Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7651
2026-08-13
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 23/10701
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bpm
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2022:875 Hoge Raad 17-06-2022
- ECLI:NL:HR:2023:1526 Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:HR:2024:567 Hoge Raad 31-05-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.280 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10701
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
1. Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar.
1.1.
Hangende beroep heeft de inspecteur op 4 januari 2024 uitspraak op bezwaar gedaan.
1.2.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 januari 2024.
1.3.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.586 aan verschuldigde Bpm.
1.4.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, de gemachtigde van belanghebbende, deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur een dwangsom is verschuldigd wegens niet tijdig beslissen. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur geen dwangsom verschuldigd. De naheffingsaanslag is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende heeft op 14 november 2022 een Mercedes-Benz Vito Tourer met [VIN-nummer] (de auto) gekocht voor € 39.915,97.
4.1.
Belanghebbende heeft op 13 december 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van de auto, en een bedrag aan Bpm voldaan van € 5.480.
4.2.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. In het taxatierapport is 12 december 2022 vermeld als datum waarop de auto fysiek is geschouwd.
4.3.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat het taxatierapport niet kan dienen omdat de fysieke opname ná de keuringsdatum bij de RDW heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm, gebaseerd op de forfaitaire tabel, berekend op € 10.066 en de naheffingsaanslag opgelegd.
Motivering
Dwangsom
5. Belanghebbende is in beroep gegaan tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. Belanghebbende stelt een ingebrekestelling te hebben verzonden naar de inspecteur op 13 oktober 2023. De inspecteur betwist dat belanghebbende een ingebrekestelling heeft verzonden. De inspecteur heeft uiteindelijk op 4 januari 2024 uitspraak op bezwaar gedaan.
5.1.
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Belanghebbende kan verzoeken om een dwangsom als niet tijdig op zijn aanvraag of bezwaar is beslist.
5.2.
Op belanghebbende rust de last de verzending van de ingebrekestelling aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de ingebrekestelling is verzonden. Belanghebbende heeft bijvoorbeeld geen bewijs van verzending overgelegd. Omdat de inspecteur niet in gebreke is gesteld, is het beroep op het niet tijdig beslissen van de inspecteur niet-ontvankelijk en heeft belanghebbende ook geen recht op de toekenning van een dwangsom. Het beroep van belanghebbende heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede betrekking op het alsnog genomen besluit. De rechtbank gaat daarom hierna in op de door belanghebbende in dat kader aangevoerde gronden.
Toepassing taxatierapport
6. Tussen partijen is in geschil of het taxatierapport van belanghebbende gebruikt kan worden voor de bepaling van de hoogte van de Bpm. De inspecteur stelt dat de fysieke opname van 12 december 2022 voor de taxatie heeft plaatsgevonden ná de keuringsdatum bij de RDW en dat daardoor het taxatierapport niet gebruikt kan worden.
6.1.
Belanghebbende stelt dat de keuringsdatum bij de RDW 20 december 2022 is en dat de auto daarom wel door de taxateur is geschouwd vóór de keuringsdatum. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft belanghebbende een afdruk van de website van de RDW overgelegd waarop als ‘registratie datum goedkeuring’ 20 december 2022 staat vermeld.
6.2.
De keuring bij de RDW heeft volgens de inspecteur op 5 december 2022 plaatsgevonden. De inspecteur heeft daarbij gewezen op een uitdraai van gegevens van de RDW waarop als keuringsmoment 5 december 2022 staat aangegeven. Ter toelichting heeft de inspecteur het volgende verklaard in zijn verweerschrift: “De datum van 20 december 2022 die belanghebbende van de website van de RDW heeft gehaald, is als volgt te verklaren. In het verleden registreerde de RDW een ‘registratie datum goedkeuring’. Deze datum werd echter overschreven op het moment dat sprake was van een nieuw keuringsmoment (bijvoorbeeld in het geval het voertuig een ongeval heeft gekregen en sprake is van een WOK-status). De ‘registratie datum goedkeuring’ betreft dus niet in alle gevallen de keuringsdatum RDW die voor de bpm geldt als afschrijvingsmoment. Dat is in onderhavig geval ook zo: de keuringsdatum RDW van 5 december 2022 heeft geleid tot de inschrijving op 16 december 2022 en derhalve is 5 december 2022 het afschrijvingsmoment voor de bpm. Het voertuig heeft ná de inschrijving op 16 december 2022 een nieuwe keuring gehad op 20 december 2022 (wellicht heeft een ongeval plaatsgevonden en was sprake van een WOK-status). Doordat de RDW op 20 december 2022 het voertuig heeft goedgekeurd, werd de datum op hun website derhalve aangepast.”
