Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7460
2026-07-10
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/446682 / FA RK 26-1681
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vernietiging erkenning. Doordat de erkenning welbewust en welgemeend is gedaan door de juridische vader, is hij niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Toewijzing zelfstandig verzoek van bijzondere curator.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.886 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/446682 / FA RK 26-1681
Datum uitspraak: 10 juli 2026
Beschikking over vernietiging erkenning
in de zaak van
[de juridische vader]
,
hierna te noemen: de juridische vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. W.G. Dictus uit Oudenbosch , tijdens de zitting vertegenwoordigd door mr. M. Kranenburg uit Roosendaal,
over de minderjarige
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
vertegenwoordigd door:
mr. J.M.G. COX, advocaat in Tilburg, als bijzondere curator over [minderjarige] ,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 2] .
1Het verdere procesverloop
1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
de in deze zaak gegeven beschikking van de rechtbank van 17 april 2026 en alle daarin genoemde stukken;
het rapport en advies van 27 mei 2026 van de bijzondere curator.
1.2.
Op 7 juli 2026 heeft de rechtbank het verzoek, met gesloten deuren, mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting zijn verschenen en gehoord:
de juridische vader, bijgestaan door mr. Kranenburg;
de moeder;
de bijzondere curator.
1.3.
[minderjarige] heeft, gezien haar leeftijd, het recht om haar mening in deze zaak te geven. [minderjarige] is daarom uitgenodigd om haar mening schriftelijk of tijdens een gesprek met de kinderrechter te geven. [minderjarige] heeft de antwoordbrief teruggestuurd en daarop aangekruist dat zij geen behoefte heeft om haar mening te delen met de kinderrechter.
2De nadere beoordeling
2.1.
De rechtbank verwijst naar de inhoud van voormelde, in deze zaak gegeven beschikking van 17 april 2026. Hierbij heeft de rechtbank mr. Cox benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] . De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht om een onderzoek in te stellen naar het in deze zaak voorliggende verzoek en, naar aanleiding daarvan, schriftelijk te rapporteren en een standpunt over het verzoek in te nemen.
2.2.
Aan de orde is het verzoek van de juridische vader tot vernietiging van de erkenning door de juridische vader van [minderjarige] .
2.3.
Op grond van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, stelt de rechtbank de volgende feiten vast:
De juridische vader en de moeder hebben een relatie met elkaar gehad. [minderjarige] is voorafgaand aan deze relatie geboren op [geboortedag] 2017.
Op 30 augustus 2018 heeft de juridische vader, met toestemming van de moeder, [minderjarige] erkend. Dit blijkt uit de overgelegde geboorteakte van [minderjarige] en de daarbij horende latere vermelding betreffende erkenning.
Op 6 september 2018 hebben de juridische vader en de moeder in het gezagsregister laten aantekenen dat zij vanaf dat moment gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2022 is het gezamenlijk ouderlijk gezag van de juridische vader en de moeder over [minderjarige] beëindigd en is bepaald dat de moeder vanaf dat moment met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] is belast. Deze gezagssituatie is nadien niet meer gewijzigd, waardoor de moeder nu nog steeds is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder.
De juridische vader, de moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en zij wonen en hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland.
Het verzoek van de juridische vader
2.4.
Namens en door de juridische vader is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. [minderjarige] is voorafgaand aan de relatie tussen de juridische vader en de moeder geboren, dus uit een eerdere relatie van de moeder met een andere man. Op 30 augustus 2018 heeft de juridische vader, met toestemming van de moeder, naar eigen zeggen [minderjarige] uit medeleven erkend. De juridische vader en de moeder wisten weliswaar op dat moment dat de juridische vader niet de biologische vader van [minderjarige] is, maar zij vonden het op dat moment jammer dat er geen biologische vader vermeld stond op de geboorteakte van [minderjarige] . Medio 2019 is de relatie van de juridische vader en de moeder verbroken. Vanaf dat moment hebben de juridische vader en [minderjarige] geen contact meer met elkaar gehad. De biologische vader van [minderjarige] is sinds kort weer in beeld in het leven van de moeder (en [minderjarige] ). De juridische vader vindt het voor [minderjarige] van belang dat duidelijk wordt dat hij niet haar biologische vader is en dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. De juridische vader vindt het daarom belangrijk dat zijn erkenning van [minderjarige] wordt vernietigd.
