Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:7280
2026-02-10
Strafrecht
25-018648
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
niet-ontvankelijk.
Citeert (6)
- ECLI:NL:HR:2020:1108 Hoge Raad 23-06-2020
- ECLI:NL:HR:2022:511 Hoge Raad 05-04-2022
- ECLI:NL:HR:2020:1108 Hoge Raad 23-06-2020
- ECLI:NL:HR:2021:1940 Hoge Raad 21-12-2021
- ECLI:NL:HR:2021:679 Hoge Raad 18-05-2021
- ECLI:NL:HR:2021:744 Hoge Raad 18-05-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.977 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-194913-25
raadkamernummer : 25-018648
datum : 10 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. J.J.A. van Roessel, advocaat te Tilburg (Nimrodstraat 29a, 5042 WX Tilburg),
hierna te noemen: de klager.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend op 16 juli 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de aanvulling op het klaagschrift van 24 juli 2025;
de kennisgevingen van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 26 juni 2025 onder klager in beslag zijn genomen: een personenauto van het merk/type Citroën Berlingo, kleur wit en voorzien van het [kenteken] , een telefoon van het merk/type Samsung S23, kleur zwart en een telefoon van het merk/type Samsung A21s, kleur wit;
het Europees onderzoeksbevel ( [EOB code] ) van 18 juli 2025
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie van 18 augustus 2025;
de heropeningsbeslissing van de raadkamer van 9 december 2025;
het aangepaste standpunt van het Openbaar Ministerie van 12 januari 2026;
de inventarisatielijst van het LFO van 26 juni 2025;
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 27 januari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en de gemachtigd advocaat van klager
mr. J.J.A. van Roessel, gehoord.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift in raadkamer verschenen.
Op 9 december 2025 is het onderzoek in raadkamer heropend vanwege onduidelijkheid over een deel van de goederen waarvan in het aanvullend klaagschrift de teruggave door klager wordt verlangd. De rechter heeft de officier van justitie verzocht om:
- na te gaan of de pinpas aan klager is teruggegeven en
- om duidelijkheid te verschaffen of de door klager genoemde goederen - een werkjas, een boormachine, een slijptol, een dremol emmer met ringsleutels doppenset, werkhandschoenen, handschoenen, handgereedschap en een kist met onder meer lasspullen- behoren tot de goederen die door het LFO in beslag zouden zijn genomen en
- te informeren of er volgens het Openbaar Ministerie een strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag op een of meer van genoemde goederen en zo ja, welk strafvorderlijk belang.
In een aangepast standpunt van het Openbaar Ministerie van 12 januari 20256 geeft zij aan dat bij navraag is gebleken dat er door de politie geen pinpas in beslag is genomen. Wel zijn een aantal goederen, waaronder gereedschap, in beslag genomen door LFO. Deze goederen zijn opgenomen in een inventarisatielijst, maar worden niet allemaal benoemd. Het in beslag genomen gereedschap is door LFO geïnventariseerd en is met toestemming van de officier van justitie vernietigd.
De raadsvrouw heeft in raadkamer aangevoerd dat klager de pinpas heeft teruggekregen. Deze was kennelijk gelijktijdig met zijn auto al teruggegeven. Verzocht wordt dus enkel nog om teruggave van het gereedschap, de werkjas, de werk- en handschoenen en de telefoons. Klager wordt verdacht van betrokkenheid bij voorbereidingshandelingen terzake het vervaardigen van amfetamine. Klager wordt hiervoor in Nederland vervolgd. Hij heeft inmiddels een dagvaarding ontvangen en zal zich op 24 februari 2026 voor de meervoudige strafkamer moeten verantwoorden.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
Voor zover het klaagschrift ziet op de Citroën Berlingo en de pinpas stelt de rechtbank vast dat het beslag is beëindigd, nu deze goederen aan klager zijn teruggegeven. De rechtbank zal klager voor dit onderdeel niet-ontvankelijk verklaren in zijn beklag.
