Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7340

2026-07-07 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/445400 FA RK 26-990
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-07-07
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/445400 FA RK 26-990
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Geen ontzegging contact. Verwijzing naar UHA. Geen wijziging van omstandigheden voor kinderalimentatie

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.800 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT



Team Familie- en Jeugdrecht


Breda


Zaaknummer: C/02/445400 FA RK 26-990


datum uitspraak: 7 juli 2026



beschikking betreffende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en levensonderhoud



in de zaak van




[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. E.C.A.E. Verschuren,


en




[de man]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de man.


1 Het procesverloop


1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 20 februari 2026 ontvangen verzoekschrift met producties 1 tot en met 6;
- de op 3 juni 2026 ontvangen gewijzigde en aangevulde verzoeken met producties 7 tot en met 16;
- de beschikking van deze rechtbank van 16 mei 2025.

1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 9 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man.


2De feiten


2.1
Uit de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Zij hebben gedurende de relatie met elkaar samengewoond;
- uit hun relatie zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:

1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2019,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021,

- de kinderen zijn door de man erkend;
- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen;
- de minderjarige kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.



2.2
Op grond van voormelde beschikking is de man in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd tot het hebben van contact met de minderjarige kinderen in de oneven weken van vrijdagmiddag 15.00 uur tot zondagavond 18.00 uur, in de even weken op een vaste middag uit school tot 18.30 uur en tijdens de Islamitische feestdagen (Suikerfeest, Offerfeest), in onderling overleg nader te bepalen, waarbij de man de kinderen haalt en brengt. Eén keer per omgangsweekend brengt de man de vrouw op de hoogte over hoe het gaat met de kinderen. Daarnaast mag de vrouw in ieder geval één keer per omgangsweekend videobellen met de kinderen. Als de kinderen vaker willen (video)bellen dan is dat mogelijk.



2.3
Op basis van voormelde beschikking dient de man nu -inclusief de wettelijke indexering- € 78,45 per maand per kind te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. Daarnaast blijkt uit de beschikking dat partijen zijn overeengekomen dat partijen alle aanvullende kosten aangaande de kinderen bij helfte verdelen. De aanvullende kosten omvatten: schoolkosten, zwemles, hobby’s en sport, boodschappen, verzorgingsproducten, kleding, medische kosten die niet worden vergoed, kinderfeestjes, verjaardagscadeaus en fietsen.





3De verzoeken


3.1
De vrouw verzoekt de rechtbank, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:


partijen te verwijzen naar het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA);


de omgang tussen de man en de kinderen tijdelijk te ontzeggen, waarbij de regie voor de terug opbouw in handen ligt van de hulpverlening vanuit het uniform hulpaanbod;


te bepalen dat de man met ingang van 2 september 2025, dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift, althans een nadere door de rechtbank te bepalen datum, ten behoeve van de minderjarige kinderen bij vooruitbetaling aan de vrouw een bedrag van € 150,00 per maand per kind, en ook de helft van de overeengekomen aanvullende kosten, moet voldoen, althans een bedrag dat de rechtbank redelijk vindt.





3.2
Tijdens de mondelinge behandeling is door de vrouw uitdrukkelijk verzocht een regeling voor vakanties, te beginnen bij komende zomervakantie, vast te stellen omdat partijen daar gezamenlijk niet uitkomen. De vrouw wil voor komende zomervakantie een regeling waarbij de man en de vrouw ieder om en om steeds één week de kinderen bij zich hebben.





