Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7459
2026-07-10
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/444341 FA RK 26-400
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wijziging zorgregeling; kindbrief. Wijziging Kal; afwijzing verzoek voor kind dat na zitting maar voor uitspraak meerderjarig is geworden; geen acht geslagen op machtiging. Verzoek verrekening/vergoeding verblijfsoverstijgende kosten afgewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2002:AD6631 Hoge Raad 01-02-2002
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (34.355 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/444341 FA RK 26-400
10 juli 2026
beschikking betreffende hoofdverblijf, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 1],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. B. Krijnen,
en
[de man]
,
wonende te [woonplaats 2],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. L.M. Bakker.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 23 januari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen (producties 1 t/m 11);
- het op 16 april 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen (producties 1 t/m 8);
- de brief van mr. Krijnen van 8 juni 2026 met bijlagen (producties 12 t/m 18);
- de brief van mr. Bakker van 10 juni 2026, tevens houdende gewijzigd zelfstandig verzoek, met bijlage (productie 9);
- de beschikkingen van deze rechtbank van 29 augustus 2014, met aangehecht het convenant en ouderschapsplan, en van 15 maart 2022.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 12 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.
1.3 Na te noemen kinderen zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben op 4 juni 2026 met de rechter gesproken.
2De feiten
2.1
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2008 tot [datum 2] 2014;
- voorafgaand en tijdens hun huwelijk zijn de volgende kinderen geboren:
1. [kind 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2008 (hierna: [kind 1]), welk kind na de zitting, maar voor deze beschikking meerderjarig is geworden;
2. [kind 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2010 (hierna: [kind 2]), welk kind minderjarig is;
- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen tijdens hun minderjarigheid;
- in het ouderschapsplan, gehecht aan de beschikking van 29 augustus 2014, hebben partijen afgesproken dat [kind 1] staat ingeschreven bij de vrouw en dat [kind 2] staat ingeschreven bij de man;
- in genoemd ouderschapsplan hebben partijen ook afspraken gemaakt over de zorgregeling (co-ouderschap). Op een later moment hebben partijen andere afspraken gemaakt over de invulling van de zorgregeling, welke bij beschikking van 15 maart 2022 zijn vastgelegd;
- ten slotte hebben partijen in genoemd ouderschapsplan afspraken gemaakt over de kosten van de kinderen.
3De verzoeken
De vrouw verzoekt, samengevat:
wijziging van het hoofdverblijf van [kind 2];
wijziging van de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [kind 1] en [kind 2];
wijziging van de regeling over de kosten van [kind 1] en [kind 2] in die zin dat de door de man te betalen bijdrage met ingang van 17 november 2025 nader wordt vastgesteld op
€ 200,= per maand per kind;
De man verzoekt, samengevat,
wijziging van de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [kind 1] en [kind 2];
wijziging van de regeling terzake de verdeling van de kosten van [kind 1] en [kind 2] en te bepalen dat de vrouw met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum aan de man een bijdrage zal betalen in de kosten van [kind 2] van € 115,= per maand.
4De beoordeling
Hoofdverblijf en zorgregeling
4.1
Omdat [kind 1] inmiddels meerderjarig is geworden, kan de rechtbank ten aanzien van haar geen beslissing meer nemen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Deze verzoeken worden daarom afgewezen.
4.2
Beide partijen verzoeken de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [kind 2] te wijzigen. De vrouw verzoekt te bepalen dat de man en [kind 2] minimaal eenmaal per week contact hebben op een nader in onderling overleg overeen te komen moment. De man verzoekt te bepalen dat [kind 2] elke week van dinsdagavond tot en met woensdagavond en elke week vrijdag tot en met zondag en gedurende de vakanties bij hem zal verblijven.
4.3
Op deze verzoeken zijn de artikelen 1:253a en 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. In artikel 1:253a lid 1 BW staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag, waaronder de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken valt, op verzoek van de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. In artikel 1:377e BW staat dat de rechtbank op verzoek van de ouders een bestaande zorgregeling kan veranderen als de omstandigheden zijn veranderd.
4.4
[kind 2] heeft op 4 juni 2026 met de rechter gesproken. Op de zitting is met partijen gedeeld wat [kind 2] heeft verteld. [kind 2] vond het lastig om met de rechter te gaan praten, omdat hij door de situatie het gevoel had dat hij tussen zijn ouders moest kiezen. Hij is 15 jaar oud en zit in het derde jaar vmbo. [kind 2] verblijft bij beide ouders en regelt zelf wanneer hij bij wie is. Dat vinden zijn ouders allebei goed en zij gaan daar relaxed mee om. Wel vindt hij het lastig dat zijn ouders niet met elkaar praten en dat berichten dan via hem of zijn zus gaan. [kind 2] heeft zijn leven hoofdzakelijk bij zijn moeder in [woonplaats 1], waar ook zijn vrienden wonen, maar hij is ook een deel van de tijd bij zijn vader in [woonplaats 2]. [kind 2] loopt op woensdag stage bij het bedrijf van zijn vader en hij verblijft daarom van dinsdag op woensdag bij hem. In de weekenden is hij ook vaak bij zijn vader, maar hij wil ook de ruimte hebben om in de weekenden in [woonplaats 1] te zijn bij zijn vrienden. De vakanties zijn bij helfte gedeeld. [kind 2] vindt het fijn zoals het nu gaat. Het maakt [kind 2] niet zoveel uit bij wie hij zijn hoofdverblijf heeft.
4.5
Beide partijen vragen wijziging van de zorgregeling waarover partijen in 2022 afspraken hebben gemaakt en die de rechtbank in de beschikking van 15 maart 2022 heeft bekrachtigd. [kind 2] was toen 11 jaar oud. Inmiddels zijn er ruim vier jaren verstreken. [kind 2] gaat inmiddels naar het voortgezet onderwijs en de zorgregeling die in 2022 is afgesproken, wordt al geruime tijd niet onverkort nageleefd. De rechtbank vindt dat er voldoende reden is om te onderzoeken of de nu geldende zorgregeling gewijzigd moet worden.
4.6
Ingevolge artikel 1:253a lid 5 BW moet de rechter eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken. Daarom zijn de rechtbank en de Raad tijdens de zitting met partijen in gesprek gegaan en hebben zij partijen gewezen op hun verantwoordelijkheid als ouders om met elkaar te communiceren en zelf tot afspraken te komen, zonder tussenkomst van de kinderen. Gebleken is dat de standpunten, die partijen gedurende de procedure hebben ingenomen, zijn achterhaald en dat de situatie rond [kind 2] tijdens de procedure is gewijzigd. Op dit moment bekijkt [kind 2] zelf wanneer hij bij ieder van zijn ouders is en daar zijn partijen tevreden mee. Beide partijen hebben aangegeven dat [kind 2] gevolgd moet worden in zijn wens om geen wijziging aan te brengen in de zorgregeling zoals die nu feitelijk loopt. De huidige zorgverdeling houdt in dat [kind 2] rondom zijn stage bij de man verblijft, dat hij geregeld in (een deel van) de weekenden bij de man verblijft, en op de andere dagen bij de vrouw, maar dat hij ook de vrijheid heeft te beslissen om in afwijking daarvan bij de andere ouder te zijn. In de vakanties verblijft [kind 2] ongeveer de helft van de tijd bij ieder van zijn ouders. Beide partijen vinden het belangrijk dat [kind 2] goed contact heeft met de andere ouder en dat de vrijheid en flexibiliteit die hij nu heeft, blijven bestaan. Evenals de Raad onderschrijft de rechtbank dit uitgangspunt en acht dit passend bij de leeftijd van [kind 2]. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank in het belang van [kind 2] bepalen dat hij en zijn ouders recht hebben op contact met elkaar, in te vullen naar de behoefte van [kind 2], in overleg en onder afstemming met zijn ouders. De rechtbank heeft partijen op de zitting meegegeven dat [kind 2] ontlast moet worden en dat het daarom belangrijk is dat zij [kind 2] de ruimte (blijven) geven om vrij tussen zijn ouders te bewegen, dat zij hem niet het gevoel geven dat hij moet kiezen of als boodschapper tussen de ouders moet fungeren en dat zij hem gerust weten te stellen dat niet opnieuw een discussie omtrent de zorgregeling zal oplaaien als [kind 2] zijn eigen keuzes daarin maakt.
4.7
[kind 2] staat (al jarenlang) bij de man ingeschreven. De rechtbank ziet, zeker bij de huidige stand van zaken waarbij [kind 2] ook een groot deel van de tijd bij zijn vader verblijft, geen aanleiding om daar wijziging in te brengen. Het verzoek van de vrouw tot wijziging van het hoofdverblijf van [kind 2] wordt daarom afgewezen. Voor wat betreft de kinderalimentatie staat tussen partijen nog steeds vast dat de vrouw gerechtigd is tot de kinderbijslag en het kindgebonden budget en dat daar rekening mee wordt gehouden bij de berekening van kinderalimentatie. Dit blijft aldus ongewijzigd.
4.8
[kind 2] heeft aangegeven per brief te willen horen wat er in deze procedure wordt beslist ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling. Hierna zal de rechter zich daarom tot [kind 2] richten. Deze tekst zal worden overgenomen in een brief, die naar [kind 2] wordt gestuurd.
“Beste [kind 2],
Op 4 juni 2026 heb ik met je gesproken. Je hebt me verteld dat je bij beide ouders verblijft en zelf regelt wanneer je bij welke ouder bent. Jouw ouders vinden dat goed en gaan daar relaxed mee om. Omdat het goed loopt, wil je het graag zo houden. Je vindt het wel belangrijk dat je de ruimte hebt om in de weekenden ook bij je vrienden in [woonplaats 1] te kunnen zijn. Het maakt je niet zoveel uit bij wie van je ouders je hoofdverblijf is (dat wil zeggen: bij wie je staat ingeschreven).
We hebben toen afgesproken dat ik je met deze brief laat weten hoe het na ons gesprek verder is gegaan en wat ik heb beslist.
Op 12 juni 2026 heb ik met je ouders en hun advocaten gesproken. Daar was ook iemand van de Raad voor de Kinderbescherming bij. Die nodigen we uit als het over kinderen gaat, zodat zij advies kunnen geven.
Jouw ouders zijn het erover eens dat jouw wens gevolgd moet worden, namelijk dat er niets wijzigt in hoe het nu loopt. Je bekijkt zelf wanneer je bij ieder van je ouders bent. Op dit moment verblijf je doordeweeks rondom je stage bij je vader. In de weekenden ben je ook vaak bij je vader, maar je hebt ook de vrijheid om te beslissen om tijd in [woonplaats 1] door te brengen en dan bij je moeder te zijn. In de vakanties verblijf je ongeveer de helft van de tijd bij beide ouders. Jouw ouders vinden het allebei belangrijk dat je goed contact hebt met je andere ouder en dat de flexibiliteit die je nu hebt, blijft bestaan. De Raad voor de Kinderbescherming en ik zijn het daarmee eens en vinden dit ook passend bij jouw leeftijd. Ik vind het een goed idee om aan te sluiten bij wat jij zelf wil en daarom beslis ik dat je recht hebt op contact met je beide ouders, in te vullen naar jouw behoefte, in overleg en onder afstemming met je ouders. Dat vraagt van jou dat jij zelf met je ouders afspreekt wanneer je bij wie bent, zeker als je daarin geen vast ritme aanhoudt.
Je staat al heel lang ingeschreven bij je vader. Ik zie geen reden om dat te veranderen. Dat blijft dus ook zoals het nu is.
Ik hoop dat ik hiermee duidelijk heb gemaakt wat ik heb beslist. Ik wens je alle goeds toe voor de toekomst”
Kinderalimentatie
Grondslag van de verzoeken
4.9
Beide partijen verzoeken de regeling omtrent de kosten van de kinderen te wijzigen. Zij voeren als grond voor hun verzoeken aan dat sinds het ouderschapsplan en voormelde beschikking de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de huidige regeling niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
4.10
Partijen hebben in het ouderschapsplan, aangehecht aan de beschikking van 29 augustus 2014, samengevat het volgende afgesproken omtrent de kosten van de kinderen:
- partijen dragen ieder de eigen kosten van inwoning van de kinderen wanneer zij bij hen zijn;
- de overige kosten van de kinderen worden voldaan uit de ontvangen tegemoetkomingen (kinderbijslag, kindgebonden budget en eventuele overige tegemoetkomingen) en voor zover deze kosten hieruit niet kunnen worden voldaan, worden deze door partijen voldaan in de verhouding 60% (man) / 40% (vrouw).
Daarnaast hebben partijen in onderling overleg afgesproken dat de man een bepaald bedrag per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw voldoet. Dit zou gaan om een bedrag van
€ 134,= per maand, welk bedrag later is aangepast naar € 155,= per maand.
4.11
Vervolgens is een procedure gevoerd omtrent (wijziging van) de kosten van de kinderen. Bij beschikking van 15 maart 2022 zijn de verzoeken van partijen tot vaststelling/wijziging van een bedrag aan kinderalimentatie afgewezen. De rechtbank kwam tot het oordeel dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de eerdere afspraken hebben opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen omdat de becijferde kinderalimentatie van € 3,72 per maand daarvoor te summier was. Wel is bepaald dat de vrouw gerechtigd is tot het kindgebonden budget inclusief de alleenstaande ouderkop en de kinderbijslag voor beide kinderen.
4.12
Uit de processtukken en de behandeling op de zitting is gebleken dat de feitelijke situatie na de beschikking van 15 maart 2022 als volgt is geweest. Partijen hebben geen uitvoering meer gegeven aan de afspraken uit het ouderschapsplan ten aanzien van de verblijfsoverstijgende kosten. Ook de bijdrage, die de man aan de vrouw betaalde naast de in het ouderschapsplan vastgelegde afspraken, is gestaakt. Daarvoor in de plaats is de man de bijdrage gaan betalen die in genoemde beschikking van 15 maart 2022 is berekend, maar niet is vastgelegd.
4.13
De rechtbank stelt vast dat de man ten tijde van de beschikking van 15 maart 2022 gehuwd was en dat hij als stiefouder onderhoudsplichtig was jegens het kind van zijn echtgenote en dat zijn echtgenote als stiefouder onderhoudsplichtig was voor [kind 2] en [kind 1]. Met die stiefouderlijke onderhoudsverplichtingen heeft de rechtbank toen ook rekening gehouden bij het bepalen van de onderhoudsbijdragen voor [kind 2] en [kind 1]. Het eindigen van het huwelijk van de man betekent het einde van die stiefouderlijke onderhoudsverplichting en levert dan ook per definitie een wijziging van omstandigheden op, die aanleiding vormt om te onderzoeken of de huidige regeling heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Daarnaast is uit het standpunt van de vrouw gebleken dat haar inkomen sinds genoemde beschikking is gestegen, hetgeen eveneens een wijziging van omstandigheden oplevert die mogelijk van invloed is op de hoogte van de onderhoudsbijdrage. De rechtbank zal dan ook een onderzoek doen naar de behoefte van de kinderen aan een bijdrage en de financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen. Daarna zal blijken of deze wijziging als rechtens relevant is aan te merken.
