Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7358

2026-08-07 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 25/471
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-07
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/471
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; V-N Vandaag 2026/1672; NLF 2026/1651; Viditax (FutD) 2026081402

Inhoudsindicatie

Doorschuifregeling van artikel 4.17a van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.423 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 25/471


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen





[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. P.J.H. Verlinden),


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 december 2024.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (de aanslag). De inspecteur heeft daarbij € 10 belastingrente vergoed (de belastingrentebeschikking).



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben gemachtigde en de inspecteur deelgenomen. Namens de inspecteur zijn mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .





Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag juist is. Meer specifiek is daarbij de vraag aan bod of de doorschuifregeling van artikel 4.17a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) van toepassing is en belanghebbende daarmee recht heeft op een verhoogde verkrijgingsprijs van de aandelen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.



2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de doorschuifregeling van artikel 4.17a van de Wet IB niet van toepassing. De inspecteur heeft de verkrijgingsprijs van de aandelen terecht vastgesteld naar de waarde van het gestort en geplaatst aandelenkapitaal op 1 januari van het jaar van overlijden van de erflater. De aanslag is juist. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Feiten


3. Belanghebbende was buiten gemeenschap van goederen gehuwd met de heer [erflater] . De heer [erflater] is op [datum] 2018 overleden (de erflater). Bij het overlijden was de wettelijke verdeling van toepassing.



3.1.
Op het moment van overlijden hield de erflater 100% van de aandelen in [b.v.] (de BV). Na het overlijden van de erflater heeft belanghebbende de volle eigendom van de aandelen verkregen.



3.2.
Op 15 augustus 2019 is de aangifte IB/PVV 2018 van de erflater ingediend. In de aangifte is geen (fictieve) vervreemding van het aanmerkelijk belang aangegeven.



3.3.
Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV 2020 een vervreemdingsvoordeel aanmerkelijk belang aangegeven van € -261.741. Daarbij is een overdrachtsprijs van € 12.766 en een verkrijgingsprijs van € 274.507 vermeld. De verkrijgingsprijs bestaat uit agio ter waarde van € 256.356 en aandelenkapitaal ter waarde van € 18.151.



3.4.
De inspecteur is afgeweken van de aangifte. Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2020 heeft hij de verkrijgingsprijs van de aandelen vastgesteld op € 18.151, zijnde het aandelenkapitaal per 1 januari 2018. De inspecteur heeft op basis daarvan een vervreemdingsvoordeel aanmerkelijk belang in aanmerking genomen van € -5.385.



3.5.
Partijen hebben ter zitting bevestigd dat op het moment van overlijden van de erflater de BV geen materiële onderneming dreef.





Motivering


4. In geschil is de hoogte van de verkrijgingsprijs van de aandelen. Belanghebbende stelt dat de verkrijgingsprijs van de erflater door stortingen van de erflater in de BV is verhoogd naar € 186.353. Deze verkrijgingsprijs is doorgeschoven naar belanghebbende. In de aangifte IB/PVV van de erflater over het jaar 2018 is namelijk geen vervreemdingsvoordeel aangegeven, zodat impliciet is verzocht om de verkrijgingsprijs door te schuiven. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt met name naar de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 januari 2025. De inspecteur betwist dat sprake is van een (impliciet) verzoek om doorschuiving van de verkrijgingsprijs en stelt dat de verkrijgingsprijs € 18.151 bedraagt, zijnde het gestort en geplaatste aandelenkapitaal op 1 januari 2018.



4.1.
Onder verkrijgingsprijs wordt verstaan de tegenprestatie bij de verkrijging vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomen kosten. Indien bij een verkrijging een tegenprestatie ontbreekt, wordt als tegenprestatie aangemerkt de waarde die ten tijde van de verkrijging in het economische verkeer aan de aandelen kan worden toegekend. Als sprake is van een overgang krachtens erfrecht en artikel 4.17a van de Wet IB bij de erflater is toegepast, geldt bij de erfgenamen als verkrijgingsprijs de verkrijgingsprijs die gold voor de erflater (de doorschuifregeling).



