Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7581

2026-05-15 Bestuursrecht BRE 26/2043 en 26/2044
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-05-15
Publicatiedatum
2026-08-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 26/2043 en 26/2044
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroepen niet tijdig beslissen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.215 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Bestuursrecht


zaaknummers: BRE 26/2043 en 26/2044


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2026 in de zaken tussen



[eiser 1] en [eiser 2], uit [plaats], eisers


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek, het college.





Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee door eisers ingestelde beroepen.
Het beroep met zaaknummer 26/2043 gaat over een door eisers ingediend gedoogverzoek van 7 juli 2025.
Het beroep met zaaknummer 26/2044 gaat over de vraag of het college niet op tijd heeft beslist op het bezwaarschrift van eisers gericht tegen de aan hen op 2 september 2025 verleende omgevingsvergunning voor het tijdelijk bewonen van een bijgebouw.



1.1.
De rechtbank heeft deze beroepen op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen. Het college is – met bericht van verhindering – niet verschenen.



1.2.
Op 8 mei 2026 hebben eisers aanvullende informatie in het beroep met zaaknummer 26/2043 aan de rechtbank toegezonden. Omdat op dat moment het onderzoek ter zitting al gesloten was, heeft de rechtbank deze informatie niet meegenomen bij de beoordeling van het beroep.




Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.



Is het beroep 26/2043 ontvankelijk?


3. Eisers hebben aangevoerd dat het college niet tijdig heeft besliste op hun gedoogverzoek van 7 juli 2025. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gedoogbeslissing geen besluit dat is gericht op rechtgevolg. Een verzoek om een gedoogbeslissing te nemen is daarom geen verzoek om een besluit te nemen en in zoverre geen aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent dat het verzoek van eisers van 7 juli 2025 geen aanvraag in de zin van de Awb is en voor het college geldt dan ook geen wettelijke beslistermijn. Als gevolg daarvan kunnen eisers ook geen beroep instellen wegens het uitblijven van een beslissing.

4. De rechtbank zal het beroep met zaaknummer 26/2043 daarom niet ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat eisers hun griffierecht niet terugkrijgen en ook geen vergoeding van hun proceskosten.



Is het beroep 26/2044 ontvankelijk en gegrond?


5. Eisers hebben in het beroep met zaaknummer 26/2044 aangevoerd dat het college niet tijdig op hun bezwaarschrift van 6 oktober 2025 heeft beslist. Het college moet in beginsel binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken, een beslissing op bezwaar nemen. Bij brief van 16 december 2025 heeft het college de beslistermijn verdaagd en aangegeven dat de beslistermijn op 17 februari 2026 eindigt.


5.1.
Bij brief van 11 maart 2026 hebben eisers het college een ingebrekestelling gestuurd en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan. Bij brief van 4 mei 2026 heeft het college aangegeven dat nog geen beslissing op bezwaar is genomen en heeft het verzocht om een redelijke termijn om alsnog de beslissing op bezwaar te moeten nemen.



Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd?

6. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen.




6.1.

Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
Het college verzoekt in de brief van 4 mei 2026 om een redelijke termijn. Het college heeft daarbij aangegeven dat mede doordat na de hoorzitting door eisers nog aanvullende stukken zijn ingediend die bij de beslissing op bezwaar betrokken moeten worden, nog geen beslissing is genomen.




6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen nu eisers zelf na de hoorzitting nog aanvullende stukken hebben ingediend en verweerder ook die stukken wenst te betrekken bij de beslissing op bezwaar. De rechtbank vindt het redelijk dat het college daarvoor een termijn van vier weken krijgt.



Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?


7. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van €100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van €15.000,-.



Conclusie en gevolgen


8. Het beroep met zaaknummer 26/2044 is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen, het college de onder 6.1 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en het college de onder 7 genoemde dwangsom wordt opgelegd.



8.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Niet gebleken is dat eisers proceskosten hebben gemaakt die volgens de wet voor vergoeding in aanmerking komen.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep met zaaknummer 26/2043 niet-ontvankelijk;



verklaart het beroep met zaaknummer 26/2044 gegrond;


vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;


draagt het college op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;


bepaalt dat het college aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;


bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan eisers moet vergoeden.





Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, op 15 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.




De griffier is buiten staat deze
Uitspraak mede te ondertekenen.










griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.


Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:1356 en ECLI:NL:RVS:2025:2724.


Dit bezwaarschrift van 6 oktober 2025 is gericht tegen een op 2 september 2025 aan eisers verleende omgevingsvergunning voor het tijdelijke bewonen van een bijgebouw.


Artikel 7:10, eerste lid, van de Awb.