4.14
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Daarbij staat tussen partijen vast dat, hoewel [kind 2] op het adres van de man staat ingeschreven, de vrouw gerechtigd is tot de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor beide kinderen en dat daar rekening mee wordt gehouden bij de berekening van kinderalimentatie. Partijen merken de vrouw aan als de alimentatiegerechtigde ouder. Gelet daarop maakt de rechtbank een berekening uitgaande van de situatie dat de vrouw als alimentatiegerechtigde ouder wordt beschouwd en zij de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen voldoet.
Ingangsdatum
4.15
Op basis van vaste jurisprudentie (HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6631) heeft de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk of de datum waarop de rechter beslist.
Uitgangspunt is dat behoedzaam dient te worden omgegaan met het wijzigen van een onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht, met name in verband met een mogelijke terugbetalingsverplichting. Daar zal in het onderhavige geval niet tot nauwelijks sprake van zijn, gezien de zeer beperkte omvang van de onderhoudsbijdrage die de afgelopen periode is betaald. De rechtbank zal de eventuele wijziging van de regeling ter zake de kosten van de kinderen daarom doen ingaan op 23 januari 2026, zijnde de datum van indiening van het verzoek, nu de man vanaf dat moment rekening kon houden met een mogelijk hogere bijdrage.
4.16
De rechtbank maakt bij de berekening onderscheid in twee periodes: de periode van 23 januari 2026 tot [geboortedag 1]/1 juli 2026 en de periode na 1 juli 2026. Dit houdt verband met het feit dat [kind 1] op [geboortedag 1] 2026 meerderjarig is geworden en de vrouw met ingang van 1 juli 2026 geen kindgebonden budget en kinderbijslag meer voor haar zal ontvangen. Omdat [kind 1] op [geboortedag 1] 2026 18 jaar oud is geworden, berekent de rechtbank de voor haar verschuldigde bijdrage tot [geboortedag 1] 2026 (zie ook hierna in rechtsoverweging 4.24.).
Periode I: 23 januari 2026 tot [geboortedag 1] 2026 ([kind 1])/1 juli 2026 ([kind 2])
4.17
Tussen partijen staat vast dat de behoefte van [kind 1] en [kind 2] in 2022 € 741,62 per maand (ofwel € 370,81 per maand per kind) bedroeg en dat deze behoefte, rekening houdend met de wettelijke indexeringen, in 2026 € 907,22 per maand (ofwel € 453,61 per maand per kind) bedraagt. De rechtbank volgt partijen hierin en gaat uit van een behoefte van – afgerond – € 908,= per maand ofwel € 454,= per maand per kind.
4.18
Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de kinderen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
4.19
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de volgende gegevens. De vrouw heeft volgens de salarisspecificaties een inkomen van € 2.741,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. Uit de specificaties volgt verder dat aan de vrouw met enige regelmaat een in hoogte wisselende vergoeding voor overwerk wordt uitgekeerd. Gelet op de frequentie en de omvang van de bedragen, zoals deze uit de overgelegde specificaties blijken, komt het door de man opgevoerde bedrag aan overwerk ter hoogte van € 30,= bruto per maand de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank zal de man daarin volgen. Ten slotte ontvangt de vrouw een BHV-vergoeding van € 7,= bruto per maand. Omdat het een bruto vergoeding betreft, neemt de rechtbank deze vergoeding in aanmerking als inkomen waaraan draagkracht kan worden ontleend. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde (pensioen)premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget (voor twee kinderen) van € 9.856,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.388,= per maand. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 705,= per maand.
4.20
Partijen verschillen nauwelijks van mening over het NBI en de draagkracht van de man. Op de zitting is aangegeven dat dit aan het oordeel van de rechtbank wordt overgelaten. De rechtbank zal de door de man als productie 9 overgelegde berekening volgen, nu hierin wordt uitgegaan van het inkomen van de man in 2026 en deze berekening niet door de vrouw is weersproken. Overeenkomstig die berekening stelt de rechtbank het NBI van de man vast op € 3.612,= per maand en zijn draagkracht op € 814,= per maand.
4.21
Vergelijking van voormelde berekende draagkracht van de onderhoudsplichtigen brengt mee dat de man met een deel van 54% (€ 487,= per maand) en de vrouw met een deel van 46% (€ 421,= per maand) moet bijdragen in de hiervoor vastgestelde behoefte van de kinderen ter hoogte van € 908,= per maand.
4.22
Partijen verschillen van mening over de toe te passen zorgkorting. [kind 1] verbleef tijdens deze periode wekelijks van maandag tot woensdag of donderdag bij haar vader en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen. [kind 2] is gedurende een deel van deze periode van dinsdag tot en met woensdag bij zijn vader verbleven in verband met stage. Ook gaat [kind 2] in beginsel in ieder weekend naar zijn vader, maar onduidelijk is gebleven gedurende hoeveel dagen dat gemiddeld het geval was. Ten slotte verblijft [kind 2] gedurende de helft van de vakanties en feestdagen bij zijn vader. Uitgaande van genoemde frequenties schat de rechtbank voor de periode van 23 januari 2026 tot 1 juli 2026 de duur van het verblijf van beide kinderen bij de man op circa 2,5 dag per week. Hoewel het verblijf van de kinderen bij de man dus niet de volledige drie dagen per week omvat, past de rechtbank voor de berekening van de kinderbijdrage een zorgkorting toe van 35% (ofwel € 318,= per maand). Met toepassing van deze ruime zorgkorting heeft de man naar het oordeel van de rechtbank in deze periode ook de financiële ruimte gehad om de feitelijk door hem betaalde kosten voor [kind 1] en [kind 2] (vaak via tikkies van de kinderen) voor zijn rekening te nemen (zie hierover verder onder rechtsoverweging 4.34).
4.23
Het aandeel van de man ter hoogte van € 487,= per maand wordt verminderd met het bedrag aan zorgkorting (€ 318,= per maand voor twee kinderen), zodat de man in de periode van 23 januari 2026 tot [geboortedag 1] 2026/1 juli 2026 als kinderbijdrage voor [kind 1], respectievelijk [kind 2] aan de vrouw dient te betalen € 169,= per maand, ofwel – afgerond – € 85,= per maand per kind.
Periode II: met ingang van 1 juli 2026 ([kind 2])
4.24
De rechtbank kan voor deze periode geen beslissing nemen over een bijdrage ten behoeve van [kind 1], omdat zij in deze periode meerderjarig is. De vrouw is niet langer gerechtigd om een bijdrage voor [kind 1] te ontvangen; [kind 1] is sinds haar meerderjarigheid zelf alimentatiegerechtigd. Er is een machtiging overgelegd waarin [kind 1] haar moeder machtigt om namens haar te procederen over een onderhoudsbijdrage. De rechtbank kan echter geen acht slaan op deze machtiging, omdat [kind 1] op het moment van het opstellen en ondertekenen van de machtiging (en de behandeling van de zaak op zitting) nog minderjarig was. Dit betekent dat er in deze procedure geen verzoek aan de rechtbank voorligt voor het vaststellen van een bijdrage voor [kind 1] vanaf het moment dat zij meerderjarig wordt.
