Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7549

2026-08-11 Bestuursrecht 25/4399
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-08-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25/4399
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

WLZ. Beroep gegrond. Verzending is niet aannemelijk gemaakt. Bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.908 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda



Bestuursrecht



zaaknummer: BRE 25/4399 WLZ


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),


en


CZ Zorgkantoor B.V. (CZ), verweerder.


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar van eiser. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser volgens CZ het bezwaarschrift niet tijdig heeft ingediend. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of CZ het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat CZ het bezwaar van eiser onterecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Met het besluit van 13 maart 2024 (primair besluit) heeft CZ eisers persoonsgebonden budget (pgb) beëindigd. Eiser heeft hiertegen op 15 mei 2025 bezwaar gemaakt.



2.1.
Met het bestreden besluit van 4 augustus 2025 heeft CZ het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard vanwege het overschrijden van de wettelijke termijn voor het indienen van het bezwaarschrift.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. CZ heeft gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen. Eiser en CZ waren niet aanwezig.




Totstandkoming bestreden besluit


3. Eiser ontving een pgb op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Met het primaire besluit heeft CZ aan eiser medegedeeld dat uit onderzoek is gebleken dat er fraude is gepleegd met, of oneigenlijk gebruik is gemaakt van, eisers pgb. Daarom wordt zijn pgb per 31 juli 2023 beëindigd.
In dit besluit is medegedeeld dat de termijn voor het indienen voor een bezwaarschrift zes weken bedraagt en aanvangt op de dag na de verzenddatum van het besluit.



3.1.
Op 15 mei 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.



Bestreden besluit




4. Met het bestreden besluit heeft CZ het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaartermijn is overschreden.




4.1.
CZ stelt zich primair op het standpunt dat eiser het primaire besluit tijdig heeft ontvangen. Het besluit is verstuurd aan het destijds bekende postadres. Er is geen reden om te twijfelen aan de postbezorging. CZ mag er daarom van uitgaan dat eiser het besluit daags na de verzending heeft ontvangen.



4.2.
Subsidiair stelt CZ dat, als eiser gevolgd moet worden in de stelling dat hij het besluit pas in de beroepsprocedure tegen de opschorting van het pgb heeft ontvangen, hij op 11 april 2025 bekend is geworden met het besluit. Hij heeft zijn bezwaar vervolgens niet binnen twee weken ingediend. CZ stelt dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om af te wijken van deze extra termijn van twee weken.




Beroepsgronden


5. Eiser heeft aangevoerd dat hij het primaire besluit niet heeft ontvangen. Het besluit is derhalve niet bekend gemaakt op de daarvoor geldende wijze. In dit kader vraagt eiser aandacht voor de brief van de Nationale Ombudsman waarin deze alarm slaat over de gebrekkige postbezorging door PostNL. Gelet op de gebrekkige postbezorging kan er niet (meer) van uit worden gegaan dat een poststuk de burger altijd bereikt. Het ligt dan op de weg van het bestuursorgaan om aan te tonen dat het poststuk eiser heeft bereikt. CZ is daar niet in geslaagd. Verder stelt eiser dat de stelling van CZ dat hij binnen twee weken nadat hij bekend werd met het besluit bezwaar in het moeten dienen niet klopt. De door CZ gehanteerde termijn van twee weken is gebaseerd op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en de Centrale Raad van Beroep (CRvB) die alleen ziet op besluiten die op de juiste wijze zijn bekendgemaakt. Het primaire besluit is niet op de juiste wijze bekendgemaakt.
Ter zitting is door de gemachtigde gewezen op uitspraken van de Hoge Raad, de Afdeling en de CRvB over het aannemelijk maken van verzending.




Verweerschrift


6. CZ stelt in het verweerschrift dat het primaire besluit via de post is verstuurd aan het postadres van eiser dat op dat moment actueel was. Daarbij is een schermprint uit de verzendadministratie overgelegd en is toegelicht dat de post via een printstraat geautomatiseerd wordt verzonden.




