Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7386

2026-07-08 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/446273 / FA RK 26-1462
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-08-08
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/446273 / FA RK 26-1462
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek eenhoofdig gezag toegewezen. Wijziging van omstandigheden ten opzichte van de situatie toen gezamenlijk gezag ontstond. Klem-criterium

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.545 tekens)
beschikking




RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT




Team Familie- en Jeugdrecht



Zittingsplaats: Breda



Zaaknummer: C/02/446273 / FA RK 26-1462



datum uitspraak: 8 juli 2026




beschikking over wijziging gezag


in de zaak van





[de man]
,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens in Roosendaal,



tegen





[de vrouw],

hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. Z. Yeral in Roosendaal,



over de minderjarigen:


- [minderjarige 1]geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012, hierna: [minderjarige 1],
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2015, hierna: [minderjarige 2],
- [minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 3] 2020, hierna: [minderjarige 3].


De rechtbank merkt als informant aan:




STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).



Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.





1Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:


het op 18 maart 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;


het op 24 juni 2026 ontvangen verweerschrift;


het op 24 juni 2026 ontvangen F9D-formulier van mr. Mattheussens, met bijlage.





1.2
De door de GI ingediende stukken heeft de rechtbank geweigerd, omdat de GI als informant in deze zaak is betrokken en een informant niet de bevoegdheid heeft om uit eigener beweging stukken in te dienen.



1.3
Op [geboortedag 2] 2026 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord partijen, bijgestaan door hun advocaat. Ook waren aanwezig een medewerker namens de GI en een medewerker namens de Raad, en, met instemming van partijen, een bij de Raad werkzame stagiaire.



1.4

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van het verzoek vinden. Zij hebben van deze mogelijkheid geen gebruik van gemaakt.





2De feiten


2.1
Partijen hebben met elkaar een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geboren.



2.2
De ouders hebben met ingang van 31 mei 2012 gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1]. In de beschikking van deze rechtbank van 20 februari 2024 is bepaald dat partijen samen het gezag hebben over [minderjarige 2] en [minderjarige 3].



2.3
Bij beschikking van deze rechtbank van 20 februari 2024 zijn [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI. Sindsdien is die maatregel steeds verlengd. Laatstelijk, bij beschikking van 11 februari 2026, is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd met ingang van 20 februari 2026 tot 20 februari 2027.



2.4
Bij beschikking van 22 november 2024 is bepaald dat [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] het hoofdverblijf hebben bij de man. Voor zover hier van belang, heeft de rechtbank ook bepaald dat in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken er tussen de vrouw en [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] enkel (een vorm van) contact zal zijn, als dat door de hulpverlening en de GI in het belang van de minderjarigen wordt geacht, waarbij de vorm, duur en frequentie van dat contact door (en onder regie van) de GI wordt bepaald en geëvalueerd.





3Het verzoek


3.1
De man verzoekt om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te beëindigen en de man in plaats daarvan te belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarigen.



3.2
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man en vraagt dit af te wijzen.





4De beoordeling



Standpunt van de man



4.1
De man legt, samengevat, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag. Sinds het ontstaan van het gezamenlijk gezag is er een wijziging van omstandigheden opgetreden. Deze wijziging is erin gelegen dat ondanks de inspanningen van de GI er geen contact tot stand is gekomen tussen de vrouw en de kinderen en dat niet meer valt te verwachten dat hierin in de toekomst nog verandering optreedt. De vrouw heeft al gedurende vier jaar geen contact met de kinderen. Ze kampt al jaren met psychische klachten en is in verband daarmee begin dit jaar (vrijwillig) opgenomen geweest. Vanwege de mentale gesteldheid van de vrouw wordt er binnen de ondertoezichtstelling niet meer ingezet op contactherstel tussen de vrouw en de kinderen.



De rechtbank heeft al eerder, in de beschikking betreffende verlenging van de ondertoezichtstelling van 11 februari 2026, overwogen dat bij de vrouw geen sprake is van psychische stabiliteit, dat gezien wordt dat zij niet in staat is om zich in te leven in de kinderen en dat het patroon van spanningen en afstand moeilijk te doorbreken is. De vrouw heeft door het ontbreken van ieder contact met de kinderen geen goed zicht op wat de kinderen nodig hebben. Zij kan niet goed de afweging maken welke beslissingen in het belang van de kinderen zijn. De vrouw kent [minderjarige 3] eigenlijk niet. Zo heeft de vrouw onlangs geweigerd om toestemming te verlenen voor wijziging van de basisschool van [minderjarige 3]. Dit heeft tot een kort gedingprocedure geleid en er is voor [minderjarige 3], die al afscheid had genomen van zijn klasgenoten en zich had voorbereid op een overgang naar een andere school, een vervelende situatie ontstaan. De verstandhouding tussen de ouders is zodanig verstoord dat er geen enkele vorm van overleg of communicatie tussen hen plaatsvindt. Alle communicatie verloopt via de GI. Verbetering op dat gebied valt niet meer te verwachten. De man draagt de zorg voor de kinderen en het is in het belang van de kinderen dat hij slagvaardig kan handelen. Hij vindt het belangrijk dat hij bepaalde toezeggingen richting de kinderen, zoals een vakantie in het buitenland, kan waarmaken. De kinderen hebben behoefte aan duidelijkheid.