Het klaagschrift ziet thans nog op het strafvorderlijke beslag dat is gelegd op een werkjas, een boormachine, een slijptol, een dremol emmer met ringsleutels doppenset, werkhandschoenen, handschoenen, handgereedschap, een kist met onder meer lasspullen en twee telefoons.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijke beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Het gereedschap
Op grond van de aanvullende stukken die door het Openbaar Ministerie zijn toegestuurd en het verhandelde in raadkamer stelt de rechtbank vast dat in de Citroën Berllingo door LFO in beslag genomen goederen lagen, waaronder gereedschap en twee telefoons. Op de dagvaarding voor de meervoudige strafkamerzitting van 24 februari 2025 wegens voorbereidingshandelingen vervaardigen van harddrugs worden de nodige voorwerpen gespecificeerd. Hoewel dit niet de gereedschappen en voorwerpen zijn waarvan door klager om teruggave wordt verzocht, is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de meervoudige strafkamer op 24 februari 2026 bij een veroordeling de verbeurdverklaring van deze goederen zal uitspreken. Zij kunnen immers ook bij voorbereidingshandelingen gebruikt worden. De rechtbank zal het klaagschrift ten aanzien van het gereedschap, de werkjas en de werk- en handschoenen dan ook ongegrond verklaren.
De telefoons:
De rechtbank stelt vast dat de telefoons aanvankelijk in beslag zijn genomen onder klager in het onderzoek Velvet met parketnummer 02-194913-25. Het raadkamerstandpunt van de officier van justitie dat de telefoons kunnen worden overgedragen aan de Belgische autoriteiten betekent dat het Nederlandse strafvorderlijke belang zich niet tegen teruggave verzet. In beginsel worden inbeslaggenomen goederen in dat geval teruggegeven aan de beslagene. Op 18 juli 2025 hebben de Belgische autoriteiten echter een EOB uitgevaardigd.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het beslag dat is gelegd ter uitvoering van een EOB als volgt.
De rechtbank doet geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB. Gelet op artikel 5.4.7 eerste lid Sv toetst zij evenmin de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van de inbeslaggenomen goederen. Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EOB is niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt immers ten grondslag dat het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn.
Het staat wel ter beoordeling of zich een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Zo moet op grond van artikel 5.4.4 tweede lid Sv in beginsel worden voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Daarnaast kan de rechtbank in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. De rechtbank moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, moeten verweren die raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag buiten beschouwing worden gelaten.
De rechtbank overweegt dat verder in deze klaagschriftprocedure ter beoordeling staat of de inbeslaggenomen voorwerpen ook voorwerpen zijn waarop het EOB betrekking heeft. Daarbij is van belang dat de uitvaardigende staat het te verkrijgen bewijsmateriaal in het EOB globaal mag omschrijven, omdat het voor de uitvaardigende staat niet steeds op voorhand vaststaat welk bewijsmateriaal precies aanwezig is in de uitvoerende staat.
De rechtbank stelt vast dat de Belgische autoriteiten op 18 juli 2025 een EOB uitgevaardigd. In dit EOB wordt gerelateerd dat klager wordt verdacht van deelneming aan een criminele organisatie en de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. De Nederlandse gerechtelijke en politionele autoriteiten wordt onder andere gevraagd om de overdracht van de gsm-toestellen van de in het dossier Velvet gearresteerde verdachten [verdachte] en [klager] voor uitlezing in België. De rechtbank stelt dan ook vast dat de inbeslaggenomen telefoons het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met het bevel beoogt te verkrijgen. Van een weigeringsgrond is niet gebleken. Daarom zal de rechtbank het klaagschrift voor de telefoons ongegrond verklaren.
3De beslissing
De rechtbank
- verklaart klager niet-ontvankelijk in het beklag voor zover het is gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag op de Citroën Berlingo, voorzien van het [kenteken] , en een pinpas;
- verklaart het klaagschrift voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 februari 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
ECLI:NL:HR:2020:1108 en ECLI:NL:HR:2022:511.
