Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7458
2026-07-10
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/430262 FA RK 24-6090
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervangende toestemming erkenning toegewezen. Bezwaar moeder tegen gezag van rechtswege. Verzoek gezag aangehouden iav realisatie erkenning. Verzoek wijziging geslachtsnaam afgewezen ivm ontbreken grondslag; pp wel eens dus via Dienst Justis.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.041 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/430262 FA RK 24-6090
datum uitspraak: 10 juli 2026
nadere beschikking betreffende vervangende toestemming erkenning, gezag en naam
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 1],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. S.A.S Matheij, advocaat te Haarlem,
en
[de man]
,
wonende te [woonplaats 2],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. E. Lucas, advocaat te Lelystad.
Als belanghebbende in onderhavige zaak zal ten aanzien van het afstammingsverzoek worden aangemerkt:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, vertegenwoordigd door mr. L.E. Swart in haar hoedanigheid van bijzondere curator.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 4 juli 2025 en alle daarin vermelde stukken;
- het verslag van de bijzondere curator van 2 september 2025;
- de brief van mr. Matheij van 7 oktober 2025;
- het op 10 november 2025 ontvangen aanvullend verzoek van mr. Lucas;
- de brief van mr. Matheij van 24 november 2025.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 16 juni 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat, en de bijzondere curator. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad. Mr. Matheij heeft een pleitnota overgelegd.
2De beoordeling
2.1
Bij voormelde beschikking is een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige vastgesteld en is een bedrag aan kinderalimentatie bepaald. Verder is mr. L.E. Swart benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige]. De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek in te nemen. De beslissing op de verzoeken tot vervangende toestemming tot erkenning en gezamenlijk gezag zijn aangehouden in afwachting van het verslag van de bijzondere curator.
2.2
Aan de rechtbank liggen nog ter beoordeling voor de verzoeken van de man
- hem vervangende toestemming te verlenen voor erkenning door hem van de minderjarige;
- hem samen met de vrouw te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige], met vaststelling van het hoofdverblijf bij de vrouw.
2.3
De man heeft op 10 november 2025 aanvullend verzocht hem vervangende toestemming te verlenen voor het doen van een verzoek bij de Dienst Justis tot wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige], zo dat hij bij toewijzing van dat verzoek voortaan de geslachtsnaam ‘[geslachtsnaam vrouw] [geslachtsnaam man]’ zal kunnen dragen.
Vervangende toestemming erkenning
2.4
De man verzoekt hem vervangende toestemming te verlenen voor erkenning van [minderjarige]. Hij heeft bij de vrouw herhaaldelijk gepleit om toestemming voor erkenning te verlenen. Het is voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] van belang dat uit onafhankelijke bron blijkt dat de man zijn vader is en dat hij mede als gezaghebbende ouder verantwoording draagt voor zijn opvoeding en verzorging. [minderjarige] heeft recht op zekerheid omtrent zijn afstamming en een familierechtelijke betrekking met de man.
2.5
De vrouw vindt het in het belang van [minderjarige] dat de familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en de man tot stand komt. Het is echter niet in het belang van [minderjarige] dat de man mede wordt belast met het gezag over hem. Omdat een erkenning tegenwoordig automatisch het gezag meebrengt, tenzij bij de erkenning wordt aangegeven dat de moeder het eenhoofdig gezag behoudt, heeft de vrouw tot op heden aangegeven dat de man [minderjarige] wel mag erkennen, onder de voorwaarde dat de vrouw het eenhoofdig gezag behoudt. Hier heeft de man niet aan mee willen werken, waardoor de erkenning niet heeft plaatsgevonden.
