Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7555
2026-08-13
Strafrecht
02-121498-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Procesafspraken tussen verd. En OM t.z.v. de uitvoer uit Nederland van 2,52 kilo kg heroïne. Conform de gemaakte afspraken legt de rechtbank 18 mnd gs op, met aftrek van voorarrest.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2022:1252 Hoge Raad 27-09-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.362 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-121498-26
vonnis van de meervoudige kamer van 13 augustus 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] (Marokko),
thans verblijvende in de P.I. te [plaats] ,
raadsman mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. H.E. Thijssen-de Haze, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verlengde uitvoer van een hoeveelheid heroïne, dan wel die heroïne aanwezig heeft gehad.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De procesafspraken
4.1
De overeenkomst
Het Openbaar Ministerie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, hebben procesafspraken gemaakt over de afdoening van deze strafzaak. Deze procesafspraken zijn
vastgelegd in een overeenkomst die door verdachte, zijn raadsman en door de officier van
justitie is ondertekend. De overeenkomst is voorafgaand aan de zitting door de officier van justitie aan de rechtbank verstrekt.
Het afdoeningsvoorstel houdt, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, in dat:
- de verdediging geen onderzoekswensen zal indienen;
- de verdediging geen bewijsverweren zal voeren;
- de verdachte geen schuld hoeft te erkennen;
- de verdachte afstand doet van de onder hem in beslag genomen goederen;
- de verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken;
- het Openbaar Ministerie de bewezenverklaring zal vorderen van de verlengde uitvoer van 2,52 kilogram heroïne;
- het Openbaar Ministerie een gevangenisstraf van 18 maanden zal vorderen;
- de verdediging en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep instellen indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken.
Een kopie van deze overeenkomst is als bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De rechtbank stelt vast dat de in de overeenkomst opgenomen tenlastelegging anders is dan het tenlastegelegde in de aan verdachte op 30 juni 2026 uitgereikte dagvaarding. In die dagvaarding is namelijk opgenomen dat verdachte ‘een hoeveelheid heroïne’ zou hebben uitgevoerd, terwijl in de overeenkomst in de tenlastelegging is opgenomen 2,52 kilogram heroïne. De rechtbank zal het tenlastegelegde in de aan verdachte uitgereikte dagvaarding als uitgangspunt nemen en daarom in die zin afwijken van de in de overeenkomst gemaakte procesafspraken.
4.2
Het toetsingskader en de toetsing in deze zaak
De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte gemaakte procesafspraken af te doen. Bij deze beoordeling zijn de uitgangspunten, zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van
27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252) leidend geweest.
De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door zijn raadsman. Verdachte is ook samen met zijn raadsman aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 30 juli 2026, alwaar de inhoud van de overeenkomst ter zitting is besproken. Daarbij zijn de vrijwilligheid van de procesafspraken, de bewustheid van verdachte ten aanzien van de (inhoud van de) procesafspraken en de (mogelijke) gevolgen van de procesafspraken aan de orde gesteld.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte weloverwogen en vrijwillig, op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om in te stemmen met deze procesafspraken en de daarmee gepaard gaande (mogelijke) gevolgen daarvan. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) stelt.
De voorzitter heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de gemaakte procesafspraken en niet gehouden is tot naleving ervan. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid en dat betekent dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) leidend is geweest.
5De beoordeling van het bewijs
5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht overeenkomstig de procesafspraken het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft overeenkomstig de procesafspraken geen bewijsverweren gevoerd.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
Nu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd en de rechtbank het ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht, zal het feit zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
5.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 23 april 2026 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 onder 5, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
6De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
7De strafoplegging
7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert conform de gemaakte procesafspraken een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft overeenkomstig de gemaakte procesafspraken geen strafmaatverweer gevoerd.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verlengde uitvoer van 2,52 kilogram heroïne. Verdachte reed op 23 april 2026 in zijn personenauto en was naar eigen zeggen op weg naar Düsseldorf (Duitsland). In de personenauto van verdachte werd een verborgen ruimte aangetroffen met daarin 2,52 kilogram heroïne. De aangetroffen hoeveelheid heroïne vertegenwoordigt een grote straatwaarde en de wijze waarop de auto van verdachte was geprepareerd en de heroïne was verstopt, doen vermoeden dat verdachte een rol heeft gespeeld in de georganiseerde drugshandel, waarvan bekend is dat deze ernstige gevolgen heeft voor de samenleving. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van heroïne schadelijk is voor de volksgezondheid. De productie, handel in en consumptie van harddrugs (of voorbereiding daarvan) veroorzaken regelmatig overlast en genereren andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft met zijn handelen hieraan een wezenlijke bijdrage geleverd.