2.5.
De juridische vader stelt zich op het standpunt dat zijn verzoek, met het oog op het bepaalde in artikel 1:205, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarschijnlijk niet toewijsbaar is, omdat de erkenning welbewust en welgemeend en dus niet onder invloed van bedreiging, dwaling of bedrog tot stand gekomen is. De juridische vader verzoekt daarom aan de bijzondere curator om zijn verzoek “over te nemen” en namens [minderjarige] een gelijkluidend verzoek in te dienen.
Het standpunt van de bijzondere curator alsmede haar zelfstandig verzoek
2.6.
De bijzondere curator heeft in haar verslag en tijdens de zitting, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De bijzondere curator stelt dat uit de gesprekken die zij met de juridische vader en de moeder heeft gevoerd naar voren is gekomen dat de juridische vader en de moeder elkaar pas na de geboorte van [minderjarige] hebben leren kennen. [minderjarige] is geboren uit een eerdere relatie van de moeder met een andere man. Bij de juridische vader en de moeder bestaat dan ook geen enkele twijfel dat de juridische vader niet de biologische vader van [minderjarige] is. De bijzondere curator vindt dat daarmee voldoende is aangetoond dat de juridische vader niet de biologische vader van [minderjarige] is, waardoor een DNA-onderzoek naar haar mening niet nodig is om dit vast te stellen. De bijzondere curator stelt zich ook op het standpunt dat het verzoek van de juridische vader, met het oog op het bepaalde in artikel 1:205, eerste lid BW, niet toewijsbaar is.
2.7.
De bijzondere curator stelt dat verder uit de gesprekken is gebleken dat [minderjarige] weet dat de juridische vader niet haar biologische vader is. Aangezien zij sinds medio 2019 geen contact met elkaar hebben gehad, kent [minderjarige] de juridische vader niet en bestaat er geen emotionele band tussen hen. De juridische vader is al enige tijd niet meer belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] en hij draagt niet bij in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . [minderjarige] heeft wat dat betreft dan ook niets meer van de juridische vader als ouder te verwachten. De bijzondere curator is, gezien het voorgaande, van mening dat het in het belang van [minderjarige] te achten is dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. De bijzondere curator ziet geen aanleiding om hiermee te wachten totdat [minderjarige] ouder is en zij hier zelf een standpunt over kan innemen. De bijzondere curator heeft daarom bij wijze van zelfstandig verzoek, namens [minderjarige] , verzocht om de erkenning door de juridische vader van [minderjarige] te vernietigen.
2.8.
De bijzondere curator heeft tot slot aangegeven, hoewel dit onderwerp in deze procedure niet aan de rechtbank voorligt, dat zij het met het oog op de belangen van [minderjarige] betreurenswaardig vindt dat [minderjarige] op dit moment geen contact heeft met haar biologische vader. De bijzondere curator vindt het van belang om dit aan de moeder mee te geven.
Het standpunt van de moeder
2.9.
De moeder heeft, samengevat, aangegeven dat zij een goed gesprek heeft gevoerd met de bijzondere curator en dat zij instemt met het zelfstandige verzoek van de bijzondere curator tot vernietiging van de erkenning door de juridische vader van [minderjarige] .
Vernietiging erkenning op verzoek van de juridische vader
2.10.
In artikel 1:205, eerste lid, sub b BW staat dat een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, door de erkenner (in dit geval de juridische vader) kan worden ingediend indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen.
Uit het derde lid van voormeld artikel volgt dat in geval van bedreiging of misbruik van omstandigheden, het verzoek door de erkenner of door de moeder niet later wordt ingediend dan een jaar nadat deze invloed heeft opgehouden te werken en, in geval van bedrog of dwaling, binnen een jaar nadat de verzoeker het bedrog of de dwaling heeft ontdekt.
