Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7314
2026-07-07
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/429564 / FA RK 24-5750 & C/02/429570 / FA RK 24-5756
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Echtscheiding. UHA-verwijzing. Kinderalimentatie. Verdeling algehele gemeenschap van goederen. Schenking bij uitsluiting? Vergoedingsrecht?
Citeert (3)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:180 Gerechtshof Den Haag 04-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2222 Gerechtshof Den Haag 22-10-2025
- ECLI:NL:HR:2019:504 Hoge Raad 05-04-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (50.072 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummers: C/02/435586 FA RK 25-2582 (echtscheiding)
C/02/442186 FA RK 25-6018 (verdeling)
C/02/440771 FA RK 25-5251 (hoofdverblijf)
datum uitspraak: 7 juli 2026
beschikking betreffende echtscheiding en nevenvoorzieningen
in de zaak van
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. W.H.P. de Jongh,
en
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. H.J.P.M. van Berckel-van der Rijken.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 16 mei 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 3 oktober 2025 ontvangen aanvullend verzoekschrift met bijlagen;
- het op 20 november 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- de brieven van mr. De Jongh van 5 december 2025, 22 mei 2026 met bijlagen, twee brieven van 29 mei 2026, waarvan één met bijlagen en van 1 juni 2026;
- de brieven van mr. Van Berckel-van der Rijcken van 22 december 2025, 18 mei 2026 met bijlagen, deze brief bevat een aanvullend zelfstandig verzoek, en van 29 mei 2026 met bijlagen, deze brief bevat aanvullende zelfstandige verzoeken;
- de beschikking voorlopige voorzieningen van 4 juni 2025;
- de beschikking van deze rechtbank van 3 april 2026.
1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 4 juni 2026. Aanwezig waren partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. Tijdens de zitting heeft mr. Van Berckel-van der Rijcken een alimentatieberekening overgelegd. Deze berekening is aan de processtukken toegevoegd.
2 De feiten
2.1 Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- zij zijn op [datum] 2017 in de gemeente Breda met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen;
- uit hun huwelijk zijn de volgende kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2021,
- [minderjarige 2] , geboren en overleden te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2025;
- zij hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan;
- zij hebben de Nederlandse nationaliteit;
- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.
3De verzoeken
Zaaknummers 435586 en 442186:
3.1
De man verzoekt nu, samengevat,
- echtscheiding;
- bepaling dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijf zal hebben bij hem;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
- gelasten van de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen, waarbij de man voorafgaand aan de verdeling een vergoedingsrecht op de gemeenschap heeft.
3.2
De vrouw verzoekt nu, samengevat,
- echtscheiding;
- bepaling dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijf zal hebben bij haar;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige;
- gelasten van de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen;
- bepaling dat de kat van partijen wordt toegedeeld aan de vrouw;
betaling van een bedrag van € 2.842,55 door de man in verband met een verrekenpost en een bijdrage in kosten van [minderjarige 1] ;
te bepalen dat de man zijn medewerking verleent aan de aanvraag van een geldig identiteitsbewijs voor [minderjarige 1] ;
te bepalen dat de vrouw de mogelijkheid heeft om binnen een straal van 15-20 km van [woonplaats] een andere woning te accepteren (koop of huur);
te bepalen dat partijen verwezen worden naar het Uniform Hulpaanbod (UHA) voor verdere hulpverlening over de totstandkoming van een ouderschapsplan, waarbij zij in de tussentijd (de wachttijd tot de start van het UHA) samen in gesprek gaan bij mevrouw [persoon] .
Zaaknummer 440771:
3.3
De vrouw verzoekt te bepalen dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij haar is en dat op dit verzoek in het kader van de echtscheidingsprocedure zal worden beslist.
4De beoordeling
Echtscheiding
4.1
Op grond van artikel 815 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom bij het ontbreken van een ouderschapsplan de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).
4.2
Partijen hebben geen ouderschapsplan overgelegd. Zij hebben voldoende gemotiveerd dat het op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank ontvangt partijen dan ook in hun verzoeken tot echtscheiding.
4.3
Tussen partijen staat vast dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Het door ieder van partijen gedane verzoek tot echtscheiding wordt, als op de wet gegrond, toegewezen.
Verwijzing in het kader van het UHA
4.4
De vrouw verzoekt te bepalen dat partijen verwezen worden naar het UHA voor verdere hulpverlening over de totstandkoming van een ouderschapsplan, waarbij zij in de tussentijd samen in gesprek gaan bij mevrouw [persoon] . Uit de namens de man ingediende brief van 1 juni 2026 blijkt dat partijen het hierover eens zijn.
4.5
Op de zitting heeft de rechtbank de verzochte verwijzing met partijen en de raadsvertegenwoordiger besproken. De Raad vindt het een goede stap dat partijen een hulpverleningstraject in het kader van het UHA aangaan.
4.6
De problematiek van de ouders omvat, kort samengevat, het volgende. Uit de stukken en de verklaringen tijdens de zitting komt naar voren dat ouders nog zoekende zijn naar de wijze waarop zij het gedeeld ouderschap gaan inrichten. Onderdeel daarvan is om de verwachtingen die de ene ouder heeft over het ouderschap van de andere ouder los te laten. Dit is onder meer aan de orde in de verschillende visies over de opvoeding en de onderlinge communicatie. Hierdoor is er een vorm van wantrouwen ontstaan, die een constructief voorgezet ouderschap na echtscheiding nog in de weg staat.
4.7
Het lukt ouders samen niet de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de ouders en de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarig kind een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat de rechtbank hen en hun minderjarig kind voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 5 juni 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als schriftelijke bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.8
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.9
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind (keuze: zware/systeemgerichte interventie);- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie);De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst.
4.10
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA-rapportage uiterlijk 12 januari 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
4.11
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot het kind.
4.12
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.13
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.14
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
4.15
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.16
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.17
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy-aspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacygegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
4.18
Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank de termijn waarop de UHA-rapportage moet worden ingediend verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
4.19
Omdat ouders en hun kind in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet (definitief) op de verzoeken van de man en de vrouw met betrekking tot de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) én het verzoek van de vrouw om te bepalen dat zij de mogelijkheid heeft om binnen een straal van 15-20 km van [woonplaats] een andere woning te accepteren, maar houdt zij de beslissing daarover aan tot 12 januari 2027 pro forma. De rechtbank zal, zoals tijdens de zitting is besproken, een definitieve beslissing nemen over de verzoeken met betrekking tot het hoofdverblijf, de zomervakantie en het identiteitsbewijs.
Straal voor verhuizing
4.20
Ten aanzien van het verzoek van de vrouw over het accepteren van een woning binnen een straal van 15-20 km van [woonplaats] , merkt de rechtbank op dat tijdens de zitting met partijen is besproken dat dit bij uitstek een onderwerp is waarover ouders (alleen) in onderling overleg een afspraak kunnen maken en dat de vrouw dit bij de hulpverlenende instantie aan de orde zal stellen. Partijen beogen hierover een afspraak te maken, die in een ouderschapsplan kan worden neergelegd. In dat kader heeft de raadsvertegenwoordiger opgemerkt dat besproken kan worden wat voor ouders schappelijke afstanden zijn qua school en voor ouders onderling om de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige 1] op een goede wijze te kunnen blijven uitvoeren. Gelet hierop zal de beslissing op dit verzoek van de vrouw worden aangehouden.
Voorlopige zorgregeling
4.21
De vrouw heeft verzocht nu al een zorgregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige 1] doordeweeks de nachten bij haar is en [minderjarige 1] bij de man is in de ene week van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 17.00 uur en in de andere week op woensdagmiddag dan wel donderdagmiddag na schooltijd. Volgens de vrouw geeft dit meer structuur en duidelijkheid en kunnen partijen vanuit deze situatie het gesprek met elkaar aangaan bij de hulpverlenende instantie. De man heeft tijdens de zitting verzocht vooralsnog de zorgregeling uit de beschikking voorlopige voorzieningen voort te zetten.
4.22
De raadsvertegenwoordiger heeft tijdens de zitting aangegeven geen reden te zien om de huidige voorlopige zorgregeling in te perken. Het is niet op voorhand duidelijk dat de onrustige situatie die de vrouw beschrijft het gevolg is van de zorgregeling, in het bijzonder van de doordeweekse nachten die [minderjarige 1] bij de man is. Partijen hebben het afgelopen jaar veel meegemaakt, waaronder ook de kwestie rondom de verhuiswens van de vrouw. Het kan zijn dat dit bij ouders spanningen oplevert en dat [minderjarige 1] dit ook voelt.
4.23
De rechtbank acht het op dit moment het meest aangewezen dat de voorlopige zorgregeling, die partijen in het kader van de voorlopige voorzieningen zijn overeengekomen en die in de beschikking van 4 juni 2025 is vastgelegd, zal worden voortgezet. Deze zorgregeling geldt totdat partijen in onderling overleg anders zijn overeengekomen of de rechtbank anders heeft beslist. Dit betekent dat [minderjarige 1] bij de man verblijft in de ene week van donderdag uit school (de man haalt [minderjarige 1] uit school op) tot vrijdag aanvang school (de man brengt [minderjarige 1] naar school) en in de andere week van donderdag uit school (de man haalt [minderjarige 1] uit school op) tot en met maandagochtend aanvang school (de man brengt [minderjarige 1] naar school). De rechtbank overweegt daartoe dat zij, evenals de Raad, geen concrete aanwijzingen heeft om aan te nemen dat deze regeling de door de vrouw gestelde onrust bij [minderjarige 1] veroorzaakt. Het is aan partijen om hierover in het kader van het hulpverleningstraject verder met elkaar in gesprek te gaan. De definitieve beslissing wordt aangehouden in afwachting van de resultaten van het hulpverleningstraject in het kader van het UHA.