2.6
De bijzondere curator adviseert in het verslag van 2 september 2025 het verzoek van de man tot vervangende toestemming tot erkenning toe te wijzen. Tussen partijen staat vast dat de man de biologisch vader is van [minderjarige]. [minderjarige] heeft recht op die familierechtelijke band met zijn vader. Aangezien de vrouw het eens is met het verzoek en aangezien de bijzondere curator geen aanwijzingen heeft gevonden die zouden kunnen leiden tot een verstoring van de verhouding tussen moeder en kind en aangezien er ook geen reden is aan te nemen dat de ontwikkeling van [minderjarige] in gevaar komt door zuiver en alleen de erkenning, zijn er geen bezwaren tegen erkenning van [minderjarige] door zijn biologische vader. Wel is er weerstand bij de vrouw voor wat betreft de gevolgen van eventueel gezamenlijk gezag en zijn er wat problemen aangaande de uitvoering van de omgang en het tijdstip van betaling van de kinderalimentatie, maar dit staat los van de erkenning.
2.7
De vrouw heeft bij brief van 7 oktober 2025 bericht geen bezwaar te hebben tegen de erkenning van [minderjarige] door de man. Zij handhaaft haar standpunt ten aanzien van het gezamenlijk gezag.
2.8
De man heeft bij brief van 10 november 2025 bericht in te stemmen met het advies van de bijzondere curator.
2.9
Partijen hebben hun standpunten op de zitting gehandhaafd.
2.10
In artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, voor zover hier van belang, dat de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank kan worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt en die persoon de verwekker is van het kind.
2.11
Niet in geschil is dat de man de verwekker is van [minderjarige]. De vrouw heeft geen bezwaar tegen de erkenning van [minderjarige] door de man, maar wel tegen het van rechtswege ontstaan van gezamenlijk gezag. Dit maakt dat partijen de erkenning niet samen bij de gemeente kunnen regelen. Dit betekent dat het verzoek van de man om hem, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen in beginsel moet worden toegewezen, tenzij er sprake is van een of beide in artikel 1:204, lid 3 BW genoemde weigeringsgronden. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat een erkenning de belangen van de vrouw of de ontwikkeling van [minderjarige] zal schaden.
2.12
De rechtbank zal het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] dan ook toewijzen. De man moet [minderjarige] dan nog wel met deze beschikking bij de gemeente erkennen. Hij kan dit doen nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.
2.13
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.
Gezag en hoofdverblijf
2.14
De man verzoekt daarnaast hem samen met de vrouw te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige], met vaststelling van het hoofdverblijf bij de vrouw.
2.15
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag.
2.16
Aangezien de man, zolang de vervangende toestemming tot erkenning nog niet is geëffectueerd, nog geen juridische vader van [minderjarige] is, is hij niet bevoegd om een verzoek tot gezamenlijk gezag in te dienen. De rechtbank zal dit verzoek om proceseconomische reden wel ontvangen, maar de beslissing daarop pro forma aanhouden, in afwachting van de realisatie van de erkenning. De zaak wordt hiertoe aangehouden in afwachting van bericht van de advocaat van de man dat hij [minderjarige] heeft erkend door een nieuw afschrift van de geboorteakte van [minderjarige] te overleggen met de latere vermelding betreffende erkenning.
2.17
Met instemming van partijen is het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag wel inhoudelijk op de zitting besproken met partijen en de Raad. De rechtbank zal de zaak na ontvangst van genoemd stuk daarom in beginsel schriftelijk afdoen aan de hand van de processtukken en hetgeen op de zitting is besproken.
2.18
De Raad heeft op de zitting aangegeven dat de communicatie tussen partijen in het belang van [minderjarige] verbetering behoeft, los van de vraag of er gezamenlijk gezag komt, en heeft partijen geadviseerd daar nu al hulp bij te gaan zoeken. Partijen kunnen zich in dit advies van de Raad vinden. De vrouw heeft daarop toegezegd, vooruitlopend op de beslissing rond het gezag, partijen aan te zullen melden bij het [jeudgdhulp] in [woonplaats 1].