4.2.
De rechtbank stelt voorop dat voor toepassing van de doorschuifregeling de gezamenlijke belanghebbenden een schriftelijk verzoek moeten hebben gedaan bij de inspecteur die belast is met de aanslagregeling van de erflater. Een verzoek om doorschuiven kan ook impliciet worden gedaan.



4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van een, al dan niet impliciet, verzoek voor toepassing van de doorschuifregeling. In de zaak waar belanghebbende naar verwijst is hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof heeft in die zaak geoordeeld dat sprake was van een impliciet verzoek, omdat in de aangifte van de erflaatster geen (fictief) vervreemdingsvoordeel was aangegeven. Door het achterwege laten van dit vervreemdingsvoordeel is destijds kennelijk gekozen voor doorschuiven. De rechtbank overweegt dat het in de zaak die bij het gerechtshof voorlag om een aangifte van de erflaatster over het jaar 2011 ging. De inspecteur heeft toegelicht dat er destijds geen mogelijkheid was om in de aangifte aan te kruisen dat er verzocht werd om een geruisloze doorschuiving van de verkrijgingsprijs. Die mogelijkheid is er sinds 2015 wel. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat het verzoek om geruisloze doorschuiving van de verkrijgingsprijs in de aangifte van de erflater over het jaar 2018 niet is aangekruist, omdat men zich destijds niet heeft gerealiseerd dat zou moeten worden afgerekend en ook niet dat middels het aanvinken van een kruisje in de aangifte kon worden verzocht om een geruisloze doorschuiving. Nu belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank in de aangifte van de erflater een verzoek voor toepassing van de doorschuifregeling had kunnen doen en zij dit ook had moeten doen, maar zij dit toch heeft nagelaten, is niet voldaan aan de voorwaarde voor toepassing van de doorschuifregeling.



4.4.
Het standpunt van belanghebbende dat uit de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 januari 2025 blijkt dat het niet van belang is of sprake is van een materiële onderneming volgt de rechtbank niet. Doorschuiving van de verkrijgingsprijs is alleen mogelijk indien de vennootschap waarop de aandelen betrekking hebben een onderneming drijft. In de zaak waar belanghebbende naar verwijst concludeerde het gerechtshof dat de belanghebbenden bij de aangifte van de erflaatster kennelijk van mening waren dat sprake was van een materiële onderneming en dat zij gekozen hebben voor toepassing van de doorschuiffaciliteit. Doordat de inspecteur is uitgegaan van de juistheid van de aanslag en de aanslag onherroepelijk is geworden, was het antwoord op de vraag of sprake was van een materiële onderneming niet langer relevant. Dat is in de onderhavige zaak anders. Immers, zoals hiervoor in 4.3 geoordeeld heeft belanghebbende in de aangifte juist niet gekozen voor toepassing van de doorschuiffaciliteit, terwijl deze mogelijkheid wel op het aangiftebiljet vermeld was. Daarnaast heeft gemachtigde erkend dat ten tijde van het overlijden van de erflater de BV geen materiële onderneming dreef. Ook aan deze constitutieve voorwaarde voor toepassing van de doorschuifregeling is naar het oordeel van de rechtbank dus niet voldaan zodat doorschuiving ook niet tot de mogelijkheden behoorde.



4.5.
Nu een tegenprestatie ontbreekt dient de verkrijgingsprijs te worden vastgesteld op de waarde in het economisch verkeer. De inspecteur heeft gesteld dat de waarde in het economisch verkeer ten tijde van de verkrijging zeker niet hoger was dan het gestorte en geplaatst aandelenkapitaal. Dit is door belanghebbende niet betwist. Het voorgaande betekent dat de inspecteur terecht rekening heeft gehouden met een verkrijgingsprijs van de aandelen van € 18.151, zijnde het gestort en geplaatst aandelenkapitaal op 1 januari 2018.



4.6.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de vergoede belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.





Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.














griffier


rechter








De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.






ECLI:NL:RBZWB:2025:16.


Artikel 4.21 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB).


Artikel 4.22, eerste lid, van de Wet IB.


Artikel 4.39a van de Wet IB.


Hoge Raad 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7750.


Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 1 juli 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1709, r.o. 4.5.


Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 1 juli 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1709, r.o. 4.7.