven dat de co-ouderschapsregeling goed gaat. De moeder is dan ook bereid om de huidige zorgregeling voort te zetten, waarbij nu éérst voor rust wordt gekozen.
Desgevraagd acht de moeder een raadsonderzoek niet passend. De uitkomst van zo’n onderzoek zal zijn dat de ouders met hulpverlening aan de slag moeten. Daarbij zal het onderzoek veel van de ouders en de minderjarigen vragen. Dit werkt stress verhogend. Het benoemen van een bijzondere curator ligt meer in de rede, omdat een bijzondere curator meer zicht kan krijgen op wat de minderjarigen nodig hebben. Bovendien kan de bijzondere curator voor de minderjarigen gelden als een vertrouwenspersoon bij wie zij hun ei kwijt kunnen. Zij zullen dit als een opluchting ervaren.




4.2
Door en namens de vader wordt, samengevat, naar voren gebracht dat de vraag van de minderjarigen hem pijn en verdriet doet. De vader vindt het fijn dat de minderjarigen de ruimte hebben gekregen om hun mening te uiten. Hij zet echter vraagtekens bij de totstandkoming van de brief en de mogelijke beïnvloeding daarin door de moeder. De vader heeft het gevoel alsof hij zijn rol als vader steeds moet bevechten en hij zich richting de moeder dient te verantwoorden. Een voorbeeld daarvan is de vele e-mails die hij krijgt vanuit de moeder. Wat de vader dwars zit is dat er voor de minderjarigen nooit ondersteuning op gang is gekomen, terwijl dit al in 2023 door Veilig Thuis is geadviseerd. Verschillende hulpverlening, zoals door het Sociaal Team, [hulpverlening] en [persoon] , is gestopt omdat niet beide ouders hiervoor hun instemming gaven. Voor de vader is duidelijk dat de minderjarigen klem zitten tussen hun ouders en er sprake is van een loyaliteitsconflict. Een oorzaak daarvan is onder andere dat er geen ouderschapsplan is. Er is enkel een zorgregeling en een verdeling van de vakanties. Tussen de ouders is er geen overleg mogelijk. Zij hebben meerdere mediationtrajecten doorlopen, maar steeds zonder resultaat. Volgens de vader is het belangrijk dat de minderjarigen zichzelf kunnen zijn en daarvoor is nodig dat er wordt onderzocht wat de minderjarigen nodig hebben. Van school hoort de vader terug dat de minderjarigen goed presteren, maar zij emotioneel klem zitten. Ook vernam de vader van school dat [minderjarige 2] elke dag huilt en de minderjarigen zich terugtrekken. Dat baart de vader zorgen. Omdat het belangrijk is dat er breder naar de gehele situatie wordt gekeken, ondersteunt de vader een raadsonderzoek.



4.3
De Raad adviseert, samengevat, als volgt. De Raad vraagt zich af of de minderjarigen er bij gebaat zijn om de zorgregeling nu aan te passen en hun de rust te gunnen. Dit zal namelijk een nieuwe situatie betekenen, wat voor hen op den duur een normale situatie zal zijn. De Raad kan zich voorstellen dat er een raadsonderzoek wordt gelast. De Raad ondersteunt het verkrijgen van een breder zicht op de situatie, waarbij ook wordt onderzocht wat de betrokkenheid van Veilig Thuis is. Het onderzoek zal daarbij gericht zijn op de rol van de ouders in de toekomst. De Raad ziet namelijk dat het probleem niet bij de minderjarigen, maar bij de ouders ligt. Zij hebben te maken met rouw en een complexe scheiding. De ouders moeten hiermee individueel aan de slag, voordat zij met elkaar het gesprek aan kunnen gaan over het ouderschap. De onrust tussen partijen speelt al jaren, terwijl er geen zicht is op een oplossing. De Raad maakt zich zorgen, omdat de minderjarigen hier last van hebben.





5De beoordeling van de kinderrechter


5.1

De minderjarigen hebben de kinderrechter een vraag gesteld via de zogenaamde ‘informele rechtsingang’. Een minderjarige is geen zelfstandige procespartij in procedures betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Om de minderjarigen toch een eigen toegang tot de rechtbank te bieden, bestaat de mogelijkheid van informele benadering.
Op informele wijze, zoals bijvoorbeeld met een brief of een e-mailbericht kan een kind een vraag aan de kinderrechter stellen. Hetzelfde geldt als een kind de leeftijd van twaalf nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn of haar belangen. Niet alle vragen van een kind kunnen door de kinderrechter via de informele rechtsingang worden behandeld. Een kind kan alleen gebruik maken van de informele rechtsingang als dat in de wet is bepaald.