Standpunt van de vrouw




4.2

De vrouw is het niet eens met het verzoek. Zij voert, samengevat, het volgende aan. De vrouw is een betrokken moeder en doet er alles aan om haar moederrol zo goed mogelijk in te vullen en beslissingen voor de kinderen te nemen. Dat er geen contactherstel tussen de vrouw en de kinderen tot stand is gekomen, kan niet aan de vrouw tegengeworpen worden. De vrouw ervaart dat het negatieve beeld dat de kinderen over haar hebben gevormd onvoldoende is gecorrigeerd, en dat de hulpverlening zich teveel heeft gericht op ondersteuning van de kinderen en de man en te weinig op het realiseren van contactherstel. Het is voor de vrouw, als moeder op afstand, niet eenvoudig om zich voldoende te informeren over de kinderen. Ze krijgt één keer per maand minimale en weinig inhoudelijke informatie over de kinderen. De vrouw maakt desondanks weloverwogen beslissingen aangaande de kinderen. Zo ook wat betreft de schoolkeuze voor [minderjarige 3]. De vrouw heeft bij haar weigering om in te stemmen met de schoolwijziging laten meewegen dat [minderjarige 3] al gewend was op zijn school en daar een vriendenkring heeft opgebouwd. De vrouw reageert niet per definitie afwijzend op verzoeken over de kinderen. Zo is zij er niet op tegen dat de man met de kinderen op vakantie naar het buitenland gaat.
De mentale gesteldheid van de vrouw vormt evenmin een belemmering voor de uitoefening van het gezag. Dat de vrouw psychisch minder stabiel is geweest, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat zij niet in staat zou zijn om op verantwoorde wijze haar gezag uit te oefenen. Bovendien is de vrouw nu psychisch stabiel en heeft zij geen behandeling nodig. Mocht het in de toekomst minder goed met haar gaan, dan schakelt de vrouw zelf de nodige hulpverlening in.
Aan de wettelijke gronden om het gezamenlijk gezag te wijzigen in eenhoofdig gezag is niet voldaan. Er is geen sprake van een risico dat de kinderen klem of verloren raken. Het is aan de GI om binnen de ondertoezichtstelling oplossingen te vinden voor knelpunten in de communicatie tussen ouders. Indien het gezag van de vrouw wordt beëindigd, wordt haar positie ten opzichte van de kinderen nog verder gemarginaliseerd. Dit staat haaks op het uitgangspunt dat kinderen recht hebben op een betekenisvolle relatie met beide ouders, zoals mede voortvloeit uit artikel 8 van het EVRM. De afwegingen die de rechtbank heeft gemaakt in andere zaken over de kinderen kunnen niet één-op-één op het in deze zaak voorliggende verzoek van toepassing worden geacht. De vrouw wijst de rechtbank er ten slotte op dat de Raad opdracht kan worden gegeven om onderzoek te verrichten naar het gezag, alvorens op het verzoek te beslissen.