Hoofdverblijf
4.24
De man verzoekt het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen, althans te bepalen dat [minderjarige 1] op zijn adres in de Basisregistratie personen zal worden ingeschreven. In eerste instantie heeft hij dit gemotiveerd door aan te geven dat het toen nog ongeboren kind na de geboorte bij de vrouw het hoofdverblijf kon hebben, zodat partijen optimaal, dus ieder voor één kind, konden profiteren van de toeslagen vanuit de overheid. Tijdens de zitting heeft de man desgevraagd verklaard zijn verzoek om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen in de huidige situatie te handhaven, omdat hij als vader niet buitenspel wil worden gezet, aangezien de vrouw zich voortdurend als eerste aanspreekpunt voor [minderjarige 1] opstelt.
4.25
De vrouw verzoekt het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij haar te bepalen. Daarbij wordt aangesloten bij de beschikking betreffende voorlopige voorzieningen, waarin [minderjarige 1] aan de vrouw is toevertrouwd. Voor de basisschool en de buitenschoolse opvang is het van belang dat er een eerste aanspreekpunt is en dat is de vrouw.
4.26
De rechtbank overweegt als volgt. Het hoofdverblijf van [minderjarige 1] zal overeenkomstig het verzoek van de vrouw bij haar worden bepaald. Het verzoek van de man was oorspronkelijk gestoeld op het verdelen van de kosten, maar die situatie is nu niet aan de orde. De argumentatie van de man wordt nu meer als gevoelsmatig van aard gezien, in die zin dat hij zijn zorgen heeft geuit over het gelijkwaardig ouderschap over [minderjarige 1] . Weliswaar is dit een begrijpelijk argument, maar kijkend naar het aantal zorgdagen ligt het zwaartepunt van de zorg bij de vrouw. Ook ontvangt zij de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor [minderjarige 1] . Bij deze situatie past het om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de vrouw te bepalen. De rechtbank benadrukt dat deze beslissing niet afdoet aan het feit dat het ouderschap van partijen gelijkwaardig aan elkaar is. Het verzoek van de man om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen, althans dat [minderjarige 1] op zijn adres in de Basisregistratie personen zal worden ingeschreven, zal dus worden afgewezen.
4.27
Tijdens de zitting heeft de man zijn op 3 oktober 2025 ingediende verzoeken, om te bepalen dat het de vrouw niet is toegestaan om samen met de minderjarige naar [plaats] , dan wel naar een andere gemeente dan [woonplaats] , te verhuizen en subsidiair, voor zover het verzoek te bepalen dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijf zal hebben bij de man wordt afgewezen, dat het de vrouw niet is toegestaan om met [minderjarige 1] naar [plaats] te verhuizen, ingetrokken. Deze verzoeken zullen dan ook niet meer worden beoordeeld.
4.28
De rechtbank merkt voor de volledigheid op dat met deze beslissing ook is beslist op het verzoek van de vrouw over het hoofdverblijf in de procedure met zaaknummer C/02/440771 FA RK 25-5251.
Zomervakantie
4.29
Op verzoek van partijen heeft de rechtbank tijdens de zitting mondeling uitspraak gedaan over de verdeling van de zomervakantie 2026. De rechtbank heeft bepaald dat [minderjarige 1] in de komende zomervakantie (regio Zuid) eerste week en de vierde en vijfde week bij de man verblijft. Daartoe is overwogen dat partijen het eens zijn over het uitgangspunt om de zomervakantie van 6 weken bij helfte te delen volgens het schema 1-2-2-1, hetgeen ook passend is bij de leeftijd van [minderjarige 1] . De vrouw heeft echter vanwege haar persoonlijke omstandigheden verzocht om dit jaar hiervan af te wijken, in die zin dat zij verzoekt om een verdeling volgens het schema 1-2-1-2, waarbij [minderjarige 1] de tweede en de derde week en de vijfde en de zesde week bij haar verblijft (dus de vijfde week als extra week bij haar). De rechtbank heeft begrip voor de persoonlijke omstandigheden van de vrouw, maar ziet daarin onvoldoende aanleiding om af te wijken van het gezamenlijke uitgangspunt om de zomervakantie bij helfte te verdelen volgens het schema 1-2-2-1, omdat het ook in het belang van de man en [minderjarige 1] is om deze vakantieweken te hebben.
Identiteitsbewijs voor [minderjarige 1]
4.30
De vrouw heeft in haar brief van 29 mei 2026 verzocht te bepalen dat de man zijn medewerking verleent aan de aanvraag van een geldig identiteitsbewijs voor [minderjarige 1] . Tijdens de zitting heeft de man verklaard dat hij diezelfde dag nog zijn toestemming hiervoor zal verlenen en het daarvoor bestemde formulier online via Digid zal invullen. Gelet op deze overeenstemming hoeft de rechtbank dit verzoek niet meer inhoudelijk te beoordelen. Gelet hierop zal dit verzoek worden afgewezen.
Kinderalimentatie
4.31
De vrouw verzoekt vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige. De man voert verweer.
4.32
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen, hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
4.33
De standpunten van partijen zijn op de zitting besproken. Dit heeft erin geresulteerd dat de vrouw aansluit bij de door de man als productie 17 en 18 ingediende berekeningen. In productie 17 is het netto besteedbaar gezinsinkomen berekend op een bedrag van € 6.752,= per maand en de behoefte van [minderjarige 1] op € 900,= per maand in 2025. Rekening houdend met de wettelijke indexering is de behoefte in 2026 (afgerond) € 941,= per maand, zoals de man heeft aangevoerd. In productie 18 is het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man berekend op € 4.125,= en zijn draagkracht op € 1.065,= per maand en het NBI van de vrouw op € 4.406,= per maand en haar draagkracht op € 1.203,=.
4.34
De rechtbank berekent de verdeling van de kosten van het kind over de onderhoudsplichtigen volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van het kind, oftewel:
het aandeel van de man bedraagt: € 1.065 / € 2.268 x € 941 = € 442,=
het aandeel van de vrouw bedraagt: € 1.203 / € 2.268 x € 941 = € 499,=.
4.35
De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 35% op de door hem verschuldigde kinderalimentatie. De vrouw maakt daartegen bezwaar. Volgens haar is een zorgkorting van 25% van toepassing.
4.36
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft gemiddeld drie dagen per week de zorg voor de minderjarige op basis van de huidige regeling en een verdeling van de vakanties bij helfte, zodat een zorgkorting geldt van 35%. Nu de behoefte van de minderjarige € 941,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 329,= per maand.
4.37
Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 113,= per maand, met ingang van de datum van deze beschikking. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie in zoverre toe.
Afwikkeling van het huwelijksvermogen
4.38
Partijen zijn gehuwd in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen. De huwelijksgemeenschap is ontbonden op 16 mei 2025 door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Dat betekent dat de goederen die partijen op die datum hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op die peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen.
4.39
Partijen zijn het erover eens dat op de peildatum de volgende goederen en schulden tot de huwelijksgemeenschap behoren:
a. de woning aan [adres] in [woonplaats] ;
b. de hypothecaire geldlening bij ASR met nummers [kenmerk 1] en [kenmerk 2] ;
c. de inboedel van de hiervoor genoemde woning;
d. de saldi op de bankrekeningen:
1. [rekeningnummer 1] (gezamenlijke betaalrekening);
2. [rekeningnummer 2] (gezamenlijke spaarrekening);
3. [rekeningnummer 3] (betaalrekening van de man);
4. [rekeningnummer 4] (spaarrekening van de man);
5. [rekeningnummer 5] (beleggingsrekening van de man);
6. [rekeningnummer 6] (betaalrekening van de vrouw);
7. [rekeningnummer 7] (spaarrekening van de vrouw);
e. de auto van het merk Opel Meriva met kenteken [kenteken] ;
f. de studieschuld van de man en de studieschuld van de vrouw;
g. [de kat] .
4.40
Voorafgaand aan de zitting hebben partijen over enkele punten overeenstemming bereikt. Deze overeenstemming is vermeld door mr. De Jongh in zijn brief van 1 juni 2026. Mr. Van Berckel-van der Rijcken heeft tijdens de zitting de inhoud van deze brief bevestigd. De rechtbank heeft met partijen besproken dat in deze beschikking de weergave van de afspraken wordt opgenomen en voor zover partijen deze afspraken op de zitting hebben aangepast dan wel aangevuld dit ook in de beschikking wordt vermeld.
De woning en de hypothecaire geldlening
4.41
Partijen zijn overeengekomen dat [makelaar] in [woonplaats] de opdracht krijgt een NWWI-taxatie van de woning te maken. Geen van de partijen is bij de opname van de woning aanwezig. Als de woning aan de man wordt toegedeeld, komen de kosten van de taxatie voor rekening van de man. Bij verkoop van de woning komen de taxatiekosten voor rekening van partijen ieder bij helfte. De notariskosten komen bij overname van de woning voor rekening van de man en in geval van verkoop voor rekening van de koper.