5.2
Hoewel [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nog geen twaalf jaar zijn, heeft de kinderrechter in het gesprek met [minderjarige 3] , en op basis van wat zij en [minderjarige 1] over [minderjarige 2] hebben verteld, geconstateerd dat [minderjarige 3] en [minderjarige 2] duidelijk en consequent kunnen aangeven wat zij graag willen en wat zij vinden dat goed voor hen is. De kinderrechter zal de minderjarigen daarom ontvangen in hun vraag.



Wat zegt de wet?





5.3
Op de vraag van de minderjarigen is artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van toepassing. Dit artikel gaat over de gezamenlijke uitoefening van het gezag door de ouders, waaronder onder meer de toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) alsook, met overeenkomstige toepassing van artikel 377a lid 3 BW, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.



5.4
Op grond van artikel 1:253a BW lid 4 zijn de artikelen 1:377e en 1:377g BW van overeenkomstige toepassing.



5.5
Artikel 1:377g BW bepaalt dat de rechter, indien haar blijkt dat een minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing over een zorgregeling kan wijzigen op de voet van artikel 1:377e BW. Dit laatste artikel bepaalt dat de rechtbank een beslissing inzake de zorgregeling kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.



5.6
Gebleken is dat bij beschikking van 30 januari 2026 een zorgregeling is bepaald, zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.4 is gemeld. De minderjarigen hebben de kinderrechter gevraagd om deze zorgregeling te wijzigen.



Wat vindt de kinderrechter?





5.7
Bij beschikking van 30 januari 2026 hebben de ouders overeenstemming met elkaar bereikt over de zorgregeling, waarna deze overeenstemming is vastgelegd in voormelde beschikking. Hoewel de kinderrechter in beginsel een co-ouderschapsregeling ondersteunt, zijn de minderjarigen helder in hun wens; zij willen dit niet. De vraag is echter in hoeverre deze wens authentiek is, in hoeverre de minderjarigen de gevolgen van hun wens kunnen overzien én of hun wens is gekleurd door de omstandigheid dat de ouders niet met elkaar communiceren.



5.8

Op grond van het e-mailbericht van de minderjarigen, het gesprek met [minderjarige 1] en [minderjarige 3] en de zitting met de ouders, heeft de kinderrechter op dit moment onvoldoende informatie om een beslissing te nemen over de vraag van de minderjarigen. De kinderrechter wenst dan ook meer informatie te krijgen alvorens zij een beslissing kan nemen.
In dat kader vindt de kinderrechter de benoeming van een bijzondere curator over de minderjarigen gepast. De bijzondere curator heeft, anders dan de kinderrechter, meer tijd om met de minderjarigen, de ouders, en andere betrokkenen om de minderjarigen heen in gesprek te gaan. De kinderrechter heeft het gelasten van een raadsonderzoek overwogen, echter ziet daarvoor op dit moment onvoldoende aanleiding. De kinderrechter volgt daarin de stelling van de moeder dat een raadsonderzoek naar verwachting niet het gewenste resultaat zal opleveren en dit stressverhogend zal werken. Evenals de Raad heeft de kinderrechter niet de indruk dat het niet goed gaat met de minderjarigen. Zij geven aan gelukkig te zijn en zij presteren op school. Daarentegen hebben zij wel last van de manier waarop de ouders (niet) met elkaar omgaan. De kinderrechter sluit dan ook aan bij hetgeen de Raad ter zitting concludeert: het ligt niet aan de minderjarigen, maar aan de ouders. Daarvoor moeten de ouders beiden oog hebben. Het is aan beide ouders om toe te komen aan de verwerking van hetgeen (tussen hen) is gebeurd en daarvoor hulpverlening in de arm te nemen. Daaronder valt ook het verbeteren van de communicatie, zodat zij gezamenlijk hun ouderschap beter kunnen vormgeven. Dit zijn zij aan de minderjarigen verplicht.




5.9
Ten aanzien van de communicatie geldt dat de ouders tijdens de zitting met elkaar het volgende overeen zijn gekomen:
- de moeder stuurt de vader maandelijks één e-mail van maximaal 15 zinnen waarin zij hem op de hoogte brengt over hoe het met de minderjarigen gaat, eventuele bijzonderheden meldt en waarin zij hem eventueel noodzakelijke vragen stelt;
- de vader antwoordt, indien nodig en van toepassing, op de vragen van de moeder uiterlijk binnen vijf dagen;
- in noodsituaties zijn de ouders telefonisch bereikbaar voor elkaar. Zij hebben elkaar niet geblokkeerd.