4.25
Wel is voor de berekening van de bijdrage voor [kind 2] van belang te weten welke kosten partijen voor [kind 1] maken. Zoals gezegd is [kind 1] in deze periode meerderjarig. Zij volgt een MBO-opleiding en woont thuis. Partijen hebben in de processtukken geen standpunt ingenomen over de behoefte van [kind 1] na haar 18e verjaardag. Op zitting is besproken dat voor de vaststelling van haar behoefte kan worden uitgegaan van de WSF-norm voor een thuiswonende MBO-student. [kind 1] volgt de beroepsbegeleidende leerweg (BBL), waarin werken en leren wordt gecombineerd. Het is de rechtbank na afloop van de zitting gebleken dat bij een dergelijke opleiding geen recht bestaat op studiefinanciering van DUO. Daar staat tegenover dat eventueel verschuldigd lesgeld normaal gesproken door de werkgever wordt gedragen en dat een student voor de verrichte werkzaamheden een financiële vergoeding ontvangt. Zoals uit de overgelegde salarisstroken volgt, ontvangt [kind 1] een zodanig inkomen dat de rechtbank tot het oordeel komt dat [kind 1] met het inkomen dat zij verdient bij haar leer/werkbedrijf volledig in haar eigen behoefte kan voorzien.
4.26
Voor de berekening van de bijdrage voor [kind 2] betekent dit dat partijen hun draagkracht enkel voor [kind 2] hoeven aan te wenden. Daarnaast heeft het meerderjarig worden van [kind 1] ook tot gevolg dat de vrouw met ingang van 1 juli 2026 nog slechts het kindgebonden budget voor één kind zal ontvangen. Deze omstandigheden rechtvaardigen een nieuwe berekening per 1 juli 2026, waarbij voor het overige wordt aangesloten bij de hiervoor vermelde gegevens.
4.27
Het NBI van de vrouw bedraagt, uitgaande van een kindgebonden budget voor één kind ter hoogte van € 6.313,= per jaar, € 3.093,= per maand. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 560,= per maand. De draagkracht van de man is gelijk aan zijn draagkracht in periode I.
4.28
Vergelijking van voormelde berekende draagkracht van de onderhoudsplichtigen brengt mee dat de man met een deel van 59% (€ 269,= per maand) en de vrouw met een deel van 41% (€ 185,= per maand) moet bijdragen in de hiervoor vastgestelde behoefte van [kind 2] ter hoogte van € 454,= per maand.
4.29
De zorgkorting voor [kind 2] is ook in deze periode in geschil. Omdat de rechtbank ervan uitgaat dat [kind 2] ook volgend schooljaar stage zal lopen (met een gelijke of grotere omvang) en in verband daarmee doordeweeks ook bij zijn vader zal zijn, hanteert de rechtbank in deze periode eveneens een zorgkorting van 35% (€ 159,= per maand).
4.30
Het aandeel van de man ter hoogte van € 269,= per maand wordt verminderd met dit bedrag aan zorgkorting, zodat de man met ingang van 1 juli 2026 als kinderbijdrage voor [kind 2] aan de vrouw dient te betalen € 110,= per maand.
Conclusie kinderbijdrage
4.31
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die leidt tot een aanpassing van de huidige regeling omtrent de kosten van de kinderen. De rechtbank zal bepalen dat de man over de periode van 23 januari 2026 tot [geboortedag 1] 2026/1 juli 2026 aan de vrouw een kinderbijdrage ten behoeve van [kind 1], respectievelijk [kind 2] moet voldoen van € 85,= per maand per kind en dat de man met ingang van 1 juli 2026 aan de vrouw een kinderbijdrage voor [kind 2] moet voldoen van € 110,= per maand.
4.32
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
Verrekening kosten kinderen
4.33
De man heeft verzocht, indien de rechtbank ondanks zijn verweer een alimentatie voor de kinderen gaat vaststellen, te bepalen dat hij de bedragen die hij reeds voor de kinderen heeft betaald/betaalt mag verrekenen met de alimentatie dan wel te bepalen dat de vrouw verplicht is om die kosten te betalen. Het gaat om de volgende kosten:
a. buskaart 10,00 per kind per maand,
b. telefoonrekening € 11,00 per kind per maand,
c. kleding € 60,00 per kind per maand.
De vrouw voert verweer tegen dit verzoek. Zij voert onder meer aan dat de man niet (volledig) heeft aangetoond dat hij over de in het geding zijnde periode de betreffende kosten daadwerkelijk heeft voldaan.
4.34
Het uitgangspunt is, en op dat uitgangspunt is ook de eerdere berekening van de rechtbank gebaseerd, dat de vrouw als alimentatiegerechtigde ouder alle verblijfsoverstijgende kosten voor haar rekening neemt. Kosten voor openbaar vervoer, telefoongebruik en de aanschaf van kleding zijn verblijfsoverstijgende kosten. Ter zitting is gebleken dat hoewel de man niet voor alle gestelde kosten bewijs heeft geleverd, hij kosten heeft gedragen die eigenlijk door de vrouw betaald hadden moeten worden, zoals de kosten voor het gebruik van de mobiele telefoon. Toch is de rechtbank van oordeel dat de man geen aanspraak kan maken op vergoeding of verrekening van door hem gedragen verblijfsoverstijgende kosten. De rechtbank heeft bij de berekening van de te betalen kinderbijdrage aan de zijde van de man rekening gehouden met een zorgkorting van 35%. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is deze zorgkorting, gelet op de hoeveelheid tijd die de kinderen bij de man doorbrengen, zodanig ruim, dat de man geacht wordt daaruit naast de verblijfsgebonden kosten ook de tot op heden door hem betaalde verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen te kunnen voldoen. Met ingang van 1 juli 2026 geldt (nog steeds) dat de vrouw alle verblijfsoverstijgende kosten van [kind 2] voldoet en bovendien dat [kind 1] in haar eigen behoefte kan voorzien, zodat de man geen verblijfsoverstijgende kosten meer voor zijn rekening hoeft te nemen. Voor zover de man bereid is deze bedragen voor de kinderen te blijven voldoen, gebeurt dat op basis van vrijwilligheid en leidt dat niet tot een recht op verrekening met de alimentatie of vergoeding door de vrouw. De rechtbank ziet geen grond voor toewijzing van het (subsidiaire) verzoek om te bepalen dat de vrouw deze kosten moet voldoen. De vrouw is ter zitting erop gewezen dat zij de verblijfsoverstijgende kosten dient te voldoen en de man is erop gewezen om die verantwoordelijkheid ook bij de vrouw te laten. Het is aan partijen om dit ten aanzien van bijvoorbeeld de telefoon(abonnement)kosten voor de toekomst feitelijk aldus te regelen. Het voorgaande leidt ertoe dat genoemd verzoek van de man wordt afgewezen.
