Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7535

2026-08-11 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 24/5667
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-08-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 24/5667
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beroep niet-ontvankelijk.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.024 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 24/5667


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 augustus 2026 in de zaak tussen





[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 23 mei 2023.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.154.



1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 183 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).



1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur, [persoon 1] en [persoon 2] . Gelijktijdig is behandeld de zaak van belanghebbende met zaaknummer 24/5668.





Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur ontvankelijk is.



2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het beroep onverschoonbaar te laat is ingesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Motivering


3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.



3.1.
De inspecteur heeft op 23 mei 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. Het beroepschrift is op 21 juli 2024 door de rechtbank ontvangen. Het beroepschrift is dus meer dan 6 weken na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar ingediend. Dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar heeft ontvangen op enig moment, is niet in geschil. Daarover overweegt de rechtbank hierna meer.



3.2.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.



3.3.
Belanghebbende had op 21 december 2022 ook al een beroepschrift met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2020 ingediend. Er was op dat moment nog geen uitspraak op bezwaar. Die is later gekomen met dagtekening 23 mei 2023. De rechtbank heeft op 15 mei 2024 beslist dat dit eerdere beroep d.d. 21 december 2022 prematuur was ingesteld.



3.4.
De rechtbank heeft dat voorgaande beroep behandeld op de zitting van 10 april 2024. Gelet op de feitenvaststelling in - kort gezegd - die vorige zaak van belanghebbende, heeft de inspecteur geen verzendadministratie van de uitspraak op bezwaar in dit dossier overgelegd omdat dat volgens de inspecteur niet nodig is voor de beslechting van het geschil. Belanghebbende was volgens de inspecteur in ieder geval bekend met de uitspraak op bezwaar ten tijde van de vorige procedure en ook als dat moment zou worden genomen als het moment van bekendmaking, was belanghebbende op 21 juli 2024 zonder nadere onderbouwing ruimschoots te laat.



3.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Belanghebbende betwist niet dat hij de uitspraak op bezwaar heeft gehad en stelt enkel dat hij die uitspraak ‘later’ heeft ontvangen. Gelet op de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank van 15 mei 2024 staat dat vast dat belanghebbende in ieder geval voorafgaand aan de zitting in die procedure op 10 april 2024 de uitspraak op bezwaar via die procedure bij de rechtbank heeft ontvangen. Zelfs als de rechtbank zou uitgaan van begin april 2024 als datum waarop belanghebbende bekend is geworden met de uitspraak op bezwaar, dan nog is de tijd gelegen tussen begin april 2024 en het door de rechtbank ontvangen tweede beroepschrift van 21 juli 2024 zonder nadere onderbouwing onverschoonbaar te laat.



3.6.
Gelet op de discussie tussen partijen over een eventuele verschoonbaarheid merkt de rechtbank het volgende op. De rechtbank heeft op 11 november 2024 een brief naar belanghebbende laten uitgaan met expliciet de vraag wat maakt dat het beroep naar het lijkt na afloop van de beroepstermijn is ingediend. Ook uit de daaropvolgende reactie van belanghebbende kan de rechtbank niet opmaken wanneer belanghebbende zelf stelt de uitspraak op bezwaar te hebben ontvangen en daarmee samenhangend is het de rechtbank ook niet duidelijk geworden of belanghebbende een beroep doet op verschoonbaarheid bij termijnoverschrijding. Voor het geval dit toch een beroep op verschoonbaarheid inhoudt, is dat naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt omdat een concrete motivering ontbreekt.



3.7.
De rechtbank beslist dat het beroepschrift van 21 juli 2024 onverschoonbaar te laat is ingediend. De rechtbank had al beslist dat het beroepschrift van 21 december 2022 prematuur was. De rechtbank zal daarom dit beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de uitspraak op bezwaar van de inspecteur.





Conclusie en gevolgen


4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 11 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.













griffier


rechter








De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.



De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.





Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.


Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.


Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.


Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.


Zie de uitspraak van deze rechtbank van 15 mei 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3135.