Bijzondere curator





5.10
Op grond van artikel 1:250 lid 1 BW benoemt een kinderrechter ambtshalve een bijzondere curator om de minderjarigen in als buiten rechte te vertegenwoordigen, indien hij dit in het belang van de minderjarigen noodzakelijk acht en het diens verzorging en opvoeding of vermogen betreft of er sprake is van strijd tussen de belangen van de minderjarigen en de gezaghebbende ouder(s).



5.11
Gebleken is dat zich in deze procedure met betrekking tot de minderjarigen een belangenstrijd in de zin van voormeld artikel voordoet, welke strijd zich toespitst op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van de minderjarigen met de ouders. De ouders houden in beginsel vast aan de vastgestelde zorgregeling, terwijl de minderjarigen dit graag anders zouden willen zien. De ouders blijken tot dusver niet in staat daarover in onderling overleg overeenstemming te bereiken, daarbij rekening houdend met de geuite wensen van de minderjarigen, zodat er sprake is van een strijd tussen het belang van de ouders en het belang van de minderjarigen.



5.12
De kinderrechter acht het dan ook in het belang van de minderjarigen noodzakelijk dat een bijzondere curator:
- hun belangen behartigt;
- kan bezien in hoeverre een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in het belang van de minderjarigen moet worden geacht.



5.13

De kinderrechter heeft mr. [de vertrouwenspersoon] , advocaat kantoorhoudende te

[plaats] , bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zij zal hiertoe worden benoemd. De griffier van de rechtbank heeft contact opgenomen met mr. [de vertrouwenspersoon] en haar de onderzoeksopdracht uitgelegd.




5.14
De kinderrechter vraagt de bijzondere curator om de volgende vragen te onderzoeken:

1. Wat zijn de werkelijke wensen en behoeften van de minderjarigen ten aanzien van het contact met hun beide ouders?
2. In hoeverre zijn de minderjarigen zich bewust van de consequenties van hun wens om de zorgregeling aan te passen?
3. Is het belang van de minderjarigen gediend bij een wijziging van de zorgregeling? En zo ja, hoe dient die regeling er dan uit te zien?
4. Geeft het onderzoek de bijzondere curator aanleiding de minderjarigen en/of de ouders hulpverlening aan te bevelen, zo ja, in welke vorm?
5. Geeft het onderzoek de bijzondere curator nog anderszins aanleiding tot het maken van opmerkingen of het verstrekken van adviezen aan de ouders en de kinderrechter?



5.15

Indien de bijzondere curator niet buiten rechte een oplossing weet te bereiken, kan
zij de minderjarigen in rechte vertegenwoordigen en een advies aan de kinderrechter uitbrengen in de vorm van een verslag van bevindingen. Desgewenst kan de bijzondere curator als vertegenwoordiger van de minderjarigen een zelfstandig verzoek indienen.




5.16
De bijzondere curator wordt in ieder geval verzocht gesprekken te voeren met de minderjarigen, de vader, de moeder en, indien mogelijk, ook met de minderjarigen en de ouders gezamenlijk.



5.17
Het staat de bijzondere curator vrij gesprekken te voeren met overige betrokken personen die informatie over de minderjarigen kunnen verschaffen, zoals leerkrachten.



5.18
De kinderrechter wijst de ouders er op dat zij de verplichting hebben aan de door de bijzondere curator te geven instructies gevolg te geven.



5.19
Voorts verzoekt de kinderrechter de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BW in acht te nemen.



Vervolg





5.20
De bijzondere curator wordt verzocht schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen, uiterlijk op 22 september 2026 PRO FORMA en dit verslag in te brengen in deze procedure.



5.21
Het bovenstaande betekent dus dat de kinderrechter ambtshalve zal overgaan tot het benoemen van een bijzondere curator en de resultaten van het onderzoek van de bijzondere curator zal gebruiken om te beslissen op de vraag van de minderjarigen. Een beslissing op de vraag van de minderjarigen zal de kinderrechter dan ook aanhouden.



5.22
Na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator zal de kinderrechter het verdere procesverloop bepalen. Een mogelijkheid daarbij is dat de minderjarigen opnieuw voor een gesprek met de kinderrechter zullen worden uitgenodigd en/of de ouders zullen worden opgeroepen voor een vervolgzitting.





6Brief aan de minderjarigen


6.1
De kinderrechter vindt het belangrijk om de minderjarigen een brief te sturen met uitleg over de beslissing en beide ouders daarvan op de hoogte te stellen. In deze brief, die naar het adres van de moeder wordt verzonden nu de minderjarigen daar hun hoofdverblijfplaats hebben, lezen zij het volgende.



Beste [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ,





Jullie hebben de kinderrechter een e-mailbericht gestuurd waarin jullie vragen om de huidige zorgregeling te veranderen. Jullie zijn nu evenveel bij papa en mama. Jullie vragen om bij mama te mogen wonen, waarbij jullie een nachtje of weekend bij papa zijn. Ook de zorgregeling tijdens de vakanties willen jullie veranderen.





