Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7430
2026-07-09
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/441224 / FA RK 25/5483
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Overeenstemming wijziging zorgregeling en kinderalimentatie
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.039 tekens)
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/441224 / FA RK 25/5483
datum uitspraak: 9 juli 2026
beschikking over zorgregeling en kinderalimentatie
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. Kalle in Middelburg,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. De Vleesschauwer in Terneuzen,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats] , België;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats] , België.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het procesverloop
1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 23 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift wijziging zorgregeling van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 29 oktober 2025 van mr. Kalle, met bijlagen;
- het op 3 juni 2026 ontvangen aanvullend verzoekschrift met zelfstandig verzoek wijziging kinderbijdrage van de man, met bijlagen;
- het op 15 juni 2026 ontvangen verweerschrift wijziging kinderalimentatie van de vrouw, met bijlagen.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 18 juni 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad.
1.3
Voor deze mondelinge behandeling heeft de kinderrechter met [minderjarige 2] gesproken over het verzoek tot wijziging van de zorgregeling. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 19 april 2022 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 16 mei 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
2.2
Voorafgaand aan het huwelijk zijn uit de relatie van partijen voormelde minderjarigen geboren.
2.3
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
2.4
Bij beschikking van deze rechtbank van 24 augustus 2022 is bepaald dat de onderlinge regelingen uit het aan die beschikking gehechte en door de griffier gewaarmerkte ouderschapsplan deel uitmaken van die beschikking.
2.5
In het van voormelde beschikking deel uitmakende ouderschapsplan, door beide partijen ondertekend op 7 juli 2022, zijn partijen, voor zover relevant, het navolgende overeengekomen:
(…)
3.1
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Ouders zijn de volgende zorgregeling overeengekomen:
- In de even weken van woensdagmiddag (na schooltijd) tot de volgende week
donderdagochtend naar school bij moeder
- In de oneven weken van donderdagmiddag ( na schooltijd) tot de volgende week de woensdagochtend naar school bij vader
(…)
Artikel 7 Kinderalimentatie
Ouders zijn overeengekomen dat de eerder vastgestelde bijdrage € 236,00 per kind per maand blijft gehandhaafd.
Als buitengewone kosten hebben ouders vastgesteld:
- De studiekosten ( 18 + jaar)
- Niet vergoede medische kosten ( bril/ beugel)
- Laptop tbv school
- De contributie ( + bijbehorende kleding + schoeisel) voor één sport per kind
Elke ouder is verantwoordelijk voor de oppaskosten voor de duur dat de kinderen volgens de zorgregeling bij hem/ haar verblijven.
(…)
3De verzoeken
3.1
De man verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen in het ouderschapsplan vastgelegde zorgregeling en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te wijzigen, welk ouderschapsplan door de rechtbank is bekrachtigd bij beschikking van 24 augustus 2022 om welke reden ook wordt verzocht de beschikking van 24 augustus 2022 met kenmerk C/02/383176/ FA RK 21-1099 te wijzigen en te bepalen dat de zorg over de minderjarigen per week wisselt tussen de ouders met als wisseldag de vrijdagmiddag waarbij de minderjarigen uit school worden opgehaald door de ouder bij wie zij vervolgens de week zullen doorbrengen, dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank in het belang acht van de minderjarigen en de bijdrage van de man met ingang van de datum indiening verzoekschrift op nihil te bepalen, dan wel een lagere bijdrage vast te stellen die de rechtbank conform de wettelijke maatstaven acht.
3.2
De vrouw voert geen verweer tegen de door de man verzochte wijziging van de zorgregeling. De vrouw is het niet eens met de verzochte wijziging van de kinderalimentatie en verzoekt dat verzoek niet-ontvankelijk te verklaren althans af te wijzen.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.
4De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1
De minderjarigen zijn in België geboren. Dit betekent dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de rechtbank moet beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, moet de rechtbank het toepasselijke recht bepalen.