Juridisch kader


7. De voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.




Beoordeling door de rechtbank

8. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de bekendmaking moet gebeuren door toezending of uitreiking aan de belanghebbende(n) tot wie het besluit is gericht. In geschil is of het primaire besluit van 13 maart 2024 ook op die dag op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt aan eiser.

9. Indien de geadresseerde stelt dat hij – zoals in dit geval – een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, moet het bestuursorgaan volgens vaste rechtspraak aannemelijk maken dat het besluit is verzonden. Het bestuursorgaan kan daarbij in eerste instantie volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres, omdat per post verzonden stukken normaal gesproken de volgende dag worden bezorgd. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Als het bestuursorgaan de verzending aannemelijk heeft gemaakt, is het aan de geadresseerde (in dit geval eiser) om feiten naar voren te brengen op grond waarvan de ontvangst van het besluit redelijkerwijs kan worden betwijfeld.


9.1.
De rechtbank is van oordeel dat CZ er met het verweerschrift en de daarbij overgelegde stukken niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat het primaire besluit op 13 maart 2024 is verzonden. Een schermprint van het verzendsysteem is onvoldoende om aannemelijk te achten dat het document op de vermelde datum naar eiser is verzonden, nog daargelaten dat de daarin vermelde datum (12-03-2024) niet overeenkomt met de datum van het primaire besluit. Ook blijkt uit de stelling “post wordt via een printstraat geautomatiseerd verzonden” niet op welke wijze het poststuk fysiek is aangeboden aan een postbedrijf, en ook niet aan welk postbedrijf. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of het primaire besluit daadwerkelijk op 13 maart 2024 aan eiser is verzonden en daarmee op de juiste wijze bekend is gemaakt.


10. In gevallen waarin een belanghebbende pas kennis neemt van een besluit als de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken en de belanghebbende ook niet eerder kennis kon nemen van het besluit, rijst de vraag binnen welke termijn belanghebbende alsnog bezwaar moet maken. Sinds de uitspraak van (de grote kamer van) het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024 geldt voor deze gevallen dat een termijn van zes weken wordt gehanteerd, waarbinnen de belanghebbende met het maken van bezwaar in ieder geval niet verwijtbaar te laat is. Hiermee wordt aangesloten bij de wettelijke bezwaar- en beroepstermijn en is afstand genomen van de eerder in de rechtspraak gehanteerde termijn van twee weken.




10.1.
Eiser stelt dat hij pas kennis heeft genomen van het primaire besluit toen hij de stukken in de procedure tegen de opschorting van het pgb van de rechtbank ontving. Dat was op 11 april 2025. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat eiser het besluit eerder moet hebben ontvangen. Dit betekent dat de termijn van zes weken is aangevangen op 11 april 2025. Het bezwaar is ingediend op 15 mei 2025 en daarmee binnen die zes weken. Het bezwaar is dus tijdig ingediend. Dit betekent dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.




Conclusie en gevolgen


11. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. CZ moet het bezwaar van eiser alsnog inhoudelijk behandelen.



11.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet CZ het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. CZ moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend (1 punt) en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.




Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


draagt CZ op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;


bepaalt dat CZ het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;


veroordeelt CZ tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.





Deze uitspraak is gedaan op 11 augustus 2026 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.E. Strijbos, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.




Bijlage: wettelijk kader



Algemene wet bestuursrecht




Artikel 3:41, eerste lid
De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.



Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.



Artikel 6:8, eerste lid
De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.



Artikel 6:9, eerste lid
Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.



Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.







Nationale ombudsman slaat alarm over gebrekkige postbezorging door de overheid


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:834.


Zie de uitspraak van de CRvB van 11 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3935, r.o. 4.5.


Zie de uitspraken van de Hoge Raad van 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:59, r.o. 3.2 en van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1277, r.o. 5.3 en 5.4.


ECLI:NL:CBB:2024:31, r.o. 4.2 en 4.3.