Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7440

2026-07-10 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/448422 / FA RK 26-2619
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-10
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/448422 / FA RK 26-2619
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

vovo - toevertrouwing - gebruik woning - voorlopige zorgreg ovst + verwijzing UHA en kal

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.074 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT



Team Familie- en Jeugdrecht


Middelburg


Zaaknummer: C/02/448422 / FA RK 26-2619



beschikking d.d. 10 juli 2026 betreffende vaststelling voorlopige voorzieningen



in de zaak van




[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 1],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. B.P.A. van Beers te Roosendaal,


en




[de man]
,
wonende te [woonplaats 2],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. Z.A. Hoetjes te Breda.


Ouders van de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2021;
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2023.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechter over de verzoeken te adviseren

1 Het procesverloop


1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 20 mei 2026 ontvangen verzoekschrift tot het treffen van voorlopige voorzieningen, met bijlagen;
- het op 26 juni 2026 ontvangen verweerschrift voorlopige voorziening tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen;
- het F-formulier d.d. 1 juli 2026 van mr. Van Beers, met bijlage.

1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 2 juli 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.



2De verzoeken


2.1.

De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van de procedure te bepalen:
I. dat de kinderen van partijen aan de vrouw worden toevertrouwd;
II. dat de man met ingang van de te wijzen beschikking met een bedrag van € 483,- per
kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de
kinderen van partijen, aan de vrouw bij vooruitbetaling te voldoen, althans met een
zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank redelijk acht;
III. dat de man met ingang van de te wijzen beschikking met een bedrag van € 100,- per
maand dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, aan de
vrouw bij vooruitbetaling te voldoen, althans met een zodanig bedrag en met ingang
van zodanige datum als de rechtbank redelijk acht;
IV. dat de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan [adres]
te [woonplaats 1], met inbegrip van de inboedel, met
het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden.




2.2.
De man voert verweer en verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- Het verzoek van de vrouw onder I. en IV. toe te wijzen en de overige verzoeken af

te wijzen.
Bij wijze van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

l. Een voorlopige zorgregeling vast te stellen, zoals onder randnummer 9. is opgenomen, althans een voorlopige zorgregeling vast te stellen die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.



2.3.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.






3De beoordeling



Bevoegdheid en toepasselijk recht;




3.1.
Omdat de man de Belgische nationaliteit bezit heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft die ambtshalve beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat haar rechtsmacht toekomt en dat zij naar Nederlands recht dient te beslissen op de verzoeken.



Inhoudelijke beoordeling van de verzoeken;





Toevertrouwing;





3.2.
Het verzoek van de vrouw tot toevertrouwing van de minderjarigen aan haar zal, omdat de man hiertegen geen verweer voert en niet is gebleken dat de zwaarwegende belangen van de minderjarigen zich hiertegen verzetten, op onderstaande wijze worden toegewezen.




Uitsluitend gebruik echtelijke woning;





3.3.
Het verzoek van de vrouw tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning zal, omdat de man hiertegen geen verweer voert, op onderstaande wijze worden toegewezen



Verwijzing Uniform Hulpaanbod;





3.4.
Uit het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat de communicatie tussen partijen niet goed is en dat partijen het erover eens zijn dat hiervoor hulpverlening is geïndiceerd. Verder dienen ouders onder begeleiding te werken aan het herstellen van het vertrouwen over en weer, maar met name van de vrouw in de man. Hierbij speelt dat de vrouw zich zorgen maakt over de psychische gesteldheid van de man en om die reden onbegeleide omgang tussen de man en de minderjarigen op dit moment niet veilig vindt.



3.5.
Het lukt ouders samen niet de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kind een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 3 juli 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd. Ouders zijn daarnaast overeengekomen dat zij zich vrijwillig zullen aanmelden bij de gemeente Bergen op Zoom voor hulpverlening.



3.6.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.



3.7.

Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte interventie);
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).




3.8.

Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de rechtbank als volgt.
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig, bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/448390 / FA RK 26-2604. Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject wordt standaard een termijn van 6 maanden aangehouden. Gelet hierop verzoekt de rechtbank het loket om de volledige UHA-rapportage uiterlijk op de familiekamerrol van dinsdag 8 december 2026, of zoveel eerder als mogelijk is, in de hiervoor genoemde bodemprocedure in te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.




3.9.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot de minderjarigen.



3.10.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.



3.11.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.



3.12.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de in voornoemde bodemprocedure een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?



3.13.
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.



3.14.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van 14 dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.



3.15.
De advocaten van partijen worden verzocht in de bodemprocedure melding te maken van genoemde verwijzing naar het zorgloket.



3.16.
De rechtbank verzoekt partijen in de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van ouders naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van vermelding “UHA in vovo met zaaknummer 448422 d.d. 10 juli 2026”.



3.17.
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.