Naam
2.19
De man heeft aanvullend verzocht hem vervangende toestemming te verlenen voor het doen van een verzoek bij de Dienst Justis tot wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarige [minderjarige], zo dat hij bij toewijzing van dat verzoek voortaan de geslachtsnaam ‘[geslachtsnaam vrouw] [geslachtsnaam man]’ zal kunnen dragen.
2.20
De vrouw heeft bij brief van 21 november 2025 bericht geen bezwaar tegen dit verzoek te hebben en hiermee in te kunnen stemmen.
2.21
De rechtbank overweegt dat geen beslissing kan worden genomen op genoemd verzoek van de man, omdat hij op dit moment niet de juridisch vader van [minderjarige] is. Ook is er nog geen duidelijkheid over de vraag of de man, zodra hij [minderjarige] heeft erkend, met het gezag over [minderjarige] zal worden belast. De grondslag voor het verzoek is daardoor niet helder. Daar komt bij dat het gelet op de recente jurisprudentie de vraag is of een dergelijk verzoek onder de reikwijdte van de geschillenregeling van artikel 1:253a BW valt en indien dat niet het geval is, of er een wettelijke grondslag voor het verzoek is. Op de zitting is wel duidelijk geworden dat de vrouw instemt met de door de man gewenste naamswijziging van [minderjarige] en dat zij ermee instemt dat de man genoemd verzoek bij Dienst Justis zal indienen. Het is dan ook aan de man om, met instemming van de vrouw, genoemd verzoek bij Dienst Justis te doen. Het verzoek van de man aan de rechtbank zal, gelet op het voorgaande, worden afgewezen.
3De beslissing
De rechtbank
3.1
verleent, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, aan de man toestemming tot het erkennen van de [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022;
3.2
beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd;
3.3
wijst af het verzoek van de man omtrent de naam;
3.4
houdt de beslissing op het verzoek van de man omtrent het gezag aan tot 17 november pro forma in afwachting van bericht van de advocaat van de man dat hij de minderjarige heeft erkend met een nieuw afschrift van de geboorteakte van de minderjarige met de latere vermelding betreffende erkenning;
3.5
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Willemsen, en, in tegenwoordigheid van mr. Laenen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/430262 FA RK 24-6090
datum uitspraak: 10 juli 2026
nadere beschikking betreffende vervangende toestemming erkenning, gezag en naam
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 1],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. S.A.S Matheij, advocaat te Haarlem,
en
[de man]
,
wonende te [woonplaats 2],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. E. Lucas, advocaat te Lelystad.
Als belanghebbende in onderhavige zaak zal ten aanzien van het afstammingsverzoek worden aangemerkt:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, vertegenwoordigd door mr. L.E. Swart in haar hoedanigheid van bijzondere curator.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het verdere procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 4 juli 2025 en alle daarin vermelde stukken;
- het verslag van de bijzondere curator van 2 september 2025;
- de brief van mr. Matheij van 7 oktober 2025;
- het op 10 november 2025 ontvangen aanvullend verzoek van mr. Lucas;
- de brief van mr. Matheij van 24 november 2025.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 16 juni 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat, en de bijzondere curator. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad. Mr. Matheij heeft een pleitnota overgelegd.
2De beoordeling
2.1
Bij voormelde beschikking is een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige vastgesteld en is een bedrag aan kinderalimentatie bepaald. Verder is mr. L.E. Swart benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige]. De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek in te nemen. De beslissing op de verzoeken tot vervangende toestemming tot erkenning en gezamenlijk gezag zijn aangehouden in afwachting van het verslag van de bijzondere curator.
2.2
Aan de rechtbank liggen nog ter beoordeling voor de verzoeken van de man
- hem vervangende toestemming te verlenen voor erkenning door hem van de minderjarige;
- hem samen met de vrouw te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige], met vaststelling van het hoofdverblijf bij de vrouw.