6.3.
Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment is de datum van de goedkeuring bij de RDW.
6.4.
Voor het vaststellen van de keuringsdatum volgt de rechtbank de inspecteur, gelet op de door de inspecteur overgelegde gegevens en de toelichting daarop. Dit houdt in dat de schouw bij de taxateur later heeft plaatsgevonden dan het afschrijvingsmoment. Het taxatierapport kan daardoor niet dienen voor de bepaling van de hoogte van de Bpm. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat het taxatierapport niet kan dienen ter onderbouwing van de handelsinkoopwaarde, omdat de daaruit volgende handelsinkoopwaarde van € 15.440 significant afwijkt van de inkoopprijs van € 39.915,97 volgens de inkoopfactuur.
Hoogte naheffingsaanslag
7. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag gebaseerd op de forfaitaire afschrijvingstabel aangezien dit voor belanghebbende gunstiger is dan de waardebepaling van Eurotax die belanghebbende bij de aangifte heeft gevoegd. Gelet hierop is de naheffingsaanslag naar het oordeel van de rechtbank niet te hoog vastgesteld.
Immateriëleschadevergoeding
8. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
8.1.
De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 18 juli 2023 ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond veertien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
8.2.
De termijnoverschrijding heeft plaatsgevonden in de beroepsfase. De schadevergoeding komt daarom voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. De naheffingsaanslag blijft daarom in stand. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 1.500.
9.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 233,50. De Staat moet die kosten vergoeden.
9.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om toekenning van een dwangsom af;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De griffier is niet in staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb.
Vgl. Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875.
Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10701
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
1. Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar.
1.1.
Hangende beroep heeft de inspecteur op 4 januari 2024 uitspraak op bezwaar gedaan.
1.2.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 januari 2024.
1.3.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.586 aan verschuldigde Bpm.
1.4.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, de gemachtigde van belanghebbende, deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur een dwangsom is verschuldigd wegens niet tijdig beslissen. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur geen dwangsom verschuldigd. De naheffingsaanslag is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende heeft op 14 november 2022 een Mercedes-Benz Vito Tourer met [VIN-nummer] (de auto) gekocht voor € 39.915,97.
4.1.
Belanghebbende heeft op 13 december 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van de auto, en een bedrag aan Bpm voldaan van € 5.480.
4.2.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. In het taxatierapport is 12 december 2022 vermeld als datum waarop de auto fysiek is geschouwd.
4.3.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat het taxatierapport niet kan dienen omdat de fysieke opname ná de keuringsdatum bij de RDW heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm, gebaseerd op de forfaitaire tabel, berekend op € 10.066 en de naheffingsaanslag opgelegd.
Motivering
Dwangsom
5. Belanghebbende is in beroep gegaan tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. Belanghebbende stelt een ingebrekestelling te hebben verzonden naar de inspecteur op 13 oktober 2023. De inspecteur betwist dat belanghebbende een ingebrekestelling heeft verzonden. De inspecteur heeft uiteindelijk op 4 januari 2024 uitspraak op bezwaar gedaan.
5.1.
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Belanghebbende kan verzoeken om een dwangsom als niet tijdig op zijn aanvraag of bezwaar is beslist.
5.2.
Op belanghebbende rust de last de verzending van de ingebrekestelling aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de ingebrekestelling is verzonden. Belanghebbende heeft bijvoorbeeld geen bewijs van verzending overgelegd. Omdat de inspecteur niet in gebreke is gesteld, is het beroep op het niet tijdig beslissen van de inspecteur niet-ontvankelijk en heeft belanghebbende ook geen recht op de toekenning van een dwangsom. Het beroep van belanghebbende heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede betrekking op het alsnog genomen besluit. De rechtbank gaat daarom hierna in op de door belanghebbende in dat kader aangevoerde gronden.