4.2
Op grond van artikel 7, eerste lid, van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige de gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. De minderjarigen hadden op het moment van het indienen van het verzoekschrift hun gewone verblijfplaats in Nederland. Hierdoor komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
4.3
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond
van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het
verzoek worden toegepast.
Zorgregeling
4.4
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind wenselijk vindt. Op grond van lid 2 van dit artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of één van hen een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder andere omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
4.5
In artikel 1:377e BW, gelezen in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, staat dat de rechtbank op verzoek van de ouders of één van hen een door de ouders onderling getroffen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
4.6
Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.
4.7
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, zodat de man in zijn verzoek wordt ontvangen.
4.8
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat met ingang van het nieuwe schooljaar de zorg voor de minderjarigen per week tussen hen wisselt, met als wisseldag de vrijdagmiddag, waarbij de minderjarigen uit school worden opgehaald door de ouder bij wie zij vervolgens de week zullen doorbrengen. Partijen verzoeken deze gewijzigde zorgregeling vast te stellen.
4.9
Gelet op de overeenstemming van partijen en nu niet is gebleken dat de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich verzetten tegen de overeengekomen zorgregeling, zal de rechtbank die zorgregeling op onderstaande wijze vaststellen.
Kinderalimentatie
4.10
Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
4.11
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat zich een wijziging van omstandigheden als bedoeld in voormeld artikel voordoet. De man wordt daarom in zijn verzoek ontvangen.
4.12
Tijdens de mondeling behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, in die zin dat de man met ingang van 1 augustus 2026 een kinderalimentatie van € 150,= per kind per maand zal voldoen, waarbij de wettelijke indexering zal ingaan per 1 januari 2027. Partijen hebben tevens de navolgende afspraken gemaakt over de betaling door hen van de in artikel 7 van het ouderschapsplan vermelde buitengewone kosten van de minderjarigen:
De studiekosten (18+): ieder voor de helft;
Kosten voor een bril/beugel/steunzolen: ieder voor de helft;
Kosten voor een laptop ten behoeve van school / schoolexcursies / schoolreizen: ieder voor de helft;
De huidige contributie voor de sporten: ieder voor de helft. Indien een minderjarige een nieuwe sport wilt beoefenen, vindt hierover tussen partijen eerst overleg plaats.
Ieder van partijen koopt zelf kleding en schoeisel voor de minderjarigen, met uitzondering van sportkleding. Sportkleding wordt eenmalig gekocht en gaat met de minderjarigen mee als zij bij de andere ouder verblijven.
4.13
De rechtbank zal conform de tussen partijen bereikte overeenstemming beslissen, nu zij deze overeenstemming niet in strijd met de wettelijke maatstaven acht.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.14
De rechtbank zal de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van de minderjarigen is dat de beslissingen ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kunnen worden.
5De beslissing
De rechtbank
5.1
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 24 augustus 2022 en het daaraan gehechte en daarvan deel uitmakende ouderschapsplan voor wat betreft de in artikel 3.1 opgenomen zorgregeling als volgt:
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen de zorg voor de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats] , België en [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats] , België, per week tussen partijen wisselt, met als wisseldag de vrijdagmiddag, waarbij de minderjarigen uit school worden opgehaald door de ouder bij wie zij vervolgens de week zullen doorbrengen, zulks met ingang van het nieuwe schooljaar 2026/2027;
5.2
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 24 augustus 2022 en het daaraan gehechte en daarvan deel uitmakende ouderschapsplan voor wat betreft de in artikel 7 opgenomen kinderalimentatie als volgt:
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van voornoemde minderjarigen op een bedrag van € 150,- per kind per maand, zulks met ingang van 1 augustus 2026 en wettelijke indexering per 1 januari 2027 en bepaalt dat de betaling door partijen van de buitengewone kosten van de minderjarigen plaatsvindt op de wijze zoals vermeld onder rechtsoverweging 4.12 van deze beschikking;
5.3
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Polak, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026, in aanwezigheid van Bakker-Maljers, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/441224 / FA RK 25/5483
datum uitspraak: 9 juli 2026
beschikking over zorgregeling en kinderalimentatie
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. Kalle in Middelburg,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. De Vleesschauwer in Terneuzen,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats] , België;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats] , België.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1Het procesverloop
1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 23 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift wijziging zorgregeling van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 29 oktober 2025 van mr. Kalle, met bijlagen;
- het op 3 juni 2026 ontvangen aanvullend verzoekschrift met zelfstandig verzoek wijziging kinderbijdrage van de man, met bijlagen;
- het op 15 juni 2026 ontvangen verweerschrift wijziging kinderalimentatie van de vrouw, met bijlagen.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 18 juni 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad.