5De beslissing
De rechtbank
5.1
bepaalt, onder wijziging van de beschikking van 15 maart 2022, dat partijen en de minderjarige [kind 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2010, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar, naar de behoefte van [kind 2], in overleg en onder afstemming met zijn ouders in te vullen;
5.2
bepaalt, onder wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 29 augustus 2014 (met aangehecht het convenant en ouderschapsplan), de beschikking van deze rechtbank van 15 maart 2022 en van eventuele andere tussen partijen gemaakte afspraken over de kosten van de kinderen, dat de man aan de vrouw moet voldoen:
- ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [kind 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2008 over de periode van 23 januari 2026 tot [geboortedag 1] 2026 een bedrag van
€ 85,= (vijfentachtig euro) per maand;
- ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [kind 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2010 over de periode van 23 januari 2026 tot 1 juli 2026 een bedrag van € 85,= (vijfentachtig euro) per maand en met ingang van 1 juli 2026 een bedrag van € 110,= (honderdtien euro) per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
5.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en, in tegenwoordigheid van mr. Laenen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/444341 FA RK 26-400
10 juli 2026
beschikking betreffende hoofdverblijf, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 1],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. B. Krijnen,
en
[de man]
,
wonende te [woonplaats 2],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. L.M. Bakker.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 23 januari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen (producties 1 t/m 11);
- het op 16 april 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen (producties 1 t/m 8);
- de brief van mr. Krijnen van 8 juni 2026 met bijlagen (producties 12 t/m 18);
- de brief van mr. Bakker van 10 juni 2026, tevens houdende gewijzigd zelfstandig verzoek, met bijlage (productie 9);
- de beschikkingen van deze rechtbank van 29 augustus 2014, met aangehecht het convenant en ouderschapsplan, en van 15 maart 2022.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 12 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.
1.3 Na te noemen kinderen zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben op 4 juni 2026 met de rechter gesproken.
2De feiten
2.1
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2008 tot [datum 2] 2014;
- voorafgaand en tijdens hun huwelijk zijn de volgende kinderen geboren:
1. [kind 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2008 (hierna: [kind 1]), welk kind na de zitting, maar voor deze beschikking meerderjarig is geworden;
2. [kind 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2010 (hierna: [kind 2]), welk kind minderjarig is;
- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen tijdens hun minderjarigheid;
- in het ouderschapsplan, gehecht aan de beschikking van 29 augustus 2014, hebben partijen afgesproken dat [kind 1] staat ingeschreven bij de vrouw en dat [kind 2] staat ingeschreven bij de man;
- in genoemd ouderschapsplan hebben partijen ook afspraken gemaakt over de zorgregeling (co-ouderschap). Op een later moment hebben partijen andere afspraken gemaakt over de invulling van de zorgregeling, welke bij beschikking van 15 maart 2022 zijn vastgelegd;
- ten slotte hebben partijen in genoemd ouderschapsplan afspraken gemaakt over de kosten van de kinderen.
3De verzoeken
De vrouw verzoekt, samengevat:
wijziging van het hoofdverblijf van [kind 2];
wijziging van de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [kind 1] en [kind 2];
wijziging van de regeling over de kosten van [kind 1] en [kind 2] in die zin dat de door de man te betalen bijdrage met ingang van 17 november 2025 nader wordt vastgesteld op
€ 200,= per maand per kind;
De man verzoekt, samengevat,
wijziging van de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [kind 1] en [kind 2];
wijziging van de regeling terzake de verdeling van de kosten van [kind 1] en [kind 2] en te bepalen dat de vrouw met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum aan de man een bijdrage zal betalen in de kosten van [kind 2] van € 115,= per maand.
4De beoordeling
Hoofdverblijf en zorgregeling
4.1
Omdat [kind 1] inmiddels meerderjarig is geworden, kan de rechtbank ten aanzien van haar geen beslissing meer nemen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Deze verzoeken worden daarom afgewezen.
4.2
Beide partijen verzoeken de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [kind 2] te wijzigen. De vrouw verzoekt te bepalen dat de man en [kind 2] minimaal eenmaal per week contact hebben op een nader in onderling overleg overeen te komen moment. De man verzoekt te bepalen dat [kind 2] elke week van dinsdagavond tot en met woensdagavond en elke week vrijdag tot en met zondag en gedurende de vakanties bij hem zal verblijven.
4.3
Op deze verzoeken zijn de artikelen 1:253a en 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. In artikel 1:253a lid 1 BW staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag, waaronder de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken valt, op verzoek van de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. In artikel 1:377e BW staat dat de rechtbank op verzoek van de ouders een bestaande zorgregeling kan veranderen als de omstandigheden zijn veranderd.
4.4
[kind 2] heeft op 4 juni 2026 met de rechter gesproken. Op de zitting is met partijen gedeeld wat [kind 2] heeft verteld. [kind 2] vond het lastig om met de rechter te gaan praten, omdat hij door de situatie het gevoel had dat hij tussen zijn ouders moest kiezen. Hij is 15 jaar oud en zit in het derde jaar vmbo. [kind 2] verblijft bij beide ouders en regelt zelf wanneer hij bij wie is. Dat vinden zijn ouders allebei goed en zij gaan daar relaxed mee om. Wel vindt hij het lastig dat zijn ouders niet met elkaar praten en dat berichten dan via hem of zijn zus gaan. [kind 2] heeft zijn leven hoofdzakelijk bij zijn moeder in [woonplaats 1], waar ook zijn vrienden wonen, maar hij is ook een deel van de tijd bij zijn vader in [woonplaats 2]. [kind 2] loopt op woensdag stage bij het bedrijf van zijn vader en hij verblijft daarom van dinsdag op woensdag bij hem. In de weekenden is hij ook vaak bij zijn vader, maar hij wil ook de ruimte hebben om in de weekenden in [woonplaats 1] te zijn bij zijn vrienden. De vakanties zijn bij helfte gedeeld. [kind 2] vindt het fijn zoals het nu gaat. Het maakt [kind 2] niet zoveel uit bij wie hij zijn hoofdverblijf heeft.
4.5
Beide partijen vragen wijziging van de zorgregeling waarover partijen in 2022 afspraken hebben gemaakt en die de rechtbank in de beschikking van 15 maart 2022 heeft bekrachtigd. [kind 2] was toen 11 jaar oud. Inmiddels zijn er ruim vier jaren verstreken. [kind 2] gaat inmiddels naar het voortgezet onderwijs en de zorgregeling die in 2022 is afgesproken, wordt al geruime tijd niet onverkort nageleefd. De rechtbank vindt dat er voldoende reden is om te onderzoeken of de nu geldende zorgregeling gewijzigd moet worden.
4.6
Ingevolge artikel 1:253a lid 5 BW moet de rechter eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken. Daarom zijn de rechtbank en de Raad tijdens de zitting met partijen in gesprek gegaan en hebben zij partijen gewezen op hun verantwoordelijkheid als ouders om met elkaar te communiceren en zelf tot afspraken te komen, zonder tussenkomst van de kinderen. Gebleken is dat de standpunten, die partijen gedurende de procedure hebben ingenomen, zijn achterhaald en dat de situatie rond [kind 2] tijdens de procedure is gewijzigd. Op dit moment bekijkt [kind 2] zelf wanneer hij bij ieder van zijn ouders is en daar zijn partijen tevreden mee. Beide partijen hebben aangegeven dat [kind 2] gevolgd moet worden in zijn wens om geen wijziging aan te brengen in de zorgregeling zoals die nu feitelijk loopt. De huidige zorgverdeling houdt in dat [kind 2] rondom zijn stage bij de man verblijft, dat hij geregeld in (een deel van) de weekenden bij de man verblijft, en op de andere dagen bij de vrouw, maar dat hij ook de vrijheid heeft te beslissen om in afwijking daarvan bij de andere ouder te zijn. In de vakanties verblijft [kind 2] ongeveer de helft van de tijd bij ieder van zijn ouders. Beide partijen vinden het belangrijk dat [kind 2] goed contact heeft met de andere ouder en dat de vrijheid en flexibiliteit die hij nu heeft, blijven bestaan. Evenals de Raad onderschrijft de rechtbank dit uitgangspunt en acht dit passend bij de leeftijd van [kind 2]. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank in het belang van [kind 2] bepalen dat hij en zijn ouders recht hebben op contact met elkaar, in te vullen naar de behoefte van [kind 2], in overleg en onder afstemming met zijn ouders. De rechtbank heeft partijen op de zitting meegegeven dat [kind 2] ontlast moet worden en dat het daarom belangrijk is dat zij [kind 2] de ruimte (blijven) geven om vrij tussen zijn ouders te bewegen, dat zij hem niet het gevoel geven dat hij moet kiezen of als boodschapper tussen de ouders moet fungeren en dat zij hem gerust weten te stellen dat niet opnieuw een discussie omtrent de zorgregeling zal oplaaien als [kind 2] zijn eigen keuzes daarin maakt.
4.7
[kind 2] staat (al jarenlang) bij de man ingeschreven. De rechtbank ziet, zeker bij de huidige stand van zaken waarbij [kind 2] ook een groot deel van de tijd bij zijn vader verblijft, geen aanleiding om daar wijziging in te brengen. Het verzoek van de vrouw tot wijziging van het hoofdverblijf van [kind 2] wordt daarom afgewezen. Voor wat betreft de kinderalimentatie staat tussen partijen nog steeds vast dat de vrouw gerechtigd is tot de kinderbijslag en het kindgebonden budget en dat daar rekening mee wordt gehouden bij de berekening van kinderalimentatie. Dit blijft aldus ongewijzigd.
4.8
[kind 2] heeft aangegeven per brief te willen horen wat er in deze procedure wordt beslist ten aanzien van het hoofdverblijf en de zorgregeling. Hierna zal de rechter zich daarom tot [kind 2] richten. Deze tekst zal worden overgenomen in een brief, die naar [kind 2] wordt gestuurd.
“Beste [kind 2],
Op 4 juni 2026 heb ik met je gesproken. Je hebt me verteld dat je bij beide ouders verblijft en zelf regelt wanneer je bij welke ouder bent. Jouw ouders vinden dat goed en gaan daar relaxed mee om. Omdat het goed loopt, wil je het graag zo houden. Je vindt het wel belangrijk dat je de ruimte hebt om in de weekenden ook bij je vrienden in [woonplaats 1] te kunnen zijn. Het maakt je niet zoveel uit bij wie van je ouders je hoofdverblijf is (dat wil zeggen: bij wie je staat ingeschreven).
We hebben toen afgesproken dat ik je met deze brief laat weten hoe het na ons gesprek verder is gegaan en wat ik heb beslist.
Op 12 juni 2026 heb ik met je ouders en hun advocaten gesproken. Daar was ook iemand van de Raad voor de Kinderbescherming bij. Die nodigen we uit als het over kinderen gaat, zodat zij advies kunnen geven.
Jouw ouders zijn het erover eens dat jouw wens gevolgd moet worden, namelijk dat er niets wijzigt in hoe het nu loopt. Je bekijkt zelf wanneer je bij ieder van je ouders bent. Op dit moment verblijf je doordeweeks rondom je stage bij je vader. In de weekenden ben je ook vaak bij je vader, maar je hebt ook de vrijheid om te beslissen om tijd in [woonplaats 1] door te brengen en dan bij je moeder te zijn. In de vakanties verblijf je ongeveer de helft van de tijd bij beide ouders. Jouw ouders vinden het allebei belangrijk dat je goed contact hebt met je andere ouder en dat de flexibiliteit die je nu hebt, blijft bestaan. De Raad voor de Kinderbescherming en ik zijn het daarmee eens en vinden dit ook passend bij jouw leeftijd. Ik vind het een goed idee om aan te sluiten bij wat jij zelf wil en daarom beslis ik dat je recht hebt op contact met je beide ouders, in te vullen naar jouw behoefte, in overleg en onder afstemming met je ouders. Dat vraagt van jou dat jij zelf met je ouders afspreekt wanneer je bij wie bent, zeker als je daarin geen vast ritme aanhoudt.
Je staat al heel lang ingeschreven bij je vader. Ik zie geen reden om dat te veranderen. Dat blijft dus ook zoals het nu is.
Ik hoop dat ik hiermee duidelijk heb gemaakt wat ik heb beslist. Ik wens je alle goeds toe voor de toekomst”
Kinderalimentatie
Grondslag van de verzoeken
4.9
Beide partijen verzoeken de regeling omtrent de kosten van de kinderen te wijzigen. Zij voeren als grond voor hun verzoeken aan dat sinds het ouderschapsplan en voormelde beschikking de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de huidige regeling niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
4.10
Partijen hebben in het ouderschapsplan, aangehecht aan de beschikking van 29 augustus 2014, samengevat het volgende afgesproken omtrent de kosten van de kinderen:
- partijen dragen ieder de eigen kosten van inwoning van de kinderen wanneer zij bij hen zijn;
- de overige kosten van de kinderen worden voldaan uit de ontvangen tegemoetkomingen (kinderbijslag, kindgebonden budget en eventuele overige tegemoetkomingen) en voor zover deze kosten hieruit niet kunnen worden voldaan, worden deze door partijen voldaan in de verhouding 60% (man) / 40% (vrouw).
Daarnaast hebben partijen in onderling overleg afgesproken dat de man een bepaald bedrag per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw voldoet. Dit zou gaan om een bedrag van
€ 134,= per maand, welk bedrag later is aangepast naar € 155,= per maand.
4.11
Vervolgens is een procedure gevoerd omtrent (wijziging van) de kosten van de kinderen. Bij beschikking van 15 maart 2022 zijn de verzoeken van partijen tot vaststelling/wijziging van een bedrag aan kinderalimentatie afgewezen. De rechtbank kwam tot het oordeel dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de eerdere afspraken hebben opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen omdat de becijferde kinderalimentatie van € 3,72 per maand daarvoor te summier was. Wel is bepaald dat de vrouw gerechtigd is tot het kindgebonden budget inclusief de alleenstaande ouderkop en de kinderbijslag voor beide kinderen.
4.12
Uit de processtukken en de behandeling op de zitting is gebleken dat de feitelijke situatie na de beschikking van 15 maart 2022 als volgt is geweest. Partijen hebben geen uitvoering meer gegeven aan de afspraken uit het ouderschapsplan ten aanzien van de verblijfsoverstijgende kosten. Ook de bijdrage, die de man aan de vrouw betaalde naast de in het ouderschapsplan vastgelegde afspraken, is gestaakt. Daarvoor in de plaats is de man de bijdrage gaan betalen die in genoemde beschikking van 15 maart 2022 is berekend, maar niet is vastgelegd.
4.13
De rechtbank stelt vast dat de man ten tijde van de beschikking van 15 maart 2022 gehuwd was en dat hij als stiefouder onderhoudsplichtig was jegens het kind van zijn echtgenote en dat zijn echtgenote als stiefouder onderhoudsplichtig was voor [kind 2] en [kind 1]. Met die stiefouderlijke onderhoudsverplichtingen heeft de rechtbank toen ook rekening gehouden bij het bepalen van de onderhoudsbijdragen voor [kind 2] en [kind 1]. Het eindigen van het huwelijk van de man betekent het einde van die stiefouderlijke onderhoudsverplichting en levert dan ook per definitie een wijziging van omstandigheden op, die aanleiding vormt om te onderzoeken of de huidige regeling heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Daarnaast is uit het standpunt van de vrouw gebleken dat haar inkomen sinds genoemde beschikking is gestegen, hetgeen eveneens een wijziging van omstandigheden oplevert die mogelijk van invloed is op de hoogte van de onderhoudsbijdrage. De rechtbank zal dan ook een onderzoek doen naar de behoefte van de kinderen aan een bijdrage en de financiële draagkracht van de onderhoudsplichtigen. Daarna zal blijken of deze wijziging als rechtens relevant is aan te merken.
