Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7473

2026-07-10 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/448699 / JE RK 26-930
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-10
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/448699 / JE RK 26-930
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging OTS en verlenging MUHP. Perspectiefbeslissing over minderjarige.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.973 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/448699 / JE RK 26-930
Datum uitspraak: 10 juli 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van



de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,





[pleegouder 1] en [pleegouder 2],
hierna te noemen de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.



Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 mei 2026;


de oproep van de moeder in de Staatscourant van 2 juli 2026;


de door de GI ingediende brief van de Raad van 9 juni 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de GI;


de pleegouders,


een vertegenwoordiger van de Raad.


De moeder is, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen.


1.3.
Op de zitting is gelijktijdig behandeld het verzoek van de GI tot vervangende toestemming voor het verkrijgen van een reisdocument voor [minderjarige] (kenmerk C/02/448885 / JE RK 26/974). In die zaak is een afzonderlijke beslissing genomen.





2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].



2.2.

[minderjarige] verblijft in het pleeggezin bij de pleegouders.



2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 juli 2025 de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 14 juli 2025 tot 14 juli 2026.





3Het verzoek


3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarnaast verzoekt de GI om een beslissing te nemen over het perspectiefbesluit.






4De beoordeling


4.1.

De moeder en [minderjarige] hebben de Poolse nationaliteit. Dit maakt
dat de zaak een internationaal karakter heeft, dat een beoordeling van de rechtsmacht van de
Nederlandse rechter vraagt. Na dit ambtshalve te hebben onderzocht is de kinderrechter van
oordeel dat de Nederlandse rechter hierin rechtsmacht heeft, omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] bij de pleegouders in Nederland gelegen is. Gelet op dit laatste feit is Nederlands recht op het verzoek van toepassing.




4.2.
Uit de door de GI overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is de kinderrechter het volgende gebleken. [minderjarige] verblijft al vrijwel heel haar leven bij de pleegouders. Zij is daar geplaatst toen zij twee dagen oud was. Tussen [minderjarige] en de moeder heeft sindsdien slechts tweemaal begeleid contact plaatsgevonden. Op alle andere afspraken, waaronder recent de beeldbelafspraken, is moeder niet verschenen, soms met voorafgaande afzegging door haar. De GI heeft sinds de uithuisplaatsing van [minderjarige] getracht hulpverlening in te zetten voor de moeder, waaronder een plaatsing in een moeder-kindhuis. De moeder heeft deze hulpverlening geweigerd. De zorgen over het gedrag en het functioneren van de moeder zijn niet weggenomen, maar juist bevestigd door haar handelen in de afgelopen jaren. Er is sprake van een patroon dat bij het moeder ontbreekt aan stabiliteit, voorspelbaarheid en beschikbaarheid. De moeder verdwijnt met regelmaat van de radar. Zij verbleef zonder vaste woon- en verblijfplaats in Nederland, heeft in Polen verbleven en zou (naar eigen zeggen) eind vorig jaar met haar partner in Duitsland gaan verblijven. Inmiddels kan de GI al enkele maanden niet meer in contact met de moeder komen. De moeder kan in deze situatie niet aan [minderjarige] een veilig en stabiele opvoedingsomgeving bieden. Daarnaast ontbreekt het aan zicht op haar opvoedvaardigheden. In september 2025 heeft de GI besloten dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder ligt. De GI heeft toen dit besluit in persoon aan de moeder verteld. De moeder heeft in reactie daarop tegen de GI gezegd dat zij op dat moment niet in staat was voor [minderjarige] te zorgen, omdat zij dakloos en werkloos was, maar dat zij de zorg over haar weer op zich wil nemen als zij een woning en werk heeft. De GI zal bij de Raad een verzoek indienen om onderzoek te doen naar de beëindiging van het gezag van de moeder. [minderjarige] verblijft in een perspectiefbiedend pleeggezin. De pleegouders hebben aangegeven dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt. Zij vertoont leeftijdsadequaat gedrag en er is sprake van een hechtingsrelatie tussen [minderjarige] en de pleegouders.



4.3.
Gezien het voorgaand is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan en dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. [minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd, omdat de moeder niet in staat is voor haar te zorgen en zelfs niet in staat is met regelmaat contact met haar te onderhouden. Ook de Raad heeft aangegeven dat verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing op dit moment het meest passend is. Het door de GI nog te initiëren onderzoek naar de beëindiging van het gezag van de moeder zal maanden in beslag nemen.



4.4.
De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van een jaar.



4.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.



4.6.
De kinderrechter zal het door de GI genomen perspectiefbesluit, dat [minderjarige] niet bij de moeder maar bij de pleegouders verder zal opgroeien, bevestigen. Normaal gesproken zou de kinderrechter eerst onderzoek naar het perspectief van een minderjarige laten uitvoeren door de Raad. De kinderrechter acht een dergelijk onderzoek echter in dit geval niet nodig, omdat de kinderrechter voldoende informatie heeft om daarover een beslissing te nemen, zoals ook door de Raad aangegeven. De aanvaardbare termijn is voor [minderjarige] verstreken. [minderjarige] woont al ruim drie jaar bij de pleegouders en de moeder heeft in die jaren maar twee keer contact met [minderjarige] gehad, terwijl de moeder tal van mogelijkheden hiertoe zijn geboden door de GI en de hulpverlening. De moeder heeft de aangeboden hulpverlening, die noodzakelijk was om aan [minderjarige] een stabiele en voorspelbare opvoedomgeving te kunnen gaan bieden, niet geaccepteerd. Op dit moment is de moeder al maanden niet meer in contact met de GI en is de GI ook niet bekend waar de moeder verblijft. Er is op de korte en op de lange termijn daarom geen verbetering te verwachten in deze situatie. [minderjarige] kent haar moeder niet of nauwelijks. Zij is gehecht aan haar pleegouders. De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat zij duidelijkheid krijgt dat zij bij de pleegouders zal blijven wonen en daar mag opgroeien.





5De beslissing


De kinderrechter:



5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 14 juli 2026 tot 14 juli 2027;



5.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 14 juli 2026 tot 14 juli 2027;


5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 24 juli 2026.












































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:260 BW.


Artikel 1:265c, tweede lid, BW.