Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:7281

2026-02-10 Strafrecht 25-021921
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-02-10
Publicatiedatum
2026-08-06
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Raadkamer
Zaaknummer
25-021921
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ongegrond.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.461 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht


Zittingsplaats Breda



Parketnummer : 02-282580-24
raadkamernummer : 25-021921
datum : 10 februari 2026




beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:






[de veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] ,
wonende op het [woonadres] ,



hierna te noemen: de veroordeelde.




Procedure
Het bezwaarschrift is op 03 september 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.


De rechtbank heeft op 27 januari 2026 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.



De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn advocaat mr. C.D.W. Herrings, advocaat te Rijen, en de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks in raadkamer gehoord.




Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.
De veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.



Veroordeelde stelt onschuldig veroordeeld te zijn en is in hoger beroep gegaan tegen de veroordeling van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 21 mei 2025. Mocht veroordeelde in hoger beroep alsnog worden vrijgesproken, dan is ten onrechte een diepgaande inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer gemaakt. Hetgeen in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel, alsmede met artikel 8 EVRM. Veroordeelde lijdt sinds de hele zaak een geïsoleerd bestaan en is niet meer welkom bij sociale activiteiten. Afname van zijn DNA-materiaal voelt extra bezwaarlijk. Vooropgesteld dat veroordeelde het feit waarvoor hij veroordeeld is stellig ontkend te hebben gepleegd, is hij behoudens deze veroordeling nooit eerder veroordeeld voor het plegen van enig misdrijf. Het feit waarvoor veroordeelde is veroordeeld in eerste aanleg betreft seksueel misbruik van zijn toenmalige stiefdochter welke destijds ook bij hem inwoonde, hetgeen gezien kan worden als een bijzondere omstandigheid waaronder het misdrijf zou zijn gepleegd. Direct na de beschuldigingen heeft de toenmalige partner van veroordeelde, tezamen met haar dochter, de woning verlaten. Sindsdien woont veroordeelde alleen en is recidive daardoor uitgesloten.



Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. Enkel bij hoge uitzondering biedt de Wet DNA ruimte om af te wijken van het uitgangspunt dat een DNA-profiel wordt afgenomen en opgeslagen in de databank. Dit kan bijvoorbeeld zijn wanneer zich omstandigheden voordoen op basis waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat recidive met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet zal plaatsvinden of in uitzonderlijke gevallen bij minderjarigen. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. Het bezwaarschrift dient ongegrond te worden verklaard.



Beoordeling
Bij vonnis van 21 mei 2025 is de veroordeelde door de meervoudige strafkamer in deze rechtbank veroordeeld ter zake van het buiten echt ontuchtige handelingen plegen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren (meermalen gepleegd), waarbij aan de veroordeelde is opgelegd een gevangenisstraf van 18 maanden. Het vonnis is nog niet onherroepelijk.


De rechtbank is bevoegd.



Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.




Wettelijk kader

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.



De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.




Aard van het misdrijf

Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. In het onderhavige geval is de veroordeelde veroordeeld voor het plegen van buiten echt ontuchtige handelingen met een minderjarige. Dit is een soort feit waar DNA-materiaal van belang kan zijn in het opsporingsonderzoek. Het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde zal daarom wel van betekenis kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.




Bijzondere omstandigheden

De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen
met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Of, en in welke mate, bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. De in raadkamer herhaalde ontkenning en het niet meer wonen bij zijn toenmalige stiefdochter zijn niet zulke bijzondere omstandigheden. Uitgaande van de veroordeling in eerste aanleg is er sprake van meermalen seksueel misbruik en baart de herhaalde ontkenning van veroordeelde in raadkamer juist zorgen voor de toekomst. Ook is er geen sprake van een lichamelijke gesteldheid van veroordeelde waardoor een dergelijk feit niet meer gepleegd kan worden.



Veroordeelde voelt zich door het DNA-onderzoek extra geïncrimineerd. Hoewel de rechtbank het begrijpelijk acht dat veroordeelde een gevoel van isolement ervaart stelt zij voorop dat de Wet DNA het algemene belang dient. De opname van DNA-materiaal van de veroordeelde is geen strafverzwarende omstandigheid of een extra straf. De Wet DNA is bedoeld om gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen en om de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Informatie uit de DNA-databank is bovendien niet openbaar en dus niet vrij verkrijgbaar voor een ieder die hierin geïnteresseerd zou zijn. Mocht veroordeelde in hoger beroep worden vrijgesproken, zal zijn DNA-materiaal worden vernietigd.




Beslissing
De rechtbank


verklaart het bezwaar ongegrond.




Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 februari 2026.













Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.