ECLI:NL:HR:2020:1108.
ECLI:NL:HR:2021:1940.
ECLI:NL:HR:2021:679 en ECLI:NL:HR:2021:744.
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-194913-25
raadkamernummer : 25-018648
datum : 10 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. J.J.A. van Roessel, advocaat te Tilburg (Nimrodstraat 29a, 5042 WX Tilburg),
hierna te noemen: de klager.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend op 16 juli 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de aanvulling op het klaagschrift van 24 juli 2025;
de kennisgevingen van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 26 juni 2025 onder klager in beslag zijn genomen: een personenauto van het merk/type Citroën Berlingo, kleur wit en voorzien van het [kenteken] , een telefoon van het merk/type Samsung S23, kleur zwart en een telefoon van het merk/type Samsung A21s, kleur wit;
het Europees onderzoeksbevel ( [EOB code] ) van 18 juli 2025
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie van 18 augustus 2025;
de heropeningsbeslissing van de raadkamer van 9 december 2025;
het aangepaste standpunt van het Openbaar Ministerie van 12 januari 2026;
de inventarisatielijst van het LFO van 26 juni 2025;
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 27 januari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en de gemachtigd advocaat van klager
mr. J.J.A. van Roessel, gehoord.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift in raadkamer verschenen.
Op 9 december 2025 is het onderzoek in raadkamer heropend vanwege onduidelijkheid over een deel van de goederen waarvan in het aanvullend klaagschrift de teruggave door klager wordt verlangd. De rechter heeft de officier van justitie verzocht om:
- na te gaan of de pinpas aan klager is teruggegeven en
- om duidelijkheid te verschaffen of de door klager genoemde goederen - een werkjas, een boormachine, een slijptol, een dremol emmer met ringsleutels doppenset, werkhandschoenen, handschoenen, handgereedschap en een kist met onder meer lasspullen- behoren tot de goederen die door het LFO in beslag zouden zijn genomen en
- te informeren of er volgens het Openbaar Ministerie een strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag op een of meer van genoemde goederen en zo ja, welk strafvorderlijk belang.
In een aangepast standpunt van het Openbaar Ministerie van 12 januari 20256 geeft zij aan dat bij navraag is gebleken dat er door de politie geen pinpas in beslag is genomen. Wel zijn een aantal goederen, waaronder gereedschap, in beslag genomen door LFO. Deze goederen zijn opgenomen in een inventarisatielijst, maar worden niet allemaal benoemd. Het in beslag genomen gereedschap is door LFO geïnventariseerd en is met toestemming van de officier van justitie vernietigd.
De raadsvrouw heeft in raadkamer aangevoerd dat klager de pinpas heeft teruggekregen. Deze was kennelijk gelijktijdig met zijn auto al teruggegeven. Verzocht wordt dus enkel nog om teruggave van het gereedschap, de werkjas, de werk- en handschoenen en de telefoons. Klager wordt verdacht van betrokkenheid bij voorbereidingshandelingen terzake het vervaardigen van amfetamine. Klager wordt hiervoor in Nederland vervolgd. Hij heeft inmiddels een dagvaarding ontvangen en zal zich op 24 februari 2026 voor de meervoudige strafkamer moeten verantwoorden.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
Voor zover het klaagschrift ziet op de Citroën Berlingo en de pinpas stelt de rechtbank vast dat het beslag is beëindigd, nu deze goederen aan klager zijn teruggegeven. De rechtbank zal klager voor dit onderdeel niet-ontvankelijk verklaren in zijn beklag.
Het klaagschrift ziet thans nog op het strafvorderlijke beslag dat is gelegd op een werkjas, een boormachine, een slijptol, een dremol emmer met ringsleutels doppenset, werkhandschoenen, handschoenen, handgereedschap, een kist met onder meer lasspullen en twee telefoons.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijke beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Het gereedschap
Op grond van de aanvullende stukken die door het Openbaar Ministerie zijn toegestuurd en het verhandelde in raadkamer stelt de rechtbank vast dat in de Citroën Berllingo door LFO in beslag genomen goederen lagen, waaronder gereedschap en twee telefoons. Op de dagvaarding voor de meervoudige strafkamerzitting van 24 februari 2025 wegens voorbereidingshandelingen vervaardigen van harddrugs worden de nodige voorwerpen gespecificeerd. Hoewel dit niet de gereedschappen en voorwerpen zijn waarvan door klager om teruggave wordt verzocht, is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de meervoudige strafkamer op 24 februari 2026 bij een veroordeling de verbeurdverklaring van deze goederen zal uitspreken. Zij kunnen immers ook bij voorbereidingshandelingen gebruikt worden. De rechtbank zal het klaagschrift ten aanzien van het gereedschap, de werkjas en de werk- en handschoenen dan ook ongegrond verklaren.
De telefoons:
De rechtbank stelt vast dat de telefoons aanvankelijk in beslag zijn genomen onder klager in het onderzoek Velvet met parketnummer 02-194913-25. Het raadkamerstandpunt van de officier van justitie dat de telefoons kunnen worden overgedragen aan de Belgische autoriteiten betekent dat het Nederlandse strafvorderlijke belang zich niet tegen teruggave verzet. In beginsel worden inbeslaggenomen goederen in dat geval teruggegeven aan de beslagene. Op 18 juli 2025 hebben de Belgische autoriteiten echter een EOB uitgevaardigd.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het beslag dat is gelegd ter uitvoering van een EOB als volgt.
De rechtbank doet geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB. Gelet op artikel 5.4.7 eerste lid Sv toetst zij evenmin de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van de inbeslaggenomen goederen. Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EOB is niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt immers ten grondslag dat het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn.
Het staat wel ter beoordeling of zich een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Zo moet op grond van artikel 5.4.4 tweede lid Sv in beginsel worden voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Daarnaast kan de rechtbank in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. De rechtbank moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, moeten verweren die raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag buiten beschouwing worden gelaten.
De rechtbank overweegt dat verder in deze klaagschriftprocedure ter beoordeling staat of de inbeslaggenomen voorwerpen ook voorwerpen zijn waarop het EOB betrekking heeft. Daarbij is van belang dat de uitvaardigende staat het te verkrijgen bewijsmateriaal in het EOB globaal mag omschrijven, omdat het voor de uitvaardigende staat niet steeds op voorhand vaststaat welk bewijsmateriaal precies aanwezig is in de uitvoerende staat.
De rechtbank stelt vast dat de Belgische autoriteiten op 18 juli 2025 een EOB uitgevaardigd. In dit EOB wordt gerelateerd dat klager wordt verdacht van deelneming aan een criminele organisatie en de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. De Nederlandse gerechtelijke en politionele autoriteiten wordt onder andere gevraagd om de overdracht van de gsm-toestellen van de in het dossier Velvet gearresteerde verdachten [verdachte] en [klager] voor uitlezing in België. De rechtbank stelt dan ook vast dat de inbeslaggenomen telefoons het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met het bevel beoogt te verkrijgen. Van een weigeringsgrond is niet gebleken. Daarom zal de rechtbank het klaagschrift voor de telefoons ongegrond verklaren.
3De beslissing
De rechtbank
- verklaart klager niet-ontvankelijk in het beklag voor zover het is gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag op de Citroën Berlingo, voorzien van het [kenteken] , en een pinpas;
- verklaart het klaagschrift voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 februari 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
ECLI:NL:HR:2020:1108 en ECLI:NL:HR:2022:511.
ECLI:NL:HR:2020:1108.
ECLI:NL:HR:2021:1940.
ECLI:NL:HR:2021:679 en ECLI:NL:HR:2021:744.