4De beoordeling



Zorgregeling




4.1
De vrouw heeft de rechtbank verzocht om partijen te verwijzen naar het UHA en de omgang tussen de man en de kinderen tijdelijk te ontzeggen, waarbij de regie voor het opnieuw opbouwen van de omgang in handen ligt van de hulpverlening vanuit het UHA. De vrouw heeft dit standpunt tijdens de mondelinge behandeling toegelicht. Volgens de vrouw is er sprake van een opeenstapeling van incidenten. Iedere keer gebeurt er iets waardoor de omgang niet goed verloopt. Zo heeft de man de kinderen een aantal keer te laat opgehaald waardoor de kinderen alleen op het schoolplein stonden en een (slechte) 1 aprilgrap van de man. Ook de regeling over het videobellen verloopt niet goed. De vrouw kan regelmatig niet videobellen met de kinderen als zij bij de man zijn, terwijl dat wel onderdeel van de zorgregeling is. Verder merkt de vrouw dat de kinderen ander gedrag vertonen als ze bij de man zijn geweest omdat ze daar bijvoorbeeld later naar bed mogen dan bij haar en omdat ze daar buiten kunnen spelen, wat bij de vrouw niet kan. De man is voor de vrouw vaak niet bereikbaar en de vrouw is door de man meerdere malen geblokkeerd waardoor zij hem dan ook niet kan bereiken als dat nodig is in verband met de kinderen. Voor de vrouw was de druppel het weekend van 31 mei 2026. In dat weekend vernam de vrouw via de kinderen dat de man een nieuwe vriendin had. Via de status in de whatsapp van een aantal familieleden kwam de vrouw er achter dat de man dat weekend met deze vrouw trouwde en dat de kinderen (dus) bij dat huwelijk niet waren uitgenodigd. De vrouw heeft de man in dat weekend geprobeerd te bellen, maar de vrouw was geblokkeerd. Ook de vader van de vrouw kon de man in dat weekend niet bereiken. De vrouw heeft toen besloten de zorgregeling voorlopig stop te zetten.



4.2

De man is het niet eens met de vrouw. Hij voert aan dat hij zijn kinderen altijd centraal stelt en dat hij alles aan de kant zet voor zijn kinderen. Het is niet juist dat de man de kinderen een aantal keer te laat zou hebben opgehaald op school. Een van de momenten die de vrouw beschrijft en waarvan zij een foto heeft overgelegd is niet eens bij school, maar bij het ziekenhuis. De man heeft de vrouw toen telefonisch laten weten dat bij later zou zijn. De vrouw was gestrest omdat zij zelf ook te laat was met de kinderen. De 1 aprilgrap was achteraf gezien niet zo’n goede grap. Daarover heeft de man een nette mail gestuurd aan de directeur van de school. De man erkent dat hij de vrouw in het verleden heeft geblokkeerd. Hij deed dat omdat er de afgelopen jaren veel ruzies zijn geweest en dat hij dan heel vaak door de vrouw werd gebeld. Soms wel twintig keer op een dag en ook regelmatig in de nacht. Dit gaf hem stress en riep veel emoties bij hem op.
De man heeft de vrouw wel op de hoogte gesteld van zijn nieuwe relatie, al een half jaar eerder. Hij denkt dat de vrouw het moeilijk vindt dat zij (in het weekend van 31 mei 2026) heeft moeten vaststellen dat de man echt verder gaat met zijn leven. Er heeft een feestje plaatsgevonden waarbij een aantal belangrijke tantes uit de familie waren uitgenodigd. Tijdens het feestje zijn de verloving en de aankomende bruiloft gevierd. Op [datum] 2026 vindt de huwelijksvoltrekking bij de gemeente plaats. De man licht toe dat hij op die dag van plan is wat leuks te gaan doen met de kinderen, maar dat hij dat nog niet met de vrouw heeft besproken. De man verzet zich, vanwege het voorgaande, tegen de ontzegging van de omgang tussen hem en de minderjarige kinderen. De man is er wel voorstander van om te worden verwezen worden naar UHA. De man is bereid daaraan volledig mee te werken en openheid te geven.




4.3
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij bereid is de bestaande zorgregeling tussen de man en de kinderen te laten herleven maar dat zij daaraan wel een aantal voorwaarden wil verbinden. Zij wil minimaal één keer per dag kunnen bellen met de kinderen en zij wil niet meer geblokkeerd worden door de man. Verder is voor haar heel belangrijk dat er duidelijke afspraken komen over de zomervakantie omdat zij op tijd vrij moet kunnen nemen van haar werk. De man heeft aangegeven dat hij bereid is in te stemmen met de voorwaarde dat de kinderen een keer per dag bellen met de vrouw. Hij zal de vrouw ook niet blokkeren, zodat de vrouw hem kan bereiken als dat nodig is. Het is partijen niet gelukt af te spreken op welk tijdstip er dan gebeld kan worden. De vrouw vindt het lastig een tijdstip af te spreken omdat zij daar dan altijd rekening mee moet houden. De kinderen kunnen de vrouw op ieder willekeurig tijdstip bellen met hun horloge. Voor wat betreft de zomervakantie wil de vrouw dat de kinderen de ene week bij haar zijn en de andere week bij de man. Met een andere regeling stemt zij niet in. De kinderen zijn nog nooit drie weken aaneengesloten bij de man geweest. Vorige zomervakanties zijn de kinderen zes weken bij de vrouw geweest. De man vindt dat de kinderen recht hebben op drie aaneengesloten weken quality time bij de man.



