Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7349
2026-08-07
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE 23/11452
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BPM / taxatiemethode / waardevermindering / nieuwprijs van de auto.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:23048 Rechtbank Den Haag 03-12-2025
- ECLI:NL:HR:2023:703 Hoge Raad 12-05-2023
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
- ECLI:NL:HR:2024:567 Hoge Raad 31-05-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.164 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11452
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.780.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende (digitaal) en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 10 januari 2023 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi A4 Allroad Quattro met [VIN-nummer] (de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 3.402.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en bij de aangifte een taxatierapport gevoegd (het taxatierapport van belanghebbende).
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm ter zake van de auto € 8.182 bedraagt en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd.
Overwegingen
Het taxatierapport van belanghebbende
4. De inspecteur stelt dat het taxatierapport van belanghebbende onbetrouwbaar is omdat de auto in dat taxatierapport is gewaardeerd op € 13.338, terwijl belanghebbende € 18.277,31 voor de auto heeft betaald.
4.1.
De rechtbank overweegt dat het verschil tussen de in 4 genoemde bedragen opmerkelijk is, maar niet dusdanig groot dat hierdoor geen bewijskracht toekomt aan het taxatierapport van belanghebbende.
Taxatiemethode
4.2.
Belanghebbende stelt dat sprake is van een auto met een schadeverleden en dat in verband met schade aan de carrosserie een waardecorrectie van € 4.000 dient plaats te vinden. Verder stelt belanghebbende dat sprake is van een auto met meer dan normale gebruiksschade en dat hiervoor een waardecorrectie van € 18.319 dient plaats te vinden. De inspecteur betwist dat ten tijde van de aangifte sprake was van een schadeverleden en stelt dat ter zake van de gebruiksschade een waardecorrectie van € 3.106 dient plaats te vinden.
4.3.
De rechtbank overweegt dat de bewijslast voor een waardevermindering wegens schade op belanghebbende rust. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de daarbij gevoegde foto’s, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van schade tot een hoger bedrag dan door de inspecteur in aanmerking is genomen.
De in aanmerking te nemen waardevermindering
4.4.
Belanghebbende stelt dat niet slechts een percentage van 31% van de geconstateerde schade maar het volledige bedrag aan schade in aanmerking dient te worden genomen. Belanghebbende meent dat het besluit op grond waarvan 31% van de geconstateerde schade in aanmerking wordt genomen onverbindend is ongeacht of belanghebbende aannemelijk kan maken dat de geconstateerde schade leidt tot een grotere waardevermindering. Belanghebbende wijst daarbij op een uitspraak van de civiele rechter. Belanghebbende stelt dat de civiele rechter weliswaar niet heeft geoordeeld dat het in aanmerking nemen van 31% van de schade als waardevermindering onverbindend is, maar dat hij wel heeft geoordeeld dat het de belastingplichtige vrij staat om aan te voeren dat de waarde moet worden verminderd op grond van de exclusiviteit, de leeftijd en de kilometerstand van de auto. De rechtbank ziet hier geen aanleiding in waarom het betreffende besluit onverbindend zou zijn.
4.5.
De rechtbank overweegt voor het overige dat – wat er ook zij van de juistheid van de hiervoor omschreven stelling – belanghebbende niet op enige wijze aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de auto moet worden verminderd in verband met de exclusiviteit, en/of de leeftijd en/of de kilometerstand van de auto. Het enkel wijzen op de exclusiviteit, leeftijd of kilometerstand is daarvoor onvoldoende.
Koerslijst Xray
4.6.
In het taxatierapport van belanghebbende en in de hertaxatie door DRZ wordt voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde van de auto uitgegaan van de koerslijst van XRay.
4.7.
De inspecteur bestrijdt echter in beroep dat de koerslijst Xray bruikbaar zou zijn omdat volgens hem getwijfeld dient te worden aan de betrouwbaarheid van de koerslijsten van Xray. De inspecteur heeft toegelicht dat al meerdere malen bij navraag bij Xray naar de handelstransacties waarop een specifieke koerslijst is gebaseerd, Xray niet in staat was om ook daadwerkelijk een overzicht van handelstransacties te verstrekken. Daarom is ook afgelopen maart het vertrouwen in Xray als koerslijstprovider opgezegd.
4.8.
De rechtbank volgt de inspecteur niet in zijn betoog. Immers, de inspecteur heeft in dit specifieke geval geen enkel bewijs geleverd dat de waarde zoals blijkt uit de koerslijst Xray niet gebaseerd zou zijn op handelstransacties. Belanghebbende kan dus een beroep doen om de waarde zoals volgt uit de koerslijst Xray.
Nieuwprijs van de auto
4.9.
Belanghebbende stelt dat de historische nieuwprijs van de auto € 108.166 bedraagt onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023.
4.10.
De rechtbank overweegt dat de door belanghebbende voorgestane methode van berekening van de historische nieuwprijs slechts is toegestaan indien de referentieauto, met uitzondering van de CO2-uitstoot, de best vergelijkbare personenauto is. In het onderhavige geval verschilt de auto niet alleen wat betreft CO2-uitstoot van de referentieauto, maar ook wat betreft het vermogen van de motor. Dit brengt mee dat de door belanghebbende voorgestane methode van berekening van de historische nieuwprijs in het onderhavige geval niet is toegestaan.
Conclusie ten aanzien van de hoogte van de naheffingsaanslag
4.11.
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag vastgesteld. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.
Immateriële schadevergoeding
4.12.
Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade.
4.13.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 12 mei 2023 heeft ontvangen. De inspecteur heeft op 30 oktober 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 7 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond vijftien maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.500. Deze vergoeding komt volledig voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende heeft wel recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 233,50. De Staat moet dit bedrag vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriëleschadevergoeding is weliswaar gedaan vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, maar op die datum was de redelijke termijn nog niet verstreken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Rechtbank Den Haag 3 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23048.
Historische nieuwprijs referentieauto gecorrigeerd op grond van Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:703.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023.1526, r.o. 5.2.
Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11452
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.780.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende (digitaal) en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 10 januari 2023 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi A4 Allroad Quattro met [VIN-nummer] (de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 3.402.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en bij de aangifte een taxatierapport gevoegd (het taxatierapport van belanghebbende).
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm ter zake van de auto € 8.182 bedraagt en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd.
Overwegingen
Het taxatierapport van belanghebbende
4. De inspecteur stelt dat het taxatierapport van belanghebbende onbetrouwbaar is omdat de auto in dat taxatierapport is gewaardeerd op € 13.338, terwijl belanghebbende € 18.277,31 voor de auto heeft betaald.
4.1.
De rechtbank overweegt dat het verschil tussen de in 4 genoemde bedragen opmerkelijk is, maar niet dusdanig groot dat hierdoor geen bewijskracht toekomt aan het taxatierapport van belanghebbende.
Taxatiemethode
4.2.
Belanghebbende stelt dat sprake is van een auto met een schadeverleden en dat in verband met schade aan de carrosserie een waardecorrectie van € 4.000 dient plaats te vinden. Verder stelt belanghebbende dat sprake is van een auto met meer dan normale gebruiksschade en dat hiervoor een waardecorrectie van € 18.319 dient plaats te vinden. De inspecteur betwist dat ten tijde van de aangifte sprake was van een schadeverleden en stelt dat ter zake van de gebruiksschade een waardecorrectie van € 3.106 dient plaats te vinden.
4.3.
De rechtbank overweegt dat de bewijslast voor een waardevermindering wegens schade op belanghebbende rust. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de daarbij gevoegde foto’s, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van schade tot een hoger bedrag dan door de inspecteur in aanmerking is genomen.
De in aanmerking te nemen waardevermindering
4.4.