2.11.
De rechtbank overweegt, gezien de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, als volgt. De juridische vader heeft [minderjarige] , met de toestemming van de moeder, op 30 augustus 2018 erkend terwijl hij op dat moment wist dat hij niet de biologische vader van [minderjarige] is. De juridische vader heeft de erkenning van [minderjarige] welbewust en welgemeend en dus niet onder invloed van bedreiging, dwaling of bedrog gedaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de juridische vader niet kan worden ontvangen in zijn verzoek. De rechtbank zal de juridische vader daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.
Vernietiging erkenning op verzoek van het kind
2.12.
In artikel 1:205, eerste lid, sub a BW staat dat een verzoek tot vernietiging van een erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader is van het kind, kan worden ingediend door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens de meerderjarigheid heeft plaatsgevonden.
In het vierde lid van dit artikel staat dat het verzoek door het kind wordt ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de juridische vader vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.
2.13.
Nu de bijzondere curator het verzoek namens [minderjarige] heeft ingediend terwijl [minderjarige] nog minderjarig is, stelt de rechtbank vast dat het verzoek tijdig is ingediend en dat [minderjarige] om die reden kan worden ontvangen in haar zelfstandige verzoek tot vernietiging erkenning.
2.14.
Tussen de juridische vader en de moeder is niet in geschil dat de juridische vader niet de biologische vader van [minderjarige] is. Uitgaande van de stellingen van de juridische vader en de moeder is [minderjarige] uit een eerdere relatie van de moeder met een andere man geboren. Op het moment dat de juridische vader en de moeder elkaar leerden kennen, was [minderjarige] dus al geboren. Gelet hierop acht de rechtbank, evenals de juridische vader en de bijzondere curator, het voldoende aangetoond dat de juridische vader niet de biologische vader van [minderjarige] is. De rechtbank acht het bovendien in het belang van de verdere identiteitsontwikkeling van [minderjarige] dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid, in die zin dat de familierechtelijke band tussen de juridische vader en [minderjarige] wordt verbroken. Zij hebben namelijk al langere tijd geen contact meer met elkaar gehad en voldoende gebleken is dat [minderjarige] niets meer van de juridische vader als vaderfiguur te verwachten heeft.
2.15.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet alleen wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor vernietiging van de erkenning van [minderjarige] , maar dat deze vernietiging ook in het belang van [minderjarige] moet worden geacht. De rechtbank zal het zelfstandige verzoek dat de bijzondere curator namens [minderjarige] heeft ingediend, daarom toewijzen en de erkenning door de juridische vader van [minderjarige] vernietigen.
Toesturen van de beschikking aan de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand
2.16.
De rechtbank zal bepalen dat de griffier van deze rechtbank, wanneer de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, oftewel wanneer de termijn voor het instellen van een hoger beroep tegen die beslissing is verstreken, een afschrift van deze beschikking zal toesturen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente waar [minderjarige] is geboren, in dit geval de gemeente Capelle aan den IJssel, om daarin aantekening te doen van deze beschikking.
Beëindiging taak van de bijzondere curator
2.17.
Nu de rechtbank een eindbeslissing zal nemen in deze zaak, beschouwt zij de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd. Indien er een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen de beslissing in deze zaak, oftewel als er een hoger beroep wordt ingesteld tegen die beslissing, dan zal de taak van de bijzondere curator herleven.
Verdeling proceskosten
2.18.
