Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7415
2026-07-09
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/449045 / KG ZA 26-306
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kosten compensatie
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHARN:2008:BG4803 Gerechtshof Arnhem 19-11-2008
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.968 tekens)
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer: C/02/449045 / KG ZA 26-306
9 juli 2026
Vonnis in kort geding
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
advocaat: mr. D.W.L. Cloots te [geboorteplaats 2],
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat: mr. T.P. Monteiro Mendonça.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 4 producties;
- de conclusie van antwoord met 1 productie;
- de pleitnota van mr. Cloots.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting van 25 juni 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarigen en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de zitting zijn partijen verschenen, ieder bijgestaan door hun advocaat.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn gehuwd. Uit dit huwelijk zijn de navolgende thans nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013;
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2022.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
2.3.
Tussen partijen is een echtscheidingsprocedure aanhangig bij deze rechtbank, waarbij door de vrouw voorlopige voorzieningen zijn verzocht.
3De vordering
3.1.
De vrouw vordert -na aanvulling van haar vordering- bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair de man te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis het handtekeningformulier van CZ Zorgverzekeringen, strekkende tot bijschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op de zorgpolis van de vrouw bij CZ Zorgverzekeringen ([kenmerk]), te ondertekenen en dit ondertekende formulier te retourneren aan de raadsvrouw van de vrouw ter doorzending, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,= voor iedere dag dat de man in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, met een maximum van € 25.000,=;
II. subsidiair te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de handtekening van de man op het CZ-handtekeningformulier d.d. 21 mei 2026 ([kenmerk]), op grond van artikel 3:300 lid 2 BW, zodat de vrouw op basis van dit vonnis [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eigenmachtig kan laten bijschrijven op haar zorgpolis bij CZ Zorgverzekeringen;
III. De vrouw begroot deze op:
- griffierecht: nog te begroten;
- kosten deurwaarder voor betekening: nog niet bekend;
- salaris advocaat conform liquidatietarief kort geding per 1 februari 2026;
- nakosten: € 189,=, dan wel bij betekening € 287,=;
- kosten eigen bijdrage € 188,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling tot aan de datum van algehele voldoening.
3.2.
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen. Kosten rechtens.
4De beoordeling
4.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door de vrouw tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vordering vast.
4.2.
Gebleken is echter dat de man, voorafgaand aan de zitting, aan de vrouw inmiddels zijn toestemming heeft gegeven om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij te schrijven op haar zorgpolis bij CZ Zorgverzekeringen. Nu de vrouw bij beoordeling van haar vorderingen sub I en II geen belang meer heeft, zullen deze vorderingen worden afgewezen.
4.3.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij door toedoen van de man nodeloos kosten heeft gemaakt voor de onderhavige procedure. Zij stelt dat de man pas nadat de dagvaarding was uitgebracht en de zittingsdatum was bepaald, alsnog zijn toestemming heeft gegeven. Volgens de vrouw wordt op grond van artikel 237 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de partij die de proceskosten nodeloos heeft veroorzaakt daarin veroordeeld. Naar de mening van de vrouw heeft de man door zijn langdurige en ongemotiveerde weigering de noodzaak gecreëerd om het onderhavige kort geding aanhangig te maken en zijn alle proceskosten rechtstreeks door zijn toedoen ontstaan.
4.4.
Naar de mening van de man zet de vrouw de procedure onnodig door en jaagt hij hem daarmee op kosten en belast zij de rechtspraak onnodig. Voor zover de man bekend procedeert de vrouw met een toevoeging en zijn haar advocaatkosten daardoor beperkt gebleven. Het betekenen van de dagvaarding valt volgens de man onder de toevoeging en voor zover een punt wordt gemaakt van het griffierecht had dat voorkomen kunnen worden.
Naar de mening van de man had de vrouw na de door hem gegeven toestemming de procedure kunnen intrekken. De man verzoekt de vordering van de vrouw om hem in de proceskosten te veroordelen, af te wijzen op grond van artikel 237 lid 1 Rv, omdat het om een familiezaak gaat waarbij partijen in beginsel de eigen kosten moeten dragen.
4.5.