Standpunt van de GI




4.3

Volgens de GI wordt de vrouw wel degelijk structureel geïnformeerd over de kinderen en is de vrouw ook ondersteund in haar contact met de scholen van de kinderen. De GI motiveert de vrouw ook om zich over de kinderen te informeren en de school te wijzen op het feit dat zij recht heeft op informatie over de kinderen. Verder is in het hulpverleningstraject gebleken dat de vrouw niet goed kan aansluiten bij hetgeen de kinderen nodig hebben en aanwijzingen van de betrokken hulpverleners niet opvolgt. Zij maakt haar eigen afwegingen, maar die hebben averechts effect op de kinderen. De GI ziet dat de vrouw ambivalent is ten aanzien van beslissingen die over de kinderen genomen moeten worden. Zo heeft de vrouw haar eerder gegeven akkoord om de man met de kinderen naar het buitenland op vakantie te laten gaan, later weer ingetrokken. Dit gebeurt op de momenten dat de vrouw een teleurstelling te verwerken krijgt over het door haar gewenste contact met de kinderen. De GI ziet dat de man bepaalde activiteiten, zoals een vakantie naar het buitenland met de kinderen, nu uit de weg gaat. De kinderen en de man kunnen er niet op vertrouwen dat moeder haar toezeggingen daarover gestand doet. Het eerst toezeggen van medewerking en daar later weer op terugkomen, kwalificeert de GI als misbruik van gezag, al kan haar borderline-diagnose een verklaring zijn voor de ambivalentie. De vrouw is weliswaar momenteel psychisch stabiel, maar er is geen zekerheid dat dit in de toekomst ook zo blijft. Er zijn wat de GI betreft geen stukken bekend waaruit blijkt dat de behandeling van de vrouw heeft geleid tot verbetering of vooruitgang.
Binnen de ondertoezichtstelling zijn de ouders verwezen naar [gezinstherapeut], maar dat heeft niet geleid tot gezamenlijke gesprekken. Iedere vorm van besluitvorming over de kinderen loopt via de GI. De GI merkt op dat de vrouw vanuit haar verdriet en mentale gesteldheid emotioneel reageert, wat zich uit in boosheid en op momenten zelfs agressie en bedreigingen aan het adres van de GI. De GI staat achter het verzoek van de man en acht eenhoofdig gezag in het belang van de kinderen.




Standpunt van de Raad




4.4
Wat de Raad betreft is er wel degelijk sprake van gewijzigde omstandigheden. In februari 2024 heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding bestond om alleen vader met het gezag over de kinderen te belasten, juist omdat de kinderen onder toezicht werden gesteld van de GI en binnen het kader van de ondertoezichtstelling gewerkt zou worden aan contactherstel en verbetering van de communicatie tussen ouders. De wijziging is dat nu geconstateerd moet worden dat die doelen niet zijn behaald en dat de eerder uitgesproken verwachtingen en hoop niet zijn uitgekomen. De Raad schaart zich achter de visie van de GI. De Raad ziet een moeder die betrokken wil zijn bij de kinderen en haar best doet om zich daarvoor in te zetten. Maar door de jaren heen zijn er herhaaldelijk episodes van psychische instabiliteit geweest. De vrouw begrijpt onvoldoende wat de kinderen voelen en nodig hebben, en zij ziet ook niet goed in wat het effect van haar beslissingen of gedragingen op de kinderen is. Het lukt de vrouw niet om hierin te veranderen, ondanks de ingezette hulpverlening. Het gedrag van de vrouw leidt tot veel spanningen bij de man en hij durft er niet meer op te vertrouwen dat de vrouw gaat meewerken aan beslissingen, zoals een vakantie met de kinderen in het buitenland. De man is een alleenstaande vader die de kinderen in zijn eentje verzorgt en opvoedt. Dat levert al veel druk op en bijkomende spanningen voortvloeiend uit het gezamenlijk gezag zijn niet bevorderlijk voor de kinderen. De Raad ziet daarom voldoende reden om het verzoek van de man toe te wijzen, maar is bereid om een onderzoek te verrichten als de rechtbank daaraan behoefte heeft.



Het oordeel van de rechtbank




4.5

Voor [minderjarige 1] heeft te gelden dat het gezamenlijk gezag over hem is ontstaan doordat partijen dit gezamenlijk hebben laten aantekenen in het gezagsregister (artikel 1:252 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geldt dat de rechtbank eerder een beslissing heeft gegeven over het gezag (artikel 1:253c lid 1 Burgerlijk Wetboek). In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dan kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechter van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. Hoewel in artikel 1:253n lid 1 BW niet wordt verwezen naar artikel 1:253c lid 1 BW brengt een redelijke wetsuitleg mee dat artikel 1:253n BW ook van toepassing is op situaties waarin het gezamenlijk gezag is ontstaan op grond van artikel 1:253c BW. Dat volgt uit de beslissing van de Hoge Raad van 29 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1775).
In artikel 1:253n lid 1 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.




4.6
De rechtbank acht zich op basis van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen op het verzoek. Een onderzoek door de Raad vindt de rechtbank daarom niet nodig.



4.7
Het verzoek van de man om hem alleen het gezag te geven over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt toegewezen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.