1.3
Voor deze mondelinge behandeling heeft de kinderrechter met [minderjarige 2] gesproken over het verzoek tot wijziging van de zorgregeling. Tijdens de zitting heeft de rechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 19 april 2022 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 16 mei 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
2.2
Voorafgaand aan het huwelijk zijn uit de relatie van partijen voormelde minderjarigen geboren.
2.3
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
2.4
Bij beschikking van deze rechtbank van 24 augustus 2022 is bepaald dat de onderlinge regelingen uit het aan die beschikking gehechte en door de griffier gewaarmerkte ouderschapsplan deel uitmaken van die beschikking.
2.5
In het van voormelde beschikking deel uitmakende ouderschapsplan, door beide partijen ondertekend op 7 juli 2022, zijn partijen, voor zover relevant, het navolgende overeengekomen:
(…)
3.1
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Ouders zijn de volgende zorgregeling overeengekomen:
- In de even weken van woensdagmiddag (na schooltijd) tot de volgende week
donderdagochtend naar school bij moeder
- In de oneven weken van donderdagmiddag ( na schooltijd) tot de volgende week de woensdagochtend naar school bij vader
(…)
Artikel 7 Kinderalimentatie
Ouders zijn overeengekomen dat de eerder vastgestelde bijdrage € 236,00 per kind per maand blijft gehandhaafd.
Als buitengewone kosten hebben ouders vastgesteld:
- De studiekosten ( 18 + jaar)
- Niet vergoede medische kosten ( bril/ beugel)
- Laptop tbv school
- De contributie ( + bijbehorende kleding + schoeisel) voor één sport per kind
Elke ouder is verantwoordelijk voor de oppaskosten voor de duur dat de kinderen volgens de zorgregeling bij hem/ haar verblijven.
(…)
3De verzoeken
3.1
De man verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen in het ouderschapsplan vastgelegde zorgregeling en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te wijzigen, welk ouderschapsplan door de rechtbank is bekrachtigd bij beschikking van 24 augustus 2022 om welke reden ook wordt verzocht de beschikking van 24 augustus 2022 met kenmerk C/02/383176/ FA RK 21-1099 te wijzigen en te bepalen dat de zorg over de minderjarigen per week wisselt tussen de ouders met als wisseldag de vrijdagmiddag waarbij de minderjarigen uit school worden opgehaald door de ouder bij wie zij vervolgens de week zullen doorbrengen, dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank in het belang acht van de minderjarigen en de bijdrage van de man met ingang van de datum indiening verzoekschrift op nihil te bepalen, dan wel een lagere bijdrage vast te stellen die de rechtbank conform de wettelijke maatstaven acht.
3.2
De vrouw voert geen verweer tegen de door de man verzochte wijziging van de zorgregeling. De vrouw is het niet eens met de verzochte wijziging van de kinderalimentatie en verzoekt dat verzoek niet-ontvankelijk te verklaren althans af te wijzen.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.
4De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1
De minderjarigen zijn in België geboren. Dit betekent dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de rechtbank moet beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, moet de rechtbank het toepasselijke recht bepalen.