Strafblad
Uit het strafblad van verdachte van 24 april 2026 blijkt niet dat verdachte in Nederland eerder met politie of justitie in aanraking is geweest voor het plegen van strafbare feiten.
Strafoplegging
Gelet op de aard en de ernst van dit feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur heeft de rechtbank acht geslagen op de LOVS-richtlijnen en op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. In beginsel acht de rechtbank, evenals de officier van justitie, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 27 maanden passend en geboden. Naar aanleiding van de gemaakte procesafspraken komt de rechtbank echter tot een andere afweging die resulteert in een lagere straf. Daarbij overweegt de rechtbank dat de gemaakte procesafspraken een efficiënte en voortvarende behandeling en een effectieve afdoening van de zaak dienen. De overeengekomen gevangenisstraf staat bovendien in een redelijke verhouding tot de ernst van de zaak en de omstandigheden van het geval.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de door het Openbaar Ministerie en de verdachte overeengekomen straf zoals is neergelegd in de overeenkomst van procesafspraken hier een passende straf is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
8Het beslag
Nu verdachte in de overeenkomst afstand heeft gedaan van de onder hem inbeslaggenomen goederen, kan naar het oordeel van de rechtbank een beslissing van de rechtbank met betrekking tot die goederen achterwege blijven.
9De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Kralingen, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. M. Koek, rechters, in tegenwoordigheid van F.J.M. Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 augustus 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 23 april 2026 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk, in elk geval in Nederland,opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld inartikel 1 onder 5, in elk geval aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;( art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet )
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-121498-26
vonnis van de meervoudige kamer van 13 augustus 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] (Marokko),
thans verblijvende in de P.I. te [plaats] ,
raadsman mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 juli 2026, waarbij de officier van justitie, mr. H.E. Thijssen-de Haze, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verlengde uitvoer van een hoeveelheid heroïne, dan wel die heroïne aanwezig heeft gehad.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De procesafspraken
4.1
De overeenkomst
Het Openbaar Ministerie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, hebben procesafspraken gemaakt over de afdoening van deze strafzaak. Deze procesafspraken zijn
vastgelegd in een overeenkomst die door verdachte, zijn raadsman en door de officier van
justitie is ondertekend. De overeenkomst is voorafgaand aan de zitting door de officier van justitie aan de rechtbank verstrekt.
Het afdoeningsvoorstel houdt, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, in dat:
- de verdediging geen onderzoekswensen zal indienen;
- de verdediging geen bewijsverweren zal voeren;
- de verdachte geen schuld hoeft te erkennen;
- de verdachte afstand doet van de onder hem in beslag genomen goederen;
- de verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken;
- het Openbaar Ministerie de bewezenverklaring zal vorderen van de verlengde uitvoer van 2,52 kilogram heroïne;
- het Openbaar Ministerie een gevangenisstraf van 18 maanden zal vorderen;
- de verdediging en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep instellen indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken.
Een kopie van deze overeenkomst is als bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De rechtbank stelt vast dat de in de overeenkomst opgenomen tenlastelegging anders is dan het tenlastegelegde in de aan verdachte op 30 juni 2026 uitgereikte dagvaarding. In die dagvaarding is namelijk opgenomen dat verdachte ‘een hoeveelheid heroïne’ zou hebben uitgevoerd, terwijl in de overeenkomst in de tenlastelegging is opgenomen 2,52 kilogram heroïne. De rechtbank zal het tenlastegelegde in de aan verdachte uitgereikte dagvaarding als uitgangspunt nemen en daarom in die zin afwijken van de in de overeenkomst gemaakte procesafspraken.