Gelet op de aard van deze procedure zullen de proceskosten tussen partijen worden verdeeld, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3De beslissing
De rechtbank:
3.1.
verklaart de juridische vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
3.2.
vernietigt de erkenning van de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats 1] , door de heer [de juridische vader] , geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats 2] ;
3.3.
bepaalt dat de griffier van de rechtbank, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente Capelle aan den IJssel om daarin aantekening te doen van deze beschikking;
3.4.
beschouwt de taak van de bijzondere curator in deze procedure in eerste aanleg als beëindigd;
3.5.
verdeelt de kosten van partijen in deze procedure tussen hen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 door mr. Van Leuven, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. Wallerbos als griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/446682 / FA RK 26-1681
Datum uitspraak: 10 juli 2026
Beschikking over vernietiging erkenning
in de zaak van
[de juridische vader]
,
hierna te noemen: de juridische vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. W.G. Dictus uit Oudenbosch , tijdens de zitting vertegenwoordigd door mr. M. Kranenburg uit Roosendaal,
over de minderjarige
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
vertegenwoordigd door:
mr. J.M.G. COX, advocaat in Tilburg, als bijzondere curator over [minderjarige] ,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
De rechtbank merkt in deze zaak als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 2] .
1Het verdere procesverloop
1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
de in deze zaak gegeven beschikking van de rechtbank van 17 april 2026 en alle daarin genoemde stukken;
het rapport en advies van 27 mei 2026 van de bijzondere curator.
1.2.
Op 7 juli 2026 heeft de rechtbank het verzoek, met gesloten deuren, mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting zijn verschenen en gehoord:
de juridische vader, bijgestaan door mr. Kranenburg;
de moeder;
de bijzondere curator.
1.3.
[minderjarige] heeft, gezien haar leeftijd, het recht om haar mening in deze zaak te geven. [minderjarige] is daarom uitgenodigd om haar mening schriftelijk of tijdens een gesprek met de kinderrechter te geven. [minderjarige] heeft de antwoordbrief teruggestuurd en daarop aangekruist dat zij geen behoefte heeft om haar mening te delen met de kinderrechter.
2De nadere beoordeling
2.1.
De rechtbank verwijst naar de inhoud van voormelde, in deze zaak gegeven beschikking van 17 april 2026. Hierbij heeft de rechtbank mr. Cox benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] . De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht om een onderzoek in te stellen naar het in deze zaak voorliggende verzoek en, naar aanleiding daarvan, schriftelijk te rapporteren en een standpunt over het verzoek in te nemen.
2.2.
Aan de orde is het verzoek van de juridische vader tot vernietiging van de erkenning door de juridische vader van [minderjarige] .
2.3.
Op grond van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, stelt de rechtbank de volgende feiten vast:
De juridische vader en de moeder hebben een relatie met elkaar gehad. [minderjarige] is voorafgaand aan deze relatie geboren op [geboortedag] 2017.
Op 30 augustus 2018 heeft de juridische vader, met toestemming van de moeder, [minderjarige] erkend. Dit blijkt uit de overgelegde geboorteakte van [minderjarige] en de daarbij horende latere vermelding betreffende erkenning.
Op 6 september 2018 hebben de juridische vader en de moeder in het gezagsregister laten aantekenen dat zij vanaf dat moment gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2022 is het gezamenlijk ouderlijk gezag van de juridische vader en de moeder over [minderjarige] beëindigd en is bepaald dat de moeder vanaf dat moment met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] is belast. Deze gezagssituatie is nadien niet meer gewijzigd, waardoor de moeder nu nog steeds is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder.
De juridische vader, de moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en zij wonen en hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland.
Het verzoek van de juridische vader
2.4.
Namens en door de juridische vader is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. [minderjarige] is voorafgaand aan de relatie tussen de juridische vader en de moeder geboren, dus uit een eerdere relatie van de moeder met een andere man. Op 30 augustus 2018 heeft de juridische vader, met toestemming van de moeder, naar eigen zeggen [minderjarige] uit medeleven erkend. De juridische vader en de moeder wisten weliswaar op dat moment dat de juridische vader niet de biologische vader van [minderjarige] is, maar zij vonden het op dat moment jammer dat er geen biologische vader vermeld stond op de geboorteakte van [minderjarige] . Medio 2019 is de relatie van de juridische vader en de moeder verbroken. Vanaf dat moment hebben de juridische vader en [minderjarige] geen contact meer met elkaar gehad. De biologische vader van [minderjarige] is sinds kort weer in beeld in het leven van de moeder (en [minderjarige] ). De juridische vader vindt het voor [minderjarige] van belang dat duidelijk wordt dat hij niet haar biologische vader is en dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. De juridische vader vindt het daarom belangrijk dat zijn erkenning van [minderjarige] wordt vernietigd.
