Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7652

2026-08-13 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 23/10248
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-13
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 23/10248
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bpm

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.915 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 23/10248


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen





[belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats] , belanghebbende,


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 29 september 2023.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 608 aan verschuldigde Bpm.



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd omdat de inspecteur zich heeft beroepen op interne compensatie.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, de gemachtigde van belanghebbende, deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



Feiten


4. Belanghebbende heeft op 9 maart 2022 aangifte gedaan ter zaken van de inschrijving van een Opel Crossland X met [VIN-nummer] (de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 789.



4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.



4.2.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat belanghebbende is uitgegaan van een onjuiste CO2-uitstoot. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm berekend op € 1.397 en de naheffingsaanslag opgelegd.



4.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard wat betreft de CO2-uitstoot. Vanwege de interne compensatie is de naheffingsaanslag in stand gebleven.




Motivering



Vertrouwensbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel




5. Belanghebbende stelt dat de inspecteur in strijd met het vertrouwensbeginsel handelt omdat de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag de handelsinkoopwaarde van € 5.229 heeft geaccepteerd en dat de inspecteur dat niet meer doet bij de uitspraak op bezwaar. Daarnaast stelt belanghebbende dat de inspecteur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel handelt doordat de inspecteur de door belanghebbendes taxateur gecalculeerde schade onvoldoende gemotiveerd betwist en geen onderzoek door een deskundige van DRZ heeft laten uitvoeren.



5.1.
Bij belanghebbende gewekt vertrouwen en andere beginselen van behoorlijk bestuur kunnen aan interne compensatie in de weg staan. De inspecteur kan vertrouwen hebben gewekt wanneer belanghebbende redelijkerwijs de indruk mocht hebben dat de inspecteur bewust een standpunt had bepaald. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De enkele omstandigheid dat de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van de handelsinkoopwaarde van belanghebbende en de door belanghebbende opgevoerde schade heeft gevolgd, is onvoldoende om te spreken van een bewuste standpuntbepaling door de inspecteur. De naheffingsaanslag is opgelegd, omdat belanghebbende in de aangifte is uitgegaan van een onjuiste CO2-uitstoot. Dit heeft de inspecteur ook toegelicht in de kennisgeving en in de mededeling van de naheffingsaanslag; daarbij is de schade niet aan de orde gesteld. Bij belanghebbende kon daarom niet redelijkerwijs de indruk zijn ontstaan dat de aangifte ook op andere onderdelen, waaronder de schade, was gecontroleerd. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.



5.2.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het enkele feit dat de inspecteur geen hertaxatie door DRZ uit heeft laten voeren, niet meebrengt dat hij in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Op belanghebbende rust immers de stelplicht en de bewijslast van een lagere waarde als gevolg van schade.



5.3.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de inspecteur een beroep kan doen op interne compensatie.



Schade




6. Belanghebbende stelt dat de auto schade heeft. Dit volgt onder meer uit de schadecalculatie in het taxatierapport van belanghebbende. De inspecteur betwist deze schade.




6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Zo er al sprake zou zijn van meer dan normale gebruiksschade, dan heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de handelsinkoopwaarde te hoog is vastgesteld. De inkoopfactuur heeft namelijk vrijwel dezelfde waarde als de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat volgens de koerslijst. Daarnaast is er geen schade op de inkoopfactuur vermeld. Ook voor de vier extra schadeposten van € 1.385 heeft belanghebbende geen specificatie en nadere onderbouwing overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat er een waardevermindering in verband met schade in aanmerking moet worden genomen.



Hoogte van de naheffingsaanslag



7. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag gebaseerd op de forfaitaire tabel. In dit geval is de forfaitaire tabel het voordeligst voor belanghebbende. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag niet te hoog vastgesteld.



Immateriëleschadevergoeding



8. Belanghebbende heeft ter zitting een verzoek voor immateriëleschadevergoeding gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn.



8.1.
De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 24 januari 2023 ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met (afgerond) negentien maanden overschreden.



8.2.
De rechtbank constateert dat belanghebbende het verzoek om vergoeding van immateriële schade heeft gedaan na het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024. De (nieuwe) regels omtrent toekenning van een immateriëleschadevergoeding uit dat arrest zijn daarom van toepassing. Dat komt er kortgezegd op neer dat er geen reden is om een immateriëleschadevergoeding toe te kennen als het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. De belastingrechter kan dan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.



8.3.
De naheffingsaanslag bedraagt € 608. Het financiële belang bij de procedure is dus minder dan € 1.000. De redelijke termijn is wel met meer dan twaalf maanden overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een bijzondere omstandigheid waardoor de immateriële schade vergoed moet worden. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn met (afgerond) negentien maanden is overschreden.




Conclusie en gevolgen


9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af;




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.














griffier


rechter







De griffier is niet in staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.



De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.



De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.



Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25 oktober 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:3529.


Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3.