4.42
Partijen zijn verder het volgende overeengekomen. Voor het geval de man niet in staat is de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening te doen ontslaan uiterlijk binnen twee maanden na de datum van deze beschikking, zal de woning binnen twee weken na het verstrijken van deze twee maanden te koop worden gezet bij [makelaar] in [woonplaats] , waarbij daartoe binnen veertien dagen na het verstrijken van twee maanden na deze beschikking door beide partijen de verkoopopdracht dient te worden verstrekt aan genoemde makelaar, waarbij de te bepalen vraag- en laatprijs in onderling overleg tussen partijen dienen te worden bepaald, waarbij in geval van geschil tussen partijen, de makelaar de beslissende stem heeft. Verder zijn partijen het erover eens dat zij alle adviezen van de makelaar dienen op te volgen voor het verkoop klaar maken van de woning en het openstellen van de woning voor bezichtigingen van de woning door de makelaar en potentiële kopers, het opruimen en schoonmaken van de woning, de medewerking aan de totstandkoming en de ondertekening van de verkoopopdracht, de koopovereenkomst en de akte van levering. Na verkoop wordt met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten voldaan. Het resterende bedrag (de netto verkoopwinst) verdelen partijen bij helfte, met dien verstande dat daarbij rekening dient te worden gehouden met wat hierna wordt overwogen ten aanzien van het vergoedingsrecht van de man op de gemeenschap.
4.43
De vrouw heeft vervangende woonruimte voor zichzelf gevonden, die zij naar verwachting medio juli 2026 zal betrekken. Partijen zijn overeengekomen dat voor het geval de man na het vertrek van de vrouw terugkeert in de woning, hij de woonlasten van de gemeenschappelijke woning vanaf dat moment voor zijn rekening neemt, met uitzondering van de aflossing op de hypothecaire geldlening die partijen ieder bij helfte zullen voldoen.
4.44
Tijdens de zitting hebben partijen ook overeenstemming bereikt over de verdeling van de lasten verbonden aan de woning, namelijk dat met ingang van de datum van de indiening van het verzoekschrift (16 mei 2025) tot haar vertrek uit de woning, de navolgende lasten voor rekening van de vrouw komen:
- de hypotheekrente;
- het gebruikersdeel van de gemeentelijke belastingen en waterschapslasten;
- de gebruikerslasten;
en dat voor rekening van beide partijen komt, ieder voor de helft:
de maandelijkse aflossing op de hypotheek;
de woonhuisverzekeringen;
het eigenaarsdeel van de gemeentelijke belastingen en waterschapslasten.
De inboedel
4.45
Partijen zijn overeengekomen dat de inboedel in onderling overleg wordt verdeeld. Tijdens de zitting hebben zij ook overeenstemming bereikt over toedeling van de recent aangekochte televisie, aldus dat die zonder nadere verrekening van de waarde wordt toegedeeld aan de vrouw.
De saldi op de bankrekeningen
4.46
Ten aanzien van de gezamenlijke bankrekeningen (hiervoor vermeld onder 4.39. sub d. onder 1. en 2.) zijn partijen overeengekomen dat de saldi bij helfte worden verdeeld per de datum van het opheffen van de rekeningen. De vrouw is gerechtigd de teruggave uit hoofde van de jaarrekening van energie van het afgelopen jaar vanuit de gezamenlijke rekening naar haar eigen rekening over te boeken. Opheffing van de rekeningen vindt plaats op het moment van de goederenrechtelijke overdracht van de woning.
4.47
Ten aanzien van de eigen bankrekeningen (hiervoor vermeld onder 4.39. sub d. onder 3. tot en met 7.) zijn partijen overeengekomen dat de saldi per 21 mei 2025 bij helfte worden gedeeld en dat ieder de eigen bankrekeningen behoudt.
4.48
Een geschilpunt van partijen is of op de saldi van de bankrekeningen van de man vóór
verdeling het door de man gestelde privévermogen van € 19.935,98 in mindering moet worden gebracht. Dit geschilpunt zal de rechtbank hieronder bespreken.
De auto
4.49
Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat de auto wordt toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 3.200,=, waarbij de man de helft daarvan, dus een bedrag van € 1.600,=, uit hoofde van overbedeling zal voldoen aan de vrouw.
De studieschuld van de man en de vrouw
4.50
Partijen zijn overeengekomen dat ieder de eigen op zijn/haar naam staande studieschuld voor zijn/haar rekening neemt zonder verrekening met de ander.
[de kat]
4.51
Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat de kat aan de vrouw zal worden toebedeeld.
4.52
Tot zover zijn partijen het eens over de verdeling van de vermogensbestanddelen. Zoals tijdens de zitting ook is besproken, kan de rechtbank hierover geen beslissing opnemen in het dictum, gelet op het bepaalde in artikel 3:185 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit laat onverlet dat partijen gebonden zijn en uitvoering dienen te geven aan de gemaakte afspraken.
Schenking ouders man onder uitsluiting en zijn vergoedingsrecht op de gemeenschap
4.53
De man stelt dat hij op 3 augustus 2021 een bedrag van € 50.000,= van zijn ouders geschonken heeft gekregen. In de door de notaris opgestelde schenkingsakte (productie 10) staat dat de schenking niet zal vallen in enige gemeenschap van goederen waarin de man is gehuwd. De man heeft het bedrag van € 50.000,= op zijn betaalrekening ontvangen (productie 11) en overgeboekt naar zijn spaarrekening. Het bedrag is deels nog aanwezig op de spaarrekening en deels geïnvesteerd in de gemeenschappelijke woning. De man verzoekt te bepalen dat het in de woning geïnvesteerde bedrag van € 25.501,= vóór verdeling van de overwaarde van de woning aan de man toekomt en dat het op zijn spaarrekening resterende bedrag van € 19.935,98 vóór verdeling van het saldo van zijn spaarrekening aan de man toekomt. Het bedrag van € 25.501,= betreft een bedrag van in totaal € 22.641,15 aan Belisol voldaan in verband met de aanschaf van nieuwe kozijnen, een bedrag van in totaal € 800,00 aan [bedrijf] in verband met stukadoorswerkzaamheden en een bedrag van € 2.059,86 aan HBM Machines B.V. in verband met een werkplaatsinrichting (productie 21 en 22). Het bedrag van € 19.935,98 blijkt uit het door de man opgestelde overzicht (productie 21).
4.54
De vrouw voert verweer. Tijdens de zitting heeft zij zich primair op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 50.000,= niet onder uitsluiting aan de man is geschonken en dus in de huwelijksgemeenschap valt. Het bedrag is op 30 juni 2021 op de bankrekening van de man gestort, terwijl de notariële akte pas op 3 augustus 2021 is opgesteld. Uit de jurisprudentie blijkt dat de uitsluiting op het moment van de gift gedaan moet worden. De omstandigheid dat hierover op 25 juni 2021 is gesproken bij de notaris maakt dit niet anders.
Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat, indien de rechtbank van oordeel is dat het bedrag bij uitsluiting is geschonken, de vraag is hoe het bedrag is besteed. De vrouw erkent dat een bedrag van € 22.641,15 is geïnvesteerd in de woning nu dit is besteed aan de aanschaf van kozijnen voor de gezamenlijke woning. Dit bedrag kan vanuit de overwaarde van de woning worden terugbetaald aan de man. De andere door de man gestelde bedragen, te weten € 800,= aan [bedrijf] en € 2.059,86 aan HBM Machines B.V., betwist de vrouw. De door de man ingediende overzichten van de uitgaven en de bankafschriften over de besteding aan [bedrijf] Totaalbouw zijn onoverzichtelijk. Er is te zien dat er bedragen worden bijgeboekt en afgeboekt, maar zij kan er geen chocola van maken. De besteding aan HBM Machines B.V. is niet aan te merken als een investering in een gemeenschappelijk goed. Deze uitgave ziet op de aanschaf van een professionele gereedschapskast, van de man, en is geen investering in de woning, omdat het een roerende zaak betreft. Verder merkt zij op dat de man van de schenking nog enkele privéuitgaven heeft gedaan, zoals het kopen van een 3D-printer en andere roerende zaken ten behoeve van zijn hobby.
4.55
In reactie op het door de vrouw tijdens de zitting ingenomen primaire standpunt, stelt de man dat de schenking van het bedrag van € 50.000,= door zijn ouders aan hem onder uitsluiting tot stand is gekomen, omdat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. De uitsluitingsclausule bij giften is vormvrij en moet voor of bij de schenking worden medegedeeld. Uit de door de man ingediende e-mailberichten en aantekeningen van het gesprek van de notaris met zijn ouders op 25 juni 2021 blijkt dat de man aanwezig was bij dit gesprek en dat is besproken dat de ouders bij “harde uitsluiting” een bedrag zullen schenken. Op de gespreksaantekeningen is in het handschrift van de man zijn e-mailadres vermeld (productie 28). Vervolgens is op 8 juli 2021 de concept-akte opgesteld (productie 28) en op 3 augustus 2021 de notariële akte (productie 10). Op 30 juni 2021 hebben de ouders het bedrag van € 50.000,= overgemaakt naar de privérekening van de man (productie 11). Verder heeft de man een verklaring van zijn ouders ingediend, waarin de totstandkoming van de schenking onder uitsluiting en akte wordt beschreven (productie 29).
4.56
De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 1:94 lid 2 onder a BW (oud) blijkt dat de gever aan een gift (waaronder ook het begrip ‘schenking’ valt) een uitsluitingsclausule kan verbinden. Uit de bewoordingen “bij de gift” volgt echter dat deze clausule onderdeel moet zijn van de rechtshandeling waarbij de bevoordeling plaatsheeft. Het is daarom niet mogelijk om na afloop alsnog een uitsluitingsclausule aan de gift toe te voegen. De bewoordingen “bij de gift” verzetten zich er evenwel niet tegen dat de gever en een begiftigde op voorhand een uitsluitingsclausule overeenkomen voor de giften die de begiftigde van de gever zal ontvangen. De begiftigde moet dan deze uitsluitingsclausule wel hebben aanvaard. Als de uitsluitingsclausule door de echtgenoot van de begiftigde wordt betwist, moet de begiftigde bewijzen dat deze kennis heeft genomen van die eerdere uitsluitingsclausule en deze vervolgens heeft aanvaard. De rechtbank verwijst in dit kader onder meer naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 4 juni 2026 (ECLI:NL:GHDHA:2026:180).
