Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7514
2026-08-12
Strafrecht
02-175702-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Veroordeling voorhanden hebben vuurwapen. Deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Taakstraf. Vrijspraak aanwezig hebben drugs.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.899 tekens)
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-175702-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 12 augustus 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
raadsman mr. R. Wouters, advocaat te Middelburg.
1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.J. Louwers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:1. het voorhanden hebben van een vuurwapen;2. het aanwezig hebben van een hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan. Hij vordert verdachte van feit 2 vrij te spreken.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1. Ten aanzien van feit 2 verzoekt zij verdachte vrij te spreken.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Ten aanzien van feit 1
Feiten en omstandigheden
Op basis van de bewijsmiddelen en de overige stukken in het dossier stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 28 mei 2024 heeft de politie in een andere zaak een opsporingsonderzoek verricht in de woning in [plaats] waar verdachte woonachtig is. Bij het binnentreden werd verdachte in zijn slaapkamer in bed aangetroffen. In de kast op diezelfde slaapkamer werd een tasje aangetroffen. In dit tasje werd naar later bleek een vuurwapen aangetroffen, te weten een omgebouwde alarmrevolver van het merk BBM (Bruni), type Olympic 38, kaliber .22 Long Rifle.
Verklaring van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij het bewuste tasje heeft opgehaald en voor iemand heeft moeten bewaren, maar niet in het tasje heeft gekeken. Ondanks dat hij niet wist wat er in het tasje zat, wist hij wel dat het niet goed was, omdat hij voor het bewaren van het tasje een bedrag van € 200,00 kreeg. Daarnaast vermoedde hij aan het gewicht van het tasje dat het om een vuurwapen ging.
Kan het feit wettig en overtuigend worden bewezen?
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie is vereist dat de verdachte een wapen bewust aanwezig heeft gehad.
De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van de ‘meer of mindere mate van bewustheid’ geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of tot de exacte locatie van dat wapen. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte die bewustheid heeft gehad.
Verder is vereist dat de verdachte feitelijke macht over het wapen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden.
Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden en de hiervoor aangehaalde verklaring van verdachte, dat hij het bewuste tasje heeft opgehaald om het voor iemand te bewaren, daarvoor een bepaald geldbedrag heeft ontvangen en een vermoeden had dat het om een vuurwapen ging, is de rechtbank van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in het tasje een vuurwapen zat, in dit geval een omgebouwde alarmrevolver. Verdachte heeft aldus voorwaardelijk opzet gehad op het voorhanden hebben van een vuurwapen. Met het bewaren van het tasje in de kast op zijn slaapkamer had verdachte de beschikkingsmacht over het wapen.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een vuurwapen, zoals ten laste is gelegd, voorhanden heeft gehad.
Ten aanzien van feit 2
In het hiervoor onder feit 1 genoemde tasje werden naast het vuurwapen plastic zakjes met roze pillen aangetroffen. Deze pillen zijn door de politie positief getest op aanwezigheid van stoffen vermeld op lijst I van de Opiumwet.
De uitgevoerde test betreft een indicatieve test. Een indicatieve test is naar zijn aard indicatief en niet concluderend en hiermee in beginsel onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. In het dossier bevinden zich verder geen andere bewijsmiddelen op basis waarvan de rechtbank kan vaststellen dat de aangetroffen pillen opiaten zouden zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.op 28 mei 2024 te [plaats] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwde alarmrevolver, van het merk BBM (Bruni), typeOlympic 38, kaliber .22 Long Rifle, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolvervoorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 76 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar. Hij vordert daarnaast aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 180 uur. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak, de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht twee keer van toepassing is en dat verdachte openheid van zaken heeft gegeven.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de door de officier van justitie gevorderde straf fors en niet passend is. Zij vindt het passender om aan verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, te weten 16 dagen, en een taakstraf voor de duur van 180 uur op te leggen. In dit kader moet volgens haar worden meegewogen dat sprake is van tijdsverloop, dat verdachte in deze zaak al ruim twee jaar in een schorsingstoezicht loopt en zich in dat kader aan alle gestelde voorwaarden moet houden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en het positieve advies van de reclassering, waaruit duidelijk volgt waarom er geen gevangenisstraf moet worden opgelegd. Het opleggen van een gevangenisstraf is niet in het belang van verdachte en ook niet in het belang van de maatschappij. Tot slot is sprake van een lopend reclasseringstoezicht in een andere zaak en is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en de ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen dat voor gebruik geschikt bleek te zijn. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van anderen met zich mee, waartegen moet worden opgetreden.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte van 16 juni 2026, waaruit blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en hem dat er niet van heeft weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen. Bovendien heeft verdachte zich tijdens het schorsingstoezicht in deze zaak opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten.