4.4
De vrouw heeft ter zitting gevraagd, om als er geen ontzegging komt van omgang tussen de man en de kinderen, een beslissing te nemen over de vakantieregeling, te beginnen met de aankomende zomervakantie, omdat ook tijdens de zitting weer duidelijk is geworden dat partijen het daar niet over eens kunnen worden.



4.5
Uit artikel 1:253a BW blijkt dat een tijdelijk verbod tot contact tussen een (gezaghebbende) ouder en diens minderjarige kinderen mogelijk is en dat dit getoetst moet worden aan de ontzeggingsgronden uit artikel 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek. Uit artikel 1:377a lid 3 BW vloeit voort dat het recht op contact kan worden ontzegd als er sprake is van één van de volgende omstandigheden:
- omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
- de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind;
- het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil;
- er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.



4.6
Door de vrouw is onvoldoende concreet gemaakt welke ontzeggingsgrond aanwezig is en tijdelijke ontzegging van het contact rechtvaardigt. Sterker nog, de vrouw was tijdens de mondelinge behandeling bereid de omgang te laten herleven als de man met de door haar gestelde voorwaarden had ingestemd. Nu niet is komen vast te staan dat er sprake is van een (wettelijke) ontzeggingsgrond, zal de rechtbank de vordering van de vrouw tot ontzegging van de omgang tussen de man en de kinderen afwijzen. Dat betekent dat de zorgregeling zoals die in de beschikking van 16 mei 2025 door de rechtbank is vastgelegd in stand blijft en door partijen moet worden uitgevoerd.



4.7
Dan ligt nog voor de verdeling van de vakanties. Daarover hebben partijen geen overeenstemming kunnen bereiken en voor de rechtbank is wel duidelijk dat dit partijen zelf ook niet gaat lukken. De rechtbank zal daarom voor de aankomende zomervakantie een voorlopige regeling vastleggen. De beslissing over de verdere verdeling van de vakanties zal de rechtbank aanhouden onder verwijzing van partijen naar het UHA.



4.8
De rechtbank houdt er bij de vaststelling van een voorlopige regeling rekening mee dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog niet veel langdurig contact hebben gehad met het nieuwe gezin van de man en ook nog niet voor een langere periode weggeweest zijn bij de vrouw. Om die reden bepaalt de rechtbank dat de voorlopige regeling, voor aankomende zomervakantie, als volgt is:
- de reguliere zorgregeling vervalt in de weken 29 tot en met 34;
- de kinderen verblijven bij de vrouw in week 29;
- de kinderen verblijven bij de man in week 30;
- de kinderen verblijven bij de vrouw in week 31 en 32;
- de kinderen verblijven bij de man in week 33 en 34;
- het wisselmoment zal steeds zijn op zondagavond om 18.00 uur, waarbij de man de kinderen bij de vrouw haalt en naar de vrouw terugbrengt;
- na de vakantie wordt de weekendregeling hervat. Het eerste omgangsweekend van de man na de zomervakantie is dan het weekend van 28 tot en met 30 augustus 2026.



4.9
De rechtbank overweegt dat tijdens de zitting is gebleken dat het (resterende) geschilpunt tussen partijen onderdeel uitmaakt van een groter probleem, te weten het zeer moeizaam verlopen van de communicatie en het maken van afspraken tussen partijen, en het wantrouwen en argwaan tussen partijen. Partijen zijn veel te veel met de ander bezig en te weinig met zichzelf en hun rol in een goede samenwerking als ouders van de minderjarige kinderen. Gebleken is dat partijen zich realiseren dat hierin verbetering moet komen, ook met het oog op later te nemen gezagsbeslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



4.10
Uit het voorgaande blijkt dat partijen op dit moment (nog) niet voldoende in staat zijn om adequaat en in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met elkaar te communiceren, afspraken te maken en om de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het daarom nodig dat voor partijen en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Dit zodat kan worden gewerkt aan het verbeteren van de onderling communicatie en het verwerken van het verleden, waarbij ook het voorliggende geschilpunt kan worden meegenomen. De ouders hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 10 juni 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat de ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.