De voorzieningenrechter overweegt dat in zaken tussen (ex) partners in het algemeen besloten wordt tot compensatie van kosten. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen. De gedachte daarachter is dat de afwikkeling van een scheiding tussen de partners dikwijls met vele persoonlijke en interrelationele moeilijkheden gepaard gaat. De redelijkheid en billijkheid brengen mee dat niet te snel tot een kostenveroordeling ten laste van een van partijen wordt overgegaan. Een zakelijk 'gelijk' van de een op een of meer onderdelen van de rechtsstrijd tussen partijen betekent immers niet zonder meer dat de ander, de aard van de geschilpunten in aanmerking genomen, de zaak zonder behoorlijke gronden aanhangig heeft gemaakt of verweer heeft gevoerd tegen de verzoeken van de ander. Die gronden kunnen deels gelegen zijn in de emotionele geladenheid van de problematiek. De rechter in familierechtelijke aangelegenheden zou zijn taak miskennen, indien hij uitsluitend toegankelijk zou zijn voor een zakelijke en juridische argumentatie. Om die reden behoren geen te hoge drempels te worden opgeworpen voor de toegang tot de rechter. Dit brengt onder meer mee dat bij de beslissing omtrent de kosten in het algemeen niet kan worden volstaan met de vaststelling dat het zakelijke gelijk geheel of in overwegende mate bij een van de partijen ligt. De noodzakelijke terughoudendheid van de rechter wordt ook ingegeven door de overweging dat partijen in vele gevallen nog met elkaar verder moeten, al was het maar omdat zij gezamenlijke kinderen hebben. Een kostenveroordeling ten laste van de een ten gunste van de ander kan de verdere relatie belasten, omdat deze veroordeling als prestigewinst kan worden opgevat. Ook in familierechtelijke zaken kunnen zich echter gevallen voordoen waarbij het juist in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn de kosten te compenseren (Gerechtshof Leeuwarden 19 november 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG4803).
4.6.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarvan in het onderhavige geval geen sprake. De man heeft in een vroeg stadium van de procedure aangegeven dat hij geen verweer voert tegen de oorspronkelijke vordering van de vrouw. Desondanks heeft de vrouw willen doorprocederen. Hierdoor en als gevolg van de zitting zijn de proceskosten van beide partijen opgelopen.
4.7.
Partijen gaan nog een echtscheidingsprocedure tegemoet. Tussen partijen moet nog veel geregeld worden. Het is de voorzieningenrechter tijdens de zitting gebleken dat partijen elkaar dienaangaande over en weer wantrouwen en dat er nog veel emoties spelen. Een kostenveroordeling van een van partijen acht de voorzieningenrechter onder de gegeven omstandigheden niet op zijn plaats.
De voorzieningenrechter zal de proceskosten van de onderhavige procedure dan ook tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit betekent dat de vordering van de vrouw ook voor het overige zal worden afgewezen.
4.8.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.9.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.2.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Pellikaan, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026 in tegenwoordigheid van Van Dongen, griffier.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer: C/02/449045 / KG ZA 26-306
9 juli 2026
Vonnis in kort geding
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
advocaat: mr. D.W.L. Cloots te [geboorteplaats 2],
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat: mr. T.P. Monteiro Mendonça.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 4 producties;
- de conclusie van antwoord met 1 productie;
- de pleitnota van mr. Cloots.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting van 25 juni 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarigen en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de zitting zijn partijen verschenen, ieder bijgestaan door hun advocaat.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn gehuwd. Uit dit huwelijk zijn de navolgende thans nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013;
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2022.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
2.3.
Tussen partijen is een echtscheidingsprocedure aanhangig bij deze rechtbank, waarbij door de vrouw voorlopige voorzieningen zijn verzocht.
3De vordering
3.1.
De vrouw vordert -na aanvulling van haar vordering- bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair de man te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis het handtekeningformulier van CZ Zorgverzekeringen, strekkende tot bijschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op de zorgpolis van de vrouw bij CZ Zorgverzekeringen ([kenmerk]), te ondertekenen en dit ondertekende formulier te retourneren aan de raadsvrouw van de vrouw ter doorzending, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,= voor iedere dag dat de man in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, met een maximum van € 25.000,=;
II. subsidiair te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de handtekening van de man op het CZ-handtekeningformulier d.d. 21 mei 2026 ([kenmerk]), op grond van artikel 3:300 lid 2 BW, zodat de vrouw op basis van dit vonnis [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eigenmachtig kan laten bijschrijven op haar zorgpolis bij CZ Zorgverzekeringen;
III. De vrouw begroot deze op:
- griffierecht: nog te begroten;
- kosten deurwaarder voor betekening: nog niet bekend;
- salaris advocaat conform liquidatietarief kort geding per 1 februari 2026;
- nakosten: € 189,=, dan wel bij betekening € 287,=;
- kosten eigen bijdrage € 188,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling tot aan de datum van algehele voldoening.
3.2.
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen. Kosten rechtens.
4De beoordeling
4.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door de vrouw tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vordering vast.
4.2.
Gebleken is echter dat de man, voorafgaand aan de zitting, aan de vrouw inmiddels zijn toestemming heeft gegeven om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij te schrijven op haar zorgpolis bij CZ Zorgverzekeringen. Nu de vrouw bij beoordeling van haar vorderingen sub I en II geen belang meer heeft, zullen deze vorderingen worden afgewezen.
4.3.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij door toedoen van de man nodeloos kosten heeft gemaakt voor de onderhavige procedure. Zij stelt dat de man pas nadat de dagvaarding was uitgebracht en de zittingsdatum was bepaald, alsnog zijn toestemming heeft gegeven. Volgens de vrouw wordt op grond van artikel 237 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de partij die de proceskosten nodeloos heeft veroorzaakt daarin veroordeeld. Naar de mening van de vrouw heeft de man door zijn langdurige en ongemotiveerde weigering de noodzaak gecreëerd om het onderhavige kort geding aanhangig te maken en zijn alle proceskosten rechtstreeks door zijn toedoen ontstaan.
4.4.
Naar de mening van de man zet de vrouw de procedure onnodig door en jaagt hij hem daarmee op kosten en belast zij de rechtspraak onnodig. Voor zover de man bekend procedeert de vrouw met een toevoeging en zijn haar advocaatkosten daardoor beperkt gebleven. Het betekenen van de dagvaarding valt volgens de man onder de toevoeging en voor zover een punt wordt gemaakt van het griffierecht had dat voorkomen kunnen worden.
Naar de mening van de man had de vrouw na de door hem gegeven toestemming de procedure kunnen intrekken. De man verzoekt de vordering van de vrouw om hem in de proceskosten te veroordelen, af te wijzen op grond van artikel 237 lid 1 Rv, omdat het om een familiezaak gaat waarbij partijen in beginsel de eigen kosten moeten dragen.
4.5.
De voorzieningenrechter overweegt dat in zaken tussen (ex) partners in het algemeen besloten wordt tot compensatie van kosten. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen. De gedachte daarachter is dat de afwikkeling van een scheiding tussen de partners dikwijls met vele persoonlijke en interrelationele moeilijkheden gepaard gaat. De redelijkheid en billijkheid brengen mee dat niet te snel tot een kostenveroordeling ten laste van een van partijen wordt overgegaan. Een zakelijk 'gelijk' van de een op een of meer onderdelen van de rechtsstrijd tussen partijen betekent immers niet zonder meer dat de ander, de aard van de geschilpunten in aanmerking genomen, de zaak zonder behoorlijke gronden aanhangig heeft gemaakt of verweer heeft gevoerd tegen de verzoeken van de ander. Die gronden kunnen deels gelegen zijn in de emotionele geladenheid van de problematiek. De rechter in familierechtelijke aangelegenheden zou zijn taak miskennen, indien hij uitsluitend toegankelijk zou zijn voor een zakelijke en juridische argumentatie. Om die reden behoren geen te hoge drempels te worden opgeworpen voor de toegang tot de rechter. Dit brengt onder meer mee dat bij de beslissing omtrent de kosten in het algemeen niet kan worden volstaan met de vaststelling dat het zakelijke gelijk geheel of in overwegende mate bij een van de partijen ligt. De noodzakelijke terughoudendheid van de rechter wordt ook ingegeven door de overweging dat partijen in vele gevallen nog met elkaar verder moeten, al was het maar omdat zij gezamenlijke kinderen hebben. Een kostenveroordeling ten laste van de een ten gunste van de ander kan de verdere relatie belasten, omdat deze veroordeling als prestigewinst kan worden opgevat. Ook in familierechtelijke zaken kunnen zich echter gevallen voordoen waarbij het juist in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn de kosten te compenseren (Gerechtshof Leeuwarden 19 november 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BG4803).
4.6.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarvan in het onderhavige geval geen sprake. De man heeft in een vroeg stadium van de procedure aangegeven dat hij geen verweer voert tegen de oorspronkelijke vordering van de vrouw. Desondanks heeft de vrouw willen doorprocederen. Hierdoor en als gevolg van de zitting zijn de proceskosten van beide partijen opgelopen.
4.7.
Partijen gaan nog een echtscheidingsprocedure tegemoet. Tussen partijen moet nog veel geregeld worden. Het is de voorzieningenrechter tijdens de zitting gebleken dat partijen elkaar dienaangaande over en weer wantrouwen en dat er nog veel emoties spelen. Een kostenveroordeling van een van partijen acht de voorzieningenrechter onder de gegeven omstandigheden niet op zijn plaats.
De voorzieningenrechter zal de proceskosten van de onderhavige procedure dan ook tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit betekent dat de vordering van de vrouw ook voor het overige zal worden afgewezen.
4.8.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.9.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.2.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Pellikaan, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026 in tegenwoordigheid van Van Dongen, griffier.