Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7623

2026-07-13 Civiel recht; Personen- en familierecht 449958 / JE RK 26-1179 en 450076 / JE RK 26-1203
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-13
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
449958 / JE RK 26-1179 en 450076 / JE RK 26-1203
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Toewijzing van het resterende deel van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing na het horen van belanghebbenden.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.256 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Zaaknummer: C/02/449958 / JE RK 26-1179 (voorlopige ondertoezichtstelling
C/02/450076 / JE RK 26-1203 (machtiging uithuisplaatsing)



Datum uitspraak: 13 juli 2026




Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant,
locatie Middelburg,
hierna te noemen de Raad,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] , België ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .



De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. Q. van Mossevelde te Terneuzen.



de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI.





1Het verdere verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:



JE RK 26-1179


- de (mondelinge) beslissing van de kinderrechter van 2 juli 2026, welke op schrift is gesteld is op 3 juli 2026, en de daarin genoemde stukken;



JE RK 26-1203


- de (mondelinge) beslissing van de kinderrechter van 7 juli 2026, welke op schrift is gesteld is op 8 juli 2026, en de daarin genoemde stukken.



1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;


een vertegenwoordiger van de Raad;


een tweetal vertegenwoordigers van de GI.







2De feiten


2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . De moeder van [minderjarige 1] , [de moeder] is op [datum] 2025 overleden.



2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 juli 2026 [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 2 juli 2026 en tot 16 juli 2026 zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden, onder aanhouding van het restant van het verzoek.



2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 juli 2026 een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 7 juli 2026 en tot 16 juli 2026 zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden, onder aanhouding van het restant van het verzoek.



2.4.
Op grond daarvan verblijft [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.





3Het resterende deel van de verzoeken



JE RK 26-1179



3.1.
De Raad heeft verzocht [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden, zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden.



JE RK 26-1203




3.2.
De Raad heeft verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden.



JE RK 26-1179 en JE RK 26-1203




3.3.
Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissingen, alsmede het resterende deel van het verzoek van de Raad om, uitvoerbaar bij voorraad, [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht te stellen en het resterende deel van het verzoek van de Raad om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen met ingang van 16 juli 2026 tot 2 oktober 2026.





4De standpunten



JE RK 26-1179 en JE RK 26-1203



4.1.
De Raad handhaaft het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] . De Raad is via [hulpverlening] geïnformeerd over een escalatie in de thuissituatie tussen de vader en [minderjarige 2] , de broer van [minderjarige 1] , waarbij [minderjarige 2] zou zijn mishandeld. Bij hem is letsel geconstateerd en hoewel hij in medisch opzicht naar huis mocht, wilde hij niet. De vader is na het overlijden van de moeder van [minderjarige 1] alleen komen te staan voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en zijn twee broers, [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Het vermoeden is dat het hem teveel is geworden. Er lijkt sprake van een stukje onmacht. Sinds maart 2026 is de frequentie van de inzet van [hulpverlening] verhoogd om de situatie te stabiliseren, maar dat heeft helaas geen verbetering opgeleverd. Er zijn signalen van structurele kindermishandeling, naar aanleiding van een zogeheten medisch top-tot-teen-onderzoek door een forensisch arts. In het verleden was bij de vader sprake van crimineel gedrag, agressie en moeite met impulsbeheersing. Bij [hulpverlening] zijn er zorgen over een terugval in alcoholgebruik en vanuit school zijn zorgen geuit over het contact met de vader en de uitspraken die [minderjarige 1] en zijn broers deden. De veiligheid van [minderjarige 1] en zijn broers was niet langer gewaarborgd. Ook [minderjarige 1] heeft uitlatingen gedaan over mishandeling in de thuissituatie. De Raad heeft er op dit moment onvoldoende vertrouwen in dat [minderjarige 1] op een veilige manier terug naar huis kan komen. Van belang is dat de vader mee gaat werken aan hulpverlening zodat er goed zicht kan komen op de thuissituatie en mogelijkheden van de vader.



4.2.
Door en namens de vader is aangevoerd dat hij de beschuldiging van mishandeling van [minderjarige 2] ontkent. De vader werd aangevallen door [minderjarige 2] en hij heeft hem afgeweerd. De vader kan niet meer tegen [minderjarige 2] op. Het gedrag van [minderjarige 2] richting de vader en zijn broertjes wordt steeds lastiger. De laatste drie weken is het geëscaleerd. De vader heeft al hulp van verschillende instanties, zoals [hulpverlening] . Het gaat al langere tijd niet goed met [minderjarige 2] . Hij heeft ondersteuning nodig, maar er is niemand die de regie neemt en intensievere hulp komt dus niet van de grond. De vader ontkent alcoholgebruik. De vader stemt in met de voorlopige ondertoezichtstelling voor de duur van drie maanden. In het kader van de voorlopige ondertoezichtstelling kan er meer zicht komen op de opvoedsituatie, kan passende hulp worden ingezet en kunnen de zorgen worden gemonitord. Hij is bereid hulpverlening te aanvaarden. De vader verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen of slechts te verlenen voor maximaal een maand, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De uithuisplaatsing is niet noodzakelijk en de vader wil dat [minderjarige 1] en zijn broers zo snel mogelijk terugkomen bij hem thuis. Daarbij wil de vader naar de wens van [minderjarige 2] luisteren. Hij heeft meermalen aangegeven niet bij de vader te willen wonen. De indruk is dat als [minderjarige 2] ergens anders woont, er meer rust zal ontstaan.