4.57
De man heeft onweersproken gesteld dat de man aanwezig was bij het gesprek van zijn ouders met de notaris, in welk gesprek zijn ouders het aanbod hebben gedaan om een bedrag van € 50.000,= aan hem te schenken met een uitsluitingsclausule en de man dit aanbod heeft aanvaard. Vervolgens heeft de notaris vrij snel hierna, op 8 juli 2021, de concept-akte “schenking op papier” opgesteld. Daarna volgde de zomervakantieperiode en is op 3 augustus 2021 de notariële akte waarin de uitsluitingsclausule is opgenomen gepasseerd. De vrouw heeft voor het eerst ter zitting de uitsluitingsclausule betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man met de door hem gegeven verklaring en ingediende stukken zoals voormeld genoegzaam aangetoond dat de man het aanbod van zijn ouders om hem een bedrag van € 50.000,= bij uitsluiting te schenken heeft aanvaard, voordat het schenkingsbedrag door zijn ouders is gestort op een bankrekening op naam van de man. De notariële akte is weliswaar gepasseerd nadat het schenkingsbedrag is overgemaakt, maar dat alleen kan niet tot de conclusie leiden dat de uitsluitingsclausule niet (tijdig) tot stand is gekomen. Voor schenkingen als deze is geen speciale vorm vereist. De notariële akte heeft in deze een bewijsfunctie. De enkele stelling van de vrouw dat bij het overmaken van het schenkingsbedrag niet nadrukkelijk is vermeld dat deze bij uitsluiting wordt gedaan, is in het licht van het voorgaande onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Dit leidt tot de conclusie dat sprake is van een schenking met uitsluitingsclausule in de zin van artikel 1:94 lid 2 BW. Aan het bewijsaanbod van de man (getuigen horen) wordt dan niet toegekomen.
4.58
Tussen partijen is niet in geschil dat, indien vastgesteld is dat de schenking met uitsluitingsclausule heeft plaatsgevonden, de man met een bedrag van € 22.641,15 uit zijn privévermogen in de gemeenschappelijke woning heeft geïnvesteerd ter zake de aanschaf van kozijnen bij Belisol. Zijn verzoek is in zoverre zonder meer toewijsbaar. Dit geldt ook voor de overige uitgaven die dan nog in geschil zijn van € 2.059,86 en € 800,= zoals voormeld. De rechtbank overweegt daartoe, onder verwijzing naar hetgeen hierna onder 4.59. wordt overwogen, dat de bij HBM Machines B.V. aangeschafte professionele gereedschapskast een gemeenschappelijk goed is (ongeacht of dit aan te merken is als een roerende of onroerende zaak) en dat de kosten aan [bedrijf] gemeenschapsschulden betreffen, die betaald zijn met privévermogen van de man. Dit betekent dat voor de verdeling van de overwaarde na overdracht van de echtelijke woning - aan de man dan wel een derde - aan de man op grond van het bepaalde in artikel 1:95 lid 2 BW en 1:96 lid 4 BW een bedrag van € 25.501,= dient te worden te voldaan.
4.59
Partijen verschillen verder van mening over de vraag of op het saldo van de spaarrekening op naam van de man vóór de verdeling een bedrag van € 19.935,98 in mindering moet worden gebracht, zijnde het nog op de rekening van de man aanwezige resterende bedrag van de schenking van zijn ouders. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 22 oktober 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:2222). Daarin is overwogen dat onder uitsluitingsclausule geërfde gelden door overboeking op een bankrekening behorend tot de gemeenschap van goederen door vermenging tot het gemeenschapsvermogen zijn gaan behoren, hetgeen volgt uit rechtsoverweging 3.3.2. van het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:504), waardoor het wettelijk stelsel van titel 7 van boek 1 BW dan meebrengt dat de man als gevolg van deze vermogensverschuiving in beginsel jegens de gemeenschap recht heeft op vergoeding van dat bedrag (vgl. art. 1:95 lid 2 BW en art. 1:96 lid 4 BW). Er ontstaat alsdan een nominaal vergoedingsrecht. Wat er vervolgens met deze gelden is gebeurd en waaraan deze gelden zijn besteed, doet op zichzelf niet af aan het vergoedingsrecht van de man zoals hiervoor omschreven (vgl. rechtsoverweging 3.3.3 van genoemd arrest van de Hoge Raad). Indien uitgaven zijn gedaan van de tot de gemeenschap van goederen behorende bankrekening waarop de onder uitsluitingsclausule verkregen gelden zijn gestort, geldt ten gunste van de man het vermoeden dat deze uitgaven betrekking hebben gehad op gemeenschapsschulden, hetgeen meebrengt dat het vergoedingsrecht van de man jegens de gemeenschap door die uitgaven niet aangetast is (zie hiervoor in 3.3.3). Het ligt op de weg van de vrouw om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan het vergoedingsrecht van de man jegens de gemeenschap niet (of niet volledig) geldend kan worden gemaakt (zie rechtsoverweging 3.3.4 van genoemd arrest van de Hoge Raad). De vrouw heeft daartoe geen feiten en omstandigheden gesteld. Dit betekent dat voor de verdeling (bij helfte) van de saldi (per peildatum) van de bankrekeningen van de man, aan de man een bedrag van € 19.935,98 dient te worden te voldaan.
Pensioenverevening
4.60
Partijen zijn blijkens de brief van 1 juni 2026 overeengekomen dat zij de werking van de Wet verevening pensioenrechten na echtscheiding met betrekking tot de door ieder van hen opgebouwde rechten op ouderdomspensioen uitsluiten. Er zal derhalve geen pensioenverevening plaatsvinden. Ten aanzien van alle tot de datum van de ontbinding van het huwelijk door de vrouw, respectievelijk door de man opgebouwde aanspraken op partnerpensioen komen partijen overeen dat overeenkomstig de wettelijke standaardregeling van artikel 57 lid 1 Pensioenwet wordt gehandeld. Partijen komen aanvullend overeen dat zulks geldt tot aan de 21ste verjaardag van [minderjarige 1] . Vanaf dat moment vervalt de reservering. Partijen leggen deze constructie ter goedkeuring voor aan ABP. Mocht ABP, de pensioenverzekeraar, waarbij beide partijen pensioen opbouwen, hieraan niet mee willen werken, dan zijn partijen overeengekomen dat, als het nabestaandenpensioen ingaat na de 21ste verjaardag van [minderjarige 1] , dit volledig toekomt aan [minderjarige 1] en wordt overgemaakt op een op haar naam staande bankrekening.
Verzoek in verband met verrekenposten en bijdrage in kosten van [minderjarige 1]
4.61
De vrouw heeft (in haar brief van 18 mei 2026) een aanvullend verzoek gedaan tot “vaststelling verrekenposten en bijdrage in kosten [minderjarige 1] ”. Blijkens de brief van 1 juni 2026, zijn partijen hierover overeengekomen dat de man een bedrag van € 850,= voldoet op de gemeenschappelijke rekening van partijen bij ASN bank met eindnummer 080. Voorts zijn partijen overeengekomen dat de vrouw een bedrag van € 1.100,= kan opnemen van dezelfde gezamenlijke bankrekening in verband met door haar betaalde kosten van [minderjarige 1] . Dit verzoek van de vrouw behoeft daarom ook geen inhoudelijke bespreking meer. Partijen zijn gehouden uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.
Ingetrokken verzoeken
4.62
De vrouw heeft (in haar brief van 29 mei 2026) een aanvullend verzoek gedaan om te bepalen dat zij recht heeft op compensatie van het rentenadeel dat zij lijdt, omdat zij het lopende (gunstige) rentecontract niet kan overnemen, indien zij binnen twee jaar na inschrijving van de echtscheiding een woning koopt, waarbij zij vergoeding vordert van de helft van dit, te zijner tijd berekend, bedrag. De man heeft bezwaar gemaakt tegen de late indiening van dit verzoek. Naar aanleiding van het gesprek tijdens de zitting heeft de vrouw dit verzoek ingetrokken, waarbij zij uitdrukkelijk geen afstand van recht doet, in die zin dat zij indien zij een woning koopt dit onderwerp ter discussie kan stellen bij de man. Ook het eerdere verzoek van de vrouw tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning heeft zij ingetrokken. Deze ingetrokken verzoeken kunnen niet meer worden beoordeeld en zullen daarom worden afgewezen.
