Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7354

2026-08-07 Bestuursrecht; Belastingrecht BRE 25/2105
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-08-07
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
BRE 25/2105
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Viditax (FutD) 2026081405; FutD 2026-1463

Inhoudsindicatie

IB/PVV.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.876 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Breda


Belastingrecht


zaaknummer: BRE 25/2105


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen





[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,


en




de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.




Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 maart 2025.



1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.950 (de aanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 63 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).



1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] deelgenomen.





Beoordeling door de rechtbank


2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Daarbij is uitsluitend de vraag aan bod of de pensioeninkomsten van Stichting pensioenfonds ABP (de ABP-uitkering) als inkomsten uit tegenwoordige of vroegere dienstbetrekking moeten worden aangemerkt. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de belastingrentebeschikking terecht en niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.



2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag niet te hoog, omdat de inspecteur terecht de ABP-uitkering als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking heeft aangemerkt. Ook de belastingrentebeschikking is terecht en niet tot een te hoog bedrag vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Feiten


3. Belanghebbende is geboren in 1948. Belanghebbende heeft vanaf 1966 pensioenrechten opgebouwd in het kader van zijn dienstbetrekking bij het Ministerie van Defensie. Nadat belanghebbende functioneel leeftijdsontslag kreeg, is de pensioenopbouw blijven doorlopen tot aan de ingangsdatum van zijn pensioen.



3.1.
Belanghebbende heeft in 2023 een ABP-uitkering ontvangen van € 48.057 en een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank van € 12.404.



3.2.
In de aangifte IB/PVV 2023 heeft belanghebbende de ABP-uitkering aangegeven als zijnde inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking en de AOW-uitkering als zijnde inkomsten uit vroegere dienstbetrekking.



3.3.
De inspecteur is afgeweken van de aangifte en heeft zowel de AOW-uitkering als de ABP-uitkering aangemerkt als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking, waardoor belanghebbende niet in aanmerking komt voor de arbeidskorting.





Motivering


4. Belanghebbende is van mening dat de ABP-uitkering uitgesteld loon betreft en daarom moet worden aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, waardoor recht bestaat op de arbeidskorting. Daarnaast is volgens belanghebbende in de opbouwfase al over de pensioenpremies belasting betaald, zodat de uitbetaling van het pensioen onbelast zou moeten zijn.



4.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Belanghebbende heeft over het jaar 2016 tot aan de Hoge Raad een procedure gevoerd en over het jaar 2021 tot aan het gerechtshof, waarin identieke geschilpunten aan de orde zijn geweest. Desgevraagd heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat hij geen andere standpunten aanvoert dan die in de eerdere procedures zijn behandeld. De rechtbank is van oordeel dat de onder 4 opgenomen beroepsgronden belanghebbende niet kunnen baten en verwijst voor de motivering naar het arrest van de Hoge Raad, de daaraan voorafgaande uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch inzake het belastingjaar 2016 en de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch inzake het belastingjaar 2021.



4.2.
Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank de APB-uitkering terecht als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking aangemerkt, waarvoor geen recht op de arbeidskorting geldt. Het beroep is ongegrond.



4.3.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.





Conclusie en gevolgen


5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.





Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.














griffier


rechter








De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.






Hoge Raad 26 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:291.


Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1569.


Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 februari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:462.