2.3
De man heeft op 10 november 2025 aanvullend verzocht hem vervangende toestemming te verlenen voor het doen van een verzoek bij de Dienst Justis tot wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige], zo dat hij bij toewijzing van dat verzoek voortaan de geslachtsnaam ‘[geslachtsnaam vrouw] [geslachtsnaam man]’ zal kunnen dragen.
Vervangende toestemming erkenning
2.4
De man verzoekt hem vervangende toestemming te verlenen voor erkenning van [minderjarige]. Hij heeft bij de vrouw herhaaldelijk gepleit om toestemming voor erkenning te verlenen. Het is voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] van belang dat uit onafhankelijke bron blijkt dat de man zijn vader is en dat hij mede als gezaghebbende ouder verantwoording draagt voor zijn opvoeding en verzorging. [minderjarige] heeft recht op zekerheid omtrent zijn afstamming en een familierechtelijke betrekking met de man.
2.5
De vrouw vindt het in het belang van [minderjarige] dat de familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en de man tot stand komt. Het is echter niet in het belang van [minderjarige] dat de man mede wordt belast met het gezag over hem. Omdat een erkenning tegenwoordig automatisch het gezag meebrengt, tenzij bij de erkenning wordt aangegeven dat de moeder het eenhoofdig gezag behoudt, heeft de vrouw tot op heden aangegeven dat de man [minderjarige] wel mag erkennen, onder de voorwaarde dat de vrouw het eenhoofdig gezag behoudt. Hier heeft de man niet aan mee willen werken, waardoor de erkenning niet heeft plaatsgevonden.
2.6
De bijzondere curator adviseert in het verslag van 2 september 2025 het verzoek van de man tot vervangende toestemming tot erkenning toe te wijzen. Tussen partijen staat vast dat de man de biologisch vader is van [minderjarige]. [minderjarige] heeft recht op die familierechtelijke band met zijn vader. Aangezien de vrouw het eens is met het verzoek en aangezien de bijzondere curator geen aanwijzingen heeft gevonden die zouden kunnen leiden tot een verstoring van de verhouding tussen moeder en kind en aangezien er ook geen reden is aan te nemen dat de ontwikkeling van [minderjarige] in gevaar komt door zuiver en alleen de erkenning, zijn er geen bezwaren tegen erkenning van [minderjarige] door zijn biologische vader. Wel is er weerstand bij de vrouw voor wat betreft de gevolgen van eventueel gezamenlijk gezag en zijn er wat problemen aangaande de uitvoering van de omgang en het tijdstip van betaling van de kinderalimentatie, maar dit staat los van de erkenning.
2.7
De vrouw heeft bij brief van 7 oktober 2025 bericht geen bezwaar te hebben tegen de erkenning van [minderjarige] door de man. Zij handhaaft haar standpunt ten aanzien van het gezamenlijk gezag.
2.8
De man heeft bij brief van 10 november 2025 bericht in te stemmen met het advies van de bijzondere curator.
2.9
Partijen hebben hun standpunten op de zitting gehandhaafd.
2.10
In artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, voor zover hier van belang, dat de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank kan worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt en die persoon de verwekker is van het kind.
2.11
Niet in geschil is dat de man de verwekker is van [minderjarige]. De vrouw heeft geen bezwaar tegen de erkenning van [minderjarige] door de man, maar wel tegen het van rechtswege ontstaan van gezamenlijk gezag. Dit maakt dat partijen de erkenning niet samen bij de gemeente kunnen regelen. Dit betekent dat het verzoek van de man om hem, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen in beginsel moet worden toegewezen, tenzij er sprake is van een of beide in artikel 1:204, lid 3 BW genoemde weigeringsgronden. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat een erkenning de belangen van de vrouw of de ontwikkeling van [minderjarige] zal schaden.
2.12
De rechtbank zal het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] dan ook toewijzen. De man moet [minderjarige] dan nog wel met deze beschikking bij de gemeente erkennen. Hij kan dit doen nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.