De rechtbank stelt vast dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht twee keer van toepassing is.
De rechtbank slaat acht op het rapport van de reclassering van 18 juni 2026. De reclassering heeft geconcludeerd dat de risico’s op recidive, op letsel en op onttrekking aan voorwaarden als gemiddeld worden geschat.
Geadviseerd is bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, gelet op het langdurige schorsingstoezicht in deze zaak en het huidig lopende toezicht in een andere zaak met als einddatum 26 februari 2028. Een gevangenisstraf is gelet op de positieve ontwikkeling die onlangs in gang is gezet niet wenselijk. Door een gevangenisstraf zal behandeling, die juist in het belang is in het kader van risicobeperking, stagneren. Een taakstraf wordt uitvoerbaar geacht.
Straf
Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank – naast alles wat hiervoor is overwogen – rekening met het tijdsverloop in deze zaak.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 76 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf voor de duur van 80 uur passend en geboden is. Verdachte hoeft dan ook niet terug naar de gevangenis. De deels voorwaardelijke gevangenisstraf vormt een stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (dergelijke) strafbare feiten te plegen.
7De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 1: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 76 (zesenzeventig) dagen, waarvan 60 (zestig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter, mr. L.W. Boogert en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Huwae, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 augustus 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1.hij op of omstreeks 28 mei 2024 te [plaats]een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, teweten een omgebouwd gas- of alarmpistool, van het merk BBM (Bruni), typeOlympic 38, kaliber .22 Long Riflezijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistoolvoorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
2.hij op of omstreeks 28 mei 2024 te [plaats]opzettelijkaanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij deOpiumwet behorende lijst I,dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-175702-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 12 augustus 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
raadsman mr. R. Wouters, advocaat te Middelburg.
1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 juli 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.J. Louwers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:1. het voorhanden hebben van een vuurwapen;2. het aanwezig hebben van een hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan. Hij vordert verdachte van feit 2 vrij te spreken.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1. Ten aanzien van feit 2 verzoekt zij verdachte vrij te spreken.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Ten aanzien van feit 1
Feiten en omstandigheden
Op basis van de bewijsmiddelen en de overige stukken in het dossier stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 28 mei 2024 heeft de politie in een andere zaak een opsporingsonderzoek verricht in de woning in [plaats] waar verdachte woonachtig is. Bij het binnentreden werd verdachte in zijn slaapkamer in bed aangetroffen. In de kast op diezelfde slaapkamer werd een tasje aangetroffen. In dit tasje werd naar later bleek een vuurwapen aangetroffen, te weten een omgebouwde alarmrevolver van het merk BBM (Bruni), type Olympic 38, kaliber .22 Long Rifle.
Verklaring van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij het bewuste tasje heeft opgehaald en voor iemand heeft moeten bewaren, maar niet in het tasje heeft gekeken. Ondanks dat hij niet wist wat er in het tasje zat, wist hij wel dat het niet goed was, omdat hij voor het bewaren van het tasje een bedrag van € 200,00 kreeg. Daarnaast vermoedde hij aan het gewicht van het tasje dat het om een vuurwapen ging.
Kan het feit wettig en overtuigend worden bewezen?
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie is vereist dat de verdachte een wapen bewust aanwezig heeft gehad.
De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van de ‘meer of mindere mate van bewustheid’ geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of tot de exacte locatie van dat wapen. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte die bewustheid heeft gehad.
Verder is vereist dat de verdachte feitelijke macht over het wapen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden.
Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden en de hiervoor aangehaalde verklaring van verdachte, dat hij het bewuste tasje heeft opgehaald om het voor iemand te bewaren, daarvoor een bepaald geldbedrag heeft ontvangen en een vermoeden had dat het om een vuurwapen ging, is de rechtbank van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in het tasje een vuurwapen zat, in dit geval een omgebouwde alarmrevolver. Verdachte heeft aldus voorwaardelijk opzet gehad op het voorhanden hebben van een vuurwapen. Met het bewaren van het tasje in de kast op zijn slaapkamer had verdachte de beschikkingsmacht over het wapen.
De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een vuurwapen, zoals ten laste is gelegd, voorhanden heeft gehad.
Ten aanzien van feit 2
In het hiervoor onder feit 1 genoemde tasje werden naast het vuurwapen plastic zakjes met roze pillen aangetroffen. Deze pillen zijn door de politie positief getest op aanwezigheid van stoffen vermeld op lijst I van de Opiumwet.
De uitgevoerde test betreft een indicatieve test. Een indicatieve test is naar zijn aard indicatief en niet concluderend en hiermee in beginsel onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. In het dossier bevinden zich verder geen andere bewijsmiddelen op basis waarvan de rechtbank kan vaststellen dat de aangetroffen pillen opiaten zouden zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.op 28 mei 2024 te [plaats] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwde alarmrevolver, van het merk BBM (Bruni), typeOlympic 38, kaliber .22 Long Rifle, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolvervoorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 76 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar. Hij vordert daarnaast aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 180 uur. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak, de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht twee keer van toepassing is en dat verdachte openheid van zaken heeft gegeven.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de door de officier van justitie gevorderde straf fors en niet passend is. Zij vindt het passender om aan verdachte een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, te weten 16 dagen, en een taakstraf voor de duur van 180 uur op te leggen. In dit kader moet volgens haar worden meegewogen dat sprake is van tijdsverloop, dat verdachte in deze zaak al ruim twee jaar in een schorsingstoezicht loopt en zich in dat kader aan alle gestelde voorwaarden moet houden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en het positieve advies van de reclassering, waaruit duidelijk volgt waarom er geen gevangenisstraf moet worden opgelegd. Het opleggen van een gevangenisstraf is niet in het belang van verdachte en ook niet in het belang van de maatschappij. Tot slot is sprake van een lopend reclasseringstoezicht in een andere zaak en is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en de ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen dat voor gebruik geschikt bleek te zijn. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van anderen met zich mee, waartegen moet worden opgetreden.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte van 16 juni 2026, waaruit blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en hem dat er niet van heeft weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen. Bovendien heeft verdachte zich tijdens het schorsingstoezicht in deze zaak opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten.
De rechtbank stelt vast dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht twee keer van toepassing is.
De rechtbank slaat acht op het rapport van de reclassering van 18 juni 2026. De reclassering heeft geconcludeerd dat de risico’s op recidive, op letsel en op onttrekking aan voorwaarden als gemiddeld worden geschat.
Geadviseerd is bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, gelet op het langdurige schorsingstoezicht in deze zaak en het huidig lopende toezicht in een andere zaak met als einddatum 26 februari 2028. Een gevangenisstraf is gelet op de positieve ontwikkeling die onlangs in gang is gezet niet wenselijk. Door een gevangenisstraf zal behandeling, die juist in het belang is in het kader van risicobeperking, stagneren. Een taakstraf wordt uitvoerbaar geacht.
Straf
Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank – naast alles wat hiervoor is overwogen – rekening met het tijdsverloop in deze zaak.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 76 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf voor de duur van 80 uur passend en geboden is. Verdachte hoeft dan ook niet terug naar de gevangenis. De deels voorwaardelijke gevangenisstraf vormt een stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (dergelijke) strafbare feiten te plegen.
7De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 1: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 76 (zesenzeventig) dagen, waarvan 60 (zestig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter, mr. L.W. Boogert en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Huwae, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 augustus 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1.hij op of omstreeks 28 mei 2024 te [plaats]een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, teweten een omgebouwd gas- of alarmpistool, van het merk BBM (Bruni), typeOlympic 38, kaliber .22 Long Riflezijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistoolvoorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
2.hij op of omstreeks 28 mei 2024 te [plaats]opzettelijkaanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij deOpiumwet behorende lijst I,dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )