Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7406
2026-07-09
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/450166 / JE RK 26-1232
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Spoed vots en spoed muhop. zonder horen + latere zittingsdatum
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.838 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/450166 / JE RK 26-1232
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Beschikking (spoed) voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Zeeland-West-Brabant,
gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen de GI,
gevestigd te Middelburg.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het (spoed)verzoek van de Raad, ontvangen op 9 juli 2026.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] met spoed voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4De beoordeling
4.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 800 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking betreffende een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing aanstonds worden afgegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.
4.2.
Uit het verzoek blijkt dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld (artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek (BW). Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. [minderjarige] zal voorlopig onder toezicht worden gesteld voor een termijn van twee weken, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek (artikel 1:257 BW). Ook is de kinderrechter van oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is dat [minderjarige] met spoed uit huis wordt geplaatst (1:265b BW).
4.3.
Op basis van het telefonisch toegelichte (spoed)verzoek is de kinderrechter van oordeel dat sprake is van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Daartoe overweegt de kinderrechter het volgende.
4.4.
Uit de overgelegde stukken is de kinderrechter gebleken dat er sprake is van een acute en ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] woont met haar zusje, halfbroertje en twee halfzusjes (hierna: de brusjes) bij moeder. Het is de kinderrechter gebleken dat de moeder als gevolg van haar psychische problematiek en de recente verslechtering van haar fysieke situatie onvoldoende in staat is [minderjarige] de veiligheid, stabiliteit en verzorging te bieden die zij nodig heeft. De moeder is niet langer emotioneel en fysiek beschikbaar voor [minderjarige] , haar psychische toestand is zorgwekkend, de moeder kampt daarnaast met ernstige migraine en uitval. In korte tijd zijn er verschillende zorgmeldingen gedaan. Ook heeft moeder op 2 juli 2026 zelf een ambulance gebeld voor haar gezondheidsklachten. Moeder heeft daarnaast aan de hulpverlening meermaals aangegeven dat zij de opvoeding en verzorging voor de kinderen niet meer aan kan. Bij separate beslissingen van heden zijn spoedmachtigingen verleend om de overige thuiswonende brusjes, waarvoor al een ondertoezichtstelling loopt, uit huis te plaatsen. [minderjarige] krijgt niet langer de noodzakelijke verzorging en veiligheid. De kinderrechter constateert dat de zorgen zijn toegenomen en dat de thuissituatie zodanig is verslechterd dat ook voor [minderjarige] een onmiddellijke ingreep noodzakelijk is. Een spoeduithuisplaatsing is daarom vereist om haar veiligheid direct te waarborgen. De situatie bij de vader biedt op dit moment eveneens onvoldoende waarborgen voor de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] nu er onvoldoende zicht bestaat op zijn opvoedingsmogelijkheden en hij haar niet direct een stabiele en veilige opvoedsituatie kan bieden. Vader woont daarnaast in een kamer. Daarom acht de kinderrechter een plaatsing in een neutraal pleeggezin op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] .
4.5.
De kinderrechter is van oordeel dat de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden maken dat het noodzakelijk is dat er direct een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing zal worden uitgesproken. De beschreven thuissituatie is onveilig voor [minderjarige] . Het is dan ook noodzakelijk dat een jeugdbeschermer betrokken is die de belangen van [minderjarige] voorop zal stellen en zal bezien wat er nodig is om de situatie zodanig te verbeteren voor [minderjarige] . De verzoeken van de Raad zullen dan ook worden toegewezen.
4.6.
De Raad, de GI, de moeder en de vader worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hieronder genoemde zitting. In afwachting van deze zitting zullen de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee weken worden verleend, te weten met ingang van 9 juli 2026 en tot 23 juli 2026. Verdere beslissingen op de verzoeken zal de kinderrechter pas nemen nadat de zitting heeft plaatsgevonden.
4.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 9 juli 2026 en tot 23 juli 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 9 juli 2026 en tot 23 juli 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek;
5.3.
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
bepaalt dat de Raad, de GI, de moeder en de vader zullen worden gehoord tijdens de zitting van [datum] 2026 te [uur], welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie [woonplaats] , Kousteensedijk 2, ten overstaan van mr. Borm voor de duur van 60 minuten;
5.5.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de Raad, de GI, de moeder en de vader;
5.6.
houdt de beslissingen voor het overige aan.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 10 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/450166 / JE RK 26-1232
Datum uitspraak: 9 juli 2026
Beschikking (spoed) voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Zeeland-West-Brabant,
gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen de GI,
gevestigd te Middelburg.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het (spoed)verzoek van de Raad, ontvangen op 9 juli 2026.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] met spoed voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4De beoordeling
4.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 800 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking betreffende een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing aanstonds worden afgegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.
4.2.
Uit het verzoek blijkt dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld (artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek (BW). Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. [minderjarige] zal voorlopig onder toezicht worden gesteld voor een termijn van twee weken, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek (artikel 1:257 BW). Ook is de kinderrechter van oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is dat [minderjarige] met spoed uit huis wordt geplaatst (1:265b BW).
4.3.
Op basis van het telefonisch toegelichte (spoed)verzoek is de kinderrechter van oordeel dat sprake is van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Daartoe overweegt de kinderrechter het volgende.
4.4.
Uit de overgelegde stukken is de kinderrechter gebleken dat er sprake is van een acute en ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] woont met haar zusje, halfbroertje en twee halfzusjes (hierna: de brusjes) bij moeder. Het is de kinderrechter gebleken dat de moeder als gevolg van haar psychische problematiek en de recente verslechtering van haar fysieke situatie onvoldoende in staat is [minderjarige] de veiligheid, stabiliteit en verzorging te bieden die zij nodig heeft. De moeder is niet langer emotioneel en fysiek beschikbaar voor [minderjarige] , haar psychische toestand is zorgwekkend, de moeder kampt daarnaast met ernstige migraine en uitval. In korte tijd zijn er verschillende zorgmeldingen gedaan. Ook heeft moeder op 2 juli 2026 zelf een ambulance gebeld voor haar gezondheidsklachten. Moeder heeft daarnaast aan de hulpverlening meermaals aangegeven dat zij de opvoeding en verzorging voor de kinderen niet meer aan kan. Bij separate beslissingen van heden zijn spoedmachtigingen verleend om de overige thuiswonende brusjes, waarvoor al een ondertoezichtstelling loopt, uit huis te plaatsen. [minderjarige] krijgt niet langer de noodzakelijke verzorging en veiligheid. De kinderrechter constateert dat de zorgen zijn toegenomen en dat de thuissituatie zodanig is verslechterd dat ook voor [minderjarige] een onmiddellijke ingreep noodzakelijk is. Een spoeduithuisplaatsing is daarom vereist om haar veiligheid direct te waarborgen. De situatie bij de vader biedt op dit moment eveneens onvoldoende waarborgen voor de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] nu er onvoldoende zicht bestaat op zijn opvoedingsmogelijkheden en hij haar niet direct een stabiele en veilige opvoedsituatie kan bieden. Vader woont daarnaast in een kamer. Daarom acht de kinderrechter een plaatsing in een neutraal pleeggezin op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] .
4.5.
De kinderrechter is van oordeel dat de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden maken dat het noodzakelijk is dat er direct een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing zal worden uitgesproken. De beschreven thuissituatie is onveilig voor [minderjarige] . Het is dan ook noodzakelijk dat een jeugdbeschermer betrokken is die de belangen van [minderjarige] voorop zal stellen en zal bezien wat er nodig is om de situatie zodanig te verbeteren voor [minderjarige] . De verzoeken van de Raad zullen dan ook worden toegewezen.
4.6.
De Raad, de GI, de moeder en de vader worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hieronder genoemde zitting. In afwachting van deze zitting zullen de voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee weken worden verleend, te weten met ingang van 9 juli 2026 en tot 23 juli 2026. Verdere beslissingen op de verzoeken zal de kinderrechter pas nemen nadat de zitting heeft plaatsgevonden.
4.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 9 juli 2026 en tot 23 juli 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 9 juli 2026 en tot 23 juli 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek;
5.3.
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
bepaalt dat de Raad, de GI, de moeder en de vader zullen worden gehoord tijdens de zitting van [datum] 2026 te [uur], welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie [woonplaats] , Kousteensedijk 2, ten overstaan van mr. Borm voor de duur van 60 minuten;
5.5.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de Raad, de GI, de moeder en de vader;
5.6.
houdt de beslissingen voor het overige aan.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 10 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).