Op 8 juni 2026 hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 3] met de kinderrechter over jullie vraag gepraat. De kinderrechter heeft goed geluisterd naar jullie mening en bedankt jullie voor het fijne gesprek. Jullie zijn lieve, beleefde en slimme kinderen. Dat verdient een compliment!


De kinderrechter heeft ook gezien dat jullie last hebben van de manier waarop papa en mama met elkaar omgaan. De kinderrechter vindt dit voor jullie heel vervelend. Zij snapt ook waarom jullie last hebben van de situatie.





Op 30 juni 2026 heeft de kinderrechter met papa en mama en hun advocaten gesproken tijdens een zitting op de rechtbank. Hierbij was ook iemand van de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig om de kinderrechter een advies te geven. De kinderrechter heeft ook goed geluisterd naar de mening van papa en mama. Zij hebben uitgelegd dat zij


samen hebben afgesproken dat jullie evenveel bij papa en mama zijn.





Het is de kinderrechter duidelijk wat jullie willen. Maar waarom jullie dat precies willen en wat dan het beste voor jullie is, dat weet de kinderrechter nog niet. Daarom heeft de kinderrechter besloten om een bijzondere curator (een soort vertrouwenspersoon die voor jullie belangen opkomt) aan jullie toe te wijzen. De kinderrechter heeft namelijk meer informatie nodig om op jullie vraag te kunnen beslissen.





Jullie vertrouwenspersoon is mevrouw [de vertrouwenspersoon] . [de vertrouwenspersoon] zal met jullie praten over hoe jullie de toekomst zien en wat jullie veranderd willen hebben. [de vertrouwenspersoon] voert hierover het gesprek met jullie alleen, misschien met jullie samen als broers en zus, met papa en mama alleen en misschien ook met jullie allemaal samen.





Namens jullie zal [de vertrouwenspersoon] jullie wensen aan de kinderrechter laten weten in een verslag. Daarin schrijft [de vertrouwenspersoon] wat zij denkt dat het beste voor jullie is. Mogelijk kan [de vertrouwenspersoon] ook een oplossing bedenken in het contact tussen jullie en papa. Of dit lukt, is afhankelijk van de omstandigheden. Dit vindt de kinderrechter voor nu moeilijk in te schatten.


De kinderrechter denkt dat [de vertrouwenspersoon] goed naar jullie kan luisteren en jullie ook kan helpen.





Omdat de kinderrechter heeft besloten dat [de vertrouwenspersoon] als bijzondere curator met jullie zal gaan praten en zij hierover een verslag bij de kinderrechter moet inleveren, zal de kinderrechter nog geen definitieve beslissing geven over jullie vraag. Voor nu betekent dit dat er niets in de situatie gaat veranderen. Jullie blijven papa en mama evenveel zien. Ook voor de zomervakantie blijven de gemaakte afspraken tussen papa en mama gelden.





Nadat de kinderrechter het verslag van [de vertrouwenspersoon] heeft gekregen, zal de kinderrechter besluiten wat zij verder met jullie vraag gaat doen. Het kan zijn dat jullie en daarna papa en mama opnieuw op gesprek mogen komen bij de kinderrechter. Als dit nodig is, zullen jullie hierover later een brief ontvangen.





Als jullie vragen hebben over deze brief, dan kunnen jullie altijd terecht bij [de vertrouwenspersoon] . [de vertrouwenspersoon] zal zelf contact met jullie opnemen. Hiervoor hoeven jullie niets te doen.





De kinderrechter wenst jullie alvast een fijne zomervakantie en veel succes in het nieuwe schooljaar.





Met vriendelijk groet, namens de kinderrechter,


De griffier.







7De beslissing van de kinderrechter


De kinderrechter:



7.1
benoemt – met inachtneming van het hiervoor overwogene – over de minderjarigen

- [minderjarige 1]geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014,

- [minderjarige 2]geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015,

- [minderjarige 3]geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2017,
tot bijzondere curator mr. [de vertrouwenspersoon] , advocaat kantoorhoudende te Bergen op Zoom;



7.2
verzoekt de bijzondere curator uiterlijk op 22 september 2026 PRO FORMA aan de kinderrechter schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen, een en ander zoals is overwogen onder 5.14 tot en met 5.19;



7.3
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.


Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.





Mededeling van de griffier:

Voor zover in deze beschikking één of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof:

a. namens de minderjarige door zijn wettelijk vertegenwoordiger of de bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
b. door de minderjarige zelf als zijn aanvraag ziet op de benoeming van een bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
c. door de anderen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
d. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op een andere manier bekend is geworden. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.