5 De beslissing
De rechtbank
5.1
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2017 in de gemeente Breda met elkaar gehuwd;
5.2
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2021, haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw;
5.3
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van de dag van deze beschikking ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 113,= (honderddertien euro) per maand;
5.4
bepaalt dat aan de man een vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap toekomt ter hoogte van € 25.501,=, aan de man te voldoen voor de verdeling van de overwaarde na overdracht van de echtelijke woning;
5.5
bepaalt dat aan de man een vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap toekomt ter hoogte van € 19.935,98, aan de man te voldoen voor de verdeling van de saldi van de bankrekeningen van de man;
5.6
verwijst ouders en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal ouders en kind vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.7
verzoekt het loket om uiterlijk op 12 januari 2027, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
5.8
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.9
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.10
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.14. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.11
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
5.12
houdt aan de (definitieve) beslissing op de verzoeken van de man en de vrouw met betrekking tot de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en het verzoek van de vrouw tot bepaling dat zij de mogelijkheid heeft om binnen een straal van 15-20 km van [woonplaats] een andere woning te accepteren tot 12 januari 2027 pro forma;
5.13
wijst alle overige verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, en, in tegenwoordigheid van mr. Tillie, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummers: C/02/435586 FA RK 25-2582 (echtscheiding)
C/02/442186 FA RK 25-6018 (verdeling)
C/02/440771 FA RK 25-5251 (hoofdverblijf)
datum uitspraak: 7 juli 2026
beschikking betreffende echtscheiding en nevenvoorzieningen
in de zaak van
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. W.H.P. de Jongh,
en
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. H.J.P.M. van Berckel-van der Rijken.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 16 mei 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 3 oktober 2025 ontvangen aanvullend verzoekschrift met bijlagen;
- het op 20 november 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- de brieven van mr. De Jongh van 5 december 2025, 22 mei 2026 met bijlagen, twee brieven van 29 mei 2026, waarvan één met bijlagen en van 1 juni 2026;
- de brieven van mr. Van Berckel-van der Rijcken van 22 december 2025, 18 mei 2026 met bijlagen, deze brief bevat een aanvullend zelfstandig verzoek, en van 29 mei 2026 met bijlagen, deze brief bevat aanvullende zelfstandige verzoeken;
- de beschikking voorlopige voorzieningen van 4 juni 2025;
- de beschikking van deze rechtbank van 3 april 2026.
1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 4 juni 2026. Aanwezig waren partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. Tijdens de zitting heeft mr. Van Berckel-van der Rijcken een alimentatieberekening overgelegd. Deze berekening is aan de processtukken toegevoegd.
2 De feiten
2.1 Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- zij zijn op [datum] 2017 in de gemeente Breda met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen;
- uit hun huwelijk zijn de volgende kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2021,
- [minderjarige 2] , geboren en overleden te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2025;
- zij hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan;
- zij hebben de Nederlandse nationaliteit;
- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.
3De verzoeken
Zaaknummers 435586 en 442186:
3.1
De man verzoekt nu, samengevat,
- echtscheiding;
- bepaling dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijf zal hebben bij hem;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
- gelasten van de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen, waarbij de man voorafgaand aan de verdeling een vergoedingsrecht op de gemeenschap heeft.
3.2
De vrouw verzoekt nu, samengevat,
- echtscheiding;
- bepaling dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijf zal hebben bij haar;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige;
- gelasten van de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen;
- bepaling dat de kat van partijen wordt toegedeeld aan de vrouw;
betaling van een bedrag van € 2.842,55 door de man in verband met een verrekenpost en een bijdrage in kosten van [minderjarige 1] ;
te bepalen dat de man zijn medewerking verleent aan de aanvraag van een geldig identiteitsbewijs voor [minderjarige 1] ;
te bepalen dat de vrouw de mogelijkheid heeft om binnen een straal van 15-20 km van [woonplaats] een andere woning te accepteren (koop of huur);
te bepalen dat partijen verwezen worden naar het Uniform Hulpaanbod (UHA) voor verdere hulpverlening over de totstandkoming van een ouderschapsplan, waarbij zij in de tussentijd (de wachttijd tot de start van het UHA) samen in gesprek gaan bij mevrouw [persoon] .
Zaaknummer 440771:
3.3
De vrouw verzoekt te bepalen dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij haar is en dat op dit verzoek in het kader van de echtscheidingsprocedure zal worden beslist.
4De beoordeling
Echtscheiding
4.1
Op grond van artikel 815 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom bij het ontbreken van een ouderschapsplan de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).
4.2
Partijen hebben geen ouderschapsplan overgelegd. Zij hebben voldoende gemotiveerd dat het op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank ontvangt partijen dan ook in hun verzoeken tot echtscheiding.
4.3
Tussen partijen staat vast dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Het door ieder van partijen gedane verzoek tot echtscheiding wordt, als op de wet gegrond, toegewezen.
Verwijzing in het kader van het UHA
4.4
De vrouw verzoekt te bepalen dat partijen verwezen worden naar het UHA voor verdere hulpverlening over de totstandkoming van een ouderschapsplan, waarbij zij in de tussentijd samen in gesprek gaan bij mevrouw [persoon] . Uit de namens de man ingediende brief van 1 juni 2026 blijkt dat partijen het hierover eens zijn.
4.5
Op de zitting heeft de rechtbank de verzochte verwijzing met partijen en de raadsvertegenwoordiger besproken. De Raad vindt het een goede stap dat partijen een hulpverleningstraject in het kader van het UHA aangaan.
4.6
De problematiek van de ouders omvat, kort samengevat, het volgende. Uit de stukken en de verklaringen tijdens de zitting komt naar voren dat ouders nog zoekende zijn naar de wijze waarop zij het gedeeld ouderschap gaan inrichten. Onderdeel daarvan is om de verwachtingen die de ene ouder heeft over het ouderschap van de andere ouder los te laten. Dit is onder meer aan de orde in de verschillende visies over de opvoeding en de onderlinge communicatie. Hierdoor is er een vorm van wantrouwen ontstaan, die een constructief voorgezet ouderschap na echtscheiding nog in de weg staat.
4.7
Het lukt ouders samen niet de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de ouders en de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarig kind een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat de rechtbank hen en hun minderjarig kind voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 5 juni 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als schriftelijke bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.8
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.9
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind (keuze: zware/systeemgerichte interventie);- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie);De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst.
4.10
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA-rapportage uiterlijk 12 januari 2027 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
4.11
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot het kind.
4.12
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.13
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.14
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
4.15
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.16
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.17
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy-aspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacygegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
4.18
Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank de termijn waarop de UHA-rapportage moet worden ingediend verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
4.19
Omdat ouders en hun kind in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet (definitief) op de verzoeken van de man en de vrouw met betrekking tot de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) én het verzoek van de vrouw om te bepalen dat zij de mogelijkheid heeft om binnen een straal van 15-20 km van [woonplaats] een andere woning te accepteren, maar houdt zij de beslissing daarover aan tot 12 januari 2027 pro forma. De rechtbank zal, zoals tijdens de zitting is besproken, een definitieve beslissing nemen over de verzoeken met betrekking tot het hoofdverblijf, de zomervakantie en het identiteitsbewijs.
Straal voor verhuizing
4.20
Ten aanzien van het verzoek van de vrouw over het accepteren van een woning binnen een straal van 15-20 km van [woonplaats] , merkt de rechtbank op dat tijdens de zitting met partijen is besproken dat dit bij uitstek een onderwerp is waarover ouders (alleen) in onderling overleg een afspraak kunnen maken en dat de vrouw dit bij de hulpverlenende instantie aan de orde zal stellen. Partijen beogen hierover een afspraak te maken, die in een ouderschapsplan kan worden neergelegd. In dat kader heeft de raadsvertegenwoordiger opgemerkt dat besproken kan worden wat voor ouders schappelijke afstanden zijn qua school en voor ouders onderling om de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige 1] op een goede wijze te kunnen blijven uitvoeren. Gelet hierop zal de beslissing op dit verzoek van de vrouw worden aangehouden.
Voorlopige zorgregeling
4.21
De vrouw heeft verzocht nu al een zorgregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige 1] doordeweeks de nachten bij haar is en [minderjarige 1] bij de man is in de ene week van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 17.00 uur en in de andere week op woensdagmiddag dan wel donderdagmiddag na schooltijd. Volgens de vrouw geeft dit meer structuur en duidelijkheid en kunnen partijen vanuit deze situatie het gesprek met elkaar aangaan bij de hulpverlenende instantie. De man heeft tijdens de zitting verzocht vooralsnog de zorgregeling uit de beschikking voorlopige voorzieningen voort te zetten.
4.22
De raadsvertegenwoordiger heeft tijdens de zitting aangegeven geen reden te zien om de huidige voorlopige zorgregeling in te perken. Het is niet op voorhand duidelijk dat de onrustige situatie die de vrouw beschrijft het gevolg is van de zorgregeling, in het bijzonder van de doordeweekse nachten die [minderjarige 1] bij de man is. Partijen hebben het afgelopen jaar veel meegemaakt, waaronder ook de kwestie rondom de verhuiswens van de vrouw. Het kan zijn dat dit bij ouders spanningen oplevert en dat [minderjarige 1] dit ook voelt.
4.23
De rechtbank acht het op dit moment het meest aangewezen dat de voorlopige zorgregeling, die partijen in het kader van de voorlopige voorzieningen zijn overeengekomen en die in de beschikking van 4 juni 2025 is vastgelegd, zal worden voortgezet. Deze zorgregeling geldt totdat partijen in onderling overleg anders zijn overeengekomen of de rechtbank anders heeft beslist. Dit betekent dat [minderjarige 1] bij de man verblijft in de ene week van donderdag uit school (de man haalt [minderjarige 1] uit school op) tot vrijdag aanvang school (de man brengt [minderjarige 1] naar school) en in de andere week van donderdag uit school (de man haalt [minderjarige 1] uit school op) tot en met maandagochtend aanvang school (de man brengt [minderjarige 1] naar school). De rechtbank overweegt daartoe dat zij, evenals de Raad, geen concrete aanwijzingen heeft om aan te nemen dat deze regeling de door de vrouw gestelde onrust bij [minderjarige 1] veroorzaakt. Het is aan partijen om hierover in het kader van het hulpverleningstraject verder met elkaar in gesprek te gaan. De definitieve beslissing wordt aangehouden in afwachting van de resultaten van het hulpverleningstraject in het kader van het UHA.