4.3.
De GI heeft aangevoerd dat [minderjarige 1] samen met zijn broers is geplaatst op een geheime crisisplek. Naar omstandigheden gaat het goed met hem. [minderjarige 1] en zijn broers doen onthullingen over huiselijk geweld in de thuissituatie. Ook het zien van mishandeling is mishandeling. In die zin zijn er niet alleen zorgen over [minderjarige 2] , maar ook over [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . De GI zal onderzoek doen naar een veilige plek die aansluit bij [minderjarige 1] en zijn broers. Dat zal binnen twee weken duidelijk moeten zijn. [minderjarige 1] en zijn broers hebben nu vooral rust nodig. Van daaruit kan worden gekeken naar omgang en welke hulp ingezet gaat worden.







5De verdere beoordeling



JE RK 26-1179





Spoedbeslissing voorlopige ondertoezichtstelling




5.1.
Bij beschikking van 2 juli 2026 is een voorlopige ondertoezichtstelling [minderjarige 1] uitgesproken met ingang van 2 juli 2026 tot 16 juli 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn nu in de gelegenheid gesteld hun standpunt naar voren te brengen. De kinderrechter dient allereerst te beoordelen of er nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 2 juli 2026 zou moeten worden herroepen.


De kinderrechter is van oordeel dat niet is gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot herroeping. Deze spoedbeslissing dient daarom zijn werking te behouden.




Restant verzoek voorlopige ondertoezichtstelling





5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.



5.3.
Uit de bevindingen de GI, Veilig Thuis en de artsen komen grote zorgen naar voren over de veiligheid van [minderjarige 1] en zijn broers bij de vader thuis. Uit de bevindingen van de artsen is naar voren gekomen dat er sprake is geweest van een mishandeling van [minderjarige 2] , de broer van [minderjarige 1] . De kinderrechter gaat niet mee in het standpunt van de vader dat de escalatie tussen hem en [minderjarige 2] meeviel en dat sprake was van zelfverdediging. Gelet op de leeftijd van [minderjarige 2] , die pas twaalf jaar oud is, en de omvang van de vader ten opzichte van [minderjarige 2] , vindt de kinderrechter die opvatting zorgelijk. Dit ook gezien het geconstateerde letsel en de omstandigheid dat uit medisch onderzoek blijkt dat mishandeling van [minderjarige 2] waarschijnlijk al langere tijd speelt. [minderjarige 2] is, anders dan de vader aangeeft, onschuldig in deze situatie. Voorstelbaar is dat er sprake is van een lastige situatie na het overlijden van de moeder van [minderjarige 1] en zijn broers, waarna de vader alleen voor de verzorging en opvoeding van de drie kinderen is komen te staan. De kinderrechter acht hulpverlening noodzakelijk en vindt van belang dat de vader open in gesprek gaat over de thuissituatie en hulp accepteert.



5.4.
Gelet op het voorgaande verlengt de kinderrechter de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] met ingang van 16 juli 2026 en tot 2 oktober 2026.





JE RK 26-1203





Spoedbeslissing machtiging tot uithuisplaatsing





5.5.

Bij beschikking van 7 juli 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 7 juli 2026 tot 16 juli 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn nu in de gelegenheid gesteld hun standpunt naar voren te brengen. De kinderrechter dient allereerst te beoordelen of er nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 7 juli 2026 zou moeten worden herroepen.
De kinderrechter is van oordeel dat niet is gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot herroeping. Deze spoedbeslissing dient daarom zijn werking te behouden.




Restant verzoek machtiging tot uithuisplaatsing





5.6.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen.



5.7.
De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] is voldaan. De machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . Hoewel er op dit moment geen signalen zijn van mishandeling van [minderjarige 1] , is dat niet doorslaggevend voor het verzoek ten aanzien van hem. De volledige thuissituatie is zodanig zorgelijk dat de veiligheid van alle kinderen, dus ook [minderjarige 1] , in het geding is. Van belang is dat de veiligheid van [minderjarige 1] en zijn broers is gewaarborgd. Zij hebben een plek nodig waar zij tot rust kunnen komen, waarna hulpverlening en gesprekken met de vader kunnen starten om meer zicht te krijgen op de situatie. Gelet daarop is verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. [minderjarige 1] en zijn broers verblijven nu op een crisisplek en binnen een paar weken zal naar verwachting een vervolgplek gevonden zijn. Een uithuisplaatsing voor de duur van een maand is te kort om al stappen te kunnen zetten. De termijn van drie maanden is daarvoor minimaal nodig.



5.8.
Gelet op het voorgaande verlengt de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen met ingang van 16 juli 202 en tot 2 oktober 2026.



JE RK 26-1179 en JE RK 26-1203




Uitvoerbaar bij voorraad





5.9.
Het verzoek van de Raad om de beslissing op het verzoek de voorlopige ondertoezichtstelling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, wijst de kinderrechter af. Tegen de beslissing van de kinderrechter staat geen hoger beroep open. De beslissing geldt meteen. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:




JE RK 26-1179 en JE RK 26-1203



6.1.
verlengt de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] met ingang van 16 juli 2026 en tot 2 oktober 2026;


6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 16 juli 2026 en tot 2 oktober 2026;



6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad;


6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026 door mr. Van den Beld, kinderrechter, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 15 juli 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.



Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.






Artikel 1:257 BW.


Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).