2.13
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.
Gezag en hoofdverblijf
2.14
De man verzoekt daarnaast hem samen met de vrouw te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige], met vaststelling van het hoofdverblijf bij de vrouw.
2.15
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag.
2.16
Aangezien de man, zolang de vervangende toestemming tot erkenning nog niet is geëffectueerd, nog geen juridische vader van [minderjarige] is, is hij niet bevoegd om een verzoek tot gezamenlijk gezag in te dienen. De rechtbank zal dit verzoek om proceseconomische reden wel ontvangen, maar de beslissing daarop pro forma aanhouden, in afwachting van de realisatie van de erkenning. De zaak wordt hiertoe aangehouden in afwachting van bericht van de advocaat van de man dat hij [minderjarige] heeft erkend door een nieuw afschrift van de geboorteakte van [minderjarige] te overleggen met de latere vermelding betreffende erkenning.
2.17
Met instemming van partijen is het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag wel inhoudelijk op de zitting besproken met partijen en de Raad. De rechtbank zal de zaak na ontvangst van genoemd stuk daarom in beginsel schriftelijk afdoen aan de hand van de processtukken en hetgeen op de zitting is besproken.
2.18
De Raad heeft op de zitting aangegeven dat de communicatie tussen partijen in het belang van [minderjarige] verbetering behoeft, los van de vraag of er gezamenlijk gezag komt, en heeft partijen geadviseerd daar nu al hulp bij te gaan zoeken. Partijen kunnen zich in dit advies van de Raad vinden. De vrouw heeft daarop toegezegd, vooruitlopend op de beslissing rond het gezag, partijen aan te zullen melden bij het [jeudgdhulp] in [woonplaats 1].
Naam
2.19
De man heeft aanvullend verzocht hem vervangende toestemming te verlenen voor het doen van een verzoek bij de Dienst Justis tot wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarige [minderjarige], zo dat hij bij toewijzing van dat verzoek voortaan de geslachtsnaam ‘[geslachtsnaam vrouw] [geslachtsnaam man]’ zal kunnen dragen.
2.20
De vrouw heeft bij brief van 21 november 2025 bericht geen bezwaar tegen dit verzoek te hebben en hiermee in te kunnen stemmen.
2.21
De rechtbank overweegt dat geen beslissing kan worden genomen op genoemd verzoek van de man, omdat hij op dit moment niet de juridisch vader van [minderjarige] is. Ook is er nog geen duidelijkheid over de vraag of de man, zodra hij [minderjarige] heeft erkend, met het gezag over [minderjarige] zal worden belast. De grondslag voor het verzoek is daardoor niet helder. Daar komt bij dat het gelet op de recente jurisprudentie de vraag is of een dergelijk verzoek onder de reikwijdte van de geschillenregeling van artikel 1:253a BW valt en indien dat niet het geval is, of er een wettelijke grondslag voor het verzoek is. Op de zitting is wel duidelijk geworden dat de vrouw instemt met de door de man gewenste naamswijziging van [minderjarige] en dat zij ermee instemt dat de man genoemd verzoek bij Dienst Justis zal indienen. Het is dan ook aan de man om, met instemming van de vrouw, genoemd verzoek bij Dienst Justis te doen. Het verzoek van de man aan de rechtbank zal, gelet op het voorgaande, worden afgewezen.
3De beslissing
De rechtbank
3.1
verleent, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, aan de man toestemming tot het erkennen van de [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022;
3.2
beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd;
3.3
wijst af het verzoek van de man omtrent de naam;
3.4
houdt de beslissing op het verzoek van de man omtrent het gezag aan tot 17 november pro forma in afwachting van bericht van de advocaat van de man dat hij de minderjarige heeft erkend met een nieuw afschrift van de geboorteakte van de minderjarige met de latere vermelding betreffende erkenning;
3.5
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Willemsen, en, in tegenwoordigheid van mr. Laenen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.