Hoofdverblijf
4.24
De man verzoekt het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen, althans te bepalen dat [minderjarige 1] op zijn adres in de Basisregistratie personen zal worden ingeschreven. In eerste instantie heeft hij dit gemotiveerd door aan te geven dat het toen nog ongeboren kind na de geboorte bij de vrouw het hoofdverblijf kon hebben, zodat partijen optimaal, dus ieder voor één kind, konden profiteren van de toeslagen vanuit de overheid. Tijdens de zitting heeft de man desgevraagd verklaard zijn verzoek om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen in de huidige situatie te handhaven, omdat hij als vader niet buitenspel wil worden gezet, aangezien de vrouw zich voortdurend als eerste aanspreekpunt voor [minderjarige 1] opstelt.
4.25
De vrouw verzoekt het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij haar te bepalen. Daarbij wordt aangesloten bij de beschikking betreffende voorlopige voorzieningen, waarin [minderjarige 1] aan de vrouw is toevertrouwd. Voor de basisschool en de buitenschoolse opvang is het van belang dat er een eerste aanspreekpunt is en dat is de vrouw.
4.26
De rechtbank overweegt als volgt. Het hoofdverblijf van [minderjarige 1] zal overeenkomstig het verzoek van de vrouw bij haar worden bepaald. Het verzoek van de man was oorspronkelijk gestoeld op het verdelen van de kosten, maar die situatie is nu niet aan de orde. De argumentatie van de man wordt nu meer als gevoelsmatig van aard gezien, in die zin dat hij zijn zorgen heeft geuit over het gelijkwaardig ouderschap over [minderjarige 1] . Weliswaar is dit een begrijpelijk argument, maar kijkend naar het aantal zorgdagen ligt het zwaartepunt van de zorg bij de vrouw. Ook ontvangt zij de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor [minderjarige 1] . Bij deze situatie past het om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de vrouw te bepalen. De rechtbank benadrukt dat deze beslissing niet afdoet aan het feit dat het ouderschap van partijen gelijkwaardig aan elkaar is. Het verzoek van de man om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij hem te bepalen, althans dat [minderjarige 1] op zijn adres in de Basisregistratie personen zal worden ingeschreven, zal dus worden afgewezen.
4.27
Tijdens de zitting heeft de man zijn op 3 oktober 2025 ingediende verzoeken, om te bepalen dat het de vrouw niet is toegestaan om samen met de minderjarige naar [plaats] , dan wel naar een andere gemeente dan [woonplaats] , te verhuizen en subsidiair, voor zover het verzoek te bepalen dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijf zal hebben bij de man wordt afgewezen, dat het de vrouw niet is toegestaan om met [minderjarige 1] naar [plaats] te verhuizen, ingetrokken. Deze verzoeken zullen dan ook niet meer worden beoordeeld.
4.28
De rechtbank merkt voor de volledigheid op dat met deze beslissing ook is beslist op het verzoek van de vrouw over het hoofdverblijf in de procedure met zaaknummer C/02/440771 FA RK 25-5251.
Zomervakantie
4.29
Op verzoek van partijen heeft de rechtbank tijdens de zitting mondeling uitspraak gedaan over de verdeling van de zomervakantie 2026. De rechtbank heeft bepaald dat [minderjarige 1] in de komende zomervakantie (regio Zuid) eerste week en de vierde en vijfde week bij de man verblijft. Daartoe is overwogen dat partijen het eens zijn over het uitgangspunt om de zomervakantie van 6 weken bij helfte te delen volgens het schema 1-2-2-1, hetgeen ook passend is bij de leeftijd van [minderjarige 1] . De vrouw heeft echter vanwege haar persoonlijke omstandigheden verzocht om dit jaar hiervan af te wijken, in die zin dat zij verzoekt om een verdeling volgens het schema 1-2-1-2, waarbij [minderjarige 1] de tweede en de derde week en de vijfde en de zesde week bij haar verblijft (dus de vijfde week als extra week bij haar). De rechtbank heeft begrip voor de persoonlijke omstandigheden van de vrouw, maar ziet daarin onvoldoende aanleiding om af te wijken van het gezamenlijke uitgangspunt om de zomervakantie bij helfte te verdelen volgens het schema 1-2-2-1, omdat het ook in het belang van de man en [minderjarige 1] is om deze vakantieweken te hebben.
Identiteitsbewijs voor [minderjarige 1]
4.30
De vrouw heeft in haar brief van 29 mei 2026 verzocht te bepalen dat de man zijn medewerking verleent aan de aanvraag van een geldig identiteitsbewijs voor [minderjarige 1] . Tijdens de zitting heeft de man verklaard dat hij diezelfde dag nog zijn toestemming hiervoor zal verlenen en het daarvoor bestemde formulier online via Digid zal invullen. Gelet op deze overeenstemming hoeft de rechtbank dit verzoek niet meer inhoudelijk te beoordelen. Gelet hierop zal dit verzoek worden afgewezen.
Kinderalimentatie
4.31
De vrouw verzoekt vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige. De man voert verweer.
4.32
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen, hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
4.33
De standpunten van partijen zijn op de zitting besproken. Dit heeft erin geresulteerd dat de vrouw aansluit bij de door de man als productie 17 en 18 ingediende berekeningen. In productie 17 is het netto besteedbaar gezinsinkomen berekend op een bedrag van € 6.752,= per maand en de behoefte van [minderjarige 1] op € 900,= per maand in 2025. Rekening houdend met de wettelijke indexering is de behoefte in 2026 (afgerond) € 941,= per maand, zoals de man heeft aangevoerd. In productie 18 is het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man berekend op € 4.125,= en zijn draagkracht op € 1.065,= per maand en het NBI van de vrouw op € 4.406,= per maand en haar draagkracht op € 1.203,=.
4.34
De rechtbank berekent de verdeling van de kosten van het kind over de onderhoudsplichtigen volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van het kind, oftewel:
het aandeel van de man bedraagt: € 1.065 / € 2.268 x € 941 = € 442,=
het aandeel van de vrouw bedraagt: € 1.203 / € 2.268 x € 941 = € 499,=.
4.35
De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 35% op de door hem verschuldigde kinderalimentatie. De vrouw maakt daartegen bezwaar. Volgens haar is een zorgkorting van 25% van toepassing.
4.36
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft gemiddeld drie dagen per week de zorg voor de minderjarige op basis van de huidige regeling en een verdeling van de vakanties bij helfte, zodat een zorgkorting geldt van 35%. Nu de behoefte van de minderjarige € 941,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 329,= per maand.
4.37
Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 113,= per maand, met ingang van de datum van deze beschikking. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie in zoverre toe.
Afwikkeling van het huwelijksvermogen
4.38
Partijen zijn gehuwd in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen. De huwelijksgemeenschap is ontbonden op 16 mei 2025 door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Dat betekent dat de goederen die partijen op die datum hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op die peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen.
4.39
Partijen zijn het erover eens dat op de peildatum de volgende goederen en schulden tot de huwelijksgemeenschap behoren:
a. de woning aan [adres] in [woonplaats] ;
b. de hypothecaire geldlening bij ASR met nummers [kenmerk 1] en [kenmerk 2] ;
c. de inboedel van de hiervoor genoemde woning;
d. de saldi op de bankrekeningen:
1. [rekeningnummer 1] (gezamenlijke betaalrekening);
2. [rekeningnummer 2] (gezamenlijke spaarrekening);
3. [rekeningnummer 3] (betaalrekening van de man);
4. [rekeningnummer 4] (spaarrekening van de man);
5. [rekeningnummer 5] (beleggingsrekening van de man);
6. [rekeningnummer 6] (betaalrekening van de vrouw);
7. [rekeningnummer 7] (spaarrekening van de vrouw);
e. de auto van het merk Opel Meriva met kenteken [kenteken] ;
f. de studieschuld van de man en de studieschuld van de vrouw;
g. [de kat] .
4.40
Voorafgaand aan de zitting hebben partijen over enkele punten overeenstemming bereikt. Deze overeenstemming is vermeld door mr. De Jongh in zijn brief van 1 juni 2026. Mr. Van Berckel-van der Rijcken heeft tijdens de zitting de inhoud van deze brief bevestigd. De rechtbank heeft met partijen besproken dat in deze beschikking de weergave van de afspraken wordt opgenomen en voor zover partijen deze afspraken op de zitting hebben aangepast dan wel aangevuld dit ook in de beschikking wordt vermeld.
De woning en de hypothecaire geldlening
4.41
Partijen zijn overeengekomen dat [makelaar] in [woonplaats] de opdracht krijgt een NWWI-taxatie van de woning te maken. Geen van de partijen is bij de opname van de woning aanwezig. Als de woning aan de man wordt toegedeeld, komen de kosten van de taxatie voor rekening van de man. Bij verkoop van de woning komen de taxatiekosten voor rekening van partijen ieder bij helfte. De notariskosten komen bij overname van de woning voor rekening van de man en in geval van verkoop voor rekening van de koper.
4.42
Partijen zijn verder het volgende overeengekomen. Voor het geval de man niet in staat is de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening te doen ontslaan uiterlijk binnen twee maanden na de datum van deze beschikking, zal de woning binnen twee weken na het verstrijken van deze twee maanden te koop worden gezet bij [makelaar] in [woonplaats] , waarbij daartoe binnen veertien dagen na het verstrijken van twee maanden na deze beschikking door beide partijen de verkoopopdracht dient te worden verstrekt aan genoemde makelaar, waarbij de te bepalen vraag- en laatprijs in onderling overleg tussen partijen dienen te worden bepaald, waarbij in geval van geschil tussen partijen, de makelaar de beslissende stem heeft. Verder zijn partijen het erover eens dat zij alle adviezen van de makelaar dienen op te volgen voor het verkoop klaar maken van de woning en het openstellen van de woning voor bezichtigingen van de woning door de makelaar en potentiële kopers, het opruimen en schoonmaken van de woning, de medewerking aan de totstandkoming en de ondertekening van de verkoopopdracht, de koopovereenkomst en de akte van levering. Na verkoop wordt met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten voldaan. Het resterende bedrag (de netto verkoopwinst) verdelen partijen bij helfte, met dien verstande dat daarbij rekening dient te worden gehouden met wat hierna wordt overwogen ten aanzien van het vergoedingsrecht van de man op de gemeenschap.