4.11
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund;



4.12
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van het (de) volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte interventie);
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).



4.13
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA-rapportage uiterlijk 8 december 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.



4.14
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot de kinderen.



4.15
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.



4.16
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, en ook over het verdere procesverloop uit te laten.



4.17
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tijdens vakanties door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige kinderen?
- Welke andere feiten en/omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn wel van belang om te vermelden?



4.18
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, als het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.



4.19
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.



4.20
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.



4.21
Omdat ouders en hun kind(eren) in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het voorliggende verzoek met betrekking tot de zorgregeling tijdens de vakanties, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van zes maanden aan tot 8 december 2026 pro forma. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.



Kinderalimentatie





4.22
In het verzoekschrift heeft de vrouw gesteld dat partijen afspraken hebben gemaakt over wijziging van de kinderalimentatie. De man zal een bijdrage betalen van € 150,00 per maand per kind, waarbij de verdeling van de aanvullende kosten blijft. De man heeft dit tijdens de mondelinge behandeling betwist. Hij heeft aangevoerd dat hij bereid is om € 150,00 per maand per kind te betalen maar dat hij dan geen aanvullende kosten meer betaalt. Als de vrouw het daar niet mee eens is, dan moet er een nieuwe berekening worden gemaakt.



4.23
In het (aanvullend) verzoekschrift zijn door de vrouw geen gewijzigde omstandigheden gesteld omdat de vrouw ervan uitging dat partijen overeenstemming hadden over een nieuwe afspraak. Nu tijdens de mondelinge behandeling bleek dat de man het met het voorstel van de vrouw niet eens is, heeft de vrouw als grond voor haar verzoek aangevoerd dat sinds voormelde beschikking de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de vastgestelde onderhoudsbijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. In dit verband heeft zij gesteld dat het feit dat de aanvullende kosten nu voor de man ineens een probleem zijn een gewijzigde omstandigheid is en verder er een wijziging in inkomen is omdat de man in de Ziektewet zit en de vrouw meer is gaan verdienen.



4.24

De rechtbank oordeelt dat onvoldoende vaststaat dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Het is de vrouw die de bestaande afspraak wil wijzigen. De man geeft aan bereid te zijn om niet langer € 75,00 per maand per kind te betalen maar € 150,00 per maand per kind te gaan betalen, maar dan geen aanvullende kosten meer te willen voldoen. Dat de man geen aanvullende kosten meer wil voldoen is geen wijziging van omstandigheden zoals door de wet vereist. Enerzijds niet omdat het standpunt van de man het gevolg is van het verzoek tot wijziging van de vrouw. Anderzijds niet omdat de betaling van de aanvullende kosten sowieso niet aan de wettelijke maatstaven voldoet. De wettelijke maatstaven gaan namelijk uit van een berekening van de behoefte en draagkracht en een verdeling van die draagkracht over de onderhoudsplichtigen. De wettelijke maatstaven geven geen ruimte voor betaling van aanvullende kosten. Verder heeft de vrouw als grond de wijziging van het inkomen van partijen genoemd, maar dit is op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbijgaat.
Dit betekent dat niet vaststaat dat er sprake is van een wijzing van omstandigheden waardoor de vastgestelde onderhoudsbijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot wijziging van de onderhoudsbijdrage daarom afwijzen.






5De beslissing


De rechtbank:



5.1.
bepaalt dat de man en de minderjarige kinderen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2019 en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021, voorlopig, totdat partijen anders zijn overeengekomen of de rechtbank anders heeft beslist, in het kader van de vakantieregeling contact met elkaar hebben in week 30 en week 33 en 34, steeds van zondag 18.00 uur tot de volgende zondag 18.00 uur, een en ander zoals nader uitgewerkt in rechtsoverweging 4.8.;



5.2.
verwijst ouders en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal ouders en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;



5.3.
verzoekt het loket om uiterlijk op 8 december 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;



5.4.
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;



5.5.
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;



5.6.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.17. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;



5.7.
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;



5.8.
houdt aan de definitieve beslissing op het verzoek met betrekking tot de vastlegging van een vakantieregeling;



5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af;



Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Broek, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Van Klaveren, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.




















Artikel 1:401 lid 1 BW.