Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7553

2026-08-13 Strafrecht 02-120877-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-13
Publicatiedatum
2026-08-11
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Op tegenspraak
Zaaknummer
02-120877-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verdachte bekent dat hij 1820 gram heroïne uit Nederland heeft uitgevoerd en rechtbank legt gs op van 18 mnd, met aftrek, waarvan 6 mnd VW. Prft. 2 jaar.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.261 tekens)
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT


Strafrecht



Zittingsplaats: Breda



Parketnummer: 02-120877-26




Vonnis van de meervoudige kamer van 13 augustus 2026






[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedag] 2004,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in penitentiaire inrichting [plaats] ,
raadsvrouw mr. M.C. Boucher, advocaat te Amsterdam.




1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.



2De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte



harddrugs heeft uitgevoerd (primair), dan wel heeft vervoerd of in bezit heeft gehad (subsidiair).




3De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.




4De beoordeling van het bewijs

4.1.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem primair ten laste gelegde feit heeft begaan.




4.2.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.



4.3.


Het oordeel van de rechtbank

Aangezien verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd voor het primair tenlastegelegde feit en geen vrijspraak is bepleit, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.



Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal van de politie eenheid Zeeland-West-Braban, met dossiernummer 2026107371, opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en digitaal doorgenummerd van pagina 1 tot en met 74.



De rechtbank acht het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de ter zitting van 30 juli 2026 afgelegde bekennende verklaring van verdachte;
- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 22 april 2026, pagina 7;
- het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], pagina 31;
- het geschrift, zijnde een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 19 mei 2026, pagina 41.


4.4.


De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte




Primair

op 22 april 2026 te Hoogerheide, gemeente Woensdrecht, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht 1820,70 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijndeheroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.



De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.





5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.


Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.




6De strafoplegging

6.1.


De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van
24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaar.



6.2.


Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt rekening te houden met de persoon van verdachte, zijn proceshouding en de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Verder wordt verzocht rekening te houden met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. In lijn met de aangehaalde jurisprudentie is de verdediging van mening dat het passend is om af te wijken van de landelijke oriëntatiepunten en verzoekt een gevangenisstraf op te leggen van
12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest.



6.3.


Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verlengde uitvoer van 1820 gram heroïne.
Heroïne is een stof die zeer verslavend werkt en zeer schadelijk is voor de gezondheid van de gebruikers. Daarnaast gaat de handel in drugs vaak gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, geweldsdelicten en illegale geldstromen, waarbij de drugshandel een belangrijke schakel vormt in de keten van criminele ondermijnende activiteiten die de samenleving ontwrichten. Dit is ook de reden dat er op het plegen van drugsfeiten hoge straffen staan.




De persoonlijke omstandigheden

Verdachte heeft zowel in Nederland als in Frankrijk een blanco strafblad. De rechtbank heeft voorts de persoonlijke omstandigheden in aanmerking genomen die tijdens het onderzoek ter zitting naar voren zijn gekomen. In het bijzonder zal de rechtbank rekening houden met de jonge leeftijd van verdachte, het feit dat hij zijn leven op orde lijkt te hebben en zijn proceshouding.




De oplegging van de straf

Volgens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) wordt voor de in- en uitvoer van 1500 tot 2000 gram harddrugs in beginsel uitgegaan van een gevangenisstraf van 12 tot 24 maanden. De hoeveelheid heroïne die verdachte heeft vervoerd, geeft de rechtbank geen aanleiding om binnen deze bandbreedte af te wijken van het midden daarvan. De rechtbank neemt daarom een gevangenisstraf van 18 maanden als uitgangspunt.



Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf passend en geboden is. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal de rechtbank een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Deze voorwaardelijke straf wordt tevens opgelegd om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst weer dergelijke feiten te plegen.



Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.





7Het beslag

7.1.


De verbeurdverklaring

De zakken waarin de heroïne is vervoerd zullen worden verbeurd verklaard. Verdachte had deze ten tijde van zijn aanhouding in zijn bezit en het feit is met behulp van deze voorwerpen begaan.





8De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.



9Beslissing
De rechtbank:



Bewezenverklaring


- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;



Strafbaarheid


- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:


Primair:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet
gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;



Strafoplegging


- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;



Beslag


- verklaart verbeurd de volgende voorwerpen:

* 1 STK Zak (Omschrijving: PL2000-2026107371-2988120);
* 1 STK Zak (Omschrijving: PL2000-2026107371-G2988246).




Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter en mr. D. van Kralingen en
mr. M. Koek, rechters in tegenwoordigheid van K. van Rijs, griffier en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 augustus 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.












Bijlage I: De tenlastelegging




hij op of omstreeks 22 april 2026 te Hoogerheide, gemeente Woensdrecht, althans in Nederlandopzettelijk, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1830gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijndeheroïne, althans een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet( art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet )



subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:



hij op of omstreeks 22 april 2026 te Hoogerheide, gemeente Woensdrecht, althans inNederland, opzettelijkheeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,ongeveer 1830 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaalbevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwetbehorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van diewet;( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet )