Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7656
2026-08-13
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 23/11225
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bpm
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2023:1526 Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:HR:2024:567 Hoge Raad 31-05-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.133 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11225
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 3.662 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, de gemachtigde van belanghebbende, deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende heeft op 10 oktober 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Mercedes-Benz GLS met [VIN-nummer] (de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 6.489.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. In het taxatierapport is 7 oktober 2022 vermeld als datum waarop de auto fysiek is geschouwd.
4.2.
De auto is door de RDW op 6 oktober 2022 gekeurd.
4.3.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat het taxatierapport niet kan dienen omdat de fysieke opname ná de keuringsdatum bij de RDW heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm, gebaseerd op de forfaitaire tabel, berekend op € 10.151 en de naheffingsaanslag opgelegd.
Motivering
Toepassing taxatierapport
5. Tussen partijen is in geschil of het taxatierapport van belanghebbende gebruikt kan worden voor het bepalen van de Bpm. De inspecteur stelt dat de fysieke opname voor de taxatie ná de keuringsdatum bij de RDW heeft plaatsgevonden en dat daardoor het taxatierapport niet kan worden gebruikt. Belanghebbende stelt dat het taxatierapport slechts 12,5 uur na het keuringsmoment is opgemaakt. De inspecteur handelt in strijd met het evenredigheidsbeginsel als hierdoor het taxatierapport niet kan dienen, aldus belanghebbende.
5.1.
Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment is de datum van de goedkeuring bij de RDW. Naar het oordeel van de rechtbank kan het taxatierapport niet dienen als onderbouwing aangezien de fysieke opname na het afschrijvingsmoment is geweest. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het taxatierapport 12,5 uur na het afschrijvingsmoment is opgesteld geen reden om anders te oordelen. De inspecteur heeft niet gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Hoogte van de naheffingsaanslag
6. Belanghebbende stelt dat de verschuldigde Bpm vastgesteld dient te worden aan de hand van de koerslijst Xray. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd aan de hand van de forfaitaire tabel. Aangezien de forfaitaire tabel voordeliger is voor belanghebbende dan de koerslijst, heeft de inspecteur deze terecht toegepast. De overige standpunten van partijen met betrekking tot de koerslijst behoeven daarom geen beoordeling.
Immateriëleschadevergoeding
7. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
7.1.
De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 28 juli 2023 ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond dertien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
7.2.
De termijnoverschrijding heeft plaatsgevonden in de beroepsfase. De schadevergoeding komt daarom voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. De naheffingsaanslag blijft daarom in stand. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 1.500.
8.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 233,50. De Staat moet die kosten vergoeden.
8.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De griffier is niet in staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11225
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 3.662 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, de gemachtigde van belanghebbende, deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende heeft op 10 oktober 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Mercedes-Benz GLS met [VIN-nummer] (de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 6.489.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. In het taxatierapport is 7 oktober 2022 vermeld als datum waarop de auto fysiek is geschouwd.
4.2.
De auto is door de RDW op 6 oktober 2022 gekeurd.
4.3.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat het taxatierapport niet kan dienen omdat de fysieke opname ná de keuringsdatum bij de RDW heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm, gebaseerd op de forfaitaire tabel, berekend op € 10.151 en de naheffingsaanslag opgelegd.
Motivering
Toepassing taxatierapport
5. Tussen partijen is in geschil of het taxatierapport van belanghebbende gebruikt kan worden voor het bepalen van de Bpm. De inspecteur stelt dat de fysieke opname voor de taxatie ná de keuringsdatum bij de RDW heeft plaatsgevonden en dat daardoor het taxatierapport niet kan worden gebruikt. Belanghebbende stelt dat het taxatierapport slechts 12,5 uur na het keuringsmoment is opgemaakt. De inspecteur handelt in strijd met het evenredigheidsbeginsel als hierdoor het taxatierapport niet kan dienen, aldus belanghebbende.
5.1.
Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment is de datum van de goedkeuring bij de RDW. Naar het oordeel van de rechtbank kan het taxatierapport niet dienen als onderbouwing aangezien de fysieke opname na het afschrijvingsmoment is geweest. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het taxatierapport 12,5 uur na het afschrijvingsmoment is opgesteld geen reden om anders te oordelen. De inspecteur heeft niet gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Hoogte van de naheffingsaanslag
6. Belanghebbende stelt dat de verschuldigde Bpm vastgesteld dient te worden aan de hand van de koerslijst Xray. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd aan de hand van de forfaitaire tabel. Aangezien de forfaitaire tabel voordeliger is voor belanghebbende dan de koerslijst, heeft de inspecteur deze terecht toegepast. De overige standpunten van partijen met betrekking tot de koerslijst behoeven daarom geen beoordeling.
Immateriëleschadevergoeding
7. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
7.1.
De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 28 juli 2023 ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond dertien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
7.2.
De termijnoverschrijding heeft plaatsgevonden in de beroepsfase. De schadevergoeding komt daarom voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. De naheffingsaanslag blijft daarom in stand. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 1.500.
8.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 233,50. De Staat moet die kosten vergoeden.
8.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De griffier is niet in staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.