4.43
De vrouw heeft vervangende woonruimte voor zichzelf gevonden, die zij naar verwachting medio juli 2026 zal betrekken. Partijen zijn overeengekomen dat voor het geval de man na het vertrek van de vrouw terugkeert in de woning, hij de woonlasten van de gemeenschappelijke woning vanaf dat moment voor zijn rekening neemt, met uitzondering van de aflossing op de hypothecaire geldlening die partijen ieder bij helfte zullen voldoen.
4.44
Tijdens de zitting hebben partijen ook overeenstemming bereikt over de verdeling van de lasten verbonden aan de woning, namelijk dat met ingang van de datum van de indiening van het verzoekschrift (16 mei 2025) tot haar vertrek uit de woning, de navolgende lasten voor rekening van de vrouw komen:
- de hypotheekrente;
- het gebruikersdeel van de gemeentelijke belastingen en waterschapslasten;
- de gebruikerslasten;
en dat voor rekening van beide partijen komt, ieder voor de helft:
de maandelijkse aflossing op de hypotheek;
de woonhuisverzekeringen;
het eigenaarsdeel van de gemeentelijke belastingen en waterschapslasten.
De inboedel
4.45
Partijen zijn overeengekomen dat de inboedel in onderling overleg wordt verdeeld. Tijdens de zitting hebben zij ook overeenstemming bereikt over toedeling van de recent aangekochte televisie, aldus dat die zonder nadere verrekening van de waarde wordt toegedeeld aan de vrouw.
De saldi op de bankrekeningen
4.46
Ten aanzien van de gezamenlijke bankrekeningen (hiervoor vermeld onder 4.39. sub d. onder 1. en 2.) zijn partijen overeengekomen dat de saldi bij helfte worden verdeeld per de datum van het opheffen van de rekeningen. De vrouw is gerechtigd de teruggave uit hoofde van de jaarrekening van energie van het afgelopen jaar vanuit de gezamenlijke rekening naar haar eigen rekening over te boeken. Opheffing van de rekeningen vindt plaats op het moment van de goederenrechtelijke overdracht van de woning.
4.47
Ten aanzien van de eigen bankrekeningen (hiervoor vermeld onder 4.39. sub d. onder 3. tot en met 7.) zijn partijen overeengekomen dat de saldi per 21 mei 2025 bij helfte worden gedeeld en dat ieder de eigen bankrekeningen behoudt.
4.48
Een geschilpunt van partijen is of op de saldi van de bankrekeningen van de man vóór
verdeling het door de man gestelde privévermogen van € 19.935,98 in mindering moet worden gebracht. Dit geschilpunt zal de rechtbank hieronder bespreken.
De auto
4.49
Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat de auto wordt toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 3.200,=, waarbij de man de helft daarvan, dus een bedrag van € 1.600,=, uit hoofde van overbedeling zal voldoen aan de vrouw.
De studieschuld van de man en de vrouw
4.50
Partijen zijn overeengekomen dat ieder de eigen op zijn/haar naam staande studieschuld voor zijn/haar rekening neemt zonder verrekening met de ander.
[de kat]
4.51
Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat de kat aan de vrouw zal worden toebedeeld.
4.52
Tot zover zijn partijen het eens over de verdeling van de vermogensbestanddelen. Zoals tijdens de zitting ook is besproken, kan de rechtbank hierover geen beslissing opnemen in het dictum, gelet op het bepaalde in artikel 3:185 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit laat onverlet dat partijen gebonden zijn en uitvoering dienen te geven aan de gemaakte afspraken.
Schenking ouders man onder uitsluiting en zijn vergoedingsrecht op de gemeenschap
4.53
De man stelt dat hij op 3 augustus 2021 een bedrag van € 50.000,= van zijn ouders geschonken heeft gekregen. In de door de notaris opgestelde schenkingsakte (productie 10) staat dat de schenking niet zal vallen in enige gemeenschap van goederen waarin de man is gehuwd. De man heeft het bedrag van € 50.000,= op zijn betaalrekening ontvangen (productie 11) en overgeboekt naar zijn spaarrekening. Het bedrag is deels nog aanwezig op de spaarrekening en deels geïnvesteerd in de gemeenschappelijke woning. De man verzoekt te bepalen dat het in de woning geïnvesteerde bedrag van € 25.501,= vóór verdeling van de overwaarde van de woning aan de man toekomt en dat het op zijn spaarrekening resterende bedrag van € 19.935,98 vóór verdeling van het saldo van zijn spaarrekening aan de man toekomt. Het bedrag van € 25.501,= betreft een bedrag van in totaal € 22.641,15 aan Belisol voldaan in verband met de aanschaf van nieuwe kozijnen, een bedrag van in totaal € 800,00 aan [bedrijf] in verband met stukadoorswerkzaamheden en een bedrag van € 2.059,86 aan HBM Machines B.V. in verband met een werkplaatsinrichting (productie 21 en 22). Het bedrag van € 19.935,98 blijkt uit het door de man opgestelde overzicht (productie 21).
4.54
De vrouw voert verweer. Tijdens de zitting heeft zij zich primair op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 50.000,= niet onder uitsluiting aan de man is geschonken en dus in de huwelijksgemeenschap valt. Het bedrag is op 30 juni 2021 op de bankrekening van de man gestort, terwijl de notariële akte pas op 3 augustus 2021 is opgesteld. Uit de jurisprudentie blijkt dat de uitsluiting op het moment van de gift gedaan moet worden. De omstandigheid dat hierover op 25 juni 2021 is gesproken bij de notaris maakt dit niet anders.
Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat, indien de rechtbank van oordeel is dat het bedrag bij uitsluiting is geschonken, de vraag is hoe het bedrag is besteed. De vrouw erkent dat een bedrag van € 22.641,15 is geïnvesteerd in de woning nu dit is besteed aan de aanschaf van kozijnen voor de gezamenlijke woning. Dit bedrag kan vanuit de overwaarde van de woning worden terugbetaald aan de man. De andere door de man gestelde bedragen, te weten € 800,= aan [bedrijf] en € 2.059,86 aan HBM Machines B.V., betwist de vrouw. De door de man ingediende overzichten van de uitgaven en de bankafschriften over de besteding aan [bedrijf] Totaalbouw zijn onoverzichtelijk. Er is te zien dat er bedragen worden bijgeboekt en afgeboekt, maar zij kan er geen chocola van maken. De besteding aan HBM Machines B.V. is niet aan te merken als een investering in een gemeenschappelijk goed. Deze uitgave ziet op de aanschaf van een professionele gereedschapskast, van de man, en is geen investering in de woning, omdat het een roerende zaak betreft. Verder merkt zij op dat de man van de schenking nog enkele privéuitgaven heeft gedaan, zoals het kopen van een 3D-printer en andere roerende zaken ten behoeve van zijn hobby.
4.55
In reactie op het door de vrouw tijdens de zitting ingenomen primaire standpunt, stelt de man dat de schenking van het bedrag van € 50.000,= door zijn ouders aan hem onder uitsluiting tot stand is gekomen, omdat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. De uitsluitingsclausule bij giften is vormvrij en moet voor of bij de schenking worden medegedeeld. Uit de door de man ingediende e-mailberichten en aantekeningen van het gesprek van de notaris met zijn ouders op 25 juni 2021 blijkt dat de man aanwezig was bij dit gesprek en dat is besproken dat de ouders bij “harde uitsluiting” een bedrag zullen schenken. Op de gespreksaantekeningen is in het handschrift van de man zijn e-mailadres vermeld (productie 28). Vervolgens is op 8 juli 2021 de concept-akte opgesteld (productie 28) en op 3 augustus 2021 de notariële akte (productie 10). Op 30 juni 2021 hebben de ouders het bedrag van € 50.000,= overgemaakt naar de privérekening van de man (productie 11). Verder heeft de man een verklaring van zijn ouders ingediend, waarin de totstandkoming van de schenking onder uitsluiting en akte wordt beschreven (productie 29).
4.56
De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 1:94 lid 2 onder a BW (oud) blijkt dat de gever aan een gift (waaronder ook het begrip ‘schenking’ valt) een uitsluitingsclausule kan verbinden. Uit de bewoordingen “bij de gift” volgt echter dat deze clausule onderdeel moet zijn van de rechtshandeling waarbij de bevoordeling plaatsheeft. Het is daarom niet mogelijk om na afloop alsnog een uitsluitingsclausule aan de gift toe te voegen. De bewoordingen “bij de gift” verzetten zich er evenwel niet tegen dat de gever en een begiftigde op voorhand een uitsluitingsclausule overeenkomen voor de giften die de begiftigde van de gever zal ontvangen. De begiftigde moet dan deze uitsluitingsclausule wel hebben aanvaard. Als de uitsluitingsclausule door de echtgenoot van de begiftigde wordt betwist, moet de begiftigde bewijzen dat deze kennis heeft genomen van die eerdere uitsluitingsclausule en deze vervolgens heeft aanvaard. De rechtbank verwijst in dit kader onder meer naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 4 juni 2026 (ECLI:NL:GHDHA:2026:180).