4.8
Het is evident dat de omstandigheden zijn gewijzigd sinds het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] is ontstaan. De relatie van partijen is nadien immers geëindigd en het contact tussen [minderjarige 1] en de vrouw is verbroken en is tot nu toe niet hersteld. Ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geldt dat het uit elkaar zijn van partijen en het ontbreken van contact met de vrouw al aan de orde was op het moment dat de rechtbank heeft beslist over het gezamenlijk gezag. Uit de beslissing van 20 februari 2024 over het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] volgt dat de rechtbank heeft overwogen dat er weliswaar geen sprake is van communicatie tussen ouders, maar dat zij binnen de ondertoezichtstelling eraan gaan werken om hun ouderschap gezamenlijk vorm te geven en gezamenlijk beslissingen over de kinderen te gaan nemen. Verder heeft de rechtbank in die beschikking een beslissing gegeven over de zorgregeling, in de zin dat bepaald is dat de vrouw en de kinderen gerechtigd zijn tot contact met elkaar onder regie van de GI. Een van de doelen van de ook op 20 februari 2024 uitgesproken ondertoezichtstelling van de kinderen was de inzet van hulpverlening gericht op contactherstel tussen de vrouw en de kinderen. [gezinstherapeut] heeft die hulpverlening geboden, maar dat heeft zowel in het herstel van de communicatie op ouderniveau als in het herstel van contact tussen de vrouw en de kinderen niet tot resultaat geleid. Op die doelen wordt daarom niet meer ingezet door de GI. Er is nu, anders dan in februari 2024, niet meer de verwachting dat de communicatie en samenwerking tussen ouders en het contact tussen de vrouw en de kinderen binnen afzienbare tijd hersteld worden. Dat maakt dat zich een wijziging heeft voorgedaan ten opzichte van de situatie eind februari 2024.



4.9

De wet heeft als uitgangspunt dat ouders samen het gezag uitoefenen, ook na hun relatie. Voor de vrouw, die al jaren geen contact met de kinderen heeft, geeft het ouderlijk gezag bovendien invulling aan haar rol als ouder op afstand. Met het kwijtraken van het gezag komt zij gevoelsmatig op nog grotere afstand van de kinderen te staan. Toch vindt de rechtbank dat het belang van de kinderen hierin zwaarder weegt en dat dit belang meebrengt dat voortaan alleen de man met het gezag belast zal zijn. De rechtbank constateert dat het partijen niet lukt om tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening te komen. De betrokkenheid van de GI en de hulpverlening van [gezinstherapeut] hebben daarin geen soelaas geboden. Afspraken over de kinderen komen niet tot stand. Dat ligt aan de ernstig en duurzaam verstoorde verhouding tussen partijen, maar ook aan de wijze waarop de vrouw uiting geeft aan haar emoties en aan haar wisselvalligheid in het al dan niet meewerken aan beslissingen die over de kinderen moeten worden genomen. De rechtbank heeft de indruk gekregen dat de verminderde emotieregulatie van de vrouw en haar ambivalente houding samenhangen met haar mentale gesteldheid en episodes van psychische instabiliteit. De vrouw kan daarvan in zoverre geen of slechts in beperkte mate een verwijt worden gemaakt, maar feit is dat de kinderen door de gevolgen daarvan wel belast worden. Daar komt bij dat binnen de ondertoezichtstelling wordt gezien dat de vrouw onvoldoende kan aansluiten bij de behoeften en wensen van de kinderen. Het lukt de vrouw niet om te begrijpen wat de kinderen van haar nodig hebben. Dat de vrouw al lange tijd geen enkel contact met de kinderen heeft gehad, vormt daarbij een extra complicerende factor.
Het is nu de GI die zich inspant om bepaalde beslissingen over de kinderen tot stand te laten komen, en die ook de spreekwoordelijke klappen opvangt als de vrouw uiting geeft aan haar boosheid of frustratie. Er komt echter een moment waarop de betrokkenheid van de GI eindigt, en dan zullen partijen samen tot een oplossing moeten komen. Dat lukt hen niet en gezien de reeds ingezette hulpverlening valt niet te verwachten dat dit hen binnen afzienbare termijn wel gaat lukken. Sterker nog, de rechtbank voorziet dat het gezamenlijke gezag na de beëindiging van de ondertoezichtstelling aanleiding zal vormen tot conflicten tussen de ouders, daarmee gepaard gaande spanningen en het uitblijven van de noodzakelijke gezagsbeslissingen. Verder is het de rechtbank duidelijk geworden dat de kinderen en de man nu al geregeld in onzekerheid verkeren of de vrouw haar medewerking zal gaan verlenen, dan wel of zij een eerder gedane toezegging wel gestand zal doen. Die onduidelijkheid veroorzaakt spanningen bij hen. Dat brengt de rechtbank tot de conclusie dat bij voortzetting van het gezamenlijke gezag het onaanvaardbare risico bestaat dat de kinderen klem of verloren raken en dat het gezag daarom in het belang van de kinderen moet worden gewijzigd.




Proceskosten




4.10
In de aard van deze zaak ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren, wat inhoudt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.





5De beslissing


De rechtbank



bepaalt dat de man voortaan alleen het gezag heeft over [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012, [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2015 en [minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 3] 2020;



verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.



Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 in aanwezigheid van mr. Van Ham, griffier.



Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:



door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,


door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.



Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.