Belanghebbende stelt dat niet slechts een percentage van 31% van de geconstateerde schade maar het volledige bedrag aan schade in aanmerking dient te worden genomen. Belanghebbende meent dat het besluit op grond waarvan 31% van de geconstateerde schade in aanmerking wordt genomen onverbindend is ongeacht of belanghebbende aannemelijk kan maken dat de geconstateerde schade leidt tot een grotere waardevermindering. Belanghebbende wijst daarbij op een uitspraak van de civiele rechter. Belanghebbende stelt dat de civiele rechter weliswaar niet heeft geoordeeld dat het in aanmerking nemen van 31% van de schade als waardevermindering onverbindend is, maar dat hij wel heeft geoordeeld dat het de belastingplichtige vrij staat om aan te voeren dat de waarde moet worden verminderd op grond van de exclusiviteit, de leeftijd en de kilometerstand van de auto. De rechtbank ziet hier geen aanleiding in waarom het betreffende besluit onverbindend zou zijn.
4.5.
De rechtbank overweegt voor het overige dat – wat er ook zij van de juistheid van de hiervoor omschreven stelling – belanghebbende niet op enige wijze aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de auto moet worden verminderd in verband met de exclusiviteit, en/of de leeftijd en/of de kilometerstand van de auto. Het enkel wijzen op de exclusiviteit, leeftijd of kilometerstand is daarvoor onvoldoende.
Koerslijst Xray
4.6.
In het taxatierapport van belanghebbende en in de hertaxatie door DRZ wordt voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde van de auto uitgegaan van de koerslijst van XRay.
4.7.
De inspecteur bestrijdt echter in beroep dat de koerslijst Xray bruikbaar zou zijn omdat volgens hem getwijfeld dient te worden aan de betrouwbaarheid van de koerslijsten van Xray. De inspecteur heeft toegelicht dat al meerdere malen bij navraag bij Xray naar de handelstransacties waarop een specifieke koerslijst is gebaseerd, Xray niet in staat was om ook daadwerkelijk een overzicht van handelstransacties te verstrekken. Daarom is ook afgelopen maart het vertrouwen in Xray als koerslijstprovider opgezegd.
4.8.
De rechtbank volgt de inspecteur niet in zijn betoog. Immers, de inspecteur heeft in dit specifieke geval geen enkel bewijs geleverd dat de waarde zoals blijkt uit de koerslijst Xray niet gebaseerd zou zijn op handelstransacties. Belanghebbende kan dus een beroep doen om de waarde zoals volgt uit de koerslijst Xray.
Nieuwprijs van de auto
4.9.
Belanghebbende stelt dat de historische nieuwprijs van de auto € 108.166 bedraagt onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023.
4.10.
De rechtbank overweegt dat de door belanghebbende voorgestane methode van berekening van de historische nieuwprijs slechts is toegestaan indien de referentieauto, met uitzondering van de CO2-uitstoot, de best vergelijkbare personenauto is. In het onderhavige geval verschilt de auto niet alleen wat betreft CO2-uitstoot van de referentieauto, maar ook wat betreft het vermogen van de motor. Dit brengt mee dat de door belanghebbende voorgestane methode van berekening van de historische nieuwprijs in het onderhavige geval niet is toegestaan.
Conclusie ten aanzien van de hoogte van de naheffingsaanslag
4.11.
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag vastgesteld. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.
Immateriële schadevergoeding
4.12.
Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade.
4.13.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 12 mei 2023 heeft ontvangen. De inspecteur heeft op 30 oktober 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 7 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond vijftien maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.500. Deze vergoeding komt volledig voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende heeft wel recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 233,50. De Staat moet dit bedrag vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriëleschadevergoeding is weliswaar gedaan vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, maar op die datum was de redelijke termijn nog niet verstreken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Rechtbank Den Haag 3 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23048.
Historische nieuwprijs referentieauto gecorrigeerd op grond van Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:703.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023.1526, r.o. 5.2.
Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2.