Toepassing taxatierapport
6. Tussen partijen is in geschil of het taxatierapport van belanghebbende gebruikt kan worden voor de bepaling van de hoogte van de Bpm. De inspecteur stelt dat de fysieke opname van 12 december 2022 voor de taxatie heeft plaatsgevonden ná de keuringsdatum bij de RDW en dat daardoor het taxatierapport niet gebruikt kan worden.
6.1.
Belanghebbende stelt dat de keuringsdatum bij de RDW 20 december 2022 is en dat de auto daarom wel door de taxateur is geschouwd vóór de keuringsdatum. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft belanghebbende een afdruk van de website van de RDW overgelegd waarop als ‘registratie datum goedkeuring’ 20 december 2022 staat vermeld.
6.2.
De keuring bij de RDW heeft volgens de inspecteur op 5 december 2022 plaatsgevonden. De inspecteur heeft daarbij gewezen op een uitdraai van gegevens van de RDW waarop als keuringsmoment 5 december 2022 staat aangegeven. Ter toelichting heeft de inspecteur het volgende verklaard in zijn verweerschrift: “De datum van 20 december 2022 die belanghebbende van de website van de RDW heeft gehaald, is als volgt te verklaren. In het verleden registreerde de RDW een ‘registratie datum goedkeuring’. Deze datum werd echter overschreven op het moment dat sprake was van een nieuw keuringsmoment (bijvoorbeeld in het geval het voertuig een ongeval heeft gekregen en sprake is van een WOK-status). De ‘registratie datum goedkeuring’ betreft dus niet in alle gevallen de keuringsdatum RDW die voor de bpm geldt als afschrijvingsmoment. Dat is in onderhavig geval ook zo: de keuringsdatum RDW van 5 december 2022 heeft geleid tot de inschrijving op 16 december 2022 en derhalve is 5 december 2022 het afschrijvingsmoment voor de bpm. Het voertuig heeft ná de inschrijving op 16 december 2022 een nieuwe keuring gehad op 20 december 2022 (wellicht heeft een ongeval plaatsgevonden en was sprake van een WOK-status). Doordat de RDW op 20 december 2022 het voertuig heeft goedgekeurd, werd de datum op hun website derhalve aangepast.”
6.3.
Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment is de datum van de goedkeuring bij de RDW.
6.4.
Voor het vaststellen van de keuringsdatum volgt de rechtbank de inspecteur, gelet op de door de inspecteur overgelegde gegevens en de toelichting daarop. Dit houdt in dat de schouw bij de taxateur later heeft plaatsgevonden dan het afschrijvingsmoment. Het taxatierapport kan daardoor niet dienen voor de bepaling van de hoogte van de Bpm. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat het taxatierapport niet kan dienen ter onderbouwing van de handelsinkoopwaarde, omdat de daaruit volgende handelsinkoopwaarde van € 15.440 significant afwijkt van de inkoopprijs van € 39.915,97 volgens de inkoopfactuur.
Hoogte naheffingsaanslag
7. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag gebaseerd op de forfaitaire afschrijvingstabel aangezien dit voor belanghebbende gunstiger is dan de waardebepaling van Eurotax die belanghebbende bij de aangifte heeft gevoegd. Gelet hierop is de naheffingsaanslag naar het oordeel van de rechtbank niet te hoog vastgesteld.
Immateriëleschadevergoeding
8. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
8.1.
De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 18 juli 2023 ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 13 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond veertien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
8.2.
De termijnoverschrijding heeft plaatsgevonden in de beroepsfase. De schadevergoeding komt daarom voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. De naheffingsaanslag blijft daarom in stand. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 1.500.
9.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 233,50. De Staat moet die kosten vergoeden.
9.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om toekenning van een dwangsom af;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De griffier is niet in staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb.
Vgl. Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875.
Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.