4.2
Op grond van artikel 7, eerste lid, van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige de gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. De minderjarigen hadden op het moment van het indienen van het verzoekschrift hun gewone verblijfplaats in Nederland. Hierdoor komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
4.3
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond
van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het
verzoek worden toegepast.
Zorgregeling
4.4
In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind wenselijk vindt. Op grond van lid 2 van dit artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of één van hen een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder andere omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
4.5
In artikel 1:377e BW, gelezen in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, staat dat de rechtbank op verzoek van de ouders of één van hen een door de ouders onderling getroffen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
4.6
Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.
4.7
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, zodat de man in zijn verzoek wordt ontvangen.
4.8
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat met ingang van het nieuwe schooljaar de zorg voor de minderjarigen per week tussen hen wisselt, met als wisseldag de vrijdagmiddag, waarbij de minderjarigen uit school worden opgehaald door de ouder bij wie zij vervolgens de week zullen doorbrengen. Partijen verzoeken deze gewijzigde zorgregeling vast te stellen.
4.9
Gelet op de overeenstemming van partijen en nu niet is gebleken dat de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich verzetten tegen de overeengekomen zorgregeling, zal de rechtbank die zorgregeling op onderstaande wijze vaststellen.
Kinderalimentatie
4.10
Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
4.11
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat zich een wijziging van omstandigheden als bedoeld in voormeld artikel voordoet. De man wordt daarom in zijn verzoek ontvangen.
4.12
Tijdens de mondeling behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, in die zin dat de man met ingang van 1 augustus 2026 een kinderalimentatie van € 150,= per kind per maand zal voldoen, waarbij de wettelijke indexering zal ingaan per 1 januari 2027. Partijen hebben tevens de navolgende afspraken gemaakt over de betaling door hen van de in artikel 7 van het ouderschapsplan vermelde buitengewone kosten van de minderjarigen:
De studiekosten (18+): ieder voor de helft;
Kosten voor een bril/beugel/steunzolen: ieder voor de helft;
Kosten voor een laptop ten behoeve van school / schoolexcursies / schoolreizen: ieder voor de helft;
De huidige contributie voor de sporten: ieder voor de helft. Indien een minderjarige een nieuwe sport wilt beoefenen, vindt hierover tussen partijen eerst overleg plaats.
Ieder van partijen koopt zelf kleding en schoeisel voor de minderjarigen, met uitzondering van sportkleding. Sportkleding wordt eenmalig gekocht en gaat met de minderjarigen mee als zij bij de andere ouder verblijven.
4.13
De rechtbank zal conform de tussen partijen bereikte overeenstemming beslissen, nu zij deze overeenstemming niet in strijd met de wettelijke maatstaven acht.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.14
De rechtbank zal de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van de minderjarigen is dat de beslissingen ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kunnen worden.
5De beslissing
De rechtbank
5.1
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 24 augustus 2022 en het daaraan gehechte en daarvan deel uitmakende ouderschapsplan voor wat betreft de in artikel 3.1 opgenomen zorgregeling als volgt:
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen de zorg voor de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats] , België en [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats] , België, per week tussen partijen wisselt, met als wisseldag de vrijdagmiddag, waarbij de minderjarigen uit school worden opgehaald door de ouder bij wie zij vervolgens de week zullen doorbrengen, zulks met ingang van het nieuwe schooljaar 2026/2027;
5.2
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 24 augustus 2022 en het daaraan gehechte en daarvan deel uitmakende ouderschapsplan voor wat betreft de in artikel 7 opgenomen kinderalimentatie als volgt:
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van voornoemde minderjarigen op een bedrag van € 150,- per kind per maand, zulks met ingang van 1 augustus 2026 en wettelijke indexering per 1 januari 2027 en bepaalt dat de betaling door partijen van de buitengewone kosten van de minderjarigen plaatsvindt op de wijze zoals vermeld onder rechtsoverweging 4.12 van deze beschikking;
5.3
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Polak, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026, in aanwezigheid van Bakker-Maljers, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.