Voorlopige zorgregeling;





3.18.
De rechtbank ziet aanleiding om in afwachting van voornoemd hulpverleningstraject een voorlopige zorgregeling te bepalen. Na een korte schorsing tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen in samenspraak met de Raad de navolgende voorlopige zorgregeling tussen de man en minderjarigen overeengekomen:
- zondag 5 juli 2026 van 09:00 uur tot 16:00 uur;
- vrijdag 10 juli 2026 van 16:00 uur tot en met zondag 12 juli 2026 16:00 uur;
- zaterdag 18 juli 2026 van 09:00 uur tot 16:00 uur;
- vrijdag 24 juli 2026 van 16:00 uur tot en met zondag 26 juli 2026 16:00 uur;
- zaterdag 8 augustus 2026 van 09:00 tot en met zondag 9 augustus 2026 16:00 uur;
- vrijdag 14 augustus 2026 van 16:00 uur tot en met zondag 16 augustus 16:00 uur;
- zaterdag 22 augustus 2026 van 09:00 uur tot 16:00 uur;
(tussentijds? vakantie ouders man eind augustus en eerste week september)
- vrijdag 11 september 2026 van 16:00 uur tot en met zondag 13 september 2026 16:00 uur;
- zaterdag 19 september 2026 van 09:00 uur tot 16:00 uur;
- vrijdag 25 september 2026 van 16:00 uur tot en met zondag 27 september 2026 16:00 uur
- zaterdag 3 oktober 2026 van 09:00 uur tot 16:00 uur;
- vrijdag 9 oktober 2026 van 16:00 uur tot en met zondag 11 oktober 2026 16:00 uur;
- herfstvakantie vanaf 16 oktober 2026 in nader overleg met hulpverlening.


Partijen zijn overeengekomen dat het halen en brengen vooralsnog wordt gefaciliteerd door de ouders van de man. Als een contactmoment geen doorgang kan vinden dan wordt dit uiterlijk één week van te voren per e-mail medegedeeld aan de wederpartij. Verder zijn partijen overeengekomen dat iedere woensdag om 17:30 uur een belcontact plaatsvindt tussen de man en de minderjarigen via beeldbellen.




Kinderbijdrage;





3.19.
De vrouw legt aan haar verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage ten grondslag dat de minderjarigen behoefte hebben aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat deze de financiële draagkracht heeft die te voldoen.



3.20.
De vrouw heeft aanvankelijk verzocht om een door man aan haar te betalen bijdrage van € 483,- per kind per maand, welke bijdrage ook volgt uit de bij het verzoekschrift overgelegde draagkrachtberekening. Bij F-formulier van 1 juli 2026 heeft mr. Van Beers een aangepaste draagkrachtberekening overgelegd waaruit volgt dat de man - rekening houdend met een zorgkorting van 15% - een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 408,- per kind per maand kan voldoen.



3.20.
De man voert verweer tegen de door de vrouw verzochte bijdrage. Op basis van de bij het verweerschrift overgelegde inkomensgegevens en draagkrachtberekening volgt dat de man - rekening houdend met een zorgkorting van 15% - een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 465,- per kind per maand kan voldoen. De man is bereid deze bijdrage te voldoen per datum beschikking.



3.21.
Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat in het kader van onderhavige voorlopige voorzieningenprocedure uit kan worden gegaan van voornoemde door mr. Zoetjes als productie 4 bij het verweerschrift overgelegde draagkrachtberekening. Uit deze berekening volgt dat de behoefte van de minderjarigen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) € 619,- per kind per maand bedraagt. De draagkracht van de man op basis van zijn huidige inkomen bedraagt € 994,-. Niet in geschil is dat de vrouw (als verzorgende ouder met een uitkering ingevolge de Participatiewet) geen draagkracht heeft. De totale draagkracht van de onderhoudsplichtigen is lager dan de totale behoefte van de minderjarigen. De man kan de zorgkorting slechts deels verzilveren en dient een bijdrage te voldoen van € 465,- per kind per maand, hetgeen ook volgt uit voornoemde draagkrachtberekening. Die bijdrage acht de rechtbank overigens in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal dit op onderstaande wijze bepalen.



Partneralimentatie;





3.22.
De vrouw verzoekt met ingang van de te wijzen beschikking een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 100,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen. De vrouw stelt behoefte te hebben aan een bijdrage van de man en dat deze de financiële draagkracht heeft die te voldoen.



3.23.
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw.



3.24.
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de draagkracht van de man beoordelen. Onder verwijzing naar voornoemde door mr. Zoetjes als productie 4 bij het verweerschrift overgelegde draagkrachtberekening is de rechtbank van oordeel dat er bij de man geen draagkracht resteert om, naast voornoemde bijdrage in de kosten van de minderjarigen van 465,- per kind per maand, een bijdrage te voldoen ten behoeve van de vrouw. Dit betekent dat de rechtbank dit verzoek van de vrouw afwijst.



Tot slot;





3.25.
Tegen deze beslissing staat, nu het voorlopige voorzieningen betreft, geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 Rv kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.






4De beslissing


De rechtbank:



bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2021, en [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2023, worden toevertrouwd aan de vrouw;



bepaalt dat tussen de man en voornoemde minderjarigen een voorlopige zorgregeling geldt zoals hiervoor onder rechtsoverweging 3.18. is overwogen;



bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning te [woonplaats 1], aan de [adres], alsmede de zich daarin bevindende inboedel, en beveelt de man die woning verder niet meer te betreden;



bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen op € 465,- per kind per maand, zulks met ingang van heden;



verwijst ouders en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal ouders en de minderjarigen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;



verzoekt het loket om uiterlijk tegen de familiekamerrol van dinsdag 8 december 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in de bodemprocedure bekend onder zaaknummer
448390 / FA RK 26-2604 de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;



verzoekt partijen in de bodemzaak op het verplicht bij te voegen F1-formulier melding te maken van de verwijzing van partijen naar een (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van UHA door middel van vermelding “UHA in vovo met zaaknummer 448422 d.d. 10 juli 2026”.



verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;



verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;



verzoekt de Raad wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van voornoemde bodemprocedure onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 3.12. opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;



verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen;



wijst af het meer of anders verzochte.



Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.