4.57
De man heeft onweersproken gesteld dat de man aanwezig was bij het gesprek van zijn ouders met de notaris, in welk gesprek zijn ouders het aanbod hebben gedaan om een bedrag van € 50.000,= aan hem te schenken met een uitsluitingsclausule en de man dit aanbod heeft aanvaard. Vervolgens heeft de notaris vrij snel hierna, op 8 juli 2021, de concept-akte “schenking op papier” opgesteld. Daarna volgde de zomervakantieperiode en is op 3 augustus 2021 de notariële akte waarin de uitsluitingsclausule is opgenomen gepasseerd. De vrouw heeft voor het eerst ter zitting de uitsluitingsclausule betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man met de door hem gegeven verklaring en ingediende stukken zoals voormeld genoegzaam aangetoond dat de man het aanbod van zijn ouders om hem een bedrag van € 50.000,= bij uitsluiting te schenken heeft aanvaard, voordat het schenkingsbedrag door zijn ouders is gestort op een bankrekening op naam van de man. De notariële akte is weliswaar gepasseerd nadat het schenkingsbedrag is overgemaakt, maar dat alleen kan niet tot de conclusie leiden dat de uitsluitingsclausule niet (tijdig) tot stand is gekomen. Voor schenkingen als deze is geen speciale vorm vereist. De notariële akte heeft in deze een bewijsfunctie. De enkele stelling van de vrouw dat bij het overmaken van het schenkingsbedrag niet nadrukkelijk is vermeld dat deze bij uitsluiting wordt gedaan, is in het licht van het voorgaande onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Dit leidt tot de conclusie dat sprake is van een schenking met uitsluitingsclausule in de zin van artikel 1:94 lid 2 BW. Aan het bewijsaanbod van de man (getuigen horen) wordt dan niet toegekomen.
4.58
Tussen partijen is niet in geschil dat, indien vastgesteld is dat de schenking met uitsluitingsclausule heeft plaatsgevonden, de man met een bedrag van € 22.641,15 uit zijn privévermogen in de gemeenschappelijke woning heeft geïnvesteerd ter zake de aanschaf van kozijnen bij Belisol. Zijn verzoek is in zoverre zonder meer toewijsbaar. Dit geldt ook voor de overige uitgaven die dan nog in geschil zijn van € 2.059,86 en € 800,= zoals voormeld. De rechtbank overweegt daartoe, onder verwijzing naar hetgeen hierna onder 4.59. wordt overwogen, dat de bij HBM Machines B.V. aangeschafte professionele gereedschapskast een gemeenschappelijk goed is (ongeacht of dit aan te merken is als een roerende of onroerende zaak) en dat de kosten aan [bedrijf] gemeenschapsschulden betreffen, die betaald zijn met privévermogen van de man. Dit betekent dat voor de verdeling van de overwaarde na overdracht van de echtelijke woning - aan de man dan wel een derde - aan de man op grond van het bepaalde in artikel 1:95 lid 2 BW en 1:96 lid 4 BW een bedrag van € 25.501,= dient te worden te voldaan.
4.59
Partijen verschillen verder van mening over de vraag of op het saldo van de spaarrekening op naam van de man vóór de verdeling een bedrag van € 19.935,98 in mindering moet worden gebracht, zijnde het nog op de rekening van de man aanwezige resterende bedrag van de schenking van zijn ouders. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 22 oktober 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:2222). Daarin is overwogen dat onder uitsluitingsclausule geërfde gelden door overboeking op een bankrekening behorend tot de gemeenschap van goederen door vermenging tot het gemeenschapsvermogen zijn gaan behoren, hetgeen volgt uit rechtsoverweging 3.3.2. van het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:504), waardoor het wettelijk stelsel van titel 7 van boek 1 BW dan meebrengt dat de man als gevolg van deze vermogensverschuiving in beginsel jegens de gemeenschap recht heeft op vergoeding van dat bedrag (vgl. art. 1:95 lid 2 BW en art. 1:96 lid 4 BW). Er ontstaat alsdan een nominaal vergoedingsrecht. Wat er vervolgens met deze gelden is gebeurd en waaraan deze gelden zijn besteed, doet op zichzelf niet af aan het vergoedingsrecht van de man zoals hiervoor omschreven (vgl. rechtsoverweging 3.3.3 van genoemd arrest van de Hoge Raad). Indien uitgaven zijn gedaan van de tot de gemeenschap van goederen behorende bankrekening waarop de onder uitsluitingsclausule verkregen gelden zijn gestort, geldt ten gunste van de man het vermoeden dat deze uitgaven betrekking hebben gehad op gemeenschapsschulden, hetgeen meebrengt dat het vergoedingsrecht van de man jegens de gemeenschap door die uitgaven niet aangetast is (zie hiervoor in 3.3.3). Het ligt op de weg van de vrouw om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan het vergoedingsrecht van de man jegens de gemeenschap niet (of niet volledig) geldend kan worden gemaakt (zie rechtsoverweging 3.3.4 van genoemd arrest van de Hoge Raad). De vrouw heeft daartoe geen feiten en omstandigheden gesteld. Dit betekent dat voor de verdeling (bij helfte) van de saldi (per peildatum) van de bankrekeningen van de man, aan de man een bedrag van € 19.935,98 dient te worden te voldaan.
Pensioenverevening
4.60
Partijen zijn blijkens de brief van 1 juni 2026 overeengekomen dat zij de werking van de Wet verevening pensioenrechten na echtscheiding met betrekking tot de door ieder van hen opgebouwde rechten op ouderdomspensioen uitsluiten. Er zal derhalve geen pensioenverevening plaatsvinden. Ten aanzien van alle tot de datum van de ontbinding van het huwelijk door de vrouw, respectievelijk door de man opgebouwde aanspraken op partnerpensioen komen partijen overeen dat overeenkomstig de wettelijke standaardregeling van artikel 57 lid 1 Pensioenwet wordt gehandeld. Partijen komen aanvullend overeen dat zulks geldt tot aan de 21ste verjaardag van [minderjarige 1] . Vanaf dat moment vervalt de reservering. Partijen leggen deze constructie ter goedkeuring voor aan ABP. Mocht ABP, de pensioenverzekeraar, waarbij beide partijen pensioen opbouwen, hieraan niet mee willen werken, dan zijn partijen overeengekomen dat, als het nabestaandenpensioen ingaat na de 21ste verjaardag van [minderjarige 1] , dit volledig toekomt aan [minderjarige 1] en wordt overgemaakt op een op haar naam staande bankrekening.
Verzoek in verband met verrekenposten en bijdrage in kosten van [minderjarige 1]
4.61
De vrouw heeft (in haar brief van 18 mei 2026) een aanvullend verzoek gedaan tot “vaststelling verrekenposten en bijdrage in kosten [minderjarige 1] ”. Blijkens de brief van 1 juni 2026, zijn partijen hierover overeengekomen dat de man een bedrag van € 850,= voldoet op de gemeenschappelijke rekening van partijen bij ASN bank met eindnummer 080. Voorts zijn partijen overeengekomen dat de vrouw een bedrag van € 1.100,= kan opnemen van dezelfde gezamenlijke bankrekening in verband met door haar betaalde kosten van [minderjarige 1] . Dit verzoek van de vrouw behoeft daarom ook geen inhoudelijke bespreking meer. Partijen zijn gehouden uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.
Ingetrokken verzoeken
4.62
De vrouw heeft (in haar brief van 29 mei 2026) een aanvullend verzoek gedaan om te bepalen dat zij recht heeft op compensatie van het rentenadeel dat zij lijdt, omdat zij het lopende (gunstige) rentecontract niet kan overnemen, indien zij binnen twee jaar na inschrijving van de echtscheiding een woning koopt, waarbij zij vergoeding vordert van de helft van dit, te zijner tijd berekend, bedrag. De man heeft bezwaar gemaakt tegen de late indiening van dit verzoek. Naar aanleiding van het gesprek tijdens de zitting heeft de vrouw dit verzoek ingetrokken, waarbij zij uitdrukkelijk geen afstand van recht doet, in die zin dat zij indien zij een woning koopt dit onderwerp ter discussie kan stellen bij de man. Ook het eerdere verzoek van de vrouw tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning heeft zij ingetrokken. Deze ingetrokken verzoeken kunnen niet meer worden beoordeeld en zullen daarom worden afgewezen.
5 De beslissing
De rechtbank
5.1
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2017 in de gemeente Breda met elkaar gehuwd;
5.2
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2021, haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw;
5.3
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van de dag van deze beschikking ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 113,= (honderddertien euro) per maand;
5.4
bepaalt dat aan de man een vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap toekomt ter hoogte van € 25.501,=, aan de man te voldoen voor de verdeling van de overwaarde na overdracht van de echtelijke woning;
5.5
bepaalt dat aan de man een vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap toekomt ter hoogte van € 19.935,98, aan de man te voldoen voor de verdeling van de saldi van de bankrekeningen van de man;
5.6
verwijst ouders en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal ouders en kind vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.7
verzoekt het loket om uiterlijk op 12 januari 2027, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
5.8
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.9
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.10
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.14. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.11
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
5.12
houdt aan de (definitieve) beslissing op de verzoeken van de man en de vrouw met betrekking tot de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en het verzoek van de vrouw tot bepaling dat zij de mogelijkheid heeft om binnen een straal van 15-20 km van [woonplaats] een andere woning te accepteren tot 12 januari 2027 pro forma;
5.13
wijst alle overige verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, en, in tegenwoordigheid van mr. Tillie, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.