2.5.
De juridische vader stelt zich op het standpunt dat zijn verzoek, met het oog op het bepaalde in artikel 1:205, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarschijnlijk niet toewijsbaar is, omdat de erkenning welbewust en welgemeend en dus niet onder invloed van bedreiging, dwaling of bedrog tot stand gekomen is. De juridische vader verzoekt daarom aan de bijzondere curator om zijn verzoek “over te nemen” en namens [minderjarige] een gelijkluidend verzoek in te dienen.
Het standpunt van de bijzondere curator alsmede haar zelfstandig verzoek
2.6.
De bijzondere curator heeft in haar verslag en tijdens de zitting, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De bijzondere curator stelt dat uit de gesprekken die zij met de juridische vader en de moeder heeft gevoerd naar voren is gekomen dat de juridische vader en de moeder elkaar pas na de geboorte van [minderjarige] hebben leren kennen. [minderjarige] is geboren uit een eerdere relatie van de moeder met een andere man. Bij de juridische vader en de moeder bestaat dan ook geen enkele twijfel dat de juridische vader niet de biologische vader van [minderjarige] is. De bijzondere curator vindt dat daarmee voldoende is aangetoond dat de juridische vader niet de biologische vader van [minderjarige] is, waardoor een DNA-onderzoek naar haar mening niet nodig is om dit vast te stellen. De bijzondere curator stelt zich ook op het standpunt dat het verzoek van de juridische vader, met het oog op het bepaalde in artikel 1:205, eerste lid BW, niet toewijsbaar is.
2.7.
De bijzondere curator stelt dat verder uit de gesprekken is gebleken dat [minderjarige] weet dat de juridische vader niet haar biologische vader is. Aangezien zij sinds medio 2019 geen contact met elkaar hebben gehad, kent [minderjarige] de juridische vader niet en bestaat er geen emotionele band tussen hen. De juridische vader is al enige tijd niet meer belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] en hij draagt niet bij in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . [minderjarige] heeft wat dat betreft dan ook niets meer van de juridische vader als ouder te verwachten. De bijzondere curator is, gezien het voorgaande, van mening dat het in het belang van [minderjarige] te achten is dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. De bijzondere curator ziet geen aanleiding om hiermee te wachten totdat [minderjarige] ouder is en zij hier zelf een standpunt over kan innemen. De bijzondere curator heeft daarom bij wijze van zelfstandig verzoek, namens [minderjarige] , verzocht om de erkenning door de juridische vader van [minderjarige] te vernietigen.
2.8.
De bijzondere curator heeft tot slot aangegeven, hoewel dit onderwerp in deze procedure niet aan de rechtbank voorligt, dat zij het met het oog op de belangen van [minderjarige] betreurenswaardig vindt dat [minderjarige] op dit moment geen contact heeft met haar biologische vader. De bijzondere curator vindt het van belang om dit aan de moeder mee te geven.
Het standpunt van de moeder
2.9.
De moeder heeft, samengevat, aangegeven dat zij een goed gesprek heeft gevoerd met de bijzondere curator en dat zij instemt met het zelfstandige verzoek van de bijzondere curator tot vernietiging van de erkenning door de juridische vader van [minderjarige] .
Vernietiging erkenning op verzoek van de juridische vader
2.10.
In artikel 1:205, eerste lid, sub b BW staat dat een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, door de erkenner (in dit geval de juridische vader) kan worden ingediend indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen.
Uit het derde lid van voormeld artikel volgt dat in geval van bedreiging of misbruik van omstandigheden, het verzoek door de erkenner of door de moeder niet later wordt ingediend dan een jaar nadat deze invloed heeft opgehouden te werken en, in geval van bedrog of dwaling, binnen een jaar nadat de verzoeker het bedrog of de dwaling heeft ontdekt.
2.11.
De rechtbank overweegt, gezien de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, als volgt. De juridische vader heeft [minderjarige] , met de toestemming van de moeder, op 30 augustus 2018 erkend terwijl hij op dat moment wist dat hij niet de biologische vader van [minderjarige] is. De juridische vader heeft de erkenning van [minderjarige] welbewust en welgemeend en dus niet onder invloed van bedreiging, dwaling of bedrog gedaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de juridische vader niet kan worden ontvangen in zijn verzoek. De rechtbank zal de juridische vader daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.
Vernietiging erkenning op verzoek van het kind
2.12.
In artikel 1:205, eerste lid, sub a BW staat dat een verzoek tot vernietiging van een erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader is van het kind, kan worden ingediend door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens de meerderjarigheid heeft plaatsgevonden.
In het vierde lid van dit artikel staat dat het verzoek door het kind wordt ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de juridische vader vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.
2.13.
Nu de bijzondere curator het verzoek namens [minderjarige] heeft ingediend terwijl [minderjarige] nog minderjarig is, stelt de rechtbank vast dat het verzoek tijdig is ingediend en dat [minderjarige] om die reden kan worden ontvangen in haar zelfstandige verzoek tot vernietiging erkenning.
2.14.
Tussen de juridische vader en de moeder is niet in geschil dat de juridische vader niet de biologische vader van [minderjarige] is. Uitgaande van de stellingen van de juridische vader en de moeder is [minderjarige] uit een eerdere relatie van de moeder met een andere man geboren. Op het moment dat de juridische vader en de moeder elkaar leerden kennen, was [minderjarige] dus al geboren. Gelet hierop acht de rechtbank, evenals de juridische vader en de bijzondere curator, het voldoende aangetoond dat de juridische vader niet de biologische vader van [minderjarige] is. De rechtbank acht het bovendien in het belang van de verdere identiteitsontwikkeling van [minderjarige] dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid, in die zin dat de familierechtelijke band tussen de juridische vader en [minderjarige] wordt verbroken. Zij hebben namelijk al langere tijd geen contact meer met elkaar gehad en voldoende gebleken is dat [minderjarige] niets meer van de juridische vader als vaderfiguur te verwachten heeft.
2.15.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet alleen wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor vernietiging van de erkenning van [minderjarige] , maar dat deze vernietiging ook in het belang van [minderjarige] moet worden geacht. De rechtbank zal het zelfstandige verzoek dat de bijzondere curator namens [minderjarige] heeft ingediend, daarom toewijzen en de erkenning door de juridische vader van [minderjarige] vernietigen.
Toesturen van de beschikking aan de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand
2.16.
De rechtbank zal bepalen dat de griffier van deze rechtbank, wanneer de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, oftewel wanneer de termijn voor het instellen van een hoger beroep tegen die beslissing is verstreken, een afschrift van deze beschikking zal toesturen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente waar [minderjarige] is geboren, in dit geval de gemeente Capelle aan den IJssel, om daarin aantekening te doen van deze beschikking.
Beëindiging taak van de bijzondere curator
2.17.
Nu de rechtbank een eindbeslissing zal nemen in deze zaak, beschouwt zij de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd. Indien er een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen de beslissing in deze zaak, oftewel als er een hoger beroep wordt ingesteld tegen die beslissing, dan zal de taak van de bijzondere curator herleven.
Verdeling proceskosten
2.18.
Gelet op de aard van deze procedure zullen de proceskosten tussen partijen worden verdeeld, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3De beslissing
De rechtbank:
3.1.
verklaart de juridische vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
3.2.
vernietigt de erkenning van de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats 1] , door de heer [de juridische vader] , geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats 2] ;
3.3.
bepaalt dat de griffier van de rechtbank, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente Capelle aan den IJssel om daarin aantekening te doen van deze beschikking;
3.4.
beschouwt de taak van de bijzondere curator in deze procedure in eerste aanleg als beëindigd;
3.5.
verdeelt de kosten van partijen in deze procedure tussen hen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 door mr. Van Leuven, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. Wallerbos als griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.