4.14
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Daarbij staat tussen partijen vast dat, hoewel [kind 2] op het adres van de man staat ingeschreven, de vrouw gerechtigd is tot de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor beide kinderen en dat daar rekening mee wordt gehouden bij de berekening van kinderalimentatie. Partijen merken de vrouw aan als de alimentatiegerechtigde ouder. Gelet daarop maakt de rechtbank een berekening uitgaande van de situatie dat de vrouw als alimentatiegerechtigde ouder wordt beschouwd en zij de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen voldoet.
Ingangsdatum
4.15
Op basis van vaste jurisprudentie (HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6631) heeft de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk of de datum waarop de rechter beslist.
Uitgangspunt is dat behoedzaam dient te worden omgegaan met het wijzigen van een onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht, met name in verband met een mogelijke terugbetalingsverplichting. Daar zal in het onderhavige geval niet tot nauwelijks sprake van zijn, gezien de zeer beperkte omvang van de onderhoudsbijdrage die de afgelopen periode is betaald. De rechtbank zal de eventuele wijziging van de regeling ter zake de kosten van de kinderen daarom doen ingaan op 23 januari 2026, zijnde de datum van indiening van het verzoek, nu de man vanaf dat moment rekening kon houden met een mogelijk hogere bijdrage.
4.16
De rechtbank maakt bij de berekening onderscheid in twee periodes: de periode van 23 januari 2026 tot [geboortedag 1]/1 juli 2026 en de periode na 1 juli 2026. Dit houdt verband met het feit dat [kind 1] op [geboortedag 1] 2026 meerderjarig is geworden en de vrouw met ingang van 1 juli 2026 geen kindgebonden budget en kinderbijslag meer voor haar zal ontvangen. Omdat [kind 1] op [geboortedag 1] 2026 18 jaar oud is geworden, berekent de rechtbank de voor haar verschuldigde bijdrage tot [geboortedag 1] 2026 (zie ook hierna in rechtsoverweging 4.24.).
Periode I: 23 januari 2026 tot [geboortedag 1] 2026 ([kind 1])/1 juli 2026 ([kind 2])
4.17
Tussen partijen staat vast dat de behoefte van [kind 1] en [kind 2] in 2022 € 741,62 per maand (ofwel € 370,81 per maand per kind) bedroeg en dat deze behoefte, rekening houdend met de wettelijke indexeringen, in 2026 € 907,22 per maand (ofwel € 453,61 per maand per kind) bedraagt. De rechtbank volgt partijen hierin en gaat uit van een behoefte van – afgerond – € 908,= per maand ofwel € 454,= per maand per kind.
4.18
Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de kinderen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
4.19
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de volgende gegevens. De vrouw heeft volgens de salarisspecificaties een inkomen van € 2.741,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. Uit de specificaties volgt verder dat aan de vrouw met enige regelmaat een in hoogte wisselende vergoeding voor overwerk wordt uitgekeerd. Gelet op de frequentie en de omvang van de bedragen, zoals deze uit de overgelegde specificaties blijken, komt het door de man opgevoerde bedrag aan overwerk ter hoogte van € 30,= bruto per maand de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank zal de man daarin volgen. Ten slotte ontvangt de vrouw een BHV-vergoeding van € 7,= bruto per maand. Omdat het een bruto vergoeding betreft, neemt de rechtbank deze vergoeding in aanmerking als inkomen waaraan draagkracht kan worden ontleend. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde (pensioen)premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget (voor twee kinderen) van € 9.856,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.388,= per maand. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 705,= per maand.
4.20
Partijen verschillen nauwelijks van mening over het NBI en de draagkracht van de man. Op de zitting is aangegeven dat dit aan het oordeel van de rechtbank wordt overgelaten. De rechtbank zal de door de man als productie 9 overgelegde berekening volgen, nu hierin wordt uitgegaan van het inkomen van de man in 2026 en deze berekening niet door de vrouw is weersproken. Overeenkomstig die berekening stelt de rechtbank het NBI van de man vast op € 3.612,= per maand en zijn draagkracht op € 814,= per maand.
4.21
Vergelijking van voormelde berekende draagkracht van de onderhoudsplichtigen brengt mee dat de man met een deel van 54% (€ 487,= per maand) en de vrouw met een deel van 46% (€ 421,= per maand) moet bijdragen in de hiervoor vastgestelde behoefte van de kinderen ter hoogte van € 908,= per maand.
4.22
Partijen verschillen van mening over de toe te passen zorgkorting. [kind 1] verbleef tijdens deze periode wekelijks van maandag tot woensdag of donderdag bij haar vader en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen. [kind 2] is gedurende een deel van deze periode van dinsdag tot en met woensdag bij zijn vader verbleven in verband met stage. Ook gaat [kind 2] in beginsel in ieder weekend naar zijn vader, maar onduidelijk is gebleven gedurende hoeveel dagen dat gemiddeld het geval was. Ten slotte verblijft [kind 2] gedurende de helft van de vakanties en feestdagen bij zijn vader. Uitgaande van genoemde frequenties schat de rechtbank voor de periode van 23 januari 2026 tot 1 juli 2026 de duur van het verblijf van beide kinderen bij de man op circa 2,5 dag per week. Hoewel het verblijf van de kinderen bij de man dus niet de volledige drie dagen per week omvat, past de rechtbank voor de berekening van de kinderbijdrage een zorgkorting toe van 35% (ofwel € 318,= per maand). Met toepassing van deze ruime zorgkorting heeft de man naar het oordeel van de rechtbank in deze periode ook de financiële ruimte gehad om de feitelijk door hem betaalde kosten voor [kind 1] en [kind 2] (vaak via tikkies van de kinderen) voor zijn rekening te nemen (zie hierover verder onder rechtsoverweging 4.34).
4.23
Het aandeel van de man ter hoogte van € 487,= per maand wordt verminderd met het bedrag aan zorgkorting (€ 318,= per maand voor twee kinderen), zodat de man in de periode van 23 januari 2026 tot [geboortedag 1] 2026/1 juli 2026 als kinderbijdrage voor [kind 1], respectievelijk [kind 2] aan de vrouw dient te betalen € 169,= per maand, ofwel – afgerond – € 85,= per maand per kind.
Periode II: met ingang van 1 juli 2026 ([kind 2])
4.24
De rechtbank kan voor deze periode geen beslissing nemen over een bijdrage ten behoeve van [kind 1], omdat zij in deze periode meerderjarig is. De vrouw is niet langer gerechtigd om een bijdrage voor [kind 1] te ontvangen; [kind 1] is sinds haar meerderjarigheid zelf alimentatiegerechtigd. Er is een machtiging overgelegd waarin [kind 1] haar moeder machtigt om namens haar te procederen over een onderhoudsbijdrage. De rechtbank kan echter geen acht slaan op deze machtiging, omdat [kind 1] op het moment van het opstellen en ondertekenen van de machtiging (en de behandeling van de zaak op zitting) nog minderjarig was. Dit betekent dat er in deze procedure geen verzoek aan de rechtbank voorligt voor het vaststellen van een bijdrage voor [kind 1] vanaf het moment dat zij meerderjarig wordt.
4.25
Wel is voor de berekening van de bijdrage voor [kind 2] van belang te weten welke kosten partijen voor [kind 1] maken. Zoals gezegd is [kind 1] in deze periode meerderjarig. Zij volgt een MBO-opleiding en woont thuis. Partijen hebben in de processtukken geen standpunt ingenomen over de behoefte van [kind 1] na haar 18e verjaardag. Op zitting is besproken dat voor de vaststelling van haar behoefte kan worden uitgegaan van de WSF-norm voor een thuiswonende MBO-student. [kind 1] volgt de beroepsbegeleidende leerweg (BBL), waarin werken en leren wordt gecombineerd. Het is de rechtbank na afloop van de zitting gebleken dat bij een dergelijke opleiding geen recht bestaat op studiefinanciering van DUO. Daar staat tegenover dat eventueel verschuldigd lesgeld normaal gesproken door de werkgever wordt gedragen en dat een student voor de verrichte werkzaamheden een financiële vergoeding ontvangt. Zoals uit de overgelegde salarisstroken volgt, ontvangt [kind 1] een zodanig inkomen dat de rechtbank tot het oordeel komt dat [kind 1] met het inkomen dat zij verdient bij haar leer/werkbedrijf volledig in haar eigen behoefte kan voorzien.
4.26
Voor de berekening van de bijdrage voor [kind 2] betekent dit dat partijen hun draagkracht enkel voor [kind 2] hoeven aan te wenden. Daarnaast heeft het meerderjarig worden van [kind 1] ook tot gevolg dat de vrouw met ingang van 1 juli 2026 nog slechts het kindgebonden budget voor één kind zal ontvangen. Deze omstandigheden rechtvaardigen een nieuwe berekening per 1 juli 2026, waarbij voor het overige wordt aangesloten bij de hiervoor vermelde gegevens.
4.27
Het NBI van de vrouw bedraagt, uitgaande van een kindgebonden budget voor één kind ter hoogte van € 6.313,= per jaar, € 3.093,= per maand. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 560,= per maand. De draagkracht van de man is gelijk aan zijn draagkracht in periode I.
4.28
Vergelijking van voormelde berekende draagkracht van de onderhoudsplichtigen brengt mee dat de man met een deel van 59% (€ 269,= per maand) en de vrouw met een deel van 41% (€ 185,= per maand) moet bijdragen in de hiervoor vastgestelde behoefte van [kind 2] ter hoogte van € 454,= per maand.
4.29
De zorgkorting voor [kind 2] is ook in deze periode in geschil. Omdat de rechtbank ervan uitgaat dat [kind 2] ook volgend schooljaar stage zal lopen (met een gelijke of grotere omvang) en in verband daarmee doordeweeks ook bij zijn vader zal zijn, hanteert de rechtbank in deze periode eveneens een zorgkorting van 35% (€ 159,= per maand).
4.30
Het aandeel van de man ter hoogte van € 269,= per maand wordt verminderd met dit bedrag aan zorgkorting, zodat de man met ingang van 1 juli 2026 als kinderbijdrage voor [kind 2] aan de vrouw dient te betalen € 110,= per maand.
Conclusie kinderbijdrage
4.31
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die leidt tot een aanpassing van de huidige regeling omtrent de kosten van de kinderen. De rechtbank zal bepalen dat de man over de periode van 23 januari 2026 tot [geboortedag 1] 2026/1 juli 2026 aan de vrouw een kinderbijdrage ten behoeve van [kind 1], respectievelijk [kind 2] moet voldoen van € 85,= per maand per kind en dat de man met ingang van 1 juli 2026 aan de vrouw een kinderbijdrage voor [kind 2] moet voldoen van € 110,= per maand.
4.32
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
Verrekening kosten kinderen
4.33
De man heeft verzocht, indien de rechtbank ondanks zijn verweer een alimentatie voor de kinderen gaat vaststellen, te bepalen dat hij de bedragen die hij reeds voor de kinderen heeft betaald/betaalt mag verrekenen met de alimentatie dan wel te bepalen dat de vrouw verplicht is om die kosten te betalen. Het gaat om de volgende kosten:
a. buskaart 10,00 per kind per maand,
b. telefoonrekening € 11,00 per kind per maand,
c. kleding € 60,00 per kind per maand.
De vrouw voert verweer tegen dit verzoek. Zij voert onder meer aan dat de man niet (volledig) heeft aangetoond dat hij over de in het geding zijnde periode de betreffende kosten daadwerkelijk heeft voldaan.
4.34
Het uitgangspunt is, en op dat uitgangspunt is ook de eerdere berekening van de rechtbank gebaseerd, dat de vrouw als alimentatiegerechtigde ouder alle verblijfsoverstijgende kosten voor haar rekening neemt. Kosten voor openbaar vervoer, telefoongebruik en de aanschaf van kleding zijn verblijfsoverstijgende kosten. Ter zitting is gebleken dat hoewel de man niet voor alle gestelde kosten bewijs heeft geleverd, hij kosten heeft gedragen die eigenlijk door de vrouw betaald hadden moeten worden, zoals de kosten voor het gebruik van de mobiele telefoon. Toch is de rechtbank van oordeel dat de man geen aanspraak kan maken op vergoeding of verrekening van door hem gedragen verblijfsoverstijgende kosten. De rechtbank heeft bij de berekening van de te betalen kinderbijdrage aan de zijde van de man rekening gehouden met een zorgkorting van 35%. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is deze zorgkorting, gelet op de hoeveelheid tijd die de kinderen bij de man doorbrengen, zodanig ruim, dat de man geacht wordt daaruit naast de verblijfsgebonden kosten ook de tot op heden door hem betaalde verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen te kunnen voldoen. Met ingang van 1 juli 2026 geldt (nog steeds) dat de vrouw alle verblijfsoverstijgende kosten van [kind 2] voldoet en bovendien dat [kind 1] in haar eigen behoefte kan voorzien, zodat de man geen verblijfsoverstijgende kosten meer voor zijn rekening hoeft te nemen. Voor zover de man bereid is deze bedragen voor de kinderen te blijven voldoen, gebeurt dat op basis van vrijwilligheid en leidt dat niet tot een recht op verrekening met de alimentatie of vergoeding door de vrouw. De rechtbank ziet geen grond voor toewijzing van het (subsidiaire) verzoek om te bepalen dat de vrouw deze kosten moet voldoen. De vrouw is ter zitting erop gewezen dat zij de verblijfsoverstijgende kosten dient te voldoen en de man is erop gewezen om die verantwoordelijkheid ook bij de vrouw te laten. Het is aan partijen om dit ten aanzien van bijvoorbeeld de telefoon(abonnement)kosten voor de toekomst feitelijk aldus te regelen. Het voorgaande leidt ertoe dat genoemd verzoek van de man wordt afgewezen.
5De beslissing
De rechtbank
5.1
bepaalt, onder wijziging van de beschikking van 15 maart 2022, dat partijen en de minderjarige [kind 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2010, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar, naar de behoefte van [kind 2], in overleg en onder afstemming met zijn ouders in te vullen;
5.2
bepaalt, onder wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 29 augustus 2014 (met aangehecht het convenant en ouderschapsplan), de beschikking van deze rechtbank van 15 maart 2022 en van eventuele andere tussen partijen gemaakte afspraken over de kosten van de kinderen, dat de man aan de vrouw moet voldoen:
- ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [kind 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2008 over de periode van 23 januari 2026 tot [geboortedag 1] 2026 een bedrag van
€ 85,= (vijfentachtig euro) per maand;
- ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [kind 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2010 over de periode van 23 januari 2026 tot 1 juli 2026 een bedrag van € 85,= (vijfentachtig euro) per maand en met ingang van 1 juli 2026 een bedrag van € 110,= (honderdtien euro) per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
5.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en, in tegenwoordigheid van mr. Laenen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.