4.2
Het toetsingskader en de toetsing in deze zaak
De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte gemaakte procesafspraken af te doen. Bij deze beoordeling zijn de uitgangspunten, zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van
27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252) leidend geweest.
De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door zijn raadsman. Verdachte is ook samen met zijn raadsman aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 30 juli 2026, alwaar de inhoud van de overeenkomst ter zitting is besproken. Daarbij zijn de vrijwilligheid van de procesafspraken, de bewustheid van verdachte ten aanzien van de (inhoud van de) procesafspraken en de (mogelijke) gevolgen van de procesafspraken aan de orde gesteld.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte weloverwogen en vrijwillig, op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om in te stemmen met deze procesafspraken en de daarmee gepaard gaande (mogelijke) gevolgen daarvan. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) stelt.
De voorzitter heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de gemaakte procesafspraken en niet gehouden is tot naleving ervan. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid en dat betekent dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) leidend is geweest.
5De beoordeling van het bewijs
5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht overeenkomstig de procesafspraken het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft overeenkomstig de procesafspraken geen bewijsverweren gevoerd.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
Nu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd en de rechtbank het ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht, zal het feit zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
5.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 23 april 2026 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 onder 5, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
6De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
7De strafoplegging
7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert conform de gemaakte procesafspraken een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft overeenkomstig de gemaakte procesafspraken geen strafmaatverweer gevoerd.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verlengde uitvoer van 2,52 kilogram heroïne. Verdachte reed op 23 april 2026 in zijn personenauto en was naar eigen zeggen op weg naar Düsseldorf (Duitsland). In de personenauto van verdachte werd een verborgen ruimte aangetroffen met daarin 2,52 kilogram heroïne. De aangetroffen hoeveelheid heroïne vertegenwoordigt een grote straatwaarde en de wijze waarop de auto van verdachte was geprepareerd en de heroïne was verstopt, doen vermoeden dat verdachte een rol heeft gespeeld in de georganiseerde drugshandel, waarvan bekend is dat deze ernstige gevolgen heeft voor de samenleving. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van heroïne schadelijk is voor de volksgezondheid. De productie, handel in en consumptie van harddrugs (of voorbereiding daarvan) veroorzaken regelmatig overlast en genereren andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft met zijn handelen hieraan een wezenlijke bijdrage geleverd.
Strafblad
Uit het strafblad van verdachte van 24 april 2026 blijkt niet dat verdachte in Nederland eerder met politie of justitie in aanraking is geweest voor het plegen van strafbare feiten.
Strafoplegging
Gelet op de aard en de ernst van dit feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur heeft de rechtbank acht geslagen op de LOVS-richtlijnen en op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. In beginsel acht de rechtbank, evenals de officier van justitie, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 27 maanden passend en geboden. Naar aanleiding van de gemaakte procesafspraken komt de rechtbank echter tot een andere afweging die resulteert in een lagere straf. Daarbij overweegt de rechtbank dat de gemaakte procesafspraken een efficiënte en voortvarende behandeling en een effectieve afdoening van de zaak dienen. De overeengekomen gevangenisstraf staat bovendien in een redelijke verhouding tot de ernst van de zaak en de omstandigheden van het geval.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de door het Openbaar Ministerie en de verdachte overeengekomen straf zoals is neergelegd in de overeenkomst van procesafspraken hier een passende straf is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
8Het beslag
Nu verdachte in de overeenkomst afstand heeft gedaan van de onder hem inbeslaggenomen goederen, kan naar het oordeel van de rechtbank een beslissing van de rechtbank met betrekking tot die goederen achterwege blijven.
9De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Kralingen, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. M. Koek, rechters, in tegenwoordigheid van F.J.M. Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 augustus 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 23 april 2026 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk, in elk geval in Nederland,opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld inartikel 1